Met dank aan



Dovnload 73.71 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte73.71 Kb.
Met dank aan http://www.nehalennia.nl/secties/ak/rechts.htm


Examen aardrijkskunde VWO
Op het schoolexamen en het centraal examen moet je een aantal algemene vaardigheden beheersen. Op het examen stellen ze de vragen vaak moeilijk, maar het is niet zo ingewikkeld als het lijkt.






Wat je moet kunnen:

Dat kan ik

= √


1.

Kaarten, grafieken enz. lezen en begrijpen



2.

Met argumenten je eigen mening geven



3.

Wisselen van analyseniveau: gebieden kunnen opdelen in deelgebieden en bepalen tot welk groter geheel een deelgebied hoort

Bijv. Bij een vraagstuk over Walcheren moet je begrijpen dat Walcheren bestaat uit landelijke en stedelijke gebieden. Walcheren op zijn beurt is weer een onderdeel van Zeeland of zuid-west Nederland






4.

Veranderen van ruimtelijke schaal: Een vraagstuk kan op verschillende niveaus spelen: regionaal, nationaal, continentaal en mondiaal (en eventueel fluviale schaal). Bijv.: Welk transportmiddel je kiest hangt af van de schaal waarop het transport plaats vindt.




5.

Je moet verschillende dimensies kunnen onderscheiden. Zo heb je bijv. een economische, een politieke, een culturele en een milieudimensie. Eenvoudig gezegd: Een probleem heeft verschillende kanten.




6.

Je moet horizontale verbanden (relaties) en verticale verbanden (relaties) kunnen leggen. Horizontale verbanden zijn verbanden tussen gebieden, verticale verbanden zijn verbanden tussen verschijnselen binnen gebieden.

Bijv.: Horizontaal verband: Veel Nederlanders gaan op vakantie naar Zuid-Europa.

Verticaal verband: De vegetatie, bestaansmiddelen en het landschap in Zuid-Europa hangen met elkaar samen.





7.

Je moet bij een kaart een legenda en een klassenverdeling kunnen maken.




8.

Je moet goede onderzoeksvragen (deelvragen) en een relevante hypothese kunnen formuleren.






6 tips voor het leren van het examen
Oefen veel met de examenbundel. Kijk ook eens op de volgende sites: http://www.havovwo.nl/havo/hak/index.htm en http://www.eindexamen.nu/oefenexamens. Bij een herkansing halen leerlingen vaak een hoger cijfer. Hoe komt dat ondermeer? Omdat ze al een keer geoefend hebben. Maak dus examenvragen alsof je echt op het examen zit.
 Als je een paragraaf hebt geleerd, vertel het geleerde dan eens na in je eigen woorden. Je komt dan vanzelf tegen wat je nog niet weet of begrijpt. Maak ook eens een schema (bijvoorbeeld in de vorm van een boom) waarin de kern van de stof te zien is.
 Begin op tijd met leren. Als je iets één keer leert, blijft het vaak niet hangen. Als je op tijd begint, heb je ook nog tijd om te oefenen.
 Gebruik het boekje Samengevat. Soms is het echter te uitgebreid. Bedenk dus wat wel en wat niet zinvol is.
 Bekijk de atlas nog eens goed. Weet je waar alles zit: de drie zaakregisters, de statistische informatie (= basisstatistiek), het gewone register, de inhoudsopgave enz.? Bedenk ook welke kaarten grote kans maken om op het examen aan de orde te komen.
 Gebruik de lijstjes met begrippen. Leer echter geen definities uit je hoofd. Als je een begrip tegenkomt, moet je weten wat het betekent. Bij bijna ieder begrip moet je kort iets kunnen vertellen.

7 tips voor het maken van het examen
 Lees de vragen goed. De manier waarop de vraag gesteld is, is vaak moeilijk, maar na goed nadenken weet je meer dan je denkt.
 Let op wat voor soort verklaring/oorzaak/gevolg wordt gevraagd.

Op het examen wordt vaak op de onderstaande manier een vraag gesteld:

- Geef een demografische gevolg van …

- Geef een natuurlijke reden voor …

- Geef een fysisch-geografische oorzaak voor …

- Geef een sociaal-geografische verklaring voor …

- Geef een economisch motief voor …

- Geef een historische verklaring voor …

- Geef een politieke verklaring voor …

- Geef een sociaal-culturele verklaring voor …



- Geef een geologische verklaring voor …
 Gebruik de atlas om iets op te zoeken als dat nodig is. Je kunt dat dus ook doen als het niet gevraagd wordt.
 Als er op het examen drie zaken worden gevraagd mogen de examinatoren alleen naar die drie antwoorden kijken die jij als eerste noemt. Schrijf dus de dingen die je zeker weet als eerste op. En: Soms kunnen twee antwoorden als één beschouwd worden. Het kan dus zinvol zijn om meer dingen op te schrijven.
 Ga niet eerder weg. Kijk je werk nog eens goed na om te zien of je geen fouten hebt gemaakt en of je niets vergeten bent. Ieder jaar slaan leerlingen weer vragen over. Dat zal jou toch niet gebeuren? Tien minuten eerder pauze kan je heel wat punten kosten. Misschien zelfs een heel jaar…
 Verspil geen tijd en lees de bronnen selectief. Soms hoef te niet de gehele bron te lezen om een vraag te kunnen maken.
 Accepteer dat je niet alle vragen juist kan maken. Als je dat accepteert voorkom je dat je in de stress schiet.

7 veelgemaakte fouten op het examen aardrijkskunde
 De leerling slaat vragen of een deel van een vraag over.
 De leerling noemt een gevolg terwijl een oorzaak gevraagd wordt (of geeft bijvoorbeeld een verklaring, terwijl een gevolg genoemd wordt, enz.). Kortom: De leerling leest de vraag niet goed.
 De leerling moet bijvoorbeeld een kenmerk van een EU-land noemen, maar noemt een kenmerk van een niet-EU-land. Stom, want de EU-landen kan de leerling opzoeken in de atlas. En meer van dat soort fouten.
 De leerling geeft een verkeerde verklaring. Er wordt bijvoorbeeld een fysisch-geografische verklaring genoemd, maar de leerling noemt een sociaal-geografische verklaring. Zie punt  bij de tips voor het maken van het examen.
 Er worden push-factoren gevraagd, de leerling schrijft pull-factoren op. En andersom.
 De functie van de Betuwelijn (goederentransport) en de functie van de HSL (personenvervoer) worden door elkaar gehaald.

 De leerling vergeet een bron of de atlas te gebruiken bij de beantwoording, terwijl dat wel vereist is.




BEGRIPPEN MENS EN MILIEU


 
  •        Fysisch-geografisch !

  •        Historisch-geografisch


  •        Geologisch

  •        Ecologische opbouw

  •        Ecosysteem !

  •        Ecotoop

  •        Cultuur-historische opbouw !

  •        Cultuurlandschap &

  •        Diversiteit

  •        Complexiteit

  •        Gradiënten !

  •        De eilandentheorie

  •        Ecologische Infrastructuur !

  •        Ecologische hoofdstructuur ! &

  •        Stapstenen

  •        Kerngebieden

  •        Verbindingszones

  •        Functies van landschapen (4) !

  •        Verwering

  •        Erosie &

  •        Sedimentatie

  •        Bodem en grondsoort &

  •        Mariene sedimenten

  •        Fluviatiele sedimenten

  •        Eolische sedimenten &

  •        Glaciale sedimenten

  •        Fluvio-glaciale sedimenten

  •        Grind, zand, rivierklei, oude en jonge zeeklei, kalksteen, laag- en hoogveen, löss, keileem (grondmorene) ! &

  •        Graften

  •        Colluvium

  •        Kwartair &

  •        Pleistoceen en holoceen &

  •        Saalien &

  •        Glacialen en interglacialen &
  •        Enk/es/eng


  •        Stuwwallen

  •        Grondmorene/kei-leem(heuvels) &

  •        Heide-ontginningen &

  •        Stuifzand

  •        Houtwallen

  •        Dekzand(ruggen) &

  •        Naaldbossen

  •        Oeverwallen
  •        Kommen


  •        Winter- en zomerdijken

  •        Stroomruggen &

  •        Rivierduinen

  •        Kwel

  •        Wielen/welen

  •        Overslaggronden

  •        Uiterwaarden

  •        Verschil westelijk – oostelijk rivierkleigebied

  •        Oude en jonge duinen

  •        Strandwallen

  •        Geestgronden

  •        Zoetwaterzak (1:40)

  •        Verdroging ! &

  •        Vervuiling in duinen

  •        (Diepte-)infiltratie &

  •        Wadden &

  •        Kwelders/schorren &

  •        Slikken

  •        Terpen

  •        Kwelderwallen

  •        Kreekruggen

  •        Restgeulen

  •        Moernering

  •        Terpen &

  •        Offensieve en defensieve bedijking
  •        Bezinkingsvelden


  •        Droogmakerijen &

  •        Polders (3 soorten) !

  •        Ontginningsas

  •        Inklinking

  •        Oxydatie

  •        Veenplassen

  •        Legakkers/zetwallen

  •        Trekgaten/petgaten

  •        Verkaveling

  •        Lintbebouwing (lintdorp) &

  •        Esdorp &

  •        Veenkoloniën
  •        Wijken


  •        Bolster

  •        Dalgronden &
  •        Milieugebruiksruimte !


  •        Indirect ruimtebeslag

  •        Bodemerosie &

  •        Kenmerken tropische bodems

  •        Shifting cultivation (ladang) &

  •        Verzilting ! &

  •        Verwoestijning ! &

  •        Vermesting ! &

  •        Mestbelasting &

  •        Intensieve veehouderij !

  •        Mestproblematiek ! &

  •        Ontbossing ! &

  •        Energieheffing

  •        (Niet-)vernieuwbare milieuvoorraden

  •        Waterbalans

  •        Interne en externe waterbronnen

  •        Infiltratie &

  •        Irrigatie &

  •        Benuttingspercentage

  •        Milieu-uitputing

  •        Milieu-aantasting

  •        Milieu-verontreiniging

  •        Zware metalen

  •        Zure regen ! &

  •        Duurzame ontwik-keling !

  •        Direct- en indirect ruimtegebruik

  •        Afwenteling !

  •        Productie-consumptieketen !

  •        Integraal ketenbeheer !

  •        Ruimtelijke schalen (5 schaalniveaus)

  •        De vier ontwikkelings-koersen & staan op kaart 61C, dus niet uit hoofd leren.

  •        Het Groene Hart ! &

  •        Brongericht milieubeleid

  •        Effectgericht milieubeleid

  •        Remote sensing &

 

 

 



 

& = Over dit begrip is minimaal één kaart in de atlas te vinden. Zie de drie zaakregisters.

 

! = Alle begrippen zijn belangrijk, maar volgens mijn inschatting is de kans dat deze begrippen op het examen aan de orde komen extra groot.



 

Erg belangrijke kaarten betrekking hebbend op Nederland: 18 t/m 22, 30, 33, 40 t/m 47, 55, 61, 64.

 

 



BEGRIPPEN POLITIEK EN RUIMTE
NATIES EN GRENZEN:
□ POLITIEK-RUIMTELIJKE ORGANISATIE 

□ STAAT


□ NATIE

□ VOLK


□ NATIESTAAT

□ FEDERATIEVE STAAT (FEDERATIE)

□ BONDSSTAAT

IDENTITEIT

□ EXCLUSIVITEIT

□ AFGRENSBAARHEID

□ ETNICITEIT

□ PANNATIONALISME

□ DIASPORANATIONALISME

□ REGIONAAL BEWUSTZIJN

□ CULTUREEL BEWUSTZIJN

□ BEVOLKINGSDICHTHEID

□ BEVOLKINGSSPREIDING

□ REGIONALISME

□ IRRIDENTISME

□ SEPERATISME

□ ENCLAVES

CENTRIFUGALE KRACHTEN

□ CENTRIPETALE KRACHTEN

□ COMPARTIMENTEREING EN DECOMPARTIMENTERING



EUROPA:
□ INTEGRATIE

□ VERDRAG VAN SCHENGEN

□ VERDRAG VAN MAASTRICHT

□ EGKS – EEG – EG – EU

□ EVA

□ WTO/GATT



□ NAFTA

□ ACP-LANDEN (meestal een vraag over)

□ VERVLECHTING

□ INTERNATIONALISERING

□ GLOBAL SHIFT

□ TRIADE


□ REGIONALE SPECIALISATIE

REGIONALE DIFFERENTIATIE

□ COMPARATIEF VOORDEEL

□ LANDBOUWBELEID

□ STRUCTUURBELEID

□ HET NIEUWE LANDBOUWBELEID

□ (BASIS)RICHTPRIJS

□ MINIMUMPRIJS

□ GARANTIEPRIJS

□ INTERVENTIEPRIJS

□ SUPERHEFFING

□ PLAN MACSHARRY

□ GEMEENSCHAPPELIJK VISSERIJBELEID

□ TOTAL ALLOWABLE CATCH (TAC)

EXCLUSIEVE ECONOMISCHE ZONES

□ QUOTERING (QUOTUM)

□ ECONOMISCHE SAMENWERKING

(INTERN)


□ HANDELSBELEMMERINGEN (EXTERN)
□ LOMÉ AKKOORDEN (meestal een vraag over)

□ GSP-REGELING

□ PROTECTIONISME

□ VOORMALIGE OOSTBLOKLANDEN

□ ASSOCIATIEVERDRAG

□ TRANSITIELANDEN

□ SOCIAAL-CULTURELE FACTOREN

□ DEKOLONISATIE

□ REGIONALE ONTWIKKELINGSPOLITIEK

□ STRUCTUURFONDS

□ HERSTRUCTURERINGSGEBIEDEN

TRANS-EUROPESE NETWERKEN

□ BNP – BBP – BRP

□ ABSOLUTE EN RELATIEVE AFSTAND

□ DE RELATIEVE LIGGING


Verder moet je zicht hebben op:

□ De plaats van Nederland binnen europa: landbouw, industrie, diensten (weet je wat bedoeld wordt met de primaire, secundaire en tertiaire sector?)

□ De relaties tussen EU en Oost-Europa
VWO: Wat moet je weten voor het aardrijkskunde-onderdeel Vervoer en ruimtelijke inrichting?





Wat moet je kunnen en kennen?

gedaan

1.

Je moet vraagstukken over de volgende soorten vervoersstromen kunnen oplossen:

- vervoerstromen tussen ontwikkelingslanden en Europa

- vervoerstromen tussen Nederland en de rest van Europa

- vervoersstromen binnen Nederland

Het gaat hier om vragen als:

- Wat zijn het voor soort stromen (aard en omvang)?

- Welke richting gaan zij op?

- Welke vervoersmodaliteiten worden gebruikt?






2.

Je moet weten welke gevolgen de vervoersstromen (goederen en personen) voor de ruimtelijke inrichting van Nederland hebben. Het gaat hier om conflicten tussen vervoer, milieu, natuur, wonen, werken en recreëren. Maak onderscheid tussen conflicten op lage en korte termijn.




3.

Je moet verschillen kunnen aangeven tussen een Nederlandse en een buitenlandse mainport. Daarbij heb je kennis van: de interactietheorie van Ullman, technische ontwikkelingen zoals IT, soorten goederen (massagoederen, stukgoederen), vervoersmodaliteiten, de plaats van de haven in het netwerk, vervoersmanagement.




4.

Je moet kennis hebben van de vestigingsplaatsfactoren voor:

- kantoren

- fabrieken

- …


Belangrijk aspect: de bereikbaarheid




5.

Je moet weten hoe de volgende systemen werken:

- Het transportnetwerk

- Het hub-and-spokesysteem (-model)





6.

Je moet weten welke regionale invloed een mainport heeft op het milieu, de werkgelegenheid en de infrastructuur.




7.

Je moet met actuele vervoersvraagstukken in Nederland kunnen werken:

- de Betuwelijn

- de Hogesnelheidslijn (HSL)

- de HST


- de Tweede Maasvlakte

- de uitbreiding van Schiphol

Je moet weten op welke manier Nederland de positie van distributieland kan versterken of behouden.





8.

Je moet weten welk ruimtelijk beleid de Nederlandse overheid hanteert.




9.

Je moet weten welke invloed economische en politieke ontwikkelingen hebben op (mondiale) vervoersstromen en op mainports. Denk daarbij aan:

- de gevolgen van decompartimentering en compartimentering in Europa

- de invloed van global shift





10.

Je moet het verband kunnen analyseren tussen de vervoersinfrastructuur in een ontwikkelingsland en de regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland. Je moet daarbij met name in kunnen gaan op:

- de invloed van de koloniale periode



- mogelijke verbeteringen in het ontwikkelingsland






BEGRIPPEN VERVOER:


  • Vervoer

  • Verkeer

  • Infrastructuur

  • Massagoederen

  • Stukgoederen

  • Ruimtelijke differentiatie

  • Ruimtelijke interactie

  • Regionale specialisatie

  • Ruimtelijke concentratie

  • Distributiecentrum/logistiek centrum

  • Interactietheorie van Ullmann:

  • Complementariteit

  • Comparatieve voordelen

  • Intervening opportunity

  • Transferability

  • Absolute afstand

  • Relatieve afstand

  • Variabele kosten

  • Constante kosten

  • Congestie

  • Locatiefactor/vestigingsfactor

  • Industriële inertie

  • Footloose

  • Agglomeratievoordelen

  • Agglomeratienadelen

  • Agglomeratie-effect

  • Vervoerssysteem/transportnetwerk

  • Knooppunten en spokes

  • Inlandknooppunt

  • Interregionaal knooppunt

  • Collectienetwerk


  • Verplaatsingsnetwerk

  • Distributienetwerk

  • Achterland

  • Just in time delivery (JIT)

  • Hub-and-spokesysteem

  • Eindhaven

  • Transithaven

  • Modaliteit

  • Multimodaal

  • Logistiek

  • Mainport

  • Intermodaal transport

  • Maritieme deconcentratie

  • Modal shift

  • Schaalvergroting

  • Demografische ontwikkelingen

  • Standaardisatie (vb. container)

  • EDC

  • Toegevoegde waarde

  • VINEX-locatie

  • Modal shift

  • Hoofdtransportassen

  • Concentratiebeleid

  • Bufferzones

  • Transferia

  • Duurzame samenleving

  • Betuwelijn

  • HSL en HST

  • Tweede Maasvlakte

  • Duurzaamheid

  • Compartimentering

  • Decompartimentering

  • Global shift

  • Vestigingskolonie

  • Exploitatiekolonie

  • Centrum – periferie (theorie)

  • Backwash-effects












De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina