Ministerie van Verkeer en Waterstaat Rijkswaterstaat Waterdienst



Dovnload 377.46 Kb.
Pagina7/11
Datum22.07.2016
Grootte377.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

2.7Conclusie


De stoffen die door scheepswerven worden geloosd zijn over het algemeen milieurelevant maar qua hoeveelheid (emissieomvang) niet heel groot. Vanuit scheepswerven worden mogelijk prioritair gevaarlijke stoffen (KRW) geloosd en stoffen waarvoor de gewenste water(bodem)kwaliteit nog niet overal wordt gehaald. De emissies van de stoffen organotin, koper dragen significant bij aan de belasting van het oppervlaktewater. Sinds 2003 is het verboden TBT nog langer toe te passen en sinds 2005 geldt dit voor diuron. De verwachting is dan ook dat de emissie van deze stoffen op termijn zich vanzelf uitfaseren.

Voor de stoffen fenolen, chloorkoolwaterstoffen en ethoxylaten is nog geen/onvoldoende zicht in de omvang van de emissie. Ook de informatie over de emissies die van belang zijn voor heffing is nog onvoldoende (voorkomen mislopen heffing).

De branche zelf heeft al een groot aantal maatregelen getroffen om emissies naar het oppervlaktewater mee te beheersen en te voorkomen. De naleving van de regelgeving door de doelgroep is echter nog niet optimaal. De regels worden in ongeveer eenderde van de gevallen niet volledig nageleefd. Rijkswaterstaat neemt in ongeveer 3% van de gevallen een overtreding waar. Eén op de tien overtredingen wordt dus daadwerkelijk gesignaleerd door Rijkswaterstaat.

Redenen van het niet naleven zijn: onbekendheid met de regels, de kosten en dat de kans op het daadwerkelijk detecteren van overtredingen niet als zo groot wordt ingeschat. Redenen om de regels wel na te leven zijn de mogelijke sancties en schade aan het imago. Meer gerichte inspectie waarbij de (perceptie van de) detectiekans wordt verhoogd en het stringent sanctioneren van overtredingen is een logische strategie op basis van de hiervoor beschreven beelden.

De ontwikkelingen die relevant zijn voor scheepswerven zorgen er voor dat inzicht in de emissies van de grotere werven aandacht vragen (E-PRTR).


2.8Risico’s ten aanzien van de doelgroep


Uit de analyse van de doelgroep zijn in relatie tot de doelen die Rijkswaterstaat nastreeft, specifieke aan de doelgroep gerelateerde risico’s af te leiden.

Ten aanzien van de doelgroep scheepswerven liggen de risico’s vooral in de (onvoldoende) naleving en inzicht in de emissies (door Rijkswaterstaat).


Onvoldoende naleving door de branche scheepswerven brengt het risico met zich mee dat ongewenste emissies naar het oppervlaktewater plaats kunnen vinden en/of dat Rijkswaterstaat als (handhavings)partner niet serieus wordt genomen. Het niet naleven van de regels door scheepswerven heeft een slechte voorbeeldwerking naar anderen. Zeker omdat het niet naleven door scheepswerven gevolgen heeft die voor een brede groep (in potentie) zichtbaar kan zijn (olievlek op het water, stofwolk etc.).
Onvoldoende inzicht in emissies brengt als risico met zich mee dat Rijkswaterstaat onvoldoende grip op emissies heeft om waterkwaliteitsdoelen en/of Europese reductie- en rapportage afspraken te kunnen voldoen of verantwoorden. Daarnaast is goede inzicht nodig om te kunnen bepalen of een werf een rapportageplicht heeft (E-PRTR) en voor het vaststellen van de hoogte van de heffing. Daarnaast is voldoende inzicht nodig om risico’s van illegale lozingen (lozingen van andere stoffen dan vergund) voldoende te kunnen afdekken.


3TActisch deel


. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Dit hoofdstuk beschrijft welke tactiek Rijkswaterstaat volgt om de risico’s die in het strategisch deel zijn benoemd adequaat te kunnen beheersen. In het hoofdstuk worden de branchespecifieke doelen geformuleerd op basis van de strategische analyse uit voorgaand hoofdstuk. Vervolgens wordt beschreven welke instrumenten Rijkswaterstaat gaat inzetten om doelen die Rijkswaterstaat wil bereiken bij de branche, te kunnen realiseren.




3.1Specifieke doelen voor het toezicht


Op basis van de risico’s die uit de strategische analyse naar voren zijn gekomen, kunnen specifieke doelen voor het toezicht worden afgeleid. Deze doelen vormen het uitgangspunt voor de in te zetten instrumenten. In het voorgaande hoofdstuk zijn twee generieke risico’s benoemd ten aanzien van de doelgroep te weten:

  1. onvoldoende naleving en

  2. onvoldoende (in)zicht in de emissies.

Vanuit deze twee risico’s zijn op basis van de analyse van de doelgroep een zevental branche specifieke doelen geformuleerd. Dit zijn de doelen die Rijkswaterstaat voor ogen heeft ten aanzien van de branche.


Afdekken risico naleving door:

  • Kennis van de regelgeving bij de doelgroep vergroten in samenwerking met de branche organisatie VNSI;

  • Overtreding (blijven) afdoen conform de sanctiestrategie;

  • Vergroten detectiekans door samenwerking en gericht toezicht.


Afdekken risico inzicht emissies door:

  • Volledig inzicht in de emissies;

  • Beoordelen van wettelijk verplichte milieurapportages (MJV en E-PRTR);

  • Monitoren voortgang nullozing prioritair gevaarlijke stoffen 2020;

  • Verder terugdringen diffuse emissies.


3.2In te zetten instrumenten


Op basis van de specifieke doelen die Rijkswaterstaat ten aanzien van de branche heeft geformuleerd en de analyse van de doelgroep, worden de in te zetten instrumenten bepaald. Welke zaken zijn logisch/zinvol om te doen om de doelen die voor het toezicht zijn geformuleerd, te realiseren.

3.2.1Vergroten kennis


Uit de nalevingsanalyse van de doelgroep blijkt dat kennis van de regels nog niet optimaal is. De doelgroep geeft aan voorlichting en advies een belangrijke taak te vinden van handhaving. Voorlichting en advies heeft in het kader van publieksgericht werken de aandacht van Rijkswaterstaat. Daarnaast is het zo dat bedrijven ook een eigen verantwoordelijkheid hebben in deze. De branche organisatie VNSI, geeft voorlichting en advies aan haar leden. In dat licht is het logisch om samen met de VNSI de voorlichting gericht op te pakken. Gedacht kan worden het gezamenlijk ontwikkelen van voorlichtingsinformatie over na te leven zaken, het milieubelang, sancties bij niet naleven etc. Het is logisch dit landelijk (corporate) op een projectmatige basis samen met de doelgroep op te pakken.
In te zetten instrument(en):

  • Landelijk project vergroten kennis (voorlichting) in samenwerking met de branche organisatie VNSI.



3.2.2Afdoen overtredingen


Uit de nalevingsanalyse blijkt dat een aanzienlijk deel van de scheepswerven wordt afgeschrikt door (mogelijke) sancties. Het correct en consequent toepassen van de sanctiestrategie is dan logisch. Dit geeft ook verder tegenwicht aan het feit dat het 'niet' naleven van de regels geld- en tijdwinst oplevert. Door stringente toepassing van de sanctiestrategie wordt dit voordeel beperkt of teniet gedaan. Ook hier is het belangrijk om duidelijk te communiceren en goed te informeren over de wijze van handhaven. Daarnaast is het belangrijk dat in het handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) van Rijkswaterstaat voldoende tijd wordt ingepland voor het daadwerkelijk kunnen sanctioneren. Uit de nalevinganalyse blijkt dat in ongeveer eenderde van de gevallen de regels niet volledig worden nageleefd. Rijkswaterstaat neemt nu één op de tien overtredingen ook daadwerkelijk waar. Door gerichter toezicht kan deze detectiekans nog toenemen. De inschatting is (op basis van nalevingsinformatie en praktijkervaring) dat het realistische aantal te detecteren overtredingen ongeveer één per tien bedrijfsbezoeken zal zijn. Het gaat dan in orde van grootte om de volgende aantallen sanctie, uitgaand van x bedrijfsbezoeken: aantal waarschuwingsbrieven = x/10, aantal processen-verbaal = x/20 en aantal dwangsommen = x/40.

In te zetten instrument(en):



  • Borgen uitvoering aantal benodigde sancties via HUP.

  • Landelijk project informeren branche samen met de VNSI (zie ook 3.2.1).


3.2.3Verhogen detectiekans


Bij de bedrijven worden door Rijkswaterstaat periodiek preventieve bedrijfsbezoeken afgelegd. Deze bezoeken worden over het algemeen alleen uitgevoerd (door één medewerker RWS). In het landelijk project van risico naar uitvoering (VRNU) is voor de branche scheepswerven een toezichsarrangement vastgesteld. Een toezichtsarrangement geeft voor een branche op basis van de RiAnTH uitslag aan met welke frequentie en zwaarte bezoeken afgelegd worden door Rijkswaterstaat. De uitkomst van de landelijke RiAnTH sessie heeft scheepswerven geplaatst in ‘kwadrant rood' (hoog naleeftekort en hoog risico). VRNU geeft hierbij als richtlijn aan dat 6 x licht en 1 x een middel bezoek uitgevoerd moet worden.

De doelgroep beschouwt de fysieke controlekans in de huidige situatie als redelijk groot. De detectiekans wordt echter niet als heel groot ervaren door de scheepswerven. Dit betekent dat RWS in principe niet meer controles hoeft uit te voeren dan ze nu doet, maar de controles wel gerichter moet gaan uitvoeren om de detectiekans van ongewenste situaties te vergroten.

Wanneer naar de risico’s wordt gekeken ten aanzien van de doelgroep, dan is vooral het moment vlak voor (uit)dokken een belangrijk moment in relatie tot ‘good housekeeping’. Controles (van ‘good housekeeping’) zouden zich op dat moment moeten focussen.

Ook samenwerking en informatie-uitwisseling met andere bevoegde gezagen, kan de detectiekans van ongewenste situaties vergroten. Met name emissies door stralen en spuiten hebben een duidelijke overlap met de verantwoordelijkheden van het Wm bevoegd gezag (provincie of gemeente). De samenwerking moet wel een duidelijke meerwaarde hebben. Samenwerking en afstemming past in het streven naar het verminderen van de (controle)lasten voor bedrijven.



  • toezicht vooraf aan (uit)dokkingen (in 20% van de meldingen met een maximum van 6 per bedrijf, toezichtbezoek licht gericht op ‘good housekeeping’).

  • 1 toezichtbezoek middel in samenwerking met een andere handhavingspartner (gericht toezicht op bijvoorbeeld administratie).



3.2.4Inzicht in de emissies


Uit de analyse van de doelgroep blijkt dat RWS nog onvoldoende inzicht heeft in de aard en omvang van de emissies van de doelgroep. Er wordt weinig bemonsterd door Rijkswaterstaat en de doelgroep. Hierdoor heeft Rijkswaterstaat nog onvoldoende inzicht in de voor de Kaderrichtlijn Water en de E-PRTR relevante stoffen. Daarnaast vindt de Inspectie V&W dat Rijkswaterstaat de risico’s ten aanzien van illegale lozingen nog onvoldoende adequaat afdekt.

De risico’s van de emissies zijn niet van dien aard dat het reguliere bemonsteringsprogramma (afvalwaterplanning) moet worden verhoogd. De aard en omvang van de emissies lenen zich vooral voor een periodieke projectmatige aanpak. Het is logisch een dergelijk project op landelijk niveau uit te voeren, in samenwerking met de Waterdienst, Bureau verontreinigingsheffing Rijkswateren (BVR), Emissieregistratie en de brancheorganisatie VNSI (gezamenlijk meetstrategie bepalen). Veel van de stoffen waar nog weinig inzicht over is, vinden hun oorsprong in reinigingsmiddelen. Vooruitlopend op een eventueel project is het logisch hier alvast navraag naar te doen tijdens het toezicht.

De resultaten van het onderzoek zijn bepalend voor de noodzaak, periode en omvang van een eventuele herhaling of voortzetting van het project.

In te zetten instrument(en):



  • Periodiek landelijk project vergroten inzicht emissies (aard en omvang).

  • Uitvragen gebruik reinigingsmiddelen (soort) tijdens het toezicht.



3.2.5Milieurapportages


Een viertal scheepswerven zijn verplicht om een milieujaarrapportage op te stellen. Daarnaast zijn er twee scheepswerven die voor het bepalen van de verontreinigingsheffing een rapportage naar Bureau verontreinigingsheffing Rijkswateren moeten opsturen. Bij de overige scheepswerven vraagt Rijkswaterstaat geen rapportages. De milieujaarrapportages geven inzicht in de aard en omvang van de belangrijkste emissies van de branche. Het goed beoordelen van deze rapportages verbetert het inzicht in de emissies. Rijkswaterstaat beoordeelt de wettelijk verplichte rapportages volgens de afgesproken richtlijnen waarbij gefocust wordt op de getallen en het meet- en registratiesysteem van het bedrijf.

In te zetten instrument(en):



  • Controle cijfermatig deel van wettelijke milieujaarrapportages (jaarlijks)

  • Beoordeling meet- en registratiesysteem systeem van de bedrijven die moeten rapporteren (1 x per 4 jaar, toezichtbezoek zwaar).



3.2.6Monitoren


Rijkswaterstaat neemt steekproefsgewijs bij een deel van de scheepswerven controlemonsters. Deze monsters dienen een aantal doelen; controle van de lozingsnormen, controle voor het vaststellen van de hoogte van de heffing en inzicht in de aard en omvang van de emissies. De parameters van de reguliere bemonsteringen richten zich in principe op de lozingseisen uit de vergunning (veelal olie en onopgeloste bestanddelen). Andere stoffen, inclusief de heffingsparameters, worden in principe alleen projectmatig geanalyseerd (landelijk project).

In de praktijk wordt er niet veel afvalwater gemonsterd bij de doelgroep. De risicoanalyse van de doelgroep laat zien dat dit ook niet echt nodig is. Er hoeven dus geen specifieke bemonsteringsbezoeken ingepland te worden (tenzij heffing dit vereist). Monsterneming kan meeliften met de bezoeken die worden uitgevoerd in het kader van het toezicht op (uit)dokkingen (licht bezoek). Monsterneming is dan onderdeel van dit toezichtbezoek.

In te zetten instrument(en):


  • monsterneming vergunningparameters (als onderdeel van het lichte toezichtbezoek controle op (uit)dokkingen).



3.2.7Diffuse emissies


Uit de analyse van de doelgroep blijkt dat diffuse verontreinigingen die te beheersen zijn door middel van ‘good housekeeping’ een belangrijk aandachtspunt is. Diffuse emissies kunnen onder andere worden voorkomen door goede naleving van de dok- en hellingvloerdiscipline. De instrumenten die vanuit de vorige doelen zijn gekozen, dienen ook dit doel. Om het doel verder terugdringen diffuse emissies te kunnen realiseren, wordt vooralsnog dan ook geen andere of extra instrumenten nodig geacht. Het aspect lift mee met de lichte toezichtbezoeken die gedaan worden in het kader van toezicht.

3.2.8Overige instrumenten


Naast de instrumenten die Rijkswaterstaat heel specifiek wil inzetten voortkomend uit de doelen, zet Rijkswaterstaat ook generieke instrumenten in die voor al haar lozers gelden. Deze instrumenten volgen uit interne (werk)afspraken en/of (werk)procedures. De branche scheepswerven lift over het algemeen mee bij deze instrumenten. De instrumenten zijn:

  • Opleveringsbezoek (toezichtbezoek middel); Na het gereedkomen van een nieuwe vergunning legt Rijkswaterstaat een opleveringsbezoek af bij de vergunninghouder. Het doel van het bezoek is het onder de aandacht brengen van de voorschriften van de nieuwe vergunning en het aangeven dat de vergunning is overgegaan van het onderdeel vergunningverlening naar handhaving. Of ook de vergunningverlener hierbij aanwezig is, hangt af van de complexiteit van de vergunning en het vooroverleg.

  • Luchtsurveillance; Rijkswaterstaat voert periodiek vluchten uit boven haar beheersgebied. Hierbij wordt aan alle zichtbare (opvallende) zaken en onregelmatigheden aandacht besteed.

  • Surveillance per vaartuig; Rijkswaterstaat heeft een groot aantal vaartuigen op het water. Deze vaartuigen zijn er op de eerste plaats om een veilige en vlotte doorvaart van het scheepvaartverkeer te bevorderen. Daarnaast hebben de mensen op de vaartuigen ook een milieutaak. Meestal bestaat deze taak uit het doormelden van zichtbare verontreinigingen. De medewerkers op de vaartuigen hebben echter ook een eigen bevoegdheid om op te kunnen treden.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina