Middeleeuwse kerken op het eiland Saaremaa (Estland) De gebouwen en hun inrichting



Dovnload 56.67 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte56.67 Kb.
Middeleeuwse kerken op het eiland Saaremaa (Estland)
De gebouwen en hun inrichting

Op het eiland Saaremaa in de Oostzee staan zeven middeleeuwse kerken die tot de oudste bouwwerken van Estland behoren. Grotendeels tot stand gekomen tussen 1250 en 1350 vormen ze een belangrijke kennisbron over de kerkbouw aan de toenmalige noordoostgrens van de christelijke wereld. Dit artikel beoogt een historische en kunsthistorische beschrijving van de kerken op Saaremaa, alsmede een beknopte analyse van sporen van de middeleeuwse (katholieke) eredienst.1
Historisch kader2

In het jaar 1184 stichtte de Duitse monnik Meinhard van Segeberg een versterking in Üxküll (Ikšķile), gelegen aan de rivier de Daugava in het huidige Letland. Hij bouwde er een kerk die in 1188 werd verheven tot kathedraal van het nieuwe bisdom Lijfland, dat ressorteerde onder Bremen. Het betrof een missiebisdom, dat tot doel had de heidense bevolking van het Balticum te kerstenen en te onderwerpen aan christelijke (lees: Duitse) heerschappij. Albert van Buxhoeveden, die Meinhard opvolgde als Lijflands bisschop, wist in 1204 van paus Innocentius III een bul te verkrijgen waarin de strijd tegen de heidenen in de Baltische gebieden werd gelijkgesteld met de kruistocht naar Jeruzalem. Met hulp van de in 1202 gestichte militaire orde van de Zwaardbroeders (later de Duitse Orde), voor wie het zwaard de voorkeur genoot boven het kruis, werd in korte tijd het grondgebied van het huidige Letland bedwongen.3 Aan het begin van de dertiende eeuw trokken de Duitse ridders verder naar het noorden tot in Estisch gebied. In 1217 viel de burcht Viljandi in het zuiden van Estland. De Esten bleven echter sterke weerstand bieden en zagen kans de burcht enige jaren later weer te heroveren. Voor de definitieve overwinning op de Esten riepen de Lijflandse ridders de hulp in van de Deense koning Waldemar II, bijgenaamd ‘de Veroveraar’. De Denen landden op de Estische noordkust, waar ze in 1219 Tallinn (Duits: Reval) (her)stichten. Het Estische verzet concentreerde zich vooral op het eiland Saaremaa (Duits: Ösel), en in 1227 trok een omvangrijk leger onder leiding van de bisschop en de Ordensmeister naar het eiland. De Estische bevolking van het eiland zwichtte vrijwel meteen voor de overmacht. Nadat de Denen zich in datzelde jaar uit Noord-Estland terugtrokken werd het land verdeeld onder bisschop Albert en de orde van de ridders, een evenwicht dat door onderlinge rivaliteit sterk verzwakte. Van het eiland Saaremaa behoorde het oosten tezamen met het buureiland Muhu (Duits: Mohn) toe aan de Orde, terwijl het midden en westen van het eiland onder de bisschop ressorteerde. Ondanks herhaalde opstanden (o.m. in 1236-1241, 1260-1261 en 1343-1345) bleef deze situatie tot in de zestiende eeuw wezenlijk gelijk.


Kerkbouw op Saaremaa

De bevolking van het eiland Saaremaa, die hoofdzakelijk leefde van handel, piraterij en visvangst, werd massaal gedoopt en onderricht in het nieuwe geloof. Daartoe werden op het eiland parochiekerken gebouwd, evenals een aantal kleinere kapellen. Mogelijk werden verschillende heiligdommen aanvankelijk in hout opgetrokken, in de traditie van de Scandinavische staafkerken.4 In de jaren veertig van de dertiende eeuw werd begonnen met de bouw van een kleine stenen kerk in romaanse stijl in Valjala, die tegenwoordig deel uitmaakt van het koor van de gotische kerk en die wordt beschouwd als het oudste stenen bouwwerk in Estland.5 Naast Valjala werden in totaal nog tien kerken gebouwd. Van deze elf parochiekerken zijn er zeven bewaard gebleven, in Kaarma, Karja, Kihelkonna, Liiva (op het buureiland Muhu/Mohn), Pöide, Püha en Valjala6 [afb. 1]. De parochiekerken in Kuressaare, Jämaja en Kärla zijn in de loop der eeuwen verdwenen, terwijl de kerk van Anseküla nog in 1944 bij krijgshandelingen werd verwoest. Omstreeks 1350 werd de bisschopszetel van het bisdom Saare-Lääne (in het Duits: Ösel-Wiek) verplaatst van Haapsalu op het vasteland naar Kuressaare (Duits: Arensburg) op Saaremaa, waar een indrukwekkende bisschopsburcht werd gebouwd. Het bescheiden stadje dat zich rond de burcht vormde onderhield nauwe handelscontacten met de Hanzesteden en groeide uit tot de hoofdplaats van het eiland.

De bouw van kerken op Saaremaa werd bevorderd door de ruime aanwezigheid van bouwmateriaal in de vorm van kalksteen en de goed te bewerken dolomietsteen.7 De kerken werden opgetrokken in ruwgehakte kalkstenen, terwijl dolomiet vooral werd gebruikt op de hoeken, bij portalen en in zuilen. Afgezien van de laatromaanse kenmerken van de kerk in Valjala, die tot uitdrukking komen in de schilderingen op de koorwanden en in de bogen rond het westportaal, werden de overige kerken gebouwd tussen 1250 en 1325 in de stijl van de vroege gotiek. De muren zijn massief en worden slechts onderbroken door smalle vensters, hetgeen enigszins archaïsch aandoet en het karakter van een ‘Wehrkirche’ oproept. Het betreft enkelschepige zaalkerken met een lengte van twee (Karja, Kihelkonna, Liiva, Püha) of drie (Pöide, Valjala) traveeën, overwelfd met koepel- of meloengewelven. De kerken worden aan de oostzijde afgesloten door een rechtgesloten koor dat ten opzichte van het schip licht inspringt. Opvallend is de koorsluiting in Liiva, die aan de oostzijde nogmaals versmalt in een rechthoekige absidiool [afb. 2]. In Valjala, Karja, Kaarma en Püha werd reeds in de bouwtijd van de kerk een sacristie gebouwd aan de noord- of zuidzijde van het koor. In Kaarma [afb. 3] en Karja is deze voorzien van een verdieping, die mogelijk diende als een verblijfplaats voor passerende Lijfland-pelgrims.8 Ondanks plannen voor de bouw van een klokkentoren in Kihelkonna bleven alle kerken op Saaremaa tot aan het eind van de Middeleeuwen torenloos.

De kerken van Liiva, Karja en Kihelkonna hebben hun oorspronkelijke aanzicht het best bewaard. Elders werd het gebouw in de latere Middeleeuwen door aan- of verbouw ingrijpend gewijzigd. Zo werd de kerk van Valjala aan het eind van de veertiende eeuw voorzien van een veelhoekige koorpartij en werd ook in de kerk van Pöide het koor in de vijftiende eeuw vernieuwd. In Kaarma werd aan het begin van de vijftiende eeuw – een inscriptie naast het westportaal vermeldt het jaar 1407 – een opmerkelijk tweebeukig schip gebouwd en werd de kerk aan het eind van die eeuw voorzien van de eerste klokkentoren op het eiland. Laatmiddeleeuwse torens verrezen ook bij de kerken van Püha en Pöide. Deze laatste, van gelijke breedte als het schip, werd opgetrokken boven de meeste westelijke schiptravee. De toren van de kerk in Kihelkonna dateert van 1897-1899. Aangebouwde portalen naar analogie van de Zweedse en Deense ‘vapenhuser’ verschenen in de late Middeleeuwen in Karja, Kihelkonna en Liiva.


Bouwkundige invloeden

Bij een bezoek aan de zeven kerken van Saaremaa vallen de sterke uiterlijke overeenkomsten met de 92 middeleeuwse kerken van het Zweedse Gotland op. Dit eiland is gelegen op slechts 200 kilometer van Saaremaa in zuidwestelijke richting. De vroeggotische bouwtrant met zijn meloengewelven en de veelal rechtgesloten koorpartij en vooral de getrapte opbouw van oost naar west vertonen een sterke gelijkenis met de Gotlandse kerkbouw [afb. 4]. Het type van de tweebeukige hallenkerk in Kaarma wordt op Gotland in meer dan 30 kerken aangetroffen, onder meer in Tofta, Vallstena en Stenkyrka.9 In 1928 wijdde de Zweedse architectuurhistoricus H. Kjellin een studie aan de verwantschap van de architectuur en de bouwsculptuur van de kerk in Karja op Saaremaa met Gotland.10 Als gevolg van de intensieve handelscontacten die de Gotlanders met de Duitse Hanzesteden onderhielden fungeerde dit grootste eiland in de Oostzee als een draaischijf voor artistieke invloeden uit Westfalen en het Duitse Rijnland. In het kielzog van de handelaren kwamen Duitse bouwlieden, beeldhouwers en glasschilders naar Gotland, waar de gotische kunst verbindingen aanging met de romaanse traditie, gekenmerkt door een sterke doorwerking van inheems-Noordse motieven.11

Ook in de kerkbouw ten noordoosten van Saaremaa, in de Hanzestad Tallinn, waren de invloeden uit Midden-Duitsland overheersend. Zo werden de Domkerk, de Nikolaikerk en de Olaikerk gebouwd naar het model van de Westfaalse hallenkerken.12 De meeste Duitse ridders en kooplieden in Lijfland waren afkomstig uit Westfalen.13 Het is daarom niet verwonderlijk dat de kerkbouw op Saaremaa getuigt van dezelfde stilistische beïnvloeding als Gotland en Noord-Estland. Het eiland was gelegen aan belangrijke pelgrims- en handelsroutes tussen Centraal-Europa en de Duits-Baltische gebieden. Zolang de route vanuit Pruisen langs de oostkust te riskant was vanwege de heidense Litouwers, reisde men bij voorkeur per schip via Zweden, Gotland en Saaremaa naar Tallinn.14 Het tussen 1200 en 1400 door Noord-Duitse ridders en kooplieden beheerste Oostzeegebied moet derhalve worden benaderd als één omvattend cultuurgebied in het uiterste noordoosten van de toenmalige christelijke wereld.

Een opvallend verschil met de kerken op Gotland is evenwel de eerder aangeduide afwezigheid van torens. Wellicht is deze omstandigheid een gevolg van de invloed van de cisterciënzers, die vanaf het vroegste moment betrokken waren geweest bij de Lijflandse kruistocht. Zo was de orde van de Zwaardbroeders zelfs gesticht door een cisterciënzer monnik, de Duitser Theoderik. De cisterciënzers stichtten verschillende (versterkte) kloosters op het Estische vasteland; ook bekleedden cisterciënzer monniken herhaaldelijk de functie van bisschop in het Baltische gebied.15 Overeenkomstig de sobere idealen van Bernardus van Clairvaux zagen de cisterciënzers principieel af van de bouw van torens bij hun kloosters.16 Enkele overige aspecten van de kerkbouw op Saaremaa lijken eveneens aan cisterciënzer voorbeelden te zijn ontleend. Dat geldt onder meer voor de voorkeur voor de rechtgesloten absisvorm, die met uitzondering van Valjala overal op Saaremaa werd toegepast.17 Overigens wordt juist van de laatste kerk aangenomen dat deze werd opgericht door cisterciënzer bouwmeesters, afkomstig uit het Zweedse klooster Varnhem.18 Kenmerkend voor de cisterciënzerbouwkunst is het patroon van drie naar het midden oplopende smalle koorvensters, zoals dat in de kerk van Kaarma is toegepast.19 Ook kan de sobere afwerking van de kerken op Saaremaa mogelijk met de orde van Bernardus in verband worden gebracht. Hoewel de zachte dolomietsteen zich bij uitstek leende voor gebeeldhouwde bewerking zijn de sobere dorpskerken van Saaremaa slechts spaarzaam voorzien van bouwsculptuur. Figuratieve of vegetale sculptuur is in de harmonieus opgebouwde kerk van Liiva zelfs geheel afwezig.


Bouwsculptuur en schilderingen

In sommige kerken op Saaremaa zijn gedeelten van het gebouw, zowel in- als uitwendig, verfraaid met bouwsculptuur en schilderingen. In Karja, Pöide en Valjala zijn kapitelen, kraagstenen, gewelfschotels en gargouilles behouwen in de vorm van bladwerk of eenvoudige mensfiguurtjes. In het vijftiende-eeuwse hallenschip van Kaarma zijn op het basement van de middelste zuil een bazuinblazende ridder en dierfiguren (een hond, een leeuw, een varken, een hert en een wolf) gebeeldhouwd, een symbolische afbeelding van de strijd tussen goed en kwaad. Op ooghoogte zijn in opvallend stramme houding de kerkpatronen Petrus en Paulus afgebeeld, aan weerszijden van twee heraldische emblemen die verwijzen naar de financiers van het gebouw, de Duitse ridders Von Poll en Von Behr.20 Op de westelijke zuil zijn reliëfs aangebracht van een wijnrank en twee duiven die een hart vasthouden, een verbeelding van het paradijs.21 In de westwand van de vijftiende-eeuwse toren zijn drie kruisen zichtbaar, waarvan de middelste met een Christuscorpus. Een rijke geleding bezit de façade van de kerk in Valjala [afb. 5]. Het portaal wordt omlijst door romaanse bogen en bekroond door een gotische wimberg waarin een nisje is uitgespaard dat mogelijk plaats bood aan een heiligenbeeld. Aan weerszijden en boven het portaal zijn twee met grijze steen omrande lancetvensters en een rond venster aangebracht, die als één geheel worden overspannen door een licht spitse muraalboog. De topgevel wordt gearticuleerd door rood geaccentueerde, deels paarsgewijs gegroepeerde nissen die in drie zones.

Het rijkst aan beeldhouwwerk is de kerk in Karja. Op de noordelijke gordelboog-consool in het schip is een figurenreeks uitgehouwen, met links een duivel. Mogelijk betreft dit een moraliserende voorstelling.22 De triomfboog tussen koor en schip is aan weerszijden voorzien van een veelhoekige pilaster die aan de bovenzijde uitloopt op een gebeeldhouwde figurengroep.23 Aan de noordzijde is de heilige Catharina verbeeld, de patrones van de kerk, terwijl zij als Maria door engelen wordt gekroond. Met haar voeten vertrapt zij de Romeinse keizer Maxentius, die juist door een duivel wordt gegrepen. Links en rechts van Catharina staan in aanbidding keizerin Faustina en generaal Porphyrius, die door haar tot het christendom werden bekeerd. Aan de zuidzijde is de legende van de heilige Nicolaas voorgesteld, de beschermer van de zeevaart. In het centrum is de heilige afgebeeld als bisschop in vol ornaat, terwijl hij links drie jonge vrouwen een geldbeurs geeft om te trouwen. Rechts van Nicolaas is een man zichtbaar die een roeiboot vasthoudt (Nicolaas zelf als beschermer van de zeevaart?) en geheel rechts een figuur met een kind. Waarschijnlijk verwijst dit tafereel naar de legende van Nicolaas die drie kinderen uit de handen van een wrede herbergier van de dood redde. Hoewel de plaatsing van de figurengroepen in de triomfboog in Gotland onbekend is, vertoont de stijl waarin deze zijn uitgevoerd sterke verwantschap met de beeldhouwkunst op dat Zweedse eiland.24

Opmerkelijk is ook het stenen kruisigingsreliëf dat het zuidelijke schipportaal van de kerk van Karja bekroont [afb. 6]. De centrale gekruisigde Christusfiguur wordt geflankeerd door Maria en Johannes en maakt een archaïsche, bijna romaanse indruk doordat Christus niet aan het kruis hangt maar veeleer ervóór staat met de voeten naast elkaar op een steun. Aan weerszijden van Christus zijn de misdadigers gekruisigd aan T-vormige kruisen. Het tafereel toont het moment van sterven: de ziel – in de vorm van een kinderlijfje – van de berouwvolle boef aan de rechterhand van Christus wordt door een engel naar de hemel gevoerd, terwijl de ziel van de boef aan zijn linkerhand door een duivel wordt gegrepen. Het kruisigingsreliëf vertoont sterke overeenkomsten met de bouwsculptuur aan sommige Gotlandse kerken, waaronder Burs, Lye, Martebo en Stånga. In de reconstructietekening die Kjellin in zijn monografie over de kerk van Karja heeft gepubliceerd vormt dit kruisigingsreliëf met de puntgevel de bekroning van het vroeggotische portaal dat achter de latere voorhal schuil gaat [afb. 7]; bij de bouw van deze hal werd het reliëf opnieuw boven de ingang geplaatst.25 Opvallend is de sterke formele gelijkenis met het gebeeldhouwde zuidportaal van de kerk te Stånga op Gotland, gebouwd ca. 1350, hetgeen de samenhang tussen beide eilanden opnieuw onderstreept [afb. 8].

In enkele van de zeven kerken op Saaremaa zijn schilderingen bewaard gebleven, hoewel deze door de slechte staat van bewaring niet altijd kunnen worden geïdentificeerd. In de kerk van Valjala is dat een reeks apostelfiguren op de noordwand van het koor (ca. 1250). In de kerk van Liiva zijn op deze plaats engelen en apostelen zichtbaar die mogelijk oorspronkelijk deel uitmaakten van een voorstelling van het Laatste Oordeel. In de dagkant van het noordelijke koorvenster bevindt zich een voorstelling van de profeet Habakuk. Het imaginaire rozetvenster op de westwand van het schip dateert nog uit de bouwtijd. Elders kunnen vooral ornamentale motieven worden aangetroffen, bijvoorbeeld in Karja, waar op de noordelijke koorwand een imitatievenster in laatgotische stijl is geschilderd, en op de koorgewelven een aantal geometrische waarvan de betekenis onzeker is.26 In Kaarma zijn op de gesloten noordelijke koorwand, aan de zijde van de sacristie, de heilige Christoforus en een geometrisch rozetvenster geschilderd.27
Sporen van de katholieke eredienst

In de middeleeuwse kerken van Saaremaa is weinig van de oorspronkelijke inrichting bewaard gebleven, waardoor we feitelijk slechts kunnen spreken van ‘sporen van de katholieke eredienst’.28 Groot is in dit opzicht het contrast met de kerken op Gotland, die beschikken over een uniek bestand aan onder meer triomfkruisen, sacramentshuisjes, altaarretabels, banken en romaanse doopvonten. Over het verloop van de Reformatie op Saaremaa is slechts weinig bekend. In het zogenaamde ‘Kiewel’sche Privileg’ van 1524 werd het lutheranisme weliswaar toegestaan, maar onduidelijk is of daarmee ook sprake was van een brede invoering van de Reformatie. De opvolgers van Johann Kiewel hielden vast aan het katholicisme. De periode 1524-1560 betrof feitelijk een ‘Interregnum van kerkloosheid’: de oude kerk heerste niet meer, de nieuwe ook nog niet. De Reformatie kreeg pas definitief haar beslag na de verkoop van het eiland aan de Denen in 1560.29

Onduidelijk is in hoeverre de katholieke inrichting reeds vóór die datum uit de kerken van Saaremaa verwijderd was. Zeker in deze perifere streken stonden de hervormers aanvankelijk betrekkelijk tolerant tegenover de altaren en de beelden in de kerk. Dat veranderde in de tweede helft van de zestiende eeuw. Zo bepaalde de kerkorde van Koerland (het westen van het huidige Letland) in 1570: ‘Unsere kirchen sollen nebenst den kirchhöfen reinlich, ehrlich und zierlich zugerüstet sein und gebürlicher weise, wie in der reformation angezeigt, gehalten werden, und in den kirchen nicht mehr als ein altar, dafür das hochwirdige sacrament verreichet sein mus, die andern, so noch verhanden, sollen weg gereumt und mit allen abgöttischen bilden abgethan, und dafür andere herliche historien aus dem alten und neuen testamente, sonderlich von der auferstehung und von dem jüngsten gericht, den armen undeutschen zum besten gemalet und christlich verordnet werden”.30 Kennelijk waren niet alle zijaltaren en beelden meteen verwijderd.

Wat door de hervormers aan meubilair werd gehandhaafd viel evenwel later voor een groot deel ten prooi aan de tand des tijds of ging ten onder tijdens oorlogen of door verwaarlozing onder het communisme. Zo is van de middeleeuwse houtsculptuur op Saaremaa enkel een vijftiende-eeuws processiekruis in Karja en een opmerkelijk beeld van Simon van Cyrene uit ca. 1450 in de kerk van Kaarma bewaard gebleven. Dit laatste beeld maakte wellicht deel uit van een omvangrijke passiegroep; het kruis in zijn linkerhand is later door een boek vervangen.31

De lutheranen behielden de doop als sacrament, waardoor dit meubelstuk in veel lutherse kerken is blijven staan. Op Saaremaa kunnen middeleeuwse doopvonten worden aangetroffen in de kerken van Kaarma, Karja, Pöide en Valjala. Een vijfde vont, afkomstig uit de verwoeste kerk van Anseküla, staat nu in de negentiende-eeuwse kerk van Kuressaare. De brede kuip van de dertiende-eeuwse vont in Valjala wordt omgeven door twee horizontale palmettenfriezen met slingerende wijnranken [afb. 9]. Het voetstuk is vormgegeven als een brede centrale kolom met rondom vier hoekpilasters. Mogelijk is dit doopvont afkomstig uit een Westfaals atelier.32 Op de kuip uit Anseküla zijn fantasiewezens uitgehakt, verdeeld over twee zones. Waarschijnlijk is dit vont uit Gotland geïmporteerd of ten minste op Gotlandse modellen (o.a. Fröjel) geïnspireerd. De veelhoekige vonten in Kaarma, Karja en Pöide, daterend uit de dertiende of veertiende eeuw, zijn onbewerkt.

De lutheranen behielden ook het altaar als communietafel; in de meeste kerken op Saaremaa is het middeleeuwse hoogaltaar dan ook bewaard gebleven. In Liiva betreft dat een massief in baksteen gemetseld blok in de voornoemde rechthoekige koorabsis [afb. 10]. De dekplaat is tijdens de restauratie vernieuwd. In Pöide staat het bakstenen altaar op een licht verhoogd podium. Ook in Karja is het hoogaltaar in het koor bewaard gebleven. Aan de voorzijde is onder de dekplaat een reliekholte aangebracht. De betimmerde nis in de noordzijde van het altaarblok was naar alle waarschijnlijkheid bestemd voor de ampullen met water en wijn die tijdens de misviering door de priester werden gebruikt. Van de brede nis aan de achterzijde is de functie onbekend.33 Ook in de kerk van Kaarma bevindt zich in het koor nog het oorspronkelijke altaar. Hier is de betimmerde ampullennis in de zuidzijde van het blok uitgespaard [afb. 11]. In deze kerk is ook het noordelijke zijaltaar bewaard gebleven, waaruit blijkt dat de bepaling dat deze moesten worden verwijderd niet overal werd nageleefd. Het betreft een massief natuurstenen blok in de noordoosthoek van het schip, waarvan de voorzijde met ornamentale decoraties is versierd. In het blok is aan de voorzijde een kleine reliekholte uitgespaard; de opvallend dikke mensa heeft een geprofileerde rand.

In de meeste kerken op Saaremaa is de nis aanwijsbaar waar in de Middeleeuwen na afloop van de misviering de hostie werd opgeborgen. Dit zogenaamde sacramentshuis bevindt zich vrijwel altijd aan de noordzijde van het altaar en is soms voorzien van decoratie met een christologische betekenis.34 In tegenstelling tot Gotland, waar veel nissen hun houten kastjes hebben behouden, zijn op Saaremaa alle deurtjes verloren gegaan. In de oostmuur van het koor in Pöide is een nis aangebracht die aan de bovenzijde door een driepas wordt afgesloten [afb. 12]. De bekroning in de vorm van een gotisch kruis verwijst naar het offerkarakter dat in de laatmiddeleeuwse misopvatting centraal stond. De nis bevindt zich op ongeveer 1,5 m hoogte en is bereikbaar over een stenen trap van drie treden die een hoek maakt. Het eenvoudige sacramentshuis in de kerk van Karja bevindt zich op dezelfde plaats en is bereikbaar over een stenen trap van twee treden [afb. 13]. Het feit dat de stenen platen die de wanden van de nis bekleden iets terugwijken ten opzichte van de muur maakt aannemelijk dat deze oorspronkelijk was voorzien van een (houten?) deurtje. In Liiva bevinden zich twee nisjes in de koorwand ten noorden van het altaar [afb. 14]. Waarschijnlijk fungeerde de meest oostelijke als bewaarplaats van de hostie, getuige de bekroning in de vorm van een boogveld met daarin een gelijkarmig kruis. Het houten deurtje dat de nis afsluit is van recentere datum. Boven de nis bevindt zich een schildering van Abraham die door het offer van zijn zoon Izaäk vaak met het misoffer in verband werd gebracht. In Kihelkonna komt een smalle nis in de oostwand van het koor voor een functie als sacramentshuis in aanmerking.

In de zuidwand van het koor bevindt zich dikwijls een piscinanis, waarin de priester na de misbediening met behulp van een hangende lavaboketel zijn handen afspoelde, zodat mogelijke achtergebleven kruimeltjes van de hostie op gewijde grond zouden achterblijven. In Pöide is het bekken met de afvoer in de piscinanis bewaard gebleven. In de kerken van Valjala en Liiva zijn in het koor aan de zuidzijde één of twee nisjes zichtbaar, waarvan er één als piscina kan hebben gefungeerd. In kerken die over een sacristie beschikten bevond de piscina zich vaak in de sacristiewand. Dat is het geval in Karja, waar in de kleine muurnis nog de ijzeren haak te zien is waaraan de ketel hing35 [afb. 15], en in Kaarma, waar het bekken van de piscina in de benedendorpel van het westelijke venster in de noordmuur is ingemetseld [afb. 16]. In Karja waren er mogelijk twee afzonderlijke piscina’s, daar ook de fraaie omlijste nis in de zuidoosthoek van het koor een bekken bezit, dat licht uit de wand naar voren steekt.

Naast het sacramentshuis en de piscina kunnen in de koorwand van verschillende kerken nog andere nissen worden aangetroffen. Zo diende de merkwaardige schuine nis in de zuidoosthoek van de kerk in Liiva, onmiddellijk naast het altaar, mogelijk als een opbergplaats voor de ampullen [zie afb. 2]. Andere nissen in het koor, bijvoorbeeld in Pöide (3), in Karja (2) en in Liiva werden mogelijk gebruikt voor de bewaring van wierook, vaatwerk, boeken of de misbel. In de zuidwesthoek van het koor in de kerk van Karja bevindt zich een brede afsluitbare wandnis die dienst doet als archiefkast. Daar de nis zich bevindt op de plaats van de gedichte priesteringang is deze waarschijnlijk van later datum.36 Zeker is dat de brede nis in de zuidelijke koorwand van de kerk in Valjala diende als sedilia of ‘Dreisitz’, een zitbank voor de priester, zijn diaken en zijn subdiaken [afb. 17].

Opvallend is de aanwezigheid van een vuurplaats met een rookkanaal op de verdieping boven de sacristieën in Karja en Kaarma.37 Zoals eerder is aangeduid worden deze door sommige auteurs geïnterpreteerd als een verblijfplaats voor passerende pelgrims of als een toevluchtsoord voor de lokale bevolking in tijden van dreigend gevaar. Maar ook kan worden gedacht aan een functie die verband houdt met de misliturgie. Ook elders zijn in sommige middeleeuwse sacristieën vuurplaatsen in de muur aangebracht, in Nederland onder meer in Bolsward, Hasselt en Geertruidenberg. Deze dienden waarschijnlijk voor de verbranding van delen van de altaardwaal of het corporale wanneer daarop miswijn was gemorst, of van vliegjes en spinnetjes als die onverhoopt in de miskelk waren gevallen.38

Intrigerend zijn tenslotte de nissen in de schipwanden van de kerken in Valjala en Karja. In beide kerken bevindt zich een tamelijk diepe horizontale nis in de noordwand op een hoogte van ongeveer 1 m boven de vloer. In Valjala bevindt zich links boven de nis een bewerkte stenen console in de muur [afb. 18]. In Karja is de nis tezamen met een kleiner afgeschuind nisje erboven gevat binnen één stenen omlijsting [afb. 19]. Kjellin stelt in zijn monografie over de kerk van Karja kortweg dat op deze plaats ‘sicherlich’ een zijaltaar heeft gestaan; in het kleine nisje stond dan vermoedelijk een wierookvat.39 Deze uitleg is echter, mede door de opvallende vormgeving van de nissen, onbevredigend. Hoewel concrete bewijzen ontbreken moet met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat deze nissen in Karja en Valjala in de week voor Pasen werden gebruikt als heilig graf. In Duitse kerken was de noordelijke schipwand daarvoor de gebruikelijke plaats.40 Tijdens de Goede Vrijdagmis werd dan een kruis(beeld) op symbolische wijze begraven in een nis of kist die het graf van Christus symboliseerde. Deze nissen volgden gewoonlijk de vorm van een gotisch wandnisgraf. Soms werd daarbij ook een hostie ‘begraven’ (in het nisje in Karja?) en lampen of waspitten gebrand (op de console in Valjala?).
Balans

De zeven middeleeuwse kerken op het Oostzee-eiland Saaremaa, grotendeels gebouwd tussen 1250 en 1350, vormen een tamelijk homogene groep godshuizen aan de uiterste noordoostgrens van de toenmalige christelijke wereld. Het betreft eenvoudige zaalkerken van geringe omvang, opgetrokken in de stijl van de vroege gotiek. Ondanks latere aan- en verbouw hebben de meeste kerken hun oorspronkelijke aanzicht goed bewaard. Stilistisch is er sprake van sterke overzeese invloeden, in de eerste plaats vanaf het nabije Gotland en indirect ook vanuit Westfalen en het Rijnland. Enkele aspecten, waaronder de sobere afwerking en de afwezigheid van torens, zijn mogelijk een gevolg van de sterke invloed van de cisterciënzers. De fragmentarisch bewaard gebleven wand- en gewelfschilderingen volgen een patroon dat ook elders gebruikelijk was. Rijk aan bouwsculptuur is vooral de kerk te Karja, en ook hier wijzen de stilistische parallellen in de richting van Gotland. In tegenstelling tot dat Zweedse eiland is van de voor-reformatorische inrichting van de kerken op Saaremaa weinig bewaard gebleven, maar desondanks zijn de sporen interessant. Zo zijn behalve altaren en doopvonten, die bij de lutheranen in gebruik bleven, op veel plaatsen ook de sacramentsnis en de piscinanis aanwijsbaar. Vooral in deze laatste categorie is er sprake van een variëteit aan plaatsing, omvang en uitvoering. De opvallende wandnissen in het schip van Karja en Valjala werden mogelijk gebruikt als heilig graf.


[Dr. Justin E.A. Kroesen is als universitair docent werkzaam aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn vakgebied betreft de architectuur en iconografie van het christendom. Met dr. Regnerus Steensma bezocht hij Saaremaa in september 2001 en Gotland in 1998 en 2003]



Summary

The seven medieval churches on the Estonian island of Saaremaa in the Baltic Sea, which were built mainly between 1250 and 1350, form a rather homogenous group of houses of God at the extreme northeastern frontier of the Christian world at that time. They are humble single-hall churches of small dimensions, erected in the architectural style of early Gothic. Although some churches were altered by later changes and additions most of the churches have well preserved their original aspect. Stylistically, strong influences from overseas can be seen, directly from the nearby Swedish island of Gotland and indirectly from Westphalia and the German Rhineland. Some aspects, for example the absence of towers and the austere finish, are possibly results of the strong influence of the Cistercians. The paintings on walls and vaults, which have been preserved only in fragments, follow a pattern that can be found in other places as well. Particularly rich in sculptures is the church of Karja and here, again, stylistic parallels mainly point towards Gotland. In contrast to that Swedish island, however, the churches of Saaremaa have preserved little of their pre-Reformation furnishings. Nevertheless, the vestiges remain interesting. Apart from the altars and the baptismal fonts, which retained their function in Lutheranism, in most churches also the tabernacle nich and the piscina can be found. In this last category in particular, there is a considerable variety in placings, forms and dimensions. The striking recesses in the nave walls at Karja and Valjala possibly functioned as Easter Sepulchres.



Onderschriften bij de afbeeldingen


  1. De eilanden Saaremaa en Muhu.

  2. Liiva, interieur.

  3. De sacristie van de kerk in Kaarma is voorzien van een verdieping.

  4. Liiva, getrapte opbouw van oost naar west.

  5. Valjala, westfaçade.

  6. Karja, kruisigingsreliëf.

  7. Karja, zuidportaal (reconstructie H. Kjellin).

  8. Stånga (S), zuidportaal.

  9. Valjala, doopvont.

  10. Liiva, hoogaltaar.

  11. Kaarma, ampullennis in het hoogaltaar.

  12. Pöide, sacramentsnis.

  13. Karja, sacramentsnis.

  14. Liiva, nissen in de noordelijke koorwand.

  15. Karja, piscinanis in de sacristie.

  16. Kaarma, piscina in de sacristie.

  17. Valjala, piscina- en sedilianis in de zuidelijke koorwand.

  18. Valjala, heilig grafnis (?) in de noordelijke schipwand.

  19. Karja, heilig grafnis (?) in de noordelijke schipwand.




1 Gaarne betuig ik mijn dank aan dr. R. Steensma voor zijn kritische lezing.

2 Zie bijv. C. Higounet, Die deutsche Ostsiedlung im Mittelalter, München 21990, pp. 218-226.

3 Cf. Higounet, Die deutsche Ostsiedlung, p. 218.

4 Dat was zeker het geval in Kihelkonna.

5 K. Alttoa, Saaremaa kirikud/The Churches on the Island of Saaremaa, Tallinn 1997.

6 Beschreven door Alttoa, Saaremaa kirikud, pp. 16-73.

7 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 9

8 Alttoa, Saaremaa kirikud, pp. 32,59.

9 H. Kjellin, Die Hallenkirchen Estlands und Gotlands, Lund 1929.

10 H. Kjellin, Die Kirche zu Karris auf Oesel und ihre Beziehungen zu Gotland, Lund 1928.

11 Cf. E. Lagerlöf/G. Svahnström, Die Kirchen Gotlands, Kiel 1991, pp. 28-29.

12 Zie vooral de studie van Kjellin, Die Hallenkirchen Estlands.

13 Higounet, Die deutsche Ostsiedlung, p. 221.

14 Cf. Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 13.

15 Higounet, Die deutsche Ostsiedlung, p. 221.

16 Door het kapittel van 1157 werden stenen klokkentorens zelfs geheel verboden, cf. G. Duby, Saint Bernard. L’art cistercien, Paris 1979, p. 140.

17 In Valjala werd de romaanse halfronde absis in de late veertiende eeuw voorzien van een veelhoekige koorsluiting.

18 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 19.

19 Lagerlöf/Svahnström, Die Kirchen Gotlands, p. 20: “Gegen Ende des XII. Jahrhunderts machten sich wieder neue Ideen geltend, jetzt auf Grund des Einflusses des 1164 gegründeten Zisterzienserklosters Roma. Sie zielten auf eine strengere Architektur, die allmählich eine Begrenzung der dekorativen Ausschmückung und die Bevorzügung des geraden Chorabschlusses mit der für Zisterzienserkirchen charakteristischen Dreifenstergruppe mit sich brachte”.

20 Cf. Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 38.

21 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 35.

22 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 65.

23 Cf. Kjellin, Die Kirche zu Karris, pp. 74-93.

24 Kjellin, Die Kirche zu Karris, p. 211vv.

25 Kjellin, Die Kirche zu Karris, Tafel XIVa.

26 Kjellin, Die Kirche zu Karris, pp. 94-105.

27 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 32.

28 Naar analogie van R. Steensma: Sporen van de katholieke eredeinst in hervormde Drentse kerken, in M.A.W. Gerding e.a.: In alle bysterije, onwetenschap unde wildicheyt. De Reformatie in Drenthe in de zestiende en zeventiende eeuw, Delft 1998, pp. 199-223.

29 Zie vooral E. Sehling (Hrsg.), Die evangelischen Kirchenordnungen des XVI. Jahrhunderts 5: Livland, Estland, Kurland, Mecklenburg, Lübeck, Lauenburg, Hamburg, Aalen 1970, p. 41.

30 Die evangelischen Kirchenordnungen, p. 98.

31 Cf. Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 8.

32 Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 22.

33 Kjellin, Die Kirche zu Karris, pp. 128-129.

34 Kjellin spreekt in zijn boek over de kerk in Karja van liefst drie sacramentsnissen (Die Kirche zu Karris, p. 49). Brood en wijn zouden volgens hem van oudsher in afzonderlijke nissen zijn bewaard. Waarschijnlijker is dat slechts één van deze nissen als zodanig dienst deed, overeenkomstig de praktijk elders in Europa.

35 Kjellin, Die Kirche zu Karris, p. 55.

36 Kjellin, Die Kirche zu Karris, p. 49.

37 Voor Karja, zie Kjellin, Die Kirche zu Karris, p. 57, voor Kaarma, zie Alttoa, Saaremaa kirikud, p. 31.

38 Cf. bijvoorbeeld de bepalingen in het bisdom Luik uit de dertiende eeuw, J. Avril (ed.), Les statuts synodaux de Jean de Flandre, évêque de Liège (1288), Liège 1996, p. 114.

39 Kjellin, Die Kirche zu Karris, p. 178.

40 Voor het heilig graf en zijn plaats in de kerk, zie J.E.A. Kroesen, The Sepulchrum Domini Through the Ages. Its Form and Function [= Liturgia condenda 10], Leuven/Paris/Sterling Va. 2000.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina