Miles in the sky door Bert Jansma



Dovnload 16.36 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte16.36 Kb.
MILES IN THE SKY
door Bert Jansma
Nee, ik heb Miles Davis nooit persoonlijk gesproken.

Lang geleden, toen dat nog heel misschien mogelijk was geweest, had ik nog geen baan in de journalistiek en koesterde ik alleen de elpees van Miles.

Later, toen ik wel over jazz begon te schrijven, werd zo’n ontmoeting een bijna-onmogelijkheid. Want Miles’ ster was gestegen tot hoog in de Melkweg.

Miles Davis gold toen al lang niet meer als vriendje van de blanke jongens van de pers en was inmiddels berucht om zijn nukken, invallen en –vooral – uitvallen.

Het dichtste bij Miles kwam ik in 1978 via een gesprek met drummer Art Taylor, die in Nederland was met het eerste exemplaar van zijn interview-boek Notes and Tones.

Zijn eerste interview, vertelde A.T, zoals hij genoemd werd, was met Miles. Taylor had de gewoonte collega’s met wie hij speelde tussen repetities en gigs door aan de tand te voelen. Miles kwam toen net terug van zijn trainingssessie in een boksschool. “Kan je boxen met muziek vergelijken”, is Taylors eerste vraag.

Hoe kom je erbij, denk je dan.

Maar Miles antwoordt fris: “Ik denk van wel. Je hebt voor allebei ritme en een goeie timing nodig”.

Taylors laatste vraag: “Denk je dat ’t gemakkelijker is voor iemand als ik om jou te interviewen?”

“Veel gemakkelijker”, antwoordt Miles, “want jij kan over muziek praten. Je zit op dezelfde lijn. De meeste mensen willen iets anders. Ze vinden me onbeschoft, ze zeggen dat ik niet van white people houd. En dat ik niets om m’n publiek geef. Maar ’t is gewoon zo dat ik niet aan het publiek dénk. Ik denk alleen aan de band. En als de band goed is, weet ik dat het publiek ’t naar z’n zin heeft. Ik hoef het publiek toch niet bij ’t handje vast te houden?”


Dat publiek vond ’t niet altíjd goed. Want Miles liep vaak ver op zijn publiek vooruit. Niet dat hij ooit een revolutionnair was. Miles luisterde. Naar de muziek om zich heen, naar de tijd, en vooral naar zichzelf. En – zonder ooit een groot jazzcomponist te zijn – componeerde hij een band bij elkaar, een geluidservaring, een muzikale belevenis die altijd nét anders werd. En die een trend zou zetten.

In 1973 in Rotterdam had het publiek van De Doelen nog de oude Miles in de oren, toen de nieuwe Miles op het toneel – met o.a. Dave Liebman en drummer Al Foster – waanzinnig harde en gierende geluiden liet horen.

Na nog geen kwartier liep zo goed als de hele zaal leeg. Mensen eisten hun geld terug, voelden zich bedrogen door impresario Paul Acket. Die mengde zich in het publiek, liep bijna klappen op en beloofde – “dat zal ik nóóit meer doen”, zei hij later – en beloofde ze kaartjes voor Count Basie. Als pleister op de wonde.
De liefde van dat publiek was even over.

Dat droomde nog van Miles’ ijle, kippevel veroorzakende tonen van de soundtrack van L’ascenseur pour l’échafaud.

Net zoals het destijds smulde van wat daar over geschreven was. In het blad Rhythme verscheen het romantische relaas van een Franse journalist die bij de opnames was.

“De sigaretterook trekt een waas van silhouetten” schrijft hij. “Achter in de zaal trilt als een spookachtig zwart-wit aquarium het grote filmscherm. De realistische beelden van L’ascenseur pour l’échafaud rollen van het scherm. Regisseur Louis Malle trekt nerveus aan z’n bretels. De spanning wordt bijna grijpbaar, Jeanne Moreau sluit voor een moment de ogen.

Vlak bij het immense doek leunen Miles Davis en z’n vier musici, ontmoedigd, uitgeput. Hun blikken verstard. Voor de vijfde maal heeft de trompet geklonken. Voor de vijfde maal heeft Louis Malle ‘nee!‘ geschreeuwd. Het is twee minuten aardedonker. Dan gaat op het scherm de lift voor de zesde maal naar beneden. Miles Davis brengt de trompet aan zijn lippen.

Een bijna bruut geluid scheurt dan de spanning aan flarden.

Miles houdt het aan zolang hij kan, het gelaat pijnlijk verwrongen.

‘Dát is het”, brult Malle. “Je hebt het gevonden”. Miles Davis slingert zijn trompet de zaal in en zakt in elkaar. Zijn mond is bebloed, zijn onderlip gescheurd. Maar wat hij zoeven gespeeld heeft, blijft voorgoed bewaard”.


Prachtig verhaal, dat klinkt als een jongensboek.

Het verhaal van de óude Miles.

Journalist Ruud Kuyper, ooit mijn chef op de kunstredactie van het AD, kwam van alle Nederlandse krantenmensen het dichtst bij de nieuwe Miles. ‘Miles Davis dichterbij’, heet het boek dan ook dat hij schreef over het fenomeen. Kern ervan is zijn afspraak voor een interview met de trompettist. Waanzinnig vaak proberen, teleurgesteld worden, tot hij opeens mág. Bij Miles op de kamer in het Hilton in Rotterdam.

Kuyper wordt binnengelaten en Miles Davis ligt op de bank, kijkend naar een oude Amerikaanse speelfilm met Humphrey Bogart. “Iets zwarts, klein en tenger, als een insekt”, schrijft Kuyper. Davis ligt er met het hoofd afgewend, zonnebril op.

Kuyper kucht, staat er respectvol bij, eerbiedig bijna. Na een stilte begint hij dan maar met de mededeling dat platenmaatschappij Warner Bros de ontmoeting geregeld heeft en dat hij een paar vragen mag stellen. Oké Miles?

‘Shhhiiiiittt’ reageert Miles enthousiast als hij overeind komt. ‘Hoeveel vragen?’.


De Miles die ik leer kennen is die van 1982. Na een lange stilte geeft hij dan zijn eerste concert hier. Daarna volgen diverse North Sea Jazz-concerten. “Miles is veranderd”, wist Paul Acket toen. Want de trompettist wilde eerst niets met zijn impresario te maken hebben. Weigerde hem zelfs een hand te geven.

Maar opeens is het ‘Miles Smiles’.

En – in welk jaar weet ik niet meer – hij geeft zelfs een persconferentie in het Bel Air hotel. In een van die prachtige pakken. Met die hese stem.

Bij zijn concert kondigt hij een stuk van Wayne Shorter aan. Het publiek klapt. Miles wendt zich zomaar tot dat publiek dat hij vroeger vooral ruggelings benaderde. ‘You like Wayne?’ zegt hij hees. ‘Me too’.

Hij zal dat jaar de Bird Award krijgen en daar staat hij dan, in de persruimte van het Bel Air. Naast Acket en naast de burgemeester van Den Haag. Maar ergens in zijn buurt klinkt zacht muziek. Verdikkeme, heeft iemand dan toch vergeten een luidspreker uit te schakelen?

Welnee.


De onnavolgbare Miles heeft z’n earphones in en terwijl er doorgetimmerde loftuitingen op hem klinken, luistert hij zelf gewoon naar muziek.

Alsof het allemaal buiten hem om gaat.


Miles ís muziek.

Alleen al aan die ene plaat, ‘Kind of blue’, is een compleet boek gewijd. En vooral aan die ene compositie erin, ‘Blue in green’, door Bill Evans gecomponeerd naar aanleiding van een miniem muzikaal schetsje van Miles zelf.

Wanneer het opgenomen is, schrijft Ashley Kahn in dat boek, klinkt er een diepe zucht uit de opnamekamer: ’Beautiful’.
En dat was ‘t.

En zo zal ‘t altijd blijven.


Met Miles in the sky.
Column voor Jazz op West (Radio West), toen geheel gewijd aan Miles Davis. Op 28 september 2006.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina