Mijn herinneringen gedurende de jaren 1941 tot en met eind 1951 in en rond het Kasteel Bethlehem



Dovnload 15.76 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte15.76 Kb.

Maastricht, maart 2008


Beste Wigo,
Mijn herinneringen gedurende de jaren 1941 tot en met eind 1951

in en rond het Kasteel Bethlehem.


We woonden toen in Limmel aan de Populierenweg No: 6. De vroegere dienstwoning van mijn opa, die tuinman was van de familie Gustave Paul Regout van Kasteel Bethlehem. Mijn opa Pierre (Bompa) stierf in 1941. Dat was reden van onze verhuizing van Wijck-Maastricht naar Limmel, om Bomma, die nu alleen was, gezelschap te houden.



Mijn zus Mies en ik. (1943)
Precies een jaar later, na onze verhuizing, viel een bom op ons vroeger huis in de Antonius Bieleveltstraat, een zijstraat van de Franciscus Romanusweg. Die plaats is nog steeds herkenbaar, omdat er nu enkele witte huizen staan in een ander bouwstijl. Hebben toen toch een goede engelbewaarder gehad.

Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog werden de nonnen van het klooster aan de Sint Maartenspoort ontzet. Zij verhuisden naar Kasteel Bethlehem. Het waren fijne nonnetjes, die achter de ramen stonden te bidden, wanneer weer eens een patrouille Duitse militairen langs gemarcheerd kwam. Zij mochten direct na de oorlog weer terug naar hun klooster. Alvorens te verhuizen moest eerst het klooster grondig ? gecontroleerd worden. De toegangsdeur tot een kamertje, zoals later bleek, was voorzien van een boobytrap. En dan te weten dat we met de hele familie rondgeleid werden in dat klooster om te zien in welke staat de Duitsers dit hadden achtergelaten. Alweer die goede engelbewaarder. Ik herinner me dat nog, na al die jaren, alsof het gisteren was. Ik was toen 9 jaar.




Nonnenklooster aan de Sint Maartenspoort in Wijck. ( rode pijl )
Herinner me nog dat tijdens die oorlogsjaren bijna alle radio’s van het politiekorps van Maastricht (mijn vader was toen ook politieman) verstopt lagen in de hooi- en strozolders van de boeren familie Hamers. Alleen Frans Hamers had hier weet van. Legio fietsen waren verstopt onder een dek bladeren in de struiken van het kasteelpark. Ik zou die plek nu nog kunnen aanwijzen. Na de oorlog bleken die fietsen nagenoeg onbruikbaar, vanwege de half weggeroeste metalen frame’s.
Even voordat de Amerikanen zich in de boomgaard van boer Hamers, rechts van de ”zwarte laan” en gezien vanuit het kasteel, gingen ingraven, bezochten vier Duitse militairen op de fiets de boerderij. Zij sleurden een varken naar de plecht vóór de boerderij en schoten het dier neer. Opgeschrikt door dat schot gingen we kijken wat er loos was. Die vier waren het varken aan het slachten en werd in vieren gedeeld. Onderling elkaar helpend om ieders deel op het stuur van de fiets te leggen, ging bij drie Duitsers goed. De laatste moest dat karwei alleen opknappen. Dat lukte aanvankelijk, maar na 10 meter met die zware vracht op het fietsstuur, viel het varkensdeel op de grond. Dit tafereel herhaalde zich enkele keren. Toen hoorden wij als toeschouwers ”Verdammt noch mal, scheise” en de Duitser stapte op zijn fiets en vertrok. Boerin Hamers wou niets weten van dat varkensstuk, waar Duitse handen hadden aangezeten. Mijn vader liet daar geen gras over groeien en met slager Mandersmit werd een deal gesloten. Wat schertst onze verbazing toen direct na de oorlog boerin Hamers met een rekening kwam voor een kwart varken.
Waar ze vandaan kwamen weet ik niet en waar ze naar toe gingen weet ik ook niet en heb na naarstig zoeken dit ook niet kunnen vinden. Ik bedoel de kerosineleidingen, die waarschijnlijk aangelegd waren door onze bevrijders. Deze leidingen lagen onder het spoorbruggetje aan de meest noordelijke punt van het kasteelpark, waar ook de Kanjel onderdoor liep. Vandaar door het kasteelpark, dan over de Kanjel heen en vervolgens dwars door de boomgaard van boer Hamers richting Kasteel Jeruzalem. Wij, Mies en ik, gebruikte deze naast elkaar liggende leidingen als bruggetje, om vanuit het kasteelpark in de boomgaard te komen, zonder dat de boer dat direct in de gaten kreeg. Op meerdere plaatsen, waar die leidingen aan elkaar waren geschroefd (geflenst), lekten deze. Er waren heel wat slimmeriken, die een kuil onder deze lekplaatsen hadden gegraven. Emmertjes en jerrycans, in die kuilen geplaatst, vingen dan de lekkende vloeistof op. Kreeg daarbij het idee dat je een dergelijke lek ook kunt bevorderen door de bouten wat losser te draaien. En toen was er het moment. Op een zeer warme zomermiddag werd het nog veel warmer, zeg maar veel heter, toen een enorme brand ontstond in de buurt van de kerosineleidingen. De hele Kanjel stond in lichter laaie. Vanaf het spoorbruggetje tot voorbij het bruggetje, dat ligt tussen Kasteel Bethlehem en Kasteel Jeruzalem. Een niet te omschrijven vuurzee. Huizen hoge vlammen en een gitzwarte rook en een immense stralingswarmte. Geblust werd er niet. Men heeft het geheel laten uitbranden. De Kanjel lag er toen geheel droog bij, met gestoomde vissen op het droge. De peren aan de bomen waren gestoofd. We zijn met ons koffertje snel gevlucht naar het postkantoortje onder aan de ”zwarte laan”. Later werd de omtrek door Amerikaanse militairen bewaakt.
Direct na de oorlog namen Mies en ik als kwajongens bezit van het Kasteel en ook onze schoolkameraadjes waren eveneens van harte welkom. Hele gevechten werden geënsceneerd vanuit ons ”fort” en het kasteelpark werd ons oerwoud. Boomhutten werden gemaakt en dienden als onze schuilplaatsen. Op de grachten rond het kasteel werd zeeroverij gepleegd.

En ’s winters schaatswedstrijden en ijshockey. Al met al een geweldige jeugd gehad.


Nadat de N.V. Koninklijke Sphinx in de eindjaren veertig van de vorige eeuw het Kasteel Bethlehem had overgenomen, hebben hoofdzakelijk werknemers van ”ut groete febriek” tijdelijk onderdak genoten in het kasteel.
De familie Frinking. Dhr. Frinking was directeur van de Technische Dienst. Zowel afdeling Metaalbewerking, de Timmerwerkplaats en Onderhoud ressorteerden onder zijn hoede.

Dhr. Koenen. Dhr. Koenen was chef van de Technische Dienst en speciaal belast met elektrische aangelegenheden.

De familie Leson. Dhr.Thorn Leson was een kunstenaar en een van de decorontwerpers van de aardewerkafdeling van de Sphinx.

Familie Boesten. Dhr. Boesten was tenor of bas in een koor. Of deze op de Sphinx heeft gewerkt weet ik niet.
Dhr. Frinking was een stoute jongen. Hij gebruikte allerlei materialen (metaal en hout) van zijn werkgever en liet deze door zijn personeel vermaken tot raamkozijnen, trappen enzovoort. Die goederen werden vervolgens met vrachtwagens van de vervoerdienst van de Sphinx getransporteerd naar de Cannerweg, waar hij was bezig met het bouwen van een bungalow. Het heeft hem wel zijn kop gekost. Hij werd als directeur op staande voet ontslagen en er bestonden toen nog geen vertrekpremie’s. Als jonge snaak was ik wel verliefd op zijn mooie zwarte klassieke Mercedes.

Dhr. Coenen was een echte hobbyist. In de avonduren mocht hij gebruik maken van de gereedschappen en machines van de technische Dienst in de Timmerwerkplaats. Hij, ik mocht toekijken, was bezig een straalmotor te bouwen die later op een modelvliegtuig gemonteerd zou worden. Het starten van die motor was op zich al een belevenis. Met een fietsenpomp werd lucht ingeblazen in de motoropening om de brandstof te verstuiven, met een inductor werd hoge spanning opgewekt voor de ontsteking via een bougie. En als dat ding uiteindelijk aan de ”praat” was, ontstond een hels kabaal en werd de verbrandingkamer roodgloeiend. Heb dat vliegtuig op vliegveld Beek echt zien vliegen in de categorie Lijnbesturing.
Dhr. Thorn Leson. De vrouw van Thorn was eens hoogzwanger en terwijl ze de laan afliep om in het dorp boodschappen te doen, braken haar vliezen. Ik wist toen nog niet wat dat betekende. Zij liep terug naar het kasteel, baarde haar kind en direct daarop vervolgende zij haar weg om alsnog die boodschappen te doen. Een echt natuurvolkje die twee (drie). Thorn werd later ook ontslagen. Hij had een prachtig bloemdecor ontwikkeld voor borden. Toen hij dit liet zien aan Dhr. Adolf Regout (toen bedrijfsdirecteur aardewerk) was diens opmerking ”Dat bloemetje op dat bord is veel te groot”, waarop Thorn hem, heel adrem, ten antwoord gaf: ”Maar meneer, dat bordje is veel te klein.” En dat viel in zeer slechte aarde bij Adolf.
Familie Boesten. Van deze familie weet ik eigenlijk niets. Alleen dat zijn zoon Guus heette.



Huidige bewoners zijn studenten van de Hoge Hotelschool.

De Vespa Scooter van Jan Regout.


Beste Wigo,


Wat je hier aan hebt of mee wilt doen laat ik geheel aan jou over. Heb geen bezwaar als je tekst wilt veranderen. Heb geen bezwaar, wanneer je delen wilt weglaten. Heb geen bezwaar, wanneer je het een en ander wilt aanpassen. Ik laat alles aan jou over.
Groetjes van een oude Lummelaar.

Paul.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina