Mijn aandacht gaat uit naar de 18e eeuw maar begint in de 17e eeuw



Dovnload 53.95 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte53.95 Kb.
1.
ARMENZORG IN MONNICKENDAM IN DE 17e en 18e EEUW. Jaarverslag 1993
In het jaarverslag van 1978 heeft mevrouw M.E. Hielkema een artikel geschreven over de armenzorg in Monnickendam in de eerste helft van de 19e eeuw.

Mijn aandacht gaat uit naar de 18e eeuw maar begint in de 17e eeuw.

Hoewel ook de R.K. kerk en de Lutherse kerk hun behoeftigen hebben ver­zorgd, beperk ik mij tot de armenzorg van de Gere­formeerde gemeente.

Tijdens de voorbereiding mocht ik opnieuw gebruik maken van het particulier archief van de Hervormde Gemeente van Monnic­kendam, waarvoor mijn dank.

Het zijn met name de boeken van de diakonie die verslag doen hoe de zorg voor de armen was opgezet en hoe deze zorg functi­oneerde.

Er zijn raakvlakken tussen de aandacht voor de armen en de zorg voor de wezen.

Voor wat dat laatste betreft verwijs ik U naar het artikel in het jaarverslag van de vereniging van 1992 over het weeshuis van Monnickendam.

Aan een schets over de armenzorg in onze stad gaat een para­graaf vooraf waarin het armoede-vraagstuk in een historisch kader wordt gezet.

In de bronvermelding vindt de geïnteresseerde lezer de boeken die uitgebreider op dit sociaal-maatschappelijke vraagstuk van eeuwen ingaan.
ARMOEDE IN HISTORISCH PERSPEKTIEF.
Om het ontstaan te schetsen van de diakonale zorg moeten we terug in de tijd.

"De vroege Middeleeuwen worden gekenmerkt door haar agrarisch en feodaal karakter" schrijft van den Eerenbeemt. Feodaal heeft te maken met het leenstelsel zoals dat in vroe­ger tijd bestond.

Grootgrondbezitters, meestal van adellijke huize, stonden naast en tegenover de boeren die een stuk land te leen kregen en dat bewerkten in dienst en ten behoeve van de eigenaar.

In die vroege Middeleeuwen kwam armoede als massaal-structu­reel probleem niet of nauwelijks voor.

Het waren vooral plaatselijke en regionale crises, opgeroepen door plagen als dijkdoorbraken, misoogsten, pest en oorlog die plotseling een grote armoede konden veroorzaken.

Na verloop van tijd echter herstelde de oude toestand zich gewoonlijk weer.
2.

De grote massa had over het algemeen weinig weerstandsvermo­gen, veroorzaakt door eenzijdige en vaak onvol­doende voeding, door een zeer beperkte en bepaald niet hygi­nische behuizing en door minimale beschutting tegen de koud. Honger en ziekten als bv. de pest hebben vooral de pauperklasse op veel plaatsen gedecimeerd.

Toch hadden de armen het in vroeger tijd niet slecht. In de Middeleeuwen was er sprake van een omvangrijke religieu­ze liefdadigheid (caritas). Liefde tot de naaste werd gezien als dé christelijke deugd bij uitstek.

Maar er schuilt een addertje onder het gras. Er was nl. geen sprake van doelbewuste en doelgerichte armen­zorg.

De helper, gulle gever, verrichtte een vrome daad die zijn eigen zieleheil ten goede kwam.

Vanuit de RK-kerkleer gedacht was er sprake van zoiets als een rekening-courant met de hemel.

Goede daden, dus ook de caritas, konden immateriële debetpos­ten die het gevolg waren van begane zonden uitwissen, zo was de opvatting. Vandaar een grote vrijgevigheid. Struktureel was dit echter niet.

Hoe meer aalmoezen er gegeven werden, des te talrijker werd de aalmoesvragers. De prikkel om te werken werd ondermijnd. En met de toename van het aantal nietsnutten daalde ook het zedelijke peil.

De arbeidsschuwe mensen vormden een bedreiging voor de openba­re rust en veiligheid.

Van den Eerenbeemt merkt op dat dit "bedeelden-proletariaat" wegzakte naar een niveau van fysieke en geestelijke minder­waardigheid, welk degeneratieproces nog geaccentueerd werd door een toename van het drankmisbruik, de criminaliteit, erfelijke ziekten en gebreken onder de lagere volksklasse".


Renaissance en Reformatie.
Het was de overheid en niet de kerk die het initiatief nam tot een meer structurele en effectiever armenzorg.

We bevinden ons dan echter al aan het begin van de nieuwe tijd. Er ontstond het besef dat het armoedevraagstuk aangepakt moest worden met het ook op de verloedering van de maatschappij en het belang van de behoeftigen zelf.

Je kunt het ook anders zeggen. Er kwam een meer rationele benadering van het vraagstuk.

Immers, het denken van de mens veranderde gaandeweg. De natuur werd "ontgoddelijkt" en zo terrein van onderzoek. De wereld werd ontdekt door nieuwe technische voorzieningen.


3.

Ook het godsdienstig denken werd genuanceerder. Niet alleen de hemel maar ook de aarde kwam in zicht.

Vanuit het humanisme werd o.a. aandacht gevraagd voor de menswaardigheid van ieder schepsel, ook van de minder-bedeel­de. De belangrijkste verandering is echter dat de aandacht steeds minder uitging naar de gever en steeds meer naar de ontvanger. Luther zag de persoonlijke ramp.

In Luthers benadering is de arme dan ook niet langer middel maar doel van de liefdadigheid.

De gever behoorde te geven als getuigenis van zijn geloof en uit liefde voor zijn naaste.

Calvijn zag diakonale zorg vooral van belang met het ook op het geestelijke welzijn, zowel van de arme als de gemeente. Calvijn heeft dan ook sterk geijverd voor een volledig kerke­lijke armenzorg, uitgeoefend door de diakonie.

Artikel 30 van de in 1561 door Guido de Brès opgestelde Neder­landse Geloofsbelijdenis vermeld "dat er ook opzieners en diaken zijn..... opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden daardat zijn van node hebben."

En de Heidelbergse Catechismus van 1563 noemt de "christelijke handreiking aan de armen" als authentiek bestanddeel van de kerkdienst.


Diakonie en armenzorg.
de Gereformeerde diakonale zorg was vanaf het begin "gezindte­armenzorg". Bestemd voor de "huisgenoten des geloofs". De zorg voor de niet-kerkelijke gelovigen werd gezien als taak van de overheid.

De diaken hadden als specifieke verantwoordelijkheid vertegen­woordiger te zijn van het volk van God in relatie tot de ander en de samenleving. Hun ambt was de grens van kerk en wereld. We moeten de diakonale zorg niet idealiseren.

Er was een grote kloof tussen armen en rijken. Diakenen kwamen gewoonlijk uit de betere stand.

De armenzorg had bovendien een vrij massaal karakter en was tamelijk rationeel geordend.

Meestal droegen de diaken de gehele plaatselijke verantwoorde­lijkheid. Een monopolie-positie.

De diaken zaten vooraan in de kerk en hanteerden de stokken met collectezakken, soms voorzien van een belletje vanwege de kerkslapers.


4.

Armen. Een omschrijving.
Om duidelijk voor ogen te hebben om wat voor mensen het gaat, is hier een omschrijving van de arme, vermeld bij Groenveld (zie onder):

"De armen waren zij die niet door eigen arbeid de kost konden verdienen of die geen grondbezit hadden.

Arm kon men ook hen noemen die het minimum van de directe belastingen niet konden neertellen.

Arm werden lichamelijk of geestelijk gehandicapten geacht of mensen in ballingschap of slavernij, kampende met honger en dorst Arm in ieder geval was elkeen die steun nodig had van een ander, een particulier of instelling".

Het verschil tussen arm en rijk kwam tot uitdrukking in behui­zing, in kleding, in maatschappelijke funktie met bijbehorend inkomen.

Helaas was dat maatschappelijk verschil ook zichtbaar in de kerk waar de armen een speciale bank hadden.

Ook Monnickendam kende heel wat armen zoals uit het vervolg zal blijken.

Velen van het vielen onder de zorg van de Gereformeerde Ge­meente, na 1795 Nederlands Hervormde Gemeente geheten.
Bron vermelding.
- Daar de Orangie-appel in de gevel staat, red. S. Groenveld.

- De arme en het maatschappelijk welzijn in historisch per­spektief, Dr. H.F.J. M. van den Eerenbeemt.

Lezing verschenen in Sociale wetenschappen, jaargang IV, nr 4 (1961).

- Een deftig bestaan.

Het dagelijks leven van regenten in de 17e en 18e eeuw, vooral blz. 9-16.

- Armenzorg in Monnickendam in de eerste helft van de 19e eeuw.

Mevr. M.E. Hielkema.

Jaarverslag Oud-Monnickendam 1978, blz. 29-33.


BRONNEN VAN ONDERZOEK
In het particulier archief van de Hervormde Gemeente van Monnickendam heb ik de volgende bronnen geraadpleegd:

1. boeken over ontvangsten en uitgaven van de Diakonie.

De oudste notities dateren van 1581.

Ze gaan tot 1584.

Vanaf 1600 tot 1829 is, met uitzondering van een enkel jaar in de 17e eeuw, een kompleet overzicht voorhanden.

Over de inhoud straks meer.


5.

2. Verwant, maar desondanks apart, zijn de zogeheten kapitaal­boeken. Daarin wordt de ontvangen rente op uitgezet kapitaal bijgehou­den. Het gaat om obligaties en vrije en onvrije losrentebrieven. Losrentebrieven zijn schuldbekentenissen waarop de schuldenaar jaarlijks rente moest betalen.

De vrije losrentebrieven mocht hij aflossen of afkopen door betaling ineens van een zekere som ter grootte van enige malen het bedrag aan rente. de kapitaalboeken lopen van 1664 tot 1807.

3. In het bespreekboek dat in 1671 is aangelegd en loopt tot 1787 wordt voornamelijk melding gemaakt van ontvangsten van legaten en liberale (vrije) giften. Het waren de gegoede burgers van de stad die zo nu en dam de diakonie aan extra inkomsten hielpen.

Gelet op de periode die dit boek omvat zou je een groot aantal posten verwachten. Niets is echter minder waar.

Er zijn slechts 12 pagina´s beschreven met een totaal van 44 vermeldingen van legaten, giften of testamentaire beschikkin­gen.

Voor wat betreft de 2e helft van de 18e eeuw alleen een gift in 1751, 1761, 1773 en 1787.

4. Het memorieboek van de diakonen, 1797 - 1800.

De naam zegt het al, het gaat om notities die in herinnering moesten blijven. Er worden besluiten in vermeld.

Het verschil tussen bespreek- en memorieboek is mij niet altijd duidelijk omdat er berichten in staan die m.i. zowel in het een als in het ander opgenomen hadden kunnen worden.

Bovendien kom je ook posten tegen die je normaliter zou ver­wachten in het ontvangst- en uitgavenboek.

5. Interessant voor de zoekers naar familiegegevens zijn vooral de boeken waarin de betaling aan de armen werden bijge­houden. Die lopen van 1709 tot 1799. Het betreft het maandgeld en het zeswekengeld + uitdeling van turf.


Diakonale zorg in Monnickendam in de 17e en 18e eeuw.
De notulen van de Kerkeraad (1599 - 1602) vermelden op 9 januari 1600 een ordening.

Artikel 2 luidt: "Tot welcke sijnde seeckeren mannen sullen vercooren weesen als namentlyc acht Ouderlingen en acht Diaco­nen om de selve ampten te bedienen haer leven langh".

Uit artikel 3 blijkt dat er tenminste vanaf 1587 sprake is van ouderlingen en diaken.

Artikel 4: "Uit deesen sal het halve getal alleen regieren, namentlyc vier Ouderlingen en vier Diaconen en dat met veran­deringe jaer om jaer, welcke veranderinge sal geschieden met den aenvanck des nieuwen jaers".

Er zijn dus vanaf het jaar 8 ouderlingen en 8 diaken waarvan de helft één jaar zijn ambt uitoefend.

Na dat jaar traden er vier af en kwamen er vier nieuwe ouder­lingen en diaken bij. Ouderlingen en diaken waren vervolgens twee jaar achtereen in funktie. Gewoonlijk zie je ouderlingen en diakenen 3 x 2 jaar dienst doen.

Zo b.v. Klaas Louis Schut. Hij is diaken in 1732 en 33, dan twee jaar rust.

Vervolgens staat hij weer genoteerd in 1736 en 37 en nog eens in 1740 en 41.

Zo ook Reyer Blankevoort. Hij is diaken in de jaren 1763/64, 1767/68 en 1771/72.

In een kerkeraadsvergadering d.d. 7 augustus 1616 wordt, op voorstel van de toenmalige predikant Ds. Samuël Bartholdi, de gemeente in vier "quartieren" opgedeeld.

Aangegeven wordt welke straten en stegen vallen onder welk quartier. Voor elk kwartier worden twee ouderlingen en diaken aangewe­zen. In november 1650 wordt het aantal ouderlingen en diakenen teruggebracht van acht naar zes.

Zij zijn in functie "voor de tijd van twee jaar". Zo zal het vele jaren blijven.

Op zondag 12 januari 1670 worden in de kerkeraad twee brieven van het stadsbestuur in behandeling genomen, waarin wordt aangedrongen op een goede zorg voor de minder bedeelden van de stad.

Hier volgt een stuk dat vermeld staat op de voorpagina van het ontvangsten en uitgavenboek van 1670 en dat op de eerste pagina van eenzelfde boek dat in 1730 begint wordt herhaald.



"Op Sondag den 12 jannuaris des Jaars anno 1670 bij diaconen in de vergaderinge van den kerkenraat sijnde geproponeert (voorgesteld) dat de heeren burgemeesteren ende regeerders dese stads bij twee distincte missieven (verschillende brie­ven) de eene in dato 9 September ende andere in dato den 11 Jannuarij bijde laatstleeden volgens desolutie (besluit) van de heeren van de vroetschap van dato 8 juni des voorleden jaers anno 1669 aan haar E D (edelachtbare diakonen?) hadden gerecommandeert (aanbevolen) dat de selve de distributsie van de aalmoesse sodanigh geliefde te reguleeren (regelen) dat die aan geen andere Persoone als oude burgers ofte die door lang­durige inwooninge ofte wel door een acte van de Regheringe het burgers ofte Poorterrecht hebben verkregen, mogten worden gedaan dat de selve aanlmoesse ofte het beloop van dien naar het overlijden van de persoonen de voor schreeven aalmoesse hebbende genoten, sij met ofte oock sonder kinderen afsterven­de de weeshuyse niet subjekt weesende uyt der selver goederen, soo waaneer soo veel boven de schulden overigh sal sijn mogten worden getrocken ende wederom genooten, ende de voorsijde twee poincten sijnde gebragt in deliberatie (beraadslaging) is bij den kerckenraat goet gevonden ende verstaan aan de voorschre­vene Recommandatie van de gemelde heeren burgemeester ende vroetschappen te defereren (zich schikken) ende vervolgens deselve twee pointen te arresteeren (vaststellen) sulcke deselve gearessteerd worden mits desen en sijn dien volgens de voornoemde broeders diaconen versogt en geauthoriseert (gemac­htigd), dese resolutie op het gevoeglijckst ter executie (uitvoeren) te stellen."

De diaconen geven vervolgens te kennen dat zij de personen die onder hun zorg vallen voldoende aandacht zullen geven en hun namen zullen noteren op de maand- of zesweken-cedul(lijst).

Kortom zij geven gehoor aan de beslissing van het stadsbestuur als verwoord in bovenvermeld schrijven.

Vanaf 1670, zo vermelden de diverse boeken, zijn er jaarlijks zes diaconen in funktie. zij dragen zorg voor de groep armen die waarschijnlijk per wijk zijn ingedeeld.

Deze armen krijgen zowel een financiële ondersteuning alsook hulp in natura.

De geldelijke ondersteuning betekent voor een aantal een maandelijks geldbedrag, voor anderen een toelage per zes weken.

Het "maentgelt" varieert van 2 tot 3 gulden, het "sesweken gelt" is 1 tot 3 gulden.

De reden dat de een op de maand- en een ander op de zesweken-cedul werd geplaatst zal vermoedelijk te maken hebben met de "ernst" van de armoede. Mogelijk speelde ziekte, invaliditeit of geestelijk onvermogen een rol.

Naast deze geldelijke ondersteuning was er de uitdeling van linnen.

De meeste armen ontvingen 3 ¼ tot 6 ½ el. (een el is ongeveer 65 - 70 cm.) per maand.

Daar werd o.a. kleding van gemaakt. Het verstrekken van linnen stopt in 1709.

Tussen 1670 en 1700 krijgen de behoeftigen ook eens per maand een stuk vlees.

Wat voor ´n vlees wordt niet vermeld. Ik lees echter wel over een hondeslager!

Dat vlees werd verdeeld over hen die onder verantwoordelijk­heid van een diaken vielen.

Zo lees je de ene keer dat zij een portie vlees, groot 1/16 kregen, de andere keer is dat 1/20.
8.

Deze vleesvoorziening stopt in 1692. Om de windermaanden door de komen werd er aan het einde van de herfst en soms in februari nog eens turf uitgedeeld. Ieder kreeg 15 tot 30 manden turf. Vanaf 1678 worden de manden vervangen door tonnen. Hoe groot die manden of tonnen waren wordt niet vermeld. Deze turf diende als brandstof.


De inkomsten en uitgaven boeken hebben voor al deze posten aparte pagina´s, hetgeen een omvangrijke administratieve rompslomp met zich mee bracht. Dat hebben de diakenen blijkbaar zelf ook ingezien want vanaf 1688 worden de uitgaven van geld en natura keurig in kolommen naast elkaar vermeld. Zo behoefden de niet elke keer een grote reeks namen over te schrijven.

Waren er veel armen in Monnickendam?

Dat is vrij gemakkelijk na te gaan.

Een kwestie van optellen van het aantal namen dat jaarlijks geholpen werd.

Een klein overzichtje:

1670 - 91 personen 1740 - 61 personen

1700 - 117 personen 1760 - 55 personen

1720 - 103 personen 1780 - 64 personen

1792 - 80 personen


Het getal schommelde maar kwam, behalve rond 1700, nooit boven de 100 uit.

Daarbij moeten we echter niet vergeten dat het inwonertal van de stad Monnickendam behoorlijk is teruggelopen.

Waren er in 1662 nog 3990 personen geteld, in 1795 zijn dat er nog maar 2058. Bijna een halvering!

Percentueel is het aantal armen eind 18e eeuw dus hoger dan in het laatste kwart van de 17e eeuw.

De namen van de bedeelden zijn jaar voor jaar bijgehouden. Toch is het voor familie-onderzoek vaak reuze moeilijk om de voorouders terug te vinden. Dat heeft niet alleen te maken met het veelvuldig gebruik van patroniemen.

Er is ook sprake van bijnamen. Dan lees je de voornaam met een achtervoegsel dat de ene keer zijn beroep aangeeft, de andere keer verwijst naar de straat of steeg waar hij/zij woonde.

Enkele voorbeelden uit 1719:

Blauwe Trijn, Dienders Mary, Pieter de metselaer, Boere Neel, Barent de prins, Anne met de matten, Aagje met de kruk, Trijn­tje Cornelis van Enkhuysen, Dolletie.

Onder hen die verzorgd werden door de diakonie waren veel weduwen. Ook zij worden meestal niet met hun eigen naam genoemd maar vermeld als: de weduwe van....(volgt de naam van de overleden echtgenoot).

Bedanken en overlijden.

Bladerend in de registers kun je zien hoe lang iemand werd onderhouden door de diakonie. Soms is er sprake van een paar jaar, maar Rijkje Michiels b.v. kreeg bijna 50 jaar bijstand. Al in 1698 komt zij voor op de "sesweken-cedul".

Ze overlijdt in 1746. In de kantlijn van de registers staat regelmatig het woordje "bedankt".

Soms is dat een dankbetuiging voor een jaar hulp. Maat het bedanken vond ook plaats als steun niet langer nodig was. Bv. als een weduwe opnieuw trouwde of een arme bij familie in huis kwam die voor het verdere onderhoud zorgde. Uiteraard hield de steun op bij het overlijden van de huiszit­tende arme.

In de kantlijn vinden we dan het woord obiit, latijn voor "hij/zij is overleden".

De armen werden op het kerkhof begraven. De diakonie betaalde de kosten.

Uit het memorieboek komt de mededeling dat een begrafenis of bijzetting in een kerkelijk graf vroeg in de ochtend plaats­vond.

Het Memorieboek vermeld op 8 july 1797 dat de vrouw van Symon Reyers Groot (geen familie van de schrijver) ´s morgens voor zes uur moet worden begraven. En op 5 december van dat jaar wordt besloten het kind van de weduwe Jan Martensz. op 8 december voor acht uur te bestellen en het te laten dragen door een diakonie weeskind.

Al vroeg werd men vertrouwd gemaakt met de dood.

Bezittingen van de diakonie.

De diakonie was vermoedelijk ook eigenaar van wat huisjes. Vermoedelijk bewoond door arme inwoners, pro deo.

Twee van die huisjes waren gelegen op het kerkhof, vóór 1700 bewoond door de vrouw van Bestevaer, de bierdrager met haar dochter. Uit het kapitaalboek 1682-1736 blijkt dat de diakonie ook een stuk land bezat "aan de suytsijde van de Monnickenmeer". Dat stuk land was ongeveer drei deymt groot.

Een Waterlandse deimt staat vermeld als 6084 m², zoveel als op een dag door één man gemaaid kon worden.

Dit stuk land was op 30 juli 1702 door testamentaire disposi­tie in het bezit van de diakonie gekomen.

De vorige eigenaar was Cornelis Moyevries, diaken in 1677 en 1678. Dit land werd verhuurd aan Jan Oossanen voor 21 tot 24 gulden per jaar. In 1720 wordt dit stuk land op "Sinter Nicolaas avont" via een openbare veiling verkocht aan de huurder.



INKOMSTEN EN UITGAVEN VAN DE DIAKONIE.

Met zoveel armen in de registers was er maandelijks heel wat nodig om de noodzakelijke betalingen te doen en andere voor­zieningen te treffen.

Aan de hand van de inkomsten en uitgaven van 1719 krijgen we een indruk wat er allemaal voor kwam kijken.

"Reekeningh van den Ontfangh en uytgave der Broederen Diaconen van de gereformeerde Kerke des Stads Monikendam, aangeleyt primo January 1719 en eijndigende ultimo December des selven Jaars".

De diaconen van dat jaar zijn: Klaas van Neck, Gerret Pruys, Dirk Boon, Ijsbrandt Luyt, Aam Claasz. Jonklaas en Pieter Molenaer.

Het overzicht vermeld dan eerst de ontvangsten.

Het positief saldo van het jaar daarvoor is "één duysent en seven en veertig gulden en twaalf penningen".

- Een belangrijke bron van inkomsten zijn de wekelijkse kol­lekten in de kerk.

De "gaersack" (van het werkwoord vergaren) levert dat jaar 1226.5.- op.

- Werd het Heilig Avondmaal gevierd (vier keer per jaar) dan was er een (extra?) collecte die, na aftrek van de onkosten voor brood en wijn, geheel ten goede kwam aan de diakonie. Voor 1719 een netto bedrag van 989 gulden en 6 stuivers. - evenals bij de inkomsten van het weeshuis vormden ook de renten van uitgezet kapitaal een belangrijke bijdrage.

De diakenen ontvangen interest van kapitaal dat is uitgezet bij de stadsbesturen van de grote steden van Holland zoals Hoorn, Alkmaar, Haarlem. Leyden, Enkhuysen, Medemblik, Delft etc. De instantie die daar ter stede over gaat is het gemene Lands Comptoir. (comptoir- kantoor). Zo iets als een rekenkamer.

Het bedrag aan ontvangen interest is dat jaar 1573 gulden, 1 stuiver en 4 penningen. - Aan landhuur (zie pag. 10) wordt 22 gulden ontvangen. - En verder zijn er de zogeheten extra-ordinaire inkomsten. Deze buitengewone posten zijn incidenteel.

Voorbeelden.

- Regelmatig is er sprake van "mallegeldt of malgeldt". Mal heeft hier de betekenis van vreemd. Het gaat om geld dat van elders kwam, zowel zilver als kopergeld. Het werd verzameld in de zilveren of koperen maldoos en na omwisseling als inkomsten geboekt. - Wanneer iemand die door de diakonie was onderhouden overleed dan kwam een gedeelte van de verkoop van de boedel ten goede aan de diakonie.
11.

Meestal ging het om bescheiden bedragen. Maar ook toen zal men wel gedacht hebben: alle beetjes helpen.

Bij elkaar opgeteld blijkt er in 1719 aan de debetkant een bedrag te staan van "vier duysent seshondert vijf en twintig guldens, een stuyver en vier penningen".
Komen we bij de uitgaven.

Die waren niet gering.

Afhankelijk van het aantal armen ging er iedere maand een bedrag uit de kas voor hun onderhoud.

Voor de een was dat een maandgeld, voor de ander het zesweken­geld. In 1719 was dat respektievelijk 1686.1.- en 396.1.- - De diakonie moest ook de 100e penning betalen, een soort onroerend goed belasting.

Toch altijd nog 395 gulden en 19 stuivers. - de turf die uitgedeeld werd moest uiteraard worden aange­schaft.

Er waren leveranciers die daarvoor betaald kregen. Leveranciers in dat jaar: Hendrik Cornelis van Nieuwveen, Gerrit Arisse Pos, Isaak Gijsbertse Streefkerk, Evert Jansz.

Er waren vervolgens dragers die de turf van de boot naar de turfschuur brachten. Ook zij kregen hun loon.

De turf kostte 5 ½ tot 6 stuivers per ton. De dragers kregen 12 penningen ieder, ongeacht het aantal tonnen.

Bij de b_zondere uitgaven (zie onder) staan uitgaven voor onderhoud van de turfschuur (teer, timmerwerk) terwijl er ook iemand een oogje in het zeil hield, vermoedelijk met het oog op diefstal.

- Wat voor de turf geldt, gold ook voor het linnen dat ver­strekt werd.

De vlas moest worden aangekocht terwijl degenen die het vlas tot linnen verwerkten daarvoor betaald kregen.

Kosten dat jaar: 173.17.-

Dat bewerken gebeurde door zowel mannen als vrouwen: Lijsbeth Pieters, Maritje Gerrets, Kornelis Kater, Jacob Vos, Aaltje Jans, Vrouwtje Gerrets, Maritje Joris, Nelletje Klaas, Niesje Tijs, Annetje Oly, Sara Engels, Welmoet Gerrets, Klaas Jansz. de Wever, Trijntje Simons, Pieter Mostert. - De diakonie betaalde ook "broot en wijn tot de H. Comm(u­nie)". Dat jaar een bedrag van 113 gulden en 15 stuivers. - als laatste post is er sprake van "extra-ordinaire uitga­ven".

Dat zijn o.a. extra subsidies aan hen die onderhouden werden. Bedragen aan passanten en uitgaven die buiten het normale patroon vielen.. Al met al bedragen de uitgaven in 1719 ruim 3465 gulden zodat er dat jaar een positief saldo is van ca. 1195 gulden.


12.

De boekhouding wordt aan het einde van het jaar gekontroleerd, de Broeders Diaconen voor haar ijverige en getrouwe admini­stratie bedankt en uyt Naam der E.E. Kerkenraat ondertekent door de plaatselijke predikant(en)..



Bijzondere uitgaven.

bij het doorlezen van de uitgaven-posten kom je soms b_zondere vermeldingen tegen.

Een kleine bloemlezing.

- 1673. In dat jaar komen er ongeveer 24 vluchtelingen uit Nijkerk, Huizen en Amersfoort naar Monnickendam.

Blijkbaar hebben zij tijdelijk onderdak gehad want ze krijgen een x-aantal manden turf. Een aantal van het bovendien een financiële ondersteuning. Het is dat jaar bijzonder druk geweest voor de diakonen. Want er is vaker sprake van vluchtelingen die in de stad veiligheid zoeken. - Ook andere "passanten", ook wel als "passagiers" aangeduid, worden geholpen. Een predikantsvrouw uit de Palz wiens man door de Fransen is doodgeschoten ontvangt vier gulden. (1689) In datzelfde jaar krijgt een vrouw die "alhier in de kraam is bevallen" drie gulden.

- Rovers ter land en op zee maakten nog al eens mensen buit.

Zo betaalt de diakonie in 1693 aan Heyn jans fl 25,-- tot lossing van Jasper welke "slaef tot Algiers was en nu in christenlandt is gekomen".

Op 3 maart van dat jaar gaat er nog eens 12 gulden uit de kas omdat het eerste bedrag blijkbaar niet toereikend was.

- In 1703 krijgt ene Jan Vrankrijk een bedrag van 25 gulden (hij is van gereformeerde huize) vanwege doorstane ongemakken op de galy. Lijkt iets van een smartegeld!

- Als de plaatselijke predikant Ds. Anthonie van Schayck een nieuw limatenboek moet aanschaffen wordt papier, pen en inkt door de diakonie betaald, f 4.13.-

- 1719 Klaas Simonsz. Oossanen levert een kratje bier, bestemd voor de begrafenis van Tymon Gregorius. 1 1,10,-

- In de 18e eeuw vinden we bij de uitgaven vrijwel jaarlijkse bijdragen voor de wederopbouw van een kerk in de Palz.

- Jan Blanke is "op reys gegaan ten oorlog" en krijgt van de diakonie mee: kleeden, brandewijn, toeback en slaepgeldt ten bedrage van 16 gulden en 4 stuivers.

Armenzorg aan het einde van de 18e eeuw.

Politiek gezien was het laatste kwart van de 18e eeuw erg onrustig. In 1780 brak de vierde Engelse oorlog uit.

De Engelse vloot was oppermachtig en bracht aan de Nederland­se handel ernstige verliezen toe.

Dat had o.a. gevolgen voor de V.O.C. die op 1 januari 1800 wordt opgeheven na bijna 200 jaar de handel in Nederland te hebben bepaald.


13.

In 1795 bezetten de Franse legers een groot deel van ons land en werd de Bataafse Republiek uitgeroepen.

Al deze ontwikkelingen hadden invloed op het dagelijks leven van de burgers. Mevr. Hielkema merkt op: "De V.O.C. betaalde geen rentes meer uit en andere obligaties verminderden sterk in waarde. Tegelijk groeide de armoede".

De diakonie maakte een moeilijke tijd door.

Het verschil tussen inkomsten en uitgaven werd steeds kleiner. In 1798 b.v. is er sprake van de positief saldo van vier gulden. In 1802 blijkt er zelfs een negatief saldo te zijn van 27 gulden hetgeen privé door Cornelis Boterkoper wordt aangevuld.

Omdat er veel mensen wegtrokken uit Monnickendam ging het ledenbestand van de Gereformeerde gemeente achteruit waarmee ook de inkomsten daalden. De komst van de Fransen heeft het kerkelijk leven in Holland niet onberoerd gelaten. Als er door de diakonen verslag moet worden gedaan aan het "Administratiebureau van het voormalige gewest Holland" dan staan bovenaan de woorden van de franse revolutie geschreven: Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.

Dit verslag geeft nog eens aan hoe de diakonie er aan het einde van de 18e eeuw voorstond.

"Medeburgers, ingevolge de notificatie van den 29 september 1798 en ter voldoening aan het decreet van het vertegenwoordi­gend Lighaam hebben Diaconen van de Gereformeerde Gemeente der stads Monnickendam de eer aan Uwlieden te berichten dat het getal der armen welke door gemelde diaconen bedeelt worden, bedraagt tussen de 90 en 100 persoonen. Deze allen krijgen turf en meestal bovendien ook geld en linnen voor hembden.

Onder diezelve personen zijn ook enige Oude lieden, welke door regenten van het weeshuys en diaconen onderhouden en besteed worden, waartoe ieder kas de helft contribueert. En behalve dit bovenstaande zijn er ook eenige kinderen die buyten de bejaarde persoonen in het Weeshuys, mede door regen­ten en diaconen tesamen worden onderhouden. Daarentegen bestaat het vaste inkomen van de diaconie in f 1297, 10,- aan obligatiën op diverse Comptoiren, een Obligatie Out Capitaal op de Oostindische Compagnie ter kamer Enkhuysen, groot f 1000,-- Van deze obligatie is de laatste interest ontfangen in het jaar 1794 en voorts niet meer.

De collecten in de kerk met het geen in de armbussen was heeft in het voorleden jaar 1797 bedragen f 1113,10,-

Waarbij nog komt een subsidie van regenten van het weeshuys volgens contract met dezelve aangegaan in het jaar 1785, het welk eindigt in het jaar 1800 ter somma van f 120,-- tot vergoeding van meerdere uitgaven.

De directiën en schikkingen van bovengemelde uitdeelingen geschiet door zes tijdelijke diaconen die alle jaren voor de helft veranderen en verantwoordelijk zijn aan de geheelen Kerkenraat en voorts wordt het boek van ontfang en uytgaaf ter viezie gelegt voor de gantsche gemeente op Nieuwejaarsdag.

Hier mede meenen de ondergetekende aan hunne last en aan­schrijving ingevolge Notificatie en decreet te hebben voldaan en tekenen zich met Waare Hoogagting, Uwlieder Medeburgers uit naam van het Gereformeerd kerkgenootschap. Oktober 1798.
Besluit.

Hoe meer je verdiept in de zorg voor de armen in vroeger eeuwen, des te meer valt de kloof op tussen arm en rijk.

De armen verkeerden in een sterke afhankelijkheidspositie met alle gevolgen van dien.

Het is heel goed denkbaar dat veel armen lid waren of werden van de gemeente vanwege het profijt.

Wie zal dat beoordelen. Vanuit de 20e eeuw kijken we wat anders aan tegen het armoede-vraagstuk.

Maar alle aantekeningen overdenkend meen ik te mogen konklude­ren dat er geprobeerd werd om zo goed mogelijk voor de armen te zorgen. Dat dat voor deze mensen niet meer opleverde dan het bestaans­minimum kan de diaken niet kwalijk worden genomen.


Ds. C.A.E. Groot

Barneveld. 1994



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina