Memorie van toelichting onderwijsdecreet XXI hoofdstuk V. Hoger onderwijs afdeling I. Universiteiten



Dovnload 80.65 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte80.65 Kb.
MEMORIE VAN TOELICHTING

ONDERWIJSDECREET XXI

HOOFDSTUK V. HOGER ONDERWIJS
AFDELING I. UNIVERSITEITEN
Artikel V.1

Het universiteitsdecreet voorziet een recht op een bijkomend mandaatsjaar na zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte bij de verschillende tijdelijke aanstellingen in het academisch personeel, met name assistenten (art. 92), doctor-assistenten (art. 94) en tenure trackdocenten (art. 91bis).


Enkel voor de ZAP-leden die zijn aangesteld met een proefperiode van maximaal 3 jaar met uitzicht op vaste benoeming, is dergelijk recht op een bijkomend mandaatsjaar niet voorzien.
Dit brengt grote ongelijkheid mee, om binnen de toegekende aanstellingsperiode de cruciale beslissing over al dan niet vaste benoeming moet genomen worden. ZAP-leden die in deze periode zwanger geweest zijn of met een langdurige en ernstige ziekte geconfronteerd werden, worden, wanneer geen bijkomende mandaatsperiode mogelijk is, ernstig gediscrimineerd tegenover hun collega’s die gedurende de gehele periode van hun aanstelling ongestoord aan de uitbouw van hun dossier hebben kunnen werken.
Door de voorgestelde decreetsaanpassing wordt deze discriminatie ongedaan gemaakt en wordt een lacune in de wetgeving aangevuld.
Artikel V.2

Zie voor een algemene toelichting de toelichting bij artikel V.6.


De mogelijkheid tot overname van een personeelslid van een andere instelling is bij de universiteiten beperkt tot het administratief en technisch personeel. Om een excellente kwaliteit van het onderwijs en onderzoek te garanderen is het voor het academisch personeel aangewezen dat vacatures ingevuld worden via een externe vacature die ook internationaal kenbaar gemaakt wordt.
AFDELING II. HOGESCHOLEN
Artikel V.3

Volgens de pensioenregeling in de openbare sector verliest een personeelslid zijn pensioenrechten na een ontslag op grond van de hoogste in de tuchtregeling opgenomen tuchtstraf. Om te vermijden dat een ontslag altijd tot de zware consequentie van het verlies van de pensioenrechten leidt, zijn in vele tuchtregelingen twee vormen van ontslag opgenomen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het gewone ontslag (met behoud van pensioenrechten) en de afzetting (ontslag met verlies van pensioenrechten). Dit onderscheid wordt nu al gemaakt in het Vlaams personeelsstatuut en in de decreten rechtspositie van 27 maart 1991. Dit artikel voert dezelfde regeling in in het personeelsstatuut voor de hogescholen.


Artikel V.4

Artikel 94 van het hogescholendecreet regelt het ontslag om dringende redenen. Het derde lid stelt dat een personeelslid tegen dit ontslag een bezwaarschrift kan indienen bij het college van beroep inzake tucht. Dit college kan ofwel het ontslag bevestigen, ofwel een preventieve schorsing uitspreken met een tuchtprocedure tot gevolg. Op deze manier kan een personeelslid met een aanstelling, waarop volgens artikel 78 van het hogescholendecreet de tuchtregeling niet van toepassing is, toch een tuchtstraf krijgen. Dit is een anomalie die met de aanpassing aan artikel 94 rechtgezet wordt.


Naar analogie met de procedure in de decreten rechtspositieregeling van 27 maart 1991 spreekt het college van beroep zich voortaan alleen uit over de vraag of het ontslag om dringende redenen al dan niet gegrond is. Het verwerpen van het ontslag om dringende redenen heeft niet automatisch tot gevolg dat er een tuchtprocedure opgestart wordt. Het is het hogeschoolbestuur dat zelf moet uitmaken welke acties zij onderneemt, als het ontslag om dringende redenen verworpen wordt. Bij een benoemd personeelslid kan dat het opstarten van een tuchtprocedure zijn, bij een aangesteld personeelslid kan dat een ontslag met een opzegtermijn zijn op grond van artikel 92, §2. Door de wijziging aan het derde lid, is het vijfde lid zonder voorwerp geworden en wordt dit lid voor alle duidelijkheid best opgeheven.
De termijn voor het college van beroep, die op dit moment heel beperkt is, is, naar analogie met de regeling uit het niet hoger onderwijs verlengd van 3 naar 20 werkdagen.
Artikel V.5, V.9, V.15

Op dit moment kan het mandaat van departementshoofd alleen maar toegekend worden aan een lid van het onderwijzend personeel. Bovendien bepaalt artikel 109 van het hogescholendecreet van 13 juli 1994 dat het personeelslid met het mandaat van departementshoofd gedurende het mandaat verder belast blijft met onderwijsactiviteiten. Zowel de beperking tot leden van het onderwijzend personeel als de blijvende uitoefening van een onderwijsopdracht vormen in de realiteit een belemmering bij de invulling van het mandaat van departementshoofd. Enerzijds zijn er ook bij het administratief en technisch personeel mensen actief die de competenties hebben om het mandaat van departementshoofd te vervullen. Anderzijds laat het takenpakket van departementshoofd niet altijd toe om daarnaast nog een effectieve onderwijsopdracht op te nemen.


Dit voorstel versoepelt de reglementering voor de invulling van het mandaat van departementshoofd door de verplichting om een onderwijsopdracht niet meer te vermelden en door ook leden van het ATP toe te laten. Deze regeling verhindert niet dat een hogeschoolbestuur in zijn interne reglement het mandaat van departementshoofd kan voorbehouden aan leden van het OP en ook de uitoefening van een onderwijsopdracht kan opleggen.
Net zoals bij de regels over de invulling van het mandaat van algemeen directeur is de algemene bepaling over de invulling van het mandaat van departementshoofd opgenomen in het hoofdstuk over het onderwijzend personeel, maar is er in het hoofdstuk over het administratief en technisch personeel een specifieke regeling opgenomen voor de situatie waarin het departementshoofd tot het ATP behoort.
De wijziging aan artikel 286 vloeit voort uit de aanpassingen aan artikel 109.
Artikel V.6, V.11

In cao III Hoger Onderwijs is overeengekomen de mobiliteit van personeelsleden te bevorderen door de overname van een personeelslid van een andere instelling mogelijk te maken. Volgens de huidige regeling kan een personeelslid maar naar een andere hogeschool overgaan, als het benoemd wordt na een externe vacature. Deze regeling wordt versoepeld door de mogelijkheid te voorzien dat een hogeschool een vacante betrekking ook kan invullen via de overname van een benoemd personeelslid van een andere hogeschool. De overname van een personeelslid is enkel mogelijk binnen het onderwijzend of binnen het administratief en technisch personeel.


Als de hogeschool een benoemd personeelslid van een andere hogeschool overneemt, dan behoudt dit personeelslid ten minste de salarisschaal en de anciënniteit alsof het al benoemd was aan de hogeschool die de vacante betrekking invult. De hogeschool die de vacante betrekking invult, heeft wel de mogelijkheid om het overgenomen personeelslid in een hogere salarisschaal in te schalen.
Artikel V.7

Bij de inschaling van een nieuw personeelslid aan een hogeschool zijn er een aantal diensten waarmee reglementair rekening moet gehouden worden bij de inschaling. Voor het onderwijzend personeel gaat het om de diensten opgenomen in het KB van 15 april 1958. Diensten die niet in dit KB opgenomen zijn, kunnen bij de inschaling meegenomen worden als nuttige beroepservaring. Deze meeneembaarheid bedraagt op dit moment ten hoogste 10 jaar, tenzij het om diensten in de eigen hogeschool gaat.


In cao III Hoger Onderwijs is overeengekomen dat de beperking tot 10 jaar nuttige beroepservaring doorbroken wordt voor nieuwe personeelsleden die aan een hogeschool aangesteld of benoemd worden. Het loslaten van deze beperking geeft de hogescholen een grotere autonomie bij het verrekenen van diensten die niet ambtshalve in aanmerking genomen worden zoals diensten in het hoger onderwijs buiten de Europese Unie. Naar analogie met de regeling die nu al voor de universiteiten geldt, moet de hogeschool het toekennen van de nuttige beroepservaring motiveren op grond van de doorlopen beroepscarrière, de verworven ervaring en de verworven kwalificaties van het personeelslid.
Door zowel de datum van uitwerking van de maatregel, als de datum voor de bepaling van wat nieuwe personeelsleden zijn, retroactief op 1 februari 2011 vast te leggen, wordt vermeden dat in instellingen bestaande personeelsleden via een kunstgreep als nieuwe personeelsleden zouden kunnen beschouwd worden om hen op die manier bijkomende beroepservaring te kunnen geven.
Artikel V.8

Dit is een gelijkaardige maatregel als in artikel V.7 maar dan voor het administratief en technisch personeel van de hogescholen. Voor het administratief en technisch personeel zijn de diensten die ambtshalve opgenomen worden in de inschalingsanciënniteit opgenomen in het KB van 1 december 1970.


Artikel V.10

Naar analogie met de regeling die in artikel 114 van het universiteitendecreet voor het ATP opgenomen is, wordt ook voor het ATP van de hogescholen de mogelijkheid ingeschreven om op basis van prestaties en conform de loopbaanplanning een graadverhoging toe te kennen zonder interne vacature. Deze afwijking van het algemene principe is maar mogelijk in welbepaalde omstandigheden. De hogeschool moet over een loopbaanplan beschikken en de bevordering of ambtswijziging moet in deze planning passen en er moet afdoende gemotiveerd worden dat het betrokken personeelslid uitstekend gepresteerd heeft om van deze regeling te kunnen genieten.


Artikel V.12

Conform het hogescholendecreet zijn de hogescholen verplicht een vzw Sociale voorzieningen op te richten. De sociale toelagen worden aan die vzw’s toegekend. Evenwel ontbreekt er een bepaling omtrent de overdracht van de goederen die de vzw’s Sociale Voorzieningen verwerven en verworven hebben met de sociale toelage in geval van ontbinding van de vzw’s. Bij ontbinding gaan de goederen over naar de hogeschool waarmee de vzw SOVO verbonden is. Het komt erop aan de elk SOVO een dergelijke bepaling opneemt in de statuten. Met behoud van bestemming betekent dat de hogeschool de goederen moet gebruiken voor sociale voorzieningen voor studenten en dat de goederen niet terecht komen in het eigen, vrij te gebruiken patrimonium van de hogeschool.


Artikel V.13

Een hogeschool moet bij de benoeming van een lid van het onderwijzend personeel de in artikel 231 van het hogescholendecreet opgenomen benoemingspercentages in acht nemen. Als deze percentages overschreden worden, kan een hogeschool geen personeelslid benoemen. Deze regel leidt ertoe dat personeelsleden die al jaren goed presteren in een vacant ambt, omwille van de benoemingspercentages toch niet kunnen benoemd worden. Om een specifieke groep personeelsleden in een vacant ambt, namelijk de personeelsleden die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, toch nog een redelijk uitzicht te bieden op een vaste benoeming, is bij cao III hoger onderwijs overeengekomen dat de in het decreet opgenomen benoemingspercentages voor deze personeelsleden niet gelden.


Deze maatregel is een mogelijkheid, geen verplichting. Daarenboven moet het personeelslid nog steeds voldoen aan de vereisten in het reglement van het hogeschoolbestuur met de nadere benoemingsvoorwaarden. Op die manier behoudt de hogeschool een maximale autonomie voor haar personeelsbeleid.
Artikel V.14

Dit artikel geeft voor de Vlaamse autonome hogescholen uitvoering aan punt 9.4 van cao III Hoger Onderwijs. In afwachting van een nieuw Vlaams syndicaal statuut voor het onderwijs, wordt hiertoe het hogescholendecreet aangepast.


Personeelsleden die zitting hebben in lokale inspraakorganen van de hogeschool opgericht door of krachtens een wet of een decreet, hebben het recht hieraan deel te nemen en krijgen daarvoor de nodige dienstvrijstelling.

Vakbondsafgevaardigden die bijvoorbeeld zitting hebben in vergaderingen ingericht door de VLOR, hebben het recht hieraan deel te nemen en krijgen daarvoor de nodige dienstvrijstelling. Dit recht geldt na een verzoek van een verantwoordelijk bestuurslid van een representatieve vakorganisatie. De term verantwoordelijk bestuurslid is een overname van de terminologie die al in het decreet van 23 januari 2009 houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs gebruikt wordt.

Onder dienstvrijstelling wordt verstaan dat de toestemming gegeven wordt aan een personeelslid om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor de duur die nodig is om deze vergaderingen bij te wonen. Gedurende deze dienstvrijstelling bevinden deze personeelsleden zich in de stand dienstactiviteit.


Artikel V.16

Dit artikel geeft voor de gesubsidieerde hogescholen uitvoering aan punt 9.4 van cao III Hoger Onderwijs.


Artikel V.17

Bij de invoering van het hogescholendecreet zijn de zogenaamde immuun tijdelijken ontstaan. Immuun tijdelijken zijn de tijdelijken aan wie overgangsbepalingen werden toegekend op grond van artikel 318, 2°. Er zijn op dit moment aan de hogescholen nog een aantal immuun tijdelijken actief die al jaren in hetzelfde ambt waarnaar ze geconcordeerd werden, werkzaam zijn, maar hierin niet kunnen benoemd worden, omdat ze niet over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikken. In uitvoering van cao III Hoger Onderwijs wordt deze situatie geregulariseerd voor de resterende groep van immuun tijdelijken die op 1 januari 2011 aan een hogeschool nog in hoofdambt in dienst zijn. Door deze maatregel kan een personeelslid dat, met uitzondering van de diplomavereisten, aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, alsnog benoemd worden.


AFDELING III. INSTELLINGEN OPENBAAR NUT
Artikel V.18, V.19, V.20

De Algemene Raad van de Universiteit Antwerpen Management School heeft op 30 oktober 2009 de naamswijziging van de School naar “Antwerp Management School” goedgekeurd. Deze naamswijziging werd op 21 juni 2010 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en op 2 augustus 2010 aan de bevoegde ministers meegedeeld. De decreetswijziging voegt de nieuwe benaming in de desbetreffende artikelen in.


Door de terugwerkende kracht wordt de inwerkingtreding afgestemd op het academiejaar na de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad; het moment waarop de nieuwe benaming effectief in werking trad.

AFDELING IV. HERSTRUCTURERING HOGER ONDERWIJS


Artikel V.21

Deze wijziging zet een anomalie in de regelgeving recht. Artikel 13 van het Structuurdecreet is wel degelijk ook van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen. Dit wordt trouwens bevestigd door het feit dat artikel 25 van het decreet, waarin eveneens sprake is van specificaties, wel van toepassing werd gemaakt op deze instellingen.


Artikel V.22, V.25, V.26, 3°

In een groot aantal landen dragen bachelorgraden en mastergraden een toevoeging zoals “of Arts” of “of Science”, e.a. Om de internationale herkenbaarheid van Vlaamse diploma’s te verzekeren is decretaal al voorzien dat de Vlaamse Regering na advies van de VLUHR en de Vlaamse Vereniging van Studenten, een lijst kan vastleggen met de graden in het academisch onderwijs waaraan de specificatie “of arts” of “of science” kan worden toegevoegd. Met het oog op de transparantie van de afkortingen worden de kleine letters vervangen door hoofdletters.


Om de internationale herkenbaarheid nog te verhogen wordt door deze decreetswijzigingen verder bepaald dat ook de specificaties “of Laws”, “of Medicine”, “of Veterinary Science”, “of Veterinary Medicine” en “of Philosophy” kunnen worden toegevoegd aan bachelor- en mastergraden in het academisch onderwijs.

De toevoeging van een specificatie geniet dezelfde bescherming als de graad zelf. Met de decreetswijziging worden ook bepaalde afkortingen voorbehouden voor de specificaties. Ook deze afkortingen worden beschermd.


De decreetswijzigingen beantwoorden aan het engagement dat is genomen naar aanleiding van de Vraag om Uitleg, nr. 2092, 2009-2010, van Fientje Moerman over het gebruik van specificaties in het hoger onderwijs.
De VLIR, VLHORA en VVS hebben hierover hun akkoord verleend en bij brief van 15 september 2010 een gezamenlijk advies uitgebracht.
Artikel V.23, V.40

De opheffing van deze bepalingen en in het bijzonder van de onderwijsbevoegdheid van de Sint-Lukas Hogeschool Brussel is het gevolg van de vraag van de betrokken hogeschoolbesturen om het bevoegd gezag/inrichtende macht ten aanzien van de studiegebieden van de Sint-Lukas Hogeschool Brussel over te dragen aan de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst. Deze vraag heeft tot doel om voor de opleidingen van de Sint-Lukas Hogeschool Brussel, die nu geen onderwijssokkel heeft, een onderwijssokkel te genereren. Zij past in het beleid van de associatie waartoe de betrokken instellingen behoren.


De overdracht van de onderwijsbevoegdheid heeft betrekking op:

- het studiegebied architectuur: de professionele bachelor in de interieurvormgeving;

- het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst: de bachelor- en masteropleidingen in enerzijds de audiovisuele kunsten en in anderzijds de beeldende kunsten;

- het studiegebied industriële wetenschappen en technologie: de professionele bachelor in de bouw.


Met deze overdrachten wordt een dubbel doel nagestreefd:

  • in Brussel binnen één instelling een rationeel en centraal aangestuurd beleid voeren tussen het professioneel en het academisch onderwijs in het domein van het audiovisuele (Narafi en Sint-Lukas) en van de interieurvormgeving en -architectuur (Sint-Lucas Brussel en Sint-Lukas), waardoor ook bijkomende kansen ontstaan om de kwaliteit van en de dwarsverbanden tussen de desbetreffende opleidingen te verhogen en hun specifiek Brussels profiel te versterken;

  • de opleidingsprofielen van de opleidingen in de beeldende kunsten op elkaar afstemmen en de doorstromingsmogelijkheden en de dwarsverbanden tussen het professioneel en het academisch onderwijs in de beeldende kunsten verbeteren.

De schrapping van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel als hogeschool van de Vlaamse Gemeenschap kan pas ingaan vanaf 1 januari 2013, zodat artikel 25, §1, 5°, c) van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen – dat stelt dat bij een herstructurering de betrokken hogescholen in een overeenkomst afspreken welk bedrag van de werkingsuitkering van de begrotingsjaren t-1 en t door de overdragende instelling aan de ontvangende instelling wordt doorgestort – effectief zijn toepassing kan kennen.


Artikel V.24

Zie de toelichting bij artikel V.28


Artikel V.26, 1°

Dit artikel sluit aan bij art. V.50 over de decretale verankering van de Europese richtlijn 2005/36/EG. Met dit artikel wordt conform deze richtlijn de beroepstitel “verantwoordelijke algemeen ziekenverpleger” toegevoegd bij het studiegebied Gezondheidszorg, zodat deze titel op het diploma kan vermeld worden.


De terugwerkende kracht is noodzakelijk om de instellingen in de mogelijkheid te stellen om de diploma’s voor het academiejaar 2010-2011 volgens de regels van de Richtlijn op te stellen. Als dat niet gebeurt, riskeert België een veroordeling door het Europese Hof van Justitie.
Artikel V.26, 2°

Volgens de huidige regeling moet een instelling op volgende diploma’s als bijkomende titel vermelden:



  • bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs – titel: kleuteronderwijzer(es)

  • bachelor in het onderwijs: lager onderwijs – titel: onderwijzer(es)

  • bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs – titel: geaggregeerde voor het secundair onderwijs – groep 1

De bijkomende titels in het studiegebied Onderwijs bieden geen enkele meerwaarde meer. Bovendien is de bijkomende titel ‘geaggregeerde voor het secundair onderwijs – groep 1’ niet langer conform met het decreet lerarenopleiding. Het behouden van de bijkomende titel ‘geaggregeerde voor het secundair onderwijs – groep 1’ is dan ook niet langer correct. Voor de wetgeving over bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen van het onderwijspersoneel stelt de schrapping van de bijkomende titels in het studiegebied Onderwijs geen probleem. De diploma’s worden als bekwaamheidsbewijs vermeld met de actuele benaming van bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs.


Artikel V.28, V.34, 5°

Het doel van dit artikel is tweeledig.



  1. Met de op stapel staande hervormingsoperatie van het hoger onderwijs – met ondermeer de integratie van de academiserende hogeschoolopleidingen in de universiteiten – is het belangrijk dat de beginsituatie duidelijk is: de bachelor- en masteropleidingen die een instelling aanbiedt, de afstudeerrichtingen binnen een opleiding en de vestiging(en) waar de opleiding aangeboden wordt. Eén van de belangrijke uitgangspunten binnen het maatschappelijk debat over deze hervormingsoperatie is dat er gestreefd wordt naar een status quo, op het gebied van onderwijsbevoegdheid en regionale spreiding van opleidingen. Door het vastleggen van de huidige situatie in een besluit wordt enerzijds voorkomen dat er achteraf hierover discussies ontstaat en anderzijds dat instellingen nog voor de integratieoperatie in 2013-2014 bijkomende afstudeerrichtingen gaan inrichten en opleidingen gaan verplaatsen van vestigingsplaats. Dit zou het huidige evenwicht kunnen verstoren.

  2. Binnen bepaalde sectoren van het hogeronderwijslandschap is er momenteel ontevredenheid over de manier waarop bepaalde instellingen nieuwe afstudeerrichtingen aanbieden en deze naar de buitenwereld verkopen als nieuwe opleidingen. Deze instellingen omzeilen op deze manier de procedure voor het aanbieden van nieuwe opleidingen. Deze situatie creëert ook een onduidelijke situatie naar studenten en werkgevers. Pogingen om dit probleem binnen de VLHORA op te lossen, zijn tot op heden niet gelukt. Door het vastleggen in een besluit van de afstudeerrichtingen per opleiding en door enkel wijzigingen toe te staan na akkoord van de VLUHR wordt deze situatie vermeden.

De keuze om de lijst van de opleidingen, afstudeerrichtingen en vestigingsplaatsen vast te leggen bij besluit van de Vlaamse Regering en daarbij behorende procedure voor aanpassing van die lijst vergt een overeenkomstige wijziging van de opdracht van de Erkenningscommissie.


Om de sector de tijd te laten gezamenlijk een regeling uit te werken voor het aanbieden van nieuwe afstudeerrichtingen, zonder dat intussen verdere profilering ontstaat, hebben de instellingen voorgesteld voor twee academiejaren een tijdelijke standstill in het aanbod van de afstudeerrichtingen in te voeren. Deze regeling wordt voorgelegd aan de Vlaamse overheid. Indien er in deze periode geen nieuwe regeling kan worden uitgewerkt, wordt de regeling in §2 van kracht als generieke regeling.
Artikel V.29

Tijdens de schooljaren 2008-2009, 2009-2010 en 2010-2011 werden er financiële middelen toegekend aan projecten die in de schoot van een Expertisenetwerk of regionaal platform op experimentele basis de instroom, doorstroom en uitstroom van doelgroepen bevorderen, in het bijzonder door curriculumvernieuwingen, de organisatie van drempelverlagende informatieverstrekking over de specifieke lerarenopleidingen, de organisatie van aangepaste trajectbegeleiding of de uitbouw van netwerken tussen het Expertisenetwerk of regionaal platform, organisaties die doelgroepen vertegenwoordigen en het afnemend veld.

Na de laatste aanvraagronde is gebleken dat we in Vlaanderen nu eerder nood hebben aan innovatieve projecten binnen de lerarenopleidingen die de algemene kwaliteit van de opleiding en dus van de afgestudeerde leraar ten goede komen. Dit gaat veel verder dan enkel diversiteit waarop de projecten zich tot nu concentreerden. Daarom willen we naar analogie met bijvoorbeeld OBPWO en prioritaire nascholing, jaarlijks beleidsprioriteiten vastleggen.


Artikel V.30

Artikel 62 van het structuurdecreet bepaalt de criteria op basis waarvan de erkenningscommissie haar oordeel moet geven over de macrodoelmatigheid van voorstellen van nieuwe opleidingen. Het vijfde criterium gaat over de door de instellingen gezamenlijk beschreven leerresultaten van de nieuwe opleiding, voor zover het gaat om een opleiding waarvan de VLUHR nog geen domeinspecifieke leerresultaten heeft vastgesteld. De wijziging houdt in dat de VLUHR de domeinspecifieke leerresultaten in dat geval aan de Erkenningscommissie moet bezorgen ten laatste op 30 april, zodat de Erkenningscommissie hiermee rekening kan houden bij het formuleren van het oordeel over de macrodoelmatigheid. Het is niet haalbaar om die domeinspecifieke leerresultaten al gereed te hebben op het moment dat de instellingen hun voorstellen moeten indienen bij de Erkenningscommissie.


Op dit moment moet een instelling de aanvraag voor een nieuwe opleiding, samen met het bijhorende dossier, voor 1 april van het kalenderjaar dat voorafgat aan het academiejaar waarin ze de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden, indienen bij de Erkenningscommissie. Deze datum wordt met 1 maand vervroegd, zodat zowel de Erkenningscommissie als de VLUHR meer tijd hebben om de adviezen gedegen voor te bereiden.
Artikel V.31, V.32

In artikel 63bis is de procedure beschreven voor de indiening van aanvragen voor uitbreiding van de studieomvang van masteropleidingen. Er waren drie indieningsperiodes vastgelegd. Op dit moment resteert er nog een moment: juni 2011. In 2010 werden er geen dossiers ingediend en in 2009 was er koppeling van deze dossiers met de rationalisatieplannen. De procedure van de rationalisatieplannen is maar één keer gebruikt wegens de schrapping van de rationalisatiemiddelen vanaf 2010. Om te beletten dat de instellingen nu nog heel vlug voor deze ultieme deadline dossiers indienen, wordt er voorgesteld om de indiening over meerdere jaren te spreiden. Er wordt een bepaling toegevoegd dat de dossiers die betrekking hebben op de academische masteropleidingen van de hogescholen gezamenlijk moeten ingediend worden door de betrokken universiteiten en hogescholen. Bij de beoordeling van de capaciteit en de kritische massa moet ook de capaciteit van de universiteiten betrokken worden, zeker voor de opleidingen die zullen geïntegreerd worden, maar ook van de kunstopleidingen gelet op het feit dat de voorbereiding van doctoraten in de kunsten onder de verantwoordelijkheid van de universiteiten valt.

Artikel V.33

Met deze wijziging wordt de vervaltermijn van 30 dagen waarbinnen de Vlaamse Regering een beslissing moet nemen in het geval de instelling een tweede aanvraag indient na een negatief oordeel van de Erkenningscommissie of na het verstrijken van de termijn waarbinnen de Erkenningscommissie haar oordeel kan uitbrengen voor samenvoeging van opleidingen een wijziging van benaming van opleiding, de onderwijstaal of de aard (statuut) van de opleiding, verlengd naar 60 dagen. Deze verlenging is nodig om de Vlaamse Regering materieel in staat te stellen binnen de vervaltermijn een beslissing te nemen gelet op de kerst- en de Nieuwjaarperiode die midden in de vervaltermijn valt. Voorafgaand aan de beslissing is er een advies van de Inspectie van Financiën vereist en moet er tijd zijn om het dossier te agenderen voor beslissing door de Vlaamse Regering. Een verlenging met 30 dagen kan die periode overbruggen om binnen de vervaltermijn een beslissing te nemen. Dezelfde problematiek doet zich voor bij tweede aanvragen voor gezamenlijk georganiseerde opleidingen en bij samenvoeging van opleidingen.


Artikel V.34, 1° tot en met 4°

In het kader van de evaluatie van de implementatielasten naar aanleiding van flexibilisisering in uitvoering van afspraken met het VOC werd in de context van een eerste deelrapport dat handelt over de informatisering ondermeer de werking van het HOR besproken.

Het grootste knelpunt dat de instellingen ervaren, is dat zij vaak geacht worden om veel meer informatie aan databanken aan te leveren dan eigenlijk nodig is. Dat is in grote mate het geval bij het Hoger Onderwijsregister, dat naast de decretaal voorgeschreven informatie ook heel wat bijkomende velden aanbiedt.

Bepaalde aspecten van de informatieplicht t.a.v. het HOR worden dus beschouwd als een duidelijk voorbeeld van een administratieve last.

Dit vloeit voort uit het feit dat het HOR niet enkel gezien wordt als het decretaal ingestelde register van hogeronderwijsopleidingen, maar ook als een oriënterend en zelfs wervend instrument ten aanzien van studenten.

De instellingen achten het echter toch niet aangewezen dat het HOR die dubbele rol zou (blijven) vervullen. Het HOR is geen optimaal instrument voor public relations en voor uitvoerige detaillering van alle opleidingsinformatie.

Het invullen van een aantal bijkomende velden door de instellingen komt eigenlijk neer op het kopiëren van informatie die uit de eigen systemen komt en dikwijs al elders gepubliceerd wordt.
Er zijn derhalve andere instrumenten voorhanden om de overige informatie te bundelen en beschikbaar te stellen.

Bepaalde secundaire gegevens zoals vervolgopleidingen, toelatingsvoorwaarden… worden bepaald per opleiding door elke instelling afzonderlijk en zijn beschikbaar op de eigen website. Het volstaat dus om in het HOR in een link naar de onderwijs- en examenreglementen en de websites van de instellingen te voorzien voor meer informatie.

Het is de taak van de instellingen om te controleren of de links naar de websites werken en om de informatie op de websteks voortdurend te actualiseren, zodat steeds de meest recente informatie voorhanden is.
Het is bovendien aangewezen dat een historiek wordt bijgehouden van alle academiejaren vanaf de invoering van de bachelor-masterstructuur, zodat altijd kan worden nagegaan onder welke naam de opleiding bestond en welke accreditatiegeschiedenis deze opleiding heeft. De NVAO beschikt momenteel reeds over deze gegevens, maar ze zouden ook gemakkelijker via het HOR raadpleegbaar moeten zijn.
Het vermelden van de postgraduaatopleidingen en de korte opleidingstrajecten zoals opgenomen in artikel 17 van het Structuurdecreet, wordt ook geschrapt.

Deze opleidingen worden ook niet geaccrediteerd, zodat hun officiële status niet door een zelfstandig agentschap moet worden bekrachtigd.

Zo blijft de link met de NVAO en haar opdracht ook zuiver: in het HOR komen enkel opleidingen die door de handen van de NVAO zijn gegaan.

Momenteel registreren de instellingen in DHO de opgenomen studiepunten binnen de postgraduaatopleidingen. Zodat deze gegevens, noodzakelijk voor de berekening van de kinderbijslag, reeds voorhanden zijn.


Er bestaan verder ten aanzien van studenten die uit het Vlaamse secundair onderwijs komen reeds een aantal andere oriënterende kanalen en instrumenten (brochures sid – in , Study in Flanders….), die zich zowel op overkoepelend als op instellingsniveau bevinden en meestal dichter bij de aankomende student staan dan het HOR.

Zoals het ook aangegeven is in de Beleidsbrief Onderwijs 2010-2011 is het wel belangrijk dat de overheid werk maakt van een optimaal functionerende algemene website ten behoeve van studiekeuze begeleiding/oriëntering van de student.


Het HOR kan zo beperkt blijven tot een overzicht van alle door de overheid erkende bachelor- en masteropleidingen, met vermelding van de actuele accreditatiestatus van deze opleidingen.

Bepaalde elementen die volgens het Structuurdecreet in het HOR moeten worden opgenomen, kunnen dan ook worden ingeperkt.

Artikel V.35, V.36, V.37

Zie de memorie van toelichting bij artikel III.6.


Artikel V.38

Met het decreet op de lerarenopleidingen is de visitatie door VLIR en VLHORA voor de specifieke lerarenopleidingen ingevoerd. Er is toen gekozen om hieraan geen accreditatie te verbinden, dit naar analogie met de eerste visitatieronde van de opleidingen van de hogescholen en de universiteiten. Bij deze eerste visitatieronde was er voor de hogescholen en universiteiten wel een decretale regeling die een actie van de Vlaamse Regering bij een negatiege visitatie mogelijk maakte. Dit wordt nu voorzien voor de specifieke lerarenopleiding.


Artikel V.39

De Vlaamse hogescholen en universiteiten kunnen met een binnenlandse of buitenlandse partnerinstelling een dubbeldiploma uitreiken op voorwaarde dat de betrokken studenten ten minste één derde van de omvang van de opleiding, uitgedrukt in studiepunten, gevolgd en verworven hebben in de andere partnerinstelling(en) dan deze waar zij bij de aanvang van de opleiding initieel waren ingeschreven.

Voor een masteropleiding van 120 studiepunten is dit vervelend. Dit komt overeen met 40 studiepunten en dit komt niet overeen met een semester of een andere indeling van het academisch jaar. We stellen vast dat de veel uitwisselingen van studenten in gezamenlijke opleidingen of in opleidingen die afgesloten worden met een dubbeldiploma, plaatsvinden op semesterbasis. Ook voor een Erasmus Mundus aanvraag moeten de bachelor- of masterstudenten minstens één semester mobiel zijn, doch de omvang van een semester is niet eenduidig gedefenieerd Daarom wordt er voorgesteld om het minimale verblijf in de andere instelling te bepalen als een aantal studiepunten: 20 studiepunten voor een éénjarige masteropleiding en ten minste 27 studiepunten voor de andere masteropleidingen..
Artikel V.40

Het beheer van de Databank Hoger Onderwijs gebeurt onder de vorm van medebeheer van de overheid en de hogeronderwijsinstellingen. De afspraak bestaat dat de vertegenwoordigers van de verschillende partijen gemandateerd zijn voor hun instantie of voor de associatie die ze vertegenwoordigen. De bekrachtiging door de Vlaamse Regering moet het mandaat van de leden van de stuurgroep versterken. 


Artikel V.41

Dit artikel vormt de decretale basis van een ontwerp van uitvoeringsbesluit dat een aantal regels over de registratie en validatie van de gegevens binnen de Databank Hoger Onderwijs (DHO) bindend maakt. De actueel geldende gedragscode, opgesteld door de Gemandateerde Stuurgroep DHO bevat immers louter aanbevelingen.

Een laattijdige registratie door de instellingen kan voor studenten en andere instellingen voor problemen zorgen. Als de inschrijvingen van studenten niet tijdig in de databank worden geregistreerd, bestaat de kans dat studenten geen kinderbijslag ontvangen of geen studietoelage kunnen aanvragen, aangezien hiervoor beroep gedaan wordt op de gegevens. Daarnaast kunnen andere instellingen in problemen komen, als de student zich ook bij hen wil inschrijven. De instelling kan dan namelijk niet beschikken over de meest actuele stand van het leerkrediet, als de eerste instelling de inschrijving nog niet geregistreerd heeft. Hierdoor schrijven zij misschien een student in die een tekort aan leerkrediet heeft.

Een sluitende controle en validatie van de gegevens is noodzakelijk voor een correcte financieringsberekening.


AFDELING V. RECHTSPOSITIEREGELING VAN DE STUDENT EN BEGELEIDING VAN DE HERSTRUCTURERING HOGER ONDERWIJS
Artikel V.42, 1°, V.44, V.46, 2° en 3°, V.47, V.52

Zie de memorie van toelichting bij artikel III.6.


België heeft de Conventie van Lissabon betreffende de erkenning van diploma’s en studieperiodes in het hoger onderwijs geratificeerd. Met de ratificatie is de kous niet af. Hoewel in de meeste dossiers die gaan over de erkenning van diploma’s en studieperiodes in het hoger onderwijs de principes in elk geval impliciet wordt toegepast, is het nodig de toepassing van deze principes te expliciteren, zowel voor de overheid als voor de instellingen die aanvragen om de erkenning van diploma’s en studieperiodes behandelen.
Het gaat om de volgende principes:

  • elke houder van een diploma heeft recht op een faire waardering ervan door de bevoegde instantie;

  • procedures en criteria moeten transparant, degelijk en samenhangend zijn;

  • de bewijslast voor het aantonen dat de aanvrager niet voldoet aan de gestelde voorwaarden ligt bij de bevoegde erkenningsinstantie (omkering van de bewijslast);

  • een gemotiveerde erkenningsbeslissing moet binnen een redelijke termijn genomen worden;

  • in geval de beslissing negatief is, deelt de bevoegde erkenningsinstantie de verzoeker mede welke maatregelen hij of zij kan treffen om de aangeduide tekorten weg te werken (sluit logisch aan bij het principe van de omkering van de bewijslast);

  • tegen een negatieve beslissing moet binnen een redelijk termijn een beroep mogelijk zijn.

Tegelijk gelden de domeinspecifieke leerresultaten als referentiekader voor de waardering van buitenlandse diploma’s en studieperiodes.


De mogelijkheid om tegen een erkenningsbeslissing van een instelling voor hoger onderwijs een beroep te kunnen indienen bij de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen (artikel V.44), mag er niet toe leiden dat een student eenzelfde aanvraag bij verschillende instellingen indient en tegen de beslissing van elk van deze instellingen beroep instelt. Zo niet zouden de instellingen tegen elkaar uitgespeeld worden en wordt het shoppen tussen instellingen aangemoedigd. Om dit te vermijden kan een student die bij meerdere instellingen een erkenningsaanvraag ingediend heeft, maar tegen 1 erkenningsbeslissing een beroep instellen bij de Raad.
Artikel V.42, 2°

Studenten die wegens overmacht niet kunnen deelnemen aan de examens en waarvoor de instelling om organisatorische redenen ook geen nieuwe examenarrangementen kan uitdokteren, verliezen op dit moment hun leerkrediet. Dit is niet billijk en eerlijk ten aanzien van de studenten. Daarom is het nodig in een procedure te voorzien, zodat de studenten die in zo’n situatie verkeren hun leerkrediet terugkrijgen voor de opleidingsonderdelen waarover ze geen examen konden afleggen. Het niet kunnen afleggen van een examen kan in brede zin beschouwd worden als een negatieve studievoortgangsbeslissing waaraan noch de student, noch de instelling schuld treft. Er wordt nu voor gekozen om dergelijke beslissingen voor te leggen aan een van de overheid en de instellingen onafhankelijk orgaan, met name de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen om op die manier over alle instellingen heen de noodzakelijke transparantie en uniforme behandeling te garanderen. De studenten die hun leerkrediet wensen terug te krijgen, leggen de beslissingen van het instellingsbestuur voor aan de Raad. Het komt de Raad toe te oordelen over:



  • de overmacht op zich om ervoor te zorgen dat de invulling van de overmacht over de instellingen heen gelijk is;

  • de gegrondheid van de beslissing van de instelling dat er geen aangepaste examenregeling mogelijk is om organisatorische redenen.

Indien de beslissing van de instelling gegrond is, krijgt de student ambtshalve zijn of haar leerkrediet terug voor de betrokken opleidingsonderdelen.
Artikel V.43

De bepalingen betreffende de Raad voor betwistingen op het gebied van studievoortgangsbeslissingen zijn van toepassing op studenten. Wat het toepassingsgebied van het betreffende decreet van 19 maart 2004 betreft, wordt als “student” beschouwd “de persoon ingeschreven aan een instelling”.

Wat personen betreft die een bekwaamheidsonderzoek elders verworven competentie (EVC) aanvragen, heeft de decreetgever al bepaald dat deze personen, ook al zijn ze niet ingeschreven bij de instelling, op het ogenblik van het nemen van de studievoortgangsbeslissing als “studenten” worden beschouwd waardoor zij conform met de bevoegdheden van de Raad een beroep kunnen instellen tegen de genomen studievoortgangsbeslissing.

Studenten die een vrijstellingaanvraag indienen op grond van elders verworven kwalificatie (EVK), zijn op het ogenblik van de aanvraag eveneens niet noodzakelijk al ingeschreven aan een instelling. Conform met de bevoegdheidsomschrijving van de Raad moeten deze personen wel terecht kunnen bij de Raad om de vrijstellingsbeslissing in voorkomend geval aan te vechten.

Hetzelfde geldt voor personen die, op het ogenblik dat een beslissing wordt genomen over hun aanvraag tot het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma en de omvang van het betreffende studieprogramma, nog niet noodzakelijk ingeschreven zijn als student. Conform met de bestaande bevoegdheidsomschrijving van de Raad moeten zij wel een beroep kunnen instellen.
Dit is conform met de initiële bedoeling van de decreetgever. In de context van het minidecreet werd de oorspronkelijk de gezamenlijke aanvraag voor een bekwaamheidsonderzoek op grond van EVC en EVK uit elkaar getrokken. Voor een bekwaamheidsonderzoek op grond van EVC dienen personen zich te richten tot de validerende instantie. Zij worden beschouwd als student op grond van het al bestaande artikel II.2, §3. Voor een onderzoek van de EVK’s en de daaraan verbonden vrijstellingsaanvraag dient men zich rechtstreeks tot het instellingsbestuur te richten. De voorgestelde aanpassing betreft dus een aanpassing conform de ingevoerde wijzigingen inzake studievoortgang op grond van EVC’s en EVK’s doorgevoerd in het decreet van 16 juni 2006 tot instelling van een aantal maatregelen tot herstructurering en flexibilisering van het hoger onderwijs.
Artikel V.45

Deze aanpassing is een gevolg van de aanpassing aan artikel II.1, 15°bis bij artikel V.42, 2°.


Artikel V.46, 1°, 4°

De Raad gaat ambtshalve na of een verzoekschrift binnen de decretaal bepaalde vervaltermijn van vijf kalenderdagen is ingediend. Deze vervaltermijn gaat in de dag na die van de kennisname van de beslissing op intern beroep of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld (artikel II.24, eerste lid van het decreet van 19 maart 2004). En net dat laatste verloopt niet altijd even vlot.


Artikel II.14, tweede lid, van het betreffende decreet bepaalt zeer duidelijk dat de beslissing die uit de interne beroepsprocedure volgt, aan de student ter kennis moet gebracht worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld.

De Raad heeft echter al meermaals vastgesteld dat de instelling zich niet aan deze termijn houdt. Het gevolg daarvan is dat de student op een beslissing van de interne beroepsinstantie wacht en de tijdigheid van het instellen van het beroep bij de Raad voor betwistingen in zake studievoortgangsbeslissingen uit het oog verliest. Ingeval er uiteindelijk geen beslissing wordt genomen op intern beroep, kan de student geen regelmatig extern beroep meer instellen.

De vorige werkjaren en ook in 2009 heeft de Raad impliciet aanvaard dat een beroep bij de Raad tegen een beslissing, waarbij de termijn van vijftien dagen werd overschreden, ontvankelijk was, voor zover het ingesteld was binnen de vijf kalenderdagen na kennisname van de beslissing op intern beroep.

Dit leidt er echter toe dat dergelijke zaken veel langer aanslepen dan de decreetgever in eerste instantie voor ogen had. Een dergelijke toestand is ongewenst en zorgt voor grotere rechtsonzekerheid.


Naar aanleiding van enkele zaken die ingeleid werden in november 2009, waar de ingestelde termijn van 15 kalenderdagen om een intern beroep te behandelen dermate werd overschreden, heeft de Raad in haar besluiten een duidelijk standpunt ingenomen.

Naar het oordeel van de Raad dient een student bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen de vervaltermijn van vijf kalenderdagen een beroep in te stellen bij de Raad, tenzij voor het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de termijn van vijf kalenderdagen voor het beroep bij de Raad in de dag na die datum.

In zeer uitzonderlijke omstandigheden, namelijk die een langer durend onderzoek vergen, kan het verantwoord zijn en mede in belang van de student om de termijn van 15 kalenderdagen te verlengen om alsnog een beslissing op intern beroep te nemen.
Artikel V.47
Artikel V.48

Het betrokken artikel in het decreet van 19 maart 2004 beschrijft in §1 op welke wijze de studenten worden aangeduid in het bestuur van de universiteit of associatie. Voor een aantal instellingen zijn er echter reeds specifieke regelingen hierover in andere decreten. Hiertoe wordt in §2, 2° verwezen naar het decreet op de UGent en het toenmalige Universitair Centrum Antwerpen. Aangezien ook in het decreet over het statuut van de UHasselt specifieke bepalingen zijn opgenomen die de studentenvertegenwoordiging in het bestuur regelen, moet hiernaar verwezen worden.


AFDELING VI. FLEXIBILISERING HOGER ONDERWIJS
Artikel V.49

In de nota aan de Vlaamse Regering gevoegd bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 16 juli 2011 betreffende de conclusies van het maatschappelijk debat over de mogelijke integratie van de academiserende opleidingen van de hogescholen in de universiteiten heeft de Vlaamse Regering zich geëngageerd om de studieomvang van de masteropleiding te differentiëren over 60, 90 of 120 studiepunten met uitzondering van de masteropleidingen diergeneeskunde en geneeskunde. Dit vergt een wijziging van artikel 4 van het flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004.


Artikel V.50

De Europese Commissie deelde op 29 januari 2009 en 20 november 2009 aan de minister van Buitenlandse zaken mee dat de Gemeenschappen in België de Europese Richtlijn 2005/36/EC niet correct toepassen.


In uitvoering van deze Richtlijn is een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering uitgewerkt ter verankering in de Vlaamse regelgeving van de in de Richtlijn opgenomen principes. Dit ontwerp van besluit werd voor advies aan de Raad van State voorgelegd. De Raad van State stelde in zijn advies dat de verankering van de principes van de Europese richtlijn tot de bevoegdheid van de decreetgever behoort en dus niet bij besluit kan gebeuren.
In navolging van het advies van de Raad van State wordt de Europese richtlijn 2005/36/EG decretaal verankerd voor de opleidingsprogramma’s die leiden tot de volgende in de richtlijn beoogde beroepen: arts, huisarts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, tandarts, dierenarts, vroedvrouw, apotheker en architect.
Artikel V.51

In artikel 10 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen zijn afwijkende toelatingsvoorwaarden bepaald voor de bacheloropleidingen.

In Onderafdeling 2, Masteropleidingen, artikel 11 tot en met 13 van het decreet worden er geen vergelijkbare afwijkende toelatingsvoorwaarden bepaald, zoals in artikel 10 voor de bacheloropleidingen.

Deze lacune in verband met de “afwijkende” toelatingsvoorwaarden tot de masteropleidingen wordt voor de toekomst door een nieuw artikel 11bis weggewerkt.


De afwijkende toelatingsvoorwaarden voor de toegang tot de masteropleiding worden wel beperkt tot humanitaire, medisch of psychische redenen. Het algemene niveau van de kandidaat is op zich geen afwijkende toelatingsvoorwaarde, omdat deze voorwaarde te veel interfereert met de bestaande mogelijkheden van erkenning van EVC en EVK.
Artikel V.53, 1°

Door wijzigingen in de Vreemdelingenwet verwijst artikel 64 van het flexibiliseringsdecreet niet langer naar de juiste artikelen. Dit wordt hier rechtgezet.


Artikel V.53, 2°

De artikelen 64 en 65 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs bepalen de wijze waarop de instellingen het studiegeld voor buitenlandse studenten moeten vaststellen. In se bepalen de instellingen vrij het studiegeld voor de inschrijving van buitenlandse studenten die geen beursstudent zijn en met uitzondering van een aantal categorieën.

In toepassing van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten wordt echter het aantal studiepunten en het aantal financieringspunten gegenereerd door buitenlandse studenten onder diplomacontract meegerekend voor het bepalen van de hoogte van de onderwijssokkel en van het variabel onderwijsdeel, voor zover dat aantal studiepunten of financieringspunten niet meer bedraagt dan 2% van het totale aantal.
In het verleden was het hoger studiegeld voor buitenlandse studenten gekoppeld aan de al dan niet financierbaarheid van de studenten. Het is de bedoeling deze band te herstellen. Het is niet fair om tegelijk overheidsfinanciering te ontvangen en hogere studiegelden te vragen. Op dit moment wordt de 2% grens binnen geen enkele instelling overschreden en dat zal ook niet het geval zijn de komende jaren. De uitvoerbaarheid ervan zal dan ook nergens een probleem vormen. Bovendien blijkt dat de registratie van de niet-EER studenten in de verschillende categorieën nogal willekeurig is. Een herziening van de studiegelden voor niet-EER studenten kan pas aan de orde zijn, als de registratie ervan helemaal op orde is en in alle instellingen gelijk wordt toegepast.
AFDELING VII. FINANCIERING HOGER ONDERWIJS
Artikel V.54

Door wijzigingen in de Vreemdelingenwet verwijst artikel 7 van het financieringsdecreet niet langer naar de juiste artikelen. Dit wordt in dit artikel rechtgezet.


Artikel V.55

De artikelen 24 en 25 van het financieringsdecreet van 14 maart 2008 voorzien in de toekenning van een financiële bonus in het geval van afbouw of stopzetting van een opleiding en in het geval een instelling zijn opleidingen in het kader van een herstructurering overdraagt aan een andere instelling die deze opleiding al aanbiedt (rationalisatiebonus).


In het licht van de aangekondigde hervorming van het hoger onderwijs en in het bijzonder de integratie van de academische opleidingen van de hogescholen in de universiteiten is het wenselijk om de toepassing van deze bepalingen tijdelijk op te schorten tot na de voltooiing van het integratieproces om een oneigenlijk gebruik ervan te voorkomen. Wanneer instellingen hiervan op grote schaal gebruik zouden gaan maken in de periode voorafgaande aan de integratieoefening, dan zou de verdeling van het globale budget over de instellingen sterk beïnvloed worden, omdat de impact van de rationalisatiebonus in het allocatiemodel vrij groot is.
Daarom wordt er voorgesteld met instemming van de instellingen om de toepassing van deze bepalingen tijdelijk op te schorten zonder afbreuk te doen aan de reeds goedgekeurde rationalisatiebewegingen. De toegekende financiële boni voor de reeds doorgevoerde rationalisaties blijven behouden conform de betreffende bepalingen.
Artikel V.56

Als gevolg van de overdracht aan de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst van de onderwijsbevoegdheid van de Sint-Lukas Hogeschool Brussel m.b.t. de academische opleidingen in het studiegebied audiovisuele en beeldende kunsten dient het bedrag van de academiseringsmiddelen van de Sint-Lukas Hogeschool Brussel aan dat van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst toegevoegd te worden.


Artikel V.57

Al enkele jaren loopt er samen met de Koning Boudewijnstichting een project rond student-tutoring. Het is de optie van het onderwijsbeleid om de lerarenopleiding aante moedigen om voor alle studenten minstens één stageperiode in te vullen

met een Student tutoring project. Hiertoe zal het regelgevende, structurele kader uitgetekend worden, waarbij gebruik gemaakt wordt van de op het terrein opgebouwde expertise en van het effectiviteitsonderzoek dat de Koning Boudewijnstichting verrichtte. De lopende pilootprojecten worden in afwachting daarvan met een jaar verlengd. (Beleidsbrief Onderwijs, 2010-2011, punt 5.4)
Artikel V.58

Ingeval blijkt dat, na uitputting van de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, een aangepaste examenregeling voor de instelling praktisch niet mogelijk is of geen oplossing biedt rekening houdend met de situatie van de student, dan leidt de vaststelling van een overmachtssituatie in het kader van de voor de Raad gevoerde procedure op grond van artikel 47, §3 van het Financieringsdecreet tot een teruggave van het leerkrediet verbonden aan de studiepunten van de opleidingsonderdelen waarvoor de student geen examen heeft kunnen afleggen.


AFDELING VIII. OPHEFFINGSBEPALING

Artikel V.59



Dit artikel is een gevolg van de decretale verankering in art. V.50 van de in de Europese Richtlijn 2005/36/EC opgenomen principes. Hierdoor zijn de artikelen 1 tot en met 5 van het BVR van 4 februari 2011 niet meer nodig en kunnen deze opgeheven worden.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina