Metriek Definitie



Dovnload 243.81 Kb.
Datum30.09.2016
Grootte243.81 Kb.


Metriek

Definitie :

Metriek is de leer van de versbouw.

Latijnse poëzie wordt altijd gekenmerkt door een vaste opeenvolging van lange en korte lettergrepen ondergebracht in versvoeten.

Scanderen (scansie) is een vers onderverdelen in deze versvoeten.

Belangrijkste versvoeten :

Lang Kort

i, o of u Een klinker gevolgd door één medeklinker. Uitgez. de s



Tweeklanken



Twee medeklinkers Een korte klinker gevolgd door een

lettergreep ervoor is lang andere klinker


Hexameter :

  • - Definitie :

Vers bestaande uit 6 versvoeten : 5 dactylen/spondeeën met op het eind altijd een Trochee (-X). De vijfde voet is bijna altijd een dactylus. De andere versvoeten (1 t/m 4) kunnen zowel spondeeën als dactylussen zijn. Bij een spondee zijn twee UU vervangen door een -

  • - Schema :

Het laatste teken wordt meestal als een X geschreven, het kan zowel lang als kort zijn.

Ictus :

Ictus (/) = 'slag, stoot' : staat steeds op de lange lettergreep van een versvoet; deze lettergreep wordt met klemtoon uitgesproken

Cesuur :

Een rustpauze die in elk vers op vaste plaatsen kan vallen. Meestal wordt de cesuur door een leesteken aangegeven.

De meest voorkomende cesuren :

- na de derde halve voet (trithemimeris)

- na de vijfde halve voet (penthemimeris)

  • na de zevende halve voet (hepthemimeris



  • - Elisie :

Eindigt een woord op een klinker of een -m en begint het volgend woord met een klinker of h-, dan valt in de uitspraak en in de metriek de slotlettergreep weg.

Meermaals voorkomen van elisie kan opwinding, zwaarmoedigheid en ook wenen uitdrukken.

  • Opmerking :

Als het tweede woord 'es' of 'est' is valt de eerste lettergreep van het tweede woord weg : voorbeeld : magna (e)st.

  • - Hiaat :

Wanneer de elisie niet wordt toegepast.

  • - Synaeresis :

Tweede klinker wordt als medeklinker uitgesproken en telt metrisch dus niet mee : voorbeeld : 'Lavinia' wordt 'Lavinja'



  • - Synizesis :

Versmelting van twee klinkers : voorbeeld : 'antehac' wordt antac.

Pentameter :

- Definitie :

Hexameter met onvolledige 3de en 6de voet, zodat het aantal volledige voeten 5 bedraagt :

2 dactylen/spondeeën + 1 lange lettergreep + 2 dactylen + 1 lange lettergreep.

Tussen de '1 lange lettergreep en 2 dactylen' ligt een cesuur (na 2,5 voet) die de pentameter in tweeën breekt. In de tweede helft kunnen geen spondeeën voortkomen, in de eerste helft wel.

- Schema :

Elegisch distichon :

- Definitie :

Hexameter als eerste vers gevolgd door een pentameter als tweede (na)vers.

- Schema :
Stijlfiguren
Anafoor

Het herhalen van hetzelfde tekstelement aanhet begin van opeenvolgende 9delen van) zinnen of regels
Antithese

Het naast elkaar plaatsen van tegengestelde begrippen
Assonatie

Het herhalen van dezelfde beklemtoonde klinkers
Chiasme

het kruislings plaatsen van (grammaticaal) gelijkwaardige tekstelementen binnen een zin of binnen opeenvolgende zinnen (ABBA)
Hyperbaton

Het van elkaar scheiden van twee tekstelementen die een grammaticale eenheid vormen door tekstelementen die niet met de grammaticale eenheid te maken hebben.
Metafoor

Vorm van beeldspraak waarbij alleen het beeld (=persoon/zaak waarmee vergeleken wordt) wordt genoemd, dus zonder; als, zoals, gelijk aan etc.
Retorische vraag

Een vraag waarbij het niet de bedoeling van de vraagstellernis dat er een antwoord gegeven wordt, maar waarbij een sterke bewering of aansporing tot uiting komt
Vergelijking

Vorm van een beeldspraak waarbij afgebeelde en beeld beide worden genoemd, dus met; als, zoals, gelijk aan etc.

Martialis
Tekstsoort = Poezie
(dichter bepaalt zelf waar de regel ophoudt)

Genre = Epigrammen

Thema's = -Leven in Rome

-Seks

-Schuld (geld en emotie)

-Politiek

-Zichzelf

Hij schreef korte puntige tekstjes en zinnen.

Schema
onderstreept

persoonsvorm

cursief

voorzetselgroep

vet

samenhang, bijvoorbeeld AcI of relativum en antecedent

Grijze of gele achtergrond

zinsdelen die bij elkaar horen (bijv. doorlopende hoofdzin)

blauw

nominativus (lichtblauw = bijvoeglijke bepalingen/participia)

bruin

accusativus

groen

ablativus (vet = abl. abs.)

rood

genitivus

paars

dativus

grijs

vocativus

oranje

locativus (zeldzame oude naamval voor plaatsbepaling)


  1. Ware moed (I,13 1) :


Toen de gewetensvolle Arria 2 het zwaard aan haar Paetus 3 overhandigde,

dat zij zelf 4 uit haar ingewanden had getrokken,

zei ze: „Als er enig 5 geloof is, doet de wond die ik heb gemaakt, geen pijn,

maar wat jij zult doen, dat doet mij, Paetus, pijn.”
[1]

De Romeinse I staat voor: boek I van de Epigrammaton libri XII;

de Arabische 13 staat voor: gedicht 13 uit genoemd boek.

[2]

Casta ... Arria : hyperbaton.

[3]

Caecina Paetus was iemand die deelgenomen had aan de opstand van Scribonianus tegen keizer Claudius (41-54 n.C.) in 42 en vervolgens gedwongen werd zelfmoord te plegen; zijn vrouw heette Arria; we kennen ditzelfde verhaal ook van Plinius Minor, die de informatie over de zelfmoord persoonlijk had gekregen van Arria’s kleindochter Fannia.

De woorden Non dolet, Paete zijn spreekwoordelijk geworden.

[4]

Eigenhandig.

[5]

Qua = aliqua (na si: „Na si, nisi, num en ne gaat ‘ali’ niet met ‘quisje’ mee”).


  1. Traderet: determineer en verklaar het gebruik Imperfectum. Het wordt gebruikt met cum; hij ev conj impf actief.

  2. Qua wordt gebruikt in plaats van aliqua: waarom? Met si wordt aliqua qua.


Casta suo gladium cum traderet Arria Paeto,|

- u u - u u - - - u u - u u - X (dact.hexam.)

Toen de gewetensvolle Arria het zwaard overhandigde aan haar Paetus,|

 

quem de visceribus strinxerat ipsa suis,|

- - - u u - - u u - u u - (pentam.)

dat ze zelf uit haar eigen ingewanden had getrokken,

 

‘Si qua fides,| vulnus | quod feci | non dolet,|’ inquit,

- u u - - - - - - - u u - X (dact.hexam.)

Zei ze :|’Als er enig geloof (is) (in mijn woorden),| de wond | die ik gemaakt heb,| doet geen pijn,|

 

‘sed | tu quod facies,| hoc mihi, Paete, dolet’

- - - u u - - u u - u u -

Maar (de wond) | die jij zult maken,| die doet mij pijn, Paetus.’
Stijlfiguren: hyperbaton, parallellie, herhaling

Na fides voeg toe est

Tussen qoud en facies, bedenk vulnus


3. Een alcoholiste (I,28) :

Wie 9 gelooft dat Acerra naar (de) wijn 10 van gisteren stinkt,

vergist zich: Acerra drinkt altijd tot het licht is 11.
[9]

Qui : relativum met ingesloten antecedent : „degene die”, „wie”.

[10]

Merum is de term voor ongemengde wijn, terwijl vinum wordt gebruikt voor wijn, die aangelengd is met water; de term vinum komt veel vaker voor, dus blijkbaar was het gebruikelijker om wijn met water te drinken dan ongemengde wijn.

[11]

D.w.z.: tot de volgende ochtend.
hesterno fetere mero qui credit Acerram, |

Wie gelooft dat Acerra stinkt naar wijn van gisteren,|

        

fallitur:

         vergist zich:

 

 in lucem semper Acerra bibit.

                   Acerra drinkt altijd tot het licht.
Stijlfiguren hyperbaton

AcI in eerste zin


  1. Echt verdriet (I,28) :


Gellia huilt niet om het verlies van haar vader, wanneer ze alleen is,

(maar) 12 als er iemand 13 aanwezig is, springen de tranen op bevel te voorschijn.

Niet treurt degene, die ernaar streeft om geprezen te worden, Gellia,

(maar) 14 híj heeft echt verdriet, die zonder getuige verdriet heeft.
[12]

Adversatief asyndeton: om de tegenstelling te benadrukken.

[13]

Quis = aliquis (na si: „Na si, nisi, num en ne gaat ‘ali’ niet met ‘quisje’ mee”).

[14]

Adversatief asyndeton: om de tegenstelling te benadrukken.


  1. 1 amissum: welke vorm en hoe is hier gebruikt? PPP van amitto, bijvoeglijk gebruikt.

  2. 3 laudari: determineer Inf. Praes. Pass. van laudo


Amissum non flet,| cum sola est, | Gellia patrem, |

Gellia weent niet om het verlies van haar vader,| wanneer ze alleen is,|

 

si quis adest | iussae prosiliunt lacrimae. |

         (maar) wanneer er iemand aanwezig is,| springen haar tranen op bevel te voorschijn.

 

Non luget,| quisquis laudari, | Gellia, | quaerit,|

Hij treurt niet,| al wie ernaar streeft om geprezen te worden,| Gellia,|

 

ille dolet vere | qui sine teste dolet.

hij treurt werkelijk,| die zonder getuige treurt.
Stijlfiguren antithese (non luget, ille dolet)

Amissum= ppp dominant participium “het verlies”

Quisquis= onbetr. Vnw
Is er wel sprake van oprecht verdriet?

r1: Ammisum patrem = letterlijk de verloren vader. Hier: het verlies van haar vader (dominant participium)

Tegenstelling: alleen - aanwezig huilt niet - huilen

Epigram; ze wordt aangesproken, de schrijver leert haar een les.

  1. Twee beroepen (I,47) :


Onlangs was Diaulus 15 arts, (en/maar) 16 nu is hij een lijkdrager:

wat hij als lijkdrager doet, had hij ook als arts gedaan 17.
[15]

Diaulus is een Griekse naam; artsen waren bijna altijd van Griekse afkomst.

[16]

.(Adversatief) Asyndeton.

[17]

Medicus ... vispillo (vs. 1) / vispillo ... medicus (vs. 2) : chiasme.
Nuper erat medicus,| nunc est vispillo Diaulus:

Onlangs was Diaulus dokter,| nu is hij lijkdrager:

 

         quod vispillo facit,| fecerat et medicus.

         wat hij doet als lijkdrager,| had hij ook als dokter gedaan.

 

Stijlfiguren assonantie alliteratie


  1. Arrogantie (I,64) :


Jij bent mooi, wij weten het, en een meisje, het is waar,

en rijk, wie kan dat immers ontkennen?

Maar wanneer jij jezelf al te zeer prijst, Fabulla,

ben jij noch rijk noch mooi noch een meisje 18.
[18]

... et ... et ... (vss. 1-2) / nec ... nec ... nec (vs. 4) : polysyndeton (veel verbindingswoorden); trikolon. Mooi, meisje, rijk. Rijk is hier figuurlijk.
1) 1 novimus: a) determineer b) je hebt vertaald met wij weten: waarom? Perfectum 2e mv van nosco. Novi is praesens –perfectum.
Bella es,| novimus,| et puella,| verum est,|

Je bent aantrekkelijk,| we weten het,| en een meisje,| het is waar,|

 

          et dives,| quis enim potest negare?

          en rijk,| want wie kan het ontkennen?

 

Sed cum te nimium, Fabulla, laudas,|

Maar wanneer je je(zelf) te veel prijst, Fabulla,|

 

          nec dives neque bella nec puella es.

          ben je noch rijk noch mooi noch een meisje.
Stijlfiguren trikolom (bella dives, puella), polysyndeton



  1. Schuld (II,3) :


Sextus, jij hebt helemaal geen schuld, jij hebt helemaal geen schuld, Sextus 19, (dat) geven wij toe.

Want als iemand 20 kan betalen, heeft hij (pas) schuld, Sextus.
[19]

Sexte, nihil debes / nil debes, Sexte : chiasme.

[20]

Quis = aliquis (na si: „Na si, nisi, num en ne gaat ‘ali’ niet met ‘quisje’ mee”).
Bella es, novimus, et puella, verum est,

- - - - u u - u - u - X (-um valt ook bij est en wordt samen X)

et divis, quis enim potest negare?

sed cum te nimium, Fabulla, laudas,

nec dives neque bella nec puella es.
Het gedicht is beledigend. Sextus, Sextus, Sextus.. = betuttend. Hij wordt gewezen op zijn armoede.
Stijlfiguren chiasme (sexte debes debes Sexte)


  1. Zeg nee! (II,25) :


Jij geeft nooit, je belooft altijd 23, Galla, aan degene die vraagt.

Als jij altijd bedriegt, vraag ik je van nu af aan, Galla: „Zeg nee.”
[23]

Das numquam / semper promittis : chiasme.


  1. 1 roganti: welke vorm en hoe hier gebruikt? Part. prae. zelfstandig gebruikt.


Das numquam,| semper promittis, Galla, roganti |

Je geeft nooit,| je belooft altijd, Galla, aan degene die vraagt |

 

Si semper fallis,| iam rogo, Galla,| nega.

Als je altijd bedriegt,| vraag ik je nu,| Galla,| zeg nee.
Stijlfiguren chiasme ( das numquam semper promittis) antithese


  1. Dichter zonder lezer (III,9) :


Men vertelt 24 dat Cinna 25 gedichtjes tegen mij schrijft.

Hij, van wie niemand de gedichten leest, schrijft niet.
[24]

Van narratur hangt de n.c.i. Cinna ... scribere af.

[25]

Er heeft weliswaar een dichter Gaius Helvius Cinna bestaan, maar die leefde ruim een eeuw eerder dan Martialis, dus die kan hier niet bedoeld zijn; misschien een nakomeling, of gewoon een verzonnen naam?


  1. Versiculos t/m Cinna: welke soort constructie? Nominativus cum infinitivus


Versiculos in me narratur scribere Cinna.

- u u - - - - - - - u u - X (hexameter)

Men zegt dat Cinna gedichtjes tegen mij schrijft.

 

         Non scribit,| cuius carmina nemo legit.

- - - - - - u u u - u u - (pentameter)

         Hij schrijft niet/is geen schrijver,| van wie niemand de gedichten leest.
Cinna schrijft beledigende gedichten tegen deze schrijver als reactie hierop zegt hij dat wat Cina doet geen echt schrijven is/ dat hij geen schrijver is omdat niemand zijn werk leest, en het dus niet als schrijfkunst wordt beschouwd.

Dit is een distichon (couplet) want hexameter + pentameter.
Stijlfiguren alliteratie

Gram.: eerste regel NcI

Na cuius voeg toe +est


17. Parasiet (V,47) :
Philo 39 zweert dat hij nooit thuis gegeten heeft, en dat is waar:

hij eet niet, zo vaak als niemand hem heeft uitgenodigd.
[39]

Philo : een Griekse naam, waarschijnlijk een vrijgelaten slaaf.



Numquam se cenasse domi Philo iurat, et hoc est:

non cenat, quotiens nemo uocauit eum.
Gram.: numquam… domi AcI

Na et hoc est vul aan + zo

Domi= locativus thuis

Quotiens= gegeten heeft


  1. Morgen (V,58) :


Altijd zeg jij, Postumus, dat je morgen, (ja,) morgen 40 wilt leven.

Zeg mij, dat „morgen”, Postumus, wanneer komt het?

Hoe ver is dat „morgen”, waar is het? Of waar moet het gezocht worden?

Is het soms bij de Parthen 41 en Armeniërs 42 verborgen?

Dit „morgen” heeft reeds de jaren van Priamus 43 en Nestor 44.

Voor hoeveel, zeg mij, zou dit „morgen” gekocht kunnen worden?

Zul je morgen leven? Vandaag al leven, Postumus, is te laat:

hij is wijs, alwie, Postumus, gisteren heeft geleefd.
[40]

Cras ... cras : repetitio of anafoor (anaphora).

[41]

De Parthen leefden in het huidige Iran, plus delen van aangrenzende landen (Zuid-Turkmenistan, West-Afghanistan, West-Pakistan, Oost-Saoedi-Arabië, Koeweit, Oost-Irak, Oost-Syrië, Oost-Turkije, Armenië en Azerbeidzjan).

[42]

De Armeniërs leefden in het huidige Georgië, Armenië, Azerbeidzjan, Noord-Iran, Noord-Irak, Syrië, Libanon en Oost-Turkije.

[43]

Priamus was in de Ilias de koning van Troje, ten tijde van Homerus (9 of 10 eeuwen vóór Martialis!) al een oude man.

[44]

Nestor was in de Ilias en de Odyssee de koning van Pylos, ten tijde van Homerus (9 of 10 eeuwen vóór Martialis!) al een oude man. Met het noemen van de namen Parthos, Armenios, Priami en Nestor wil Martialis zichzelf profileren als poeta doctus.
Cras te victurum, cras dicis, Postume, semper.

Je zegt altijd dat je morgen zult leven, morgen zeg je, Postumus.

                  

         Dic mihi, cras istud, Postume,| quando venit ?

         Zeg me, dat morgen, Postumus,| wanneer komt het ?

 

Quam longe cras istud,| ubi est?

Hoe ver (is) dat morgen,| waar is het ?
 Aut unde petendum?

Of waar moeten we het gaan zoeken ?

 

Numquid apud Parthos Armeniosque latet?

Is het soms verborgen bij de Parthen en Armeniërs?

 

Iam cras istud habet Priami vel Nestoris annos.

Dat morgen heeft al de jaren/leeftijd van Priamus of Nestor.

 

Cras istud quanti, dic mihi, possit emi?

Zeg me, voor hoeveel zou dat morgen gekocht kunnen worden ?

 

Cras vives?

Zul je morgen leven ?

 

Hodie iam vivere, Postume, serum est:

Vandaag leven, Postumus, is al te laat :

 

Ille sapit,| quisquis, Postume, vixit heri.

         Hij is wijs, Postumus,| wie ook maar gisteren heeft geleefd.
r1 : ACI: A=te I= victururum (+esse: elips/weglating) pfa+esse = inf.fut. --> Jij zegt dat je morgen zult leven.

r2 : Cras istud = dat morgen

r3 : Petendum est --> gerundivum van verplichting.

Morgen heeft hier een locatie, cras = ow

r4 : Numquid = vraagwoord dat negatieve uitkomst verwacht --> Toch niet?

Morgen personificeerd zich hier.

r5 : Betekenis = de morgen is heel oud

r6 : Quanti = genetivus pretii (prijs)

Possit = praes. conj mogelijkheid (potentialis), dus + zou

r7 en r8 : cras hodie heri = morgen vandaag gisteren. 3 tijdstappen.

  ille-quisquis --> slaat op elkaar terug, hij - wie ook maar

Ze denken dat Postimus staat voor de dichter Horatius.

De essentie van het gedicht: Het vervliegen van de tijd. Grapje: De schrijfer geeft slecht advies: gisteren moest je leven. Nu heb je niets aan dit advies.
Trikolon anticlimax

Eerste regel Aci

Cras= thema (adverbia)

Na petendum vul aan est (gerendivum van verplichting)

Possit emi= conj potentialis (vertal met zouden)

Postume verwijst naar Horatius


HOOFDSTUK 5, EPIGRAM 20: APPLAUS

Als je in een of ander badhuis, Flaccus, applaus hebt gehoord,

weet dat daar de lul van Maro is.
Audieris in qou, Flacce, balneo plausum,

Marionis illic esse mentulam scito.
Audieris = conj perf

Conj perf in relatieve bijzin = definierend

Quo staat op 3e plaats inplaats van de 2e plek, is bijvlk voor balneo

Vlacce = vocativus

Tussen illic en esse is een censuur (pentameter)

Scito = imperativus

Flaccus kan naar Horatius verwijzen en Marco naar Vergillius. Horatius klapt voor Vergillius, is Vergillius dan beter?
Hyperbaton

Maro= vergilius

Flaccus= hoartius

Scito= imp. 3e pv ev

21 Ix.70

Antithese, anafoor assonantie

Ceasar is schoonvader pompejus is schoonzoon

O tempora o more 63 n.Chr redevoering van cicero tegen catelinna ten tijde van burgeroorlogen en –opstanden


Epigram 21. O tempora, o mores
Tullius had eens gezegd: "O zeden! O tijden!" toen Catilina zijn goddeloze misdaad beraamde, toen schoonzoon en schoonvader slaags raakten met verschrikkelijke wapens, en de bedroefde grond nat was van de slachting onder de burgers. Waarom zeg jij nu o zeden, waarom zeg jij nu o tijden? Wat is er dat jou niet bevalt, Caecilianus? Er is geen wreed gedrag onder de leiders, geen waanzin van het ijzer; het is toegestaan te genieten van een onbetwistbare vrede en vreugde. Niet onze zeden zorgen ervoor dat jouw tijden te min voor je zijn, maar het zijn jouw zeden, Caecilianus, die hiervoor zorgen.
Dixerat |"O mores!| O tempora!"| Tullius olim,|

 

         sacrilegum strueret cum Catilina nefas,|  

 

cum gener atque socer diris concurreret armis |    

 

maestaque civili caede maderet humus.

 

Tullius had ooit gezegd: | “O gewoonten! | O tijden!”,|

 

         toen Catilina zijn goddeloze misdaad beraamde,|

 

toen schoonzoon en schoonvader slaags raakten met verschrikkelijke wapens,|

 

         en de bedroefde grond nat was van slachting onder de burgers.

 

 

Cur nunc |"O mores!",| cur nunc |"O tempora!"| dicis?

 

Waarom zeg je nu: | “O gewoonten!”,| waarom nu:|  “O tijden!”?

      

 

quod tibi non placeat,| Caeciliane,| quid est?

 

Wat is het,| Caecilianus,| wat je niet bevalt?

 

 

nulla ducum feritas,| nulla est insania ferri;   

 

er is geen bruut gedrag van leiders,|  geen razernij om te verdragen/om verdragen te worden;   

 

 

pace frui certa laetitiaque licet.  

 

Het is toegestaan te genieten van betrouwbare vrede en vreugde.

 

 

Non nostri faciunt | tibi  quod tua tempora sordent,|

 

sed faciunt mores,| Caeciliane,| tui.

 

Niet onze gewoonten maken | dat jouw tijden jou te min zijn,|

 

         Caecilianus,| maar jouw gewoonten (maken dat jouw tijden jou te min zijn).


Epigram 22. Een pijnlijke situatie
Ik weet niet wat jij, Faustus, aan zovele meisjes schrijft. Dit weet ik wel: dat geen meisje jou schrijft.

 

Nescio tam multis | quid scribas,| Fauste, puellis:

Ik weet niet | wat je | aan zo veel meisjes | schrijft,| Faustus :

 

         Hoc scio,| quod scribit nulla puella tibi.

         Dit weet ik (wel),| dat geen enkel meisje jou schrijft.

Ik weet niet --> Indirecte afhankelijke vraagzin.

Scribas = conj verplichting (praes.)
Hyperbaton antithese


Epigram 23. Liever nooit
Ik een nacht kan ik vier keer: maar als ik het in vier jaar eenmaal met jou, Telesilla, kan, mag ik sterven.
Una nocte quater possum: sed quattuor annis

- - - u u - - - - - u u - X

si possum, peream, te Telesilla semel.

- - - u u - - u u - u u -
Quater-semel = tegenstelling









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina