Modeldraaiboek Smog 2010 Inleiding Op 10 juni 2010 is een nieuwe smogregeling van kracht geworden: de Smogregeling 2010



Dovnload 498.84 Kb.
Pagina1/7
Datum24.07.2016
Grootte498.84 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7




Modeldraaiboek

Smog

2010

Inleiding

Op 10 juni 2010 is een nieuwe smogregeling van kracht geworden: de Smogregeling 2010. Deze regeling werd gepubliceerd in de Staatscourant van 9 juni 2010, nr. 8386. In de Smogregeling 2010 worden voorzieningen getroffen voor het geval zich in Nederland smog voordoet. Op hoofdlijnen is geregeld hoe en door wie de kwaliteit van de buitenlucht wordt vastgesteld en gevolgd, hoe daarover informatie wordt verstrekt, hoe de berichtgeving wordt verzorgd in geval van smog, op welke wijze het geven van voorlichting en gedragsadviezen aan de bevolking verloopt en door wie eventueel tijdelijke maatregelen worden getroffen. De Smogregeling 2010 vervangt de Smogregeling 2001, maar sluit daar inhoudelijk nauw bij aan. Het belangrijkste verschil is de aanvulling van de regeling met de informatiedrempel voor ozon. Deze informatiedrempel staat in richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. De smogregeling is ook op enkele praktische punten geactualiseerd. Dat betreft met name de uitwerking van de taak die provincies hebben om de bevolking te informeren over matige smog door ozon en over ernstige smog. In 2009 hebben de provincies de uitvoering van deze taak gemandateerd aan het RIVM.

De smogregeling behoeft per provincie nadere concretisering om in situaties van smog snel en adequaat te kunnen handelen. De provincies beschikken al over smogdraaiboeken die zijn geënt op het Modeldraaiboek Smog 2001, dat aansloot bij de Smogregeling 2001. Na intrekking van de Smogregeling 2001 en inwerkingtreding van de Smogregeling 2010 was het zaak ook het Modeldraaiboek Smog 2001 te actualiseren. Dat is gebeurd in het Modeldraaiboek Smog 2010. Dit modeldraaiboek is door VROM opgesteld in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van het IPO, het RIVM, de GGD en het Astmafonds. Het Modeldraaiboek Smog 2010 is de basis voor door de provincies vast te stellen nieuwe smogdraaiboeken die aansluiten bij de Smogregeling 2010.

Het Modeldraaiboek Smog 2010 voorziet in een informatief gedeelte dat door de provincies in hun draaiboeken overgenomen kan worden. In dit informatieve gedeelte komen een aantal aspecten van smog, alsmede het anticiperen en reageren op smog aan de orde. De passages zijn zo ingericht dat ze afzonderlijk alle informatie over een bepaald onderwerp bevatten. Zo nodig wordt voor de volledigheid verwezen naar andere passages. Door deze opzet is informatie snel te vinden. De consequentie van deze structuur is dat bepaalde informatie op meer plaatsen terugkomt.

Naast het informatieve gedeelte is voorzien in een praktisch gedeelte dat de verschillende elementen van een provinciaal smogdraaiboek aangeeft. Dit gedeelte kan door provincies in hun eigen draaiboeken toegespitst worden op de concrete situatie en organisatie binnen de provincie.


  1. Smog: informatie algemeen



  1. Waarom een Modeldraaiboek Smog?

  2. Wat is smog?

  3. Smogsituaties

  4. Smog en fijn stof

  5. Gezondheidseffecten van smog

  6. Hoe vaak komt smog voor?

  7. Is smog te voorkomen of te beperken?

  8. Hoe wordt in Nederland ingespeeld op smogsituaties?

  9. Wie doet wat in geval van smog?

  10. Informatievoorziening

  11. Mandatering informeren bevolking aan RIVM

  12. Wat doen het VROM Inspectie Meldpunt, de afdeling Crisismanagement en het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten?

  13. Smog door fijn stof in België



  1. Smogprocedures binnen de provincie

  1. Inleiding

  2. Smogprocedure

  3. Informatiestromen

  4. Overzicht taken / verantwoordelijkheden in situaties van smog – algemeen

  5. Overzicht taken / verantwoordelijkheden binnen provincie in geval van smog

  6. Overzicht communicatielijnen in situaties van smog


III. Bijlagen



  1. Telefoon- en e-maillijst betrokkenen binnen de provincie bij smog

  2. Telefoon- en e-maillijst van derden betrokken bij smog

  3. Internetadressen van belang bij smog

  4. Wet- en regelgeving

  5. Persberichten RIVM

  6. Persberichten provincie



  1. Smog: informatie algemeen

    1. Waarom een Modeldraaiboek Smog?

De provincie heeft in situaties van (dreigende) smog de verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening aan de burger. Daarnaast beslist de commissaris van de koningin of tijdelijke maatregelen in een concrete situatie opportuun zijn in een periode van smog. Daarom is het van belang dat de provinciale organisatie snel kan inspelen op een smogsituatie. De praktijk heeft uitgewezen dat een draaiboek daarvoor een nuttig handvat biedt. Daarom is in artikel 9 van de Smogregeling 2010 vastgelegd: ‘Gedeputeerde Staten stellen ……… een provinciaal draaiboek vast, op basis van het door de Minister vastgestelde Modeldraaiboek Smog 2010.’

Het doel van het Modeldraaiboek Smog 2010 is het faciliteren van het snel en efficiënt inspelen van provincies op situaties van (dreigende) smog.


In het draaiboek wordt aandacht besteed aan:

  1. de informatiestromen (naar de provincie, binnen de provincie en van de provincie naar derden) bij smog

  2. de voorbereidingen voor eventuele noodzakelijke

  • berichtgeving aan de burgers (op basis van artikel 5.18 van de Wet milieubeheer),

  • aanbevelingen voor door veroorzakers van luchtverontreiniging of door de bevolking te nemen maatregelen (op basis van artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging),

  • algemene voorschriften met betrekking tot inrichtingen, toestellen, brandstoffen of verontreinigende handelingen (op basis van artikel 48, eerste lid van de Wet inzake de luchtverontreiniging) of

  • bevelen ten aanzien van inrichtingen, toestellen of verontreinigende handelingen(op basis van artikel 43 van de Wet inzake de luchtverontreiniging).

Het maken van een algemeen draaiboek dat voor iedere provincie als zodanig toepasbaar is, behoort niet tot de mogelijkheden. Niet alleen omdat de inrichting van de organisatie per provincie verschilt, maar ook omdat het aan de provincie is om keuzes te maken in de wijze waarop qua organisatie en procedures ingespeeld wordt op een smogsituatie. Daarom wordt in dit Modeldraaiboek Smog 2010 volstaan met een voorbeeld van hoe een algemeen informatief gedeelte van een provinciaal draaiboek er uit zou kunnen zien en worden in het praktisch gedeelte van het modeldraaiboek elementen aangegeven van het organisatorische gedeelte van een provinciaal draaiboek.


Het Modeldraaiboek Smog 2010 vervangt het Modeldraaiboek Smog 2001. Op 11 juni 2008 is richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa in werking getreden1. De richtlijn bevat normen voor de concentraties van stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens en de natuur, waaronder een informatiedrempel voor ozon. De Smogregeling 2001 bevatte wel een waarde die overeenkomt met de informatiedrempel voor ozon, maar bij het overschrijden van die waarde gold geen verplichting tot het informeren van de bevolking. De Smogregeling diende op dit punt aangepast te worden. De Smogregeling 2001 is ingetrokken en vervangen door de Smogregeling 2010. De informatiedrempel voor ozon is in de regeling overgenomen.

In het verlengde van de vervanging van de Smogregeling 2001 door de Smogregeling 2010, is ook het Modeldraaiboek smog 2001 geactualiseerd en vervangen door het Modeldraaiboek 2010. Daarin worden nu ook voorzieningen getroffen om de bevolking te waarschuwen bij (dreigende) overschrijding van de informatiedrempel voor ozon. Voorts zijn enkele meer praktische wijzigingen in het modeldraaiboek doorgevoerd. Die staan vooral in verband met het feit dat de provincies in 2009 hun taak om de bevolking te informeren over ernstige smog, gemandateerd hebben aan het RIVM. De informatiestromen zijn hieraan aangepast.



    1. Wat is smog?

Het woord 'smog' is afgeleid van de Engelse woorden 'smoke' (rook) en 'fog' (mist). Met smog wordt een periode van tijdelijk zeer verontreinigde lucht aangeduid. Bij smog spelen weersomstandigheden een grote rol. Smog kan nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens (zie daarvoor paragraaf 5).

Extreem koud of warm weer leidt doorgaans tot hoge gehaltes verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Dergelijk weer gaat vrijwel altijd gepaard met een krachtig hogedrukgebied. De verontreinigende stoffen blijven dan vaak dichtbij het aardoppervlak hangen. Bovendien is er dan meestal sprake van een zwakke (zuid)oostelijke luchtstroming waardoor luchtverontreiniging vanaf het Europese continent wordt aangevoerd en vervolgens maar weinig wordt verdund met schonere lucht.

Bij koud weer is de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen ook nog groter door toegenomen energiebehoefte.
Bij zonnig weer treedt fotochemische smogvorming op. Onder invloed van zonlicht kan binnen enkele uren ozon gevormd worden uit stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen die door verkeer, industrie en huishoudens in de lucht gebracht worden. Ozon wordt gehanteerd als een indicator van zomersmog.
Behalve ozon spelen zwevende deeltjes (PM10) en in mindere mate, stikstofdioxide en zwaveldioxide een rol bij smog.

Zwaveldioxide (SO2) ontstaat voornamelijk door het gebruik van zwavelhoudende brandstoffen.

Stikstofdioxide (NO2) komt vrij bij verbrandingsprocessen en soms ook als procesemissie in de industrie. De belangrijkste NO2-bron is het verkeer, gevolgd door de grote stookinstallaties voor energieopwekking en de industrie. Ook in de huishoudens en in de glastuinbouw komt NO2 vrij.

Ozon (O3) wordt niet rechtstreeks in de atmosfeer gebracht, maar wordt onder invloed van zonlicht gevormd uit stikstofoxiden en vluchtige koolwaterstoffen2.

Fijn stof (zwevende deeltjes (PM10)) komt voor als:

- primair fijn stof dat als zodanig rechtstreeks door tal van bronnen in de atmosfeer wordt gebracht (industrie, verkeer, landbouw, natuurlijke bronnen) en als



- secundair fijn stof dat het resultaat is van deeltjesvorming in de atmosfeer uit onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak.

Meer informatie over smog is onder meer te vinden op internet:



  • www.rijksoverheid.nl/.../wat-is-smog-en-hoe-weet-ik-of-er-smog-is

  • www.rivm.nl/milieuportaal/dossier/smog

  • www.astmafonds.nl/buitenlucht





    1. Smogsituaties

De ernst van een smogsituatie wordt gerelateerd aan in de EG richtlijn (richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa) vastgelegde luchtkwaliteitsnormen die aangeven welke concentraties luchtverontreiniging voor mens (en milieu) acceptabel geacht worden. De aan de EG-richtlijn ontleende luchtkwaliteitsnormen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10) en ozon (grenswaarden, alarmdrempels, informatiedrempel) zijn vastgelegd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

Grenswaarde: een kwaliteitsniveau (concentratie in de buitenlucht) met als doel schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu te vermijden, te voorkomen of te verminderen.

Informatiedrempel: een kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het informeren van de bevolking noodzakelijk is, teneinde de risico’s voor de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken.

Alarmdrempel: een kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het waarschuwen van de bevolking noodzakelijk is teneinde de risico’s voor de gezondheid van de mens ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken.

Smog kan voorkomen in verschillende gradaties, die aangemerkt worden als geen/geringe, matige en ernstige smog. Het uitgangspunt voor deze driedeling wordt gevormd door de grenswaarden, alarmdrempels en de informatiedrempel voor de vier smogstoffen. Bij concentraties lager dan de grenswaarde of informatiedrempel is er geen of geringe smog. De situatie waarin een concentratie zich tussen de grenswaarde of informatiedrempel en alarmdrempel bevindt laat zich omschrijven als matige smog. Wanneer een concentratie boven de alarmdrempel ligt is er sprake van ernstige smog.

Uitgaande van genoemde informatiedrempel, alarmdrempels en grenswaarden is de indeling in smogsituaties in Nederland als volgt:
Tabel 1. Kenschets van smogsituaties


Luchtverontreinigende

Stof


Concentraties in microgram per kubieke meter (µg/m3)

Geen/Geringe smog

Matige smog

Ernstige smog


Zwaveldioxide

uurgemiddelde

<350

350-500

>500a**

Stikstofdioxide

uurgemiddelde

<200

200-400

>400a**

Ozon

uurgemiddelde

<180

180*-240

>240b**

Zwevende deeltjes (PM10)

daggemiddelde

<50

50-200

>200

a. Overschrijding van de uurgemiddelde concentratie gemeten gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km² of van een gehele agglomeraties of zone.

b. gemeten of voorspeld gedurende drie opeenvolgende uren

* informatiedrempel ** alarmdrempel


    1. Smog en fijn stof

De ernst van de smogsituatie wordt gerelateerd aan in de EG richtlijn luchtkwaliteit vastgelegde luchtkwaliteitsnormen, die aangeven welke concentraties luchtverontreiniging voor mens (en milieu) acceptabel geacht worden. Voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en ozon zijn grenswaarden, alarmdrempels en een informatiedrempel vastgelegd in de richtlijn. Voor fijn stof (zwevende deeltjes (PM10)) kent de richtlijn alleen grenswaarden en geen alarmdrempel of informatiedrempel. De reden daarvoor is dat bij fijn stof geen ondergrens aan te geven is waaronder geen gezondheidseffecten bij de mens optreden. Ook een waarde bij het bereiken waarvan direct maatregelen moeten worden genomen om de nadelige gezondheidseffecten tegen te gaan, is voor fijn stof niet te geven. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat hoge concentraties op zich schadelijker zijn voor de gezondheid. Langdurige blootstelling aan achtergrondniveaus zijn meer bepalend voor de totale omvang van de risico’s van fijn stof dan blootstelling gedurende enkele dagen aan hoge fijn stof niveaus.

Omdat zowel bij zomersmog als bij wintersmog hoge concentraties fijn stof (PM10) kunnen voorkomen is voor fijn stof (PM10) in Nederland een waarde gekozen ter indicatie van de ernst van de smog. Een daggemiddelde waarde van 200 microgram per kubieke meter (µg/m3) indiceert de overgang van matige, naar ernstige smog. Bij overschrijding van deze waarde is sprake van een uitzonderlijk slechte luchtkwaliteit. Deze waarde is dus geen alarmdrempel en ook niet zo bedoeld. De waarde heeft geen juridische status, maar geeft uitsluitend een indicatie van de ernst van de situatie.

Het niveau van de grenswaarde uit de EG-richtlijn (50 µg/m3)3 wordt in Nederland gehanteerd als grens voor de overgang tussen geringe en matige smog.



    1. Gezondheidseffecten van smog

Wie ondervindt hinder van smog?

Niet iedereen is even gevoelig voor luchtverontreiniging en voor het inademen van smog. Bij matige smog zullen de gevolgen van het inademen van smog vooral merkbaar zijn voor mensen die al luchtwegaandoeningen of hart- en vaatziekten hebben, voor kinderen, ouderen en diabetici. Sporters en mensen die zwaar lichamelijk werk in de buitenlucht doen zijn in het algemeen extra gevoelig voor de effecten van smog. Bij smog ademen zij meer vervuilende stoffen in en deze stoffen dringen dieper in het lichaam binnen.

Naarmate de smogniveaus toenemen, zullen er steeds meer mensen klachten kunnen krijgen over hun gezondheid ten gevolge van het inademen van smog. De effecten zullen in sterkere mate voorkomen en een groter deel van de bevolking kan er last van krijgen. Bij ernstige smog loopt iedereen het risico op effecten. Bij ernstige smog door ozon neemt de kans op chronische effecten toe bij mensen die zich langdurig inspannen in de buitenlucht.
Effecten van smog

Bij effecten van smog die direct merkbaar zijn moet gedacht worden aan:



  • oog-, neus- en keelirritaties

  • toename van luchtwegklachten, zoals piepen, hoesten en kortademigheid

  • afname van de longfunctie

  • verergering van astma

  • toename van ziekenhuisopname voor luchtwegaandoeningen en hart- en vaataandoeningen

  • toename in de dagelijkse sterfte


Advies

Het algemene advies dat bij (dreigende) smog kan worden gegeven is dat mensen die gevoelig zijn voor smog (zware) lichamelijke inspanning het beste kunnen vermijden. Mensen zullen in het algemeen eerder de effecten van smog merken als ze buiten verblijven. Daarom kan het een goede keuze zijn om verblijf buitenshuis te beperken.

Smog door ozon is aan het eind van de middag en in de vroege avond het hoogst. Het verdient daarom aanbeveling om langdurige inspanning in de buitenlucht vooral tijdens deze uren te vermijden.

Ook gedurende de jaarwisseling, wanneer de fijn stof concentraties in de buitenlucht extreem hoog zijn ten gevolge van het afsteken van vuurwerk, is het voor mensen die gevoelig zijn voor effecten van luchtverontreiniging aan te raden om binnen te blijven en ramen, deuren en ventilatieroosters tijdelijk te sluiten.


Bij twijfel omtrent bepaalde gezondheidsklachten wordt geadviseerd de huisarts te raadplegen.

NB

Ingeval van ernstige smog in de zomer, zal de temperatuur veelal hoog zijn. Het nationaal hitteplan4, gericht op het voorkomen en verminderen van gezondheidsproblemen ten gevolge van aanhoudende hitte, zal in een dergelijke situatie van kracht zijn. Aanhoudende hitte vormt onder meer een gezondheidsrisico voor ouderen en chronisch zieken die ook gevoelig zijn voor smog. Indien in een geval van hitte smog wordt verwacht zal er in de communicatie naar de bevolking op geattendeerd worden dat tegelijk met de hitte ook sprake kan zijn van smog. Nadere afstemming van de communicatie over hitte en smog heeft de aandacht.



    1. Hoe vaak komt smog voor?



Ernstige smog
Zwaveldioxide: in de afgelopen decennia is de concentratie van zwaveldioxide zodanig afgenomen dat zich naar verwachting geen ernstige smog, veroorzaakt door deze stof, meer zal voordoen.

Stikstofdioxide: daarvoor geldt hetzelfde als voor zwaveldioxide. De kans dat de alarmdrempel voor stikstofdioxide wordt overschreden zal, ten gevolge van het nationale en internationale beleid ter zake, eerder nog verder afnemen dan toenemen. Daarom wordt ook het optreden van ernstige smog door hoge concentraties stikstofdioxide onwaarschijnlijk geacht.

Worden de alarmdrempels voor zwaveldioxide of stikstofdioxide desondanks toch overschreden, dan zal er sprake zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld van een calamiteit of een ramp.



Ozon: ernstige smog door ozon komt incidenteel voor (om de paar jaar). In Nederland komen op jaargemiddelde basis de hoogste concentraties van ozon voor van het zuidwesten tot het zuidoosten. De maxima ontstaan vooral daar door de aanwezigheid van dichtbevolkte en sterk geïndustrialiseerde gebieden, zoals de Randstad en door de relatief grote bijdrage van reeds in het buitenland gevormde ozon en van ozonvormende stoffen. Deze komt uit gebieden in Duitsland, zoals het Ruhrgebied, en België. Dat de problemen een grensoverschrijdend karakter hebben, komt door de levensduur van ozon en de ozonvormende stoffen. Deze loopt uiteen van enkele dagen tot meer dan een week.

Zwevende deeltjes (PM10): de afgelopen jaren is ernstige smog door zwevende deeltjes (PM10) alleen nog incidenteel voorgekomen nagenoeg uitsluitend ten gevolge van het afsteken van vuurwerk en van paasvuren.
Matige smog
Matige smog door zwaveldioxide komt in Nederland niet meer voor. Van matige smog door stikstofdioxide is nog een enkele keer per jaar sprake. Het gaat dan veelal om overschrijdingen langs drukke verkeerwegen, op dagen met zeer weinig wind en weinig verticale menging in de atmosfeer. Matige smog door ozon komt enkele malen per jaar voor. Voor zwevende deeltjes (PM10) is de afgelopen jaren nog regelmatig matige smog voorgekomen.

De mate waarin smog het afgelopen decennium in Nederland is voorgekomen, is weergegeven in tabel 2.


Tabel 2 Smog in Nederland 2001 – 2009
Het aantal dagen dat ergens in Nederland een waarde is overschreden waarbij sprake is van matige of ernstige smog



Jaar

PM10 (µg/m³)

SO2 (µg/m³)

NO2 (µg/m³)

O3 (µg/m³)


matige smog

>50

ernstige smog

>200

matige smog

>350

ernstige smog

>500

matige smog

>200

ernstige smog

>400

matige smog

>180

ernstige smog

>240

2001

101

1

0

0

2

0

8

0

2002

110

0

0

0

1

0

5

0

2003

147

0

0

0

0

0

16

5

2004

98

0

0

0

5

0

8

0

2005

115

0

0

0

1

0

7

1

2006

143

0

1

0

4

0

21

2

2007

98

1

0

0

1

0

3

0

2008

100

2

0

0

6

0

2

0

2009

75

1

0

0

1

0

2

0



7. Is smog te voorkomen of te beperken?

Tijdelijke emissiebeperkende maatregelen
Uit onderzoek is gebleken dat smog door het treffen van tijdelijke emissiebeperkende maatregelen nauwelijks te beïnvloeden is. Smog wordt slechts in beperkte mate veroorzaakt door lokale bronnen van luchtverontreiniging. Maatregelen als verlaging van de maximumsnelheid van het verkeer, hebben veelal een lokaal karakter. Dergelijke maatregelen hebben op de verbetering van de luchtkwaliteit bij smog en daarmee op het wegnemen van ernstige acute gezondheidseffecten van smog, dan ook een zeer gering effect.

Voor zwevende deeltjes (PM10), stikstofdioxide en zwarte rook hebben wegverkeersmaatregelen tijdens een smogperiode een marginaal effect. Voor ozon hebben wegverkeersmaatregelen tijdens een smogperiode zelfs een averechts effect.5

Het op korte termijn nemen van (tijdelijke) emissiebeperkende maatregelen heeft in het geval van smog dus weinig rendement, terwijl de maatregelen zelf en de maatschappelijke gevolgen daarvan zeer ingrijpend zouden zijn. Daarom is in Nederland niet voorzien in een verplichting tot het treffen van tijdelijke emissiebeperkende maatregelen wanneer bepaalde concentraties van smogstoffen worden bereikt. Tijdelijke emissiebeperkende maatregelen maken dan ook geen deel uit van het Modeldraaiboek smog.

De commissaris van de koningin kan in situaties van smog en van bijzondere omstandigheden maatregelen nemen in het belang van de openbare gezondheid. De commissaris draagt de verantwoordelijkheid in perioden van smog (artikel 5.18 van de Wet milieubeheer) en in geval de lucht wordt verontreinigd in bijzondere omstandigheden (de artikelen 43 tot en met 52 van de Wet inzake de luchtverontreiniging (WLV)). Hij kan op basis van de concrete informatie in een bepaalde situatie tot de conclusie komen dat algemene voorschriften of specifieke bevelen opportuun zijn in het belang van de openbare gezondheid. Hij kan dan een bevel geven ten aanzien van een specifieke bron van luchtverontreiniging (een inrichting of toestel) of algemene voorschriften geven met betrekking tot inrichtingen, toestellen, brandstoffen of verontreinigende handelingen of aanbevelingen doen voor door veroorzakers van luchtverontreiniging of de bevolking te nemen maatregelen.

In de artikelen 43 tot en met 47 van de WLV is geregeld dat de commissaris een inrichting kan sluiten, een toestel buiten werking kan stellen of een verontreinigende handeling kan doen staken, onder meer indien door de betreffende bron de lucht zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat een aanmerkelijk gevaar voor de gezondheid te duchten is en het treffen van een andere voorziening niet kan worden afgewacht.

In de artikelen 48 tot en met 52 van de WLV is bepaald dat de commissaris in geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard, die naar zijn oordeel zodanige voorziening in het belang van de openbare gezondheid dringend noodzakelijk maken, algemene voorschriften kan geven met betrekking tot inrichtingen, toestellen, brandstoffen en verontreinigende handelingen. Hiertoe kunnen behoren een geheel of gedeeltelijk verbod een inrichting, deel van een inrichting of toestel, beho­rende tot een bij het besluit aangewezen categorie, in werking te hebben of een geheel of gedeeltelijk verbod een brandstof, behorende tot een bij het besluit aange­wezen categorie, te gebruiken.

De Wet veiligheidsregio’s 6 en de Aanpassingswet veiligheidsregio’s 7 die op 1 oktober 2010 in werking zijn getreden, introduceren het eenhoofdig bovenlokaal gezag van de voorzitter van de veiligheidsregio bij rampen en crises van meer dan plaatselijke betekenis. Deze wetten hebben de functionele bevoegdheden van de commissaris der koningin in geval van smog en luchtverontreiniging in bijzondere omstandigheden, intact gelaten. De coördinerende rol van de voorzitter van de veiligheidsregio’s strekt zich derhalve niet uit tot deze bevoegdheden.

Waarschuwen bevolking, gedragsadviezen, aanbevelingen en bevelen ter bescherming van de gezondheid

Het is zinvol om de bevolking te waarschuwen bij (dreigende) matige smog door ozon en bij ernstige smog door zwevende deeltjes (PM10), stikstofdioxide, zwaveldioxide en ozon. Ook gedragsadviezen zijn in die situatie op zijn plaats. Op basis van artikel 48 van de Wet inzake de luchtverontreiniging kan de commissaris van de koningin aanbevelingen doen voor door de bevolking te nemen maatregelen. Bevolkingsgroepen die mogelijk hinder ondervinden van de smog kunnen dan in ieder geval voorzorgsmaatregelen treffen om de effecten te beperken (zie ook paragraaf 5 gezondheidseffecten van smog en paragraaf 10 Informatievoorziening).

In het belang van de openbare gezondheid kan het bij smog wenselijk zijn om bepaalde evenementen waarbij mensen intensieve inspanningen in de buitenlucht leveren, zoals sportwedstrijden, af te gelasten of uit te stellen. De commissaris der koningin kan hiertoe aanbevelingen geven op basis van artikel 48 van de Wet inzake de luchtverontreiniging.

De burgemeester is ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet belast met het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden en is bevoegd bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.



Structurele emissiebeperkende maatregelen
Zowel voor smog door ozon als door zwevende deeltjes (PM10) geldt dat het voorkomen en beperken daarvan in hoofdzaak bewerkstelligd moet worden door structurele maatregelen waardoor de heersende concentraties afnemen en het risico op smog afneemt. De luchtkwaliteit in Nederland dient zodanig te verbeteren dat ernstige smog ook in uitzonderlijke omstandigheden vrijwel niet meer zal optreden. Zowel voor ozon als voor zwevende deeltjes (PM10) wordt hieraan nationaal en in EU kader gewerkt.

Structurele verlaging van de ozonconcentraties wordt beoogd met maatregelen om aan de nationale emissieplafonds te voldoen ingevolge richtlijn 2001/81/EG8. Voor de maatregelen ter vermindering van de concentraties van zwevende deeltjes (PM10) wordt verwezen naar het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, een programma gericht op het voldoen aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide 9.



Crisis of calamiteit
Structurele emissies van luchtverontreinigende stoffen door de zogenaamde gecontroleerde bronnen (verkeer en industrie) zullen vrijwel zeker niet de oorzaak van ernstige smog kunnen zijn. In zeer uitzonderlijke situaties kan smog veroorzaakt worden door een crisis of calamiteit

(bijvoorbeeld een brand in een raffinaderij of een grootschalige bosbrand). In zo’n geval kunnen op de situatie afgestemde maatregelen wel zinvol zijn. De meest voor de hand liggende maatregel om de luchtkwaliteit bij dit soort incidenten of rampen terug te brengen tot een veilig niveau, is om het incident, dan wel de ramp te bestrijden met gebruik van de daartoe beschikbare (lokale en regionale) bevoegdheden en middelen op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing, zoals vastgelegd in de Gemeentewet en de Wet op de veiligheidsregio’s. Deze bevoegdheden komen toe aan de burgemeester en/of de voorzitter van de veiligheidsregio. De commissaris van de koningin kan in geval van een ramp of crisis van meer dan regionale betekenis aanwijzingen geven aan de voorzitter van de veiligheidsregio ten aanzien van de bestrijding van de ramp of crisis. Bij zeer grootschalige rampen of crises kunnen ook op nationaal niveau bevoegdheden worden uitgeoefend en maatregelen worden getroffen.

Ten behoeve van de advisering omtrent maatregelen in een crisissituatie kan het Beleidsondersteunend Team milieuincidenten (BOT-mi) geactiveerd worden (zie hiervoor paragraaf 12 Wat doen het VROM Inspectie Meldpunt, de afdeling Crisismanagement en het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten?) Voor dergelijke situaties zijn procedures vastgelegd.

Het is uiteraard mogelijk dat een ramp of incident voor de bestrijding waarvan de verantwoordelijkheid bij de veiligheidsregio ligt, mede ernstige smog ten gevolge heeft. Goede communicatie tussen de veiligheidsregio en de commissaris van de koningin is dan ook van groot belang.

Wanneer het vooruitzicht is dat het beëindigen van de emissie door een incident of ramp lang gaat duren, kunnen de betrokken overheden in onderlinge afstemming voor de afweging komen te staan, of het reduceren van de emissies uit de gecontroleerde bronnen een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het verlagen van de concentraties. Aspecten die bij de afweging betrokken kunnen worden zijn de mogelijke omvang van de bijdrage van maatregelen, hoe lang het duurt voordat er resultaat is en welke neveneffecten dergelijke maatregelen kunnen hebben.
Provincies en gemeenten hebben inzicht in de industriële bronnen, wegen en andere bronnen die mogelijk de oorzaak van een ramp of calamiteit kunnen zijn die smog ten gevolge heeft. Overheden kunnen in algemene zin anticiperen op een ramp of calamiteit door deze potentiële bronnen te inventariseren, alsmede de mogelijke maatregelen ter bestrijding van een dergelijke situatie.


  1. Hoe wordt in Nederland ingespeeld op smogsituaties?

In de Smogregeling 2010 is geregeld hoe in Nederland geanticipeerd wordt op en opgetreden wordt in geval van smog.
In zijn algemeenheid gaat het om de volgende aspecten:
Continue volgen van de luchtkwaliteit

In het kader van het door het RIVM beheerde landelijk meetnet luchtkwaliteit worden de kwaliteitsniveaus van de smogstoffen voortdurend gemeten. Als het risico op matige of ernstige smog bestaat analyseert het RIVM ieder uur de ontwikkeling van de verontreinigingsniveaus.



Continue informatievoorziening

Dit gebeurt via internet (www.lml.rivm.nl) en via NOS teletekst (pagina 711 en 712). De informatie wordt uitgebreid naarmate de smogsituatie ernstiger wordt.



Het waarschuwen van de bevolking

Via de media (het RIVM seint het ANP in) wordt de bevolking actief gewaarschuwd bij matige smog door ozon en bij ernstige smog. Niet alleen wordt de (dreigende) smogsituatie beschreven, ook worden adviezen gegeven voor mensen die mogelijk gezondheideffecten van smog zullen ervaren.



Het informeren van betrokken overheden en instanties

Bij matige en ernstige smog informeert het RIVM gedeputeerde staten van de provincies waar de smog zich voordoet, het VROM Inspectie Meldpunt en de GGD. De actuele situatie wordt geschetst; tevens wordt aangegeven welke bevolkingsgroep risico kan lopen, welke symptomen kunnen optreden en welke voorzorgsmaatregelen getroffen kunnen worden.



Het treffen van maatregelen in crisissituaties

De commissaris der koningin kan algemene voorschriften en bevelen geven in geval van smog (artikel 43 tot en met 52 van de WLV).

Het VROM Inspectie Meldpunt, dat door het RIVM geïnformeerd wordt zodra matige smog wordt vastgesteld, stelt de stafafdeling Crisismanagement van de VROM-Inspectie in kennis die vervolgens zo nodig het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten (BOT-mi) activeert. Het BOT-mi adviseert publieke crisisorganisaties en overheidsinstanties (zie ook paragraaf 12 Wat doen het VROM Inspectie Meldpunt, de afdeling Crisismanagement en het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten?).

9. Wie doet wat in geval van smog?

Het RIVM:


  • stelt de concentraties van luchtverontreinigende stoffen vast

  • signaleert situaties van (dreigende) smog

  • verzorgt de berichtgeving naar de provincies, het ANP10, de GGD en het VROM Inspectie Meldpunt

  • geeft informatie aan het publiek (via de media) namens de commissaris der koningin.

In tabel 3 is schematisch weergegeven welke activiteiten het RIVM per smogfase ontplooit.

Tabel 3. De rol van het RIVM bij smog

wanneer?

luchtkwaliteit

internet / teletekst

actief informeren

continue

volgt de luchtkwaliteit

stelt basisinformatie beschikbaar o.a. op www.lml.rivm.nl




verwachting smog

analyseert de luchtkwaliteit ieder uur







matige smog

analyseert de luchtkwaliteit ieder uur

stelt uitgebreide informatie beschikbaar o.a. op www.lml.rivm.nl :

smog


prognose

risico’s


informatiebronnen

geeft informatie over actuele niveaus aan:

GS

GGD



VROM Inspectie Meldpunt

(verwachting) matige smog door ozon / overschrijding informatiedrempel

analyseert de luchtkwaliteit ieder uur

stelt uitgebreide informatie beschikbaar o.a. op www.lml.rivm.nl over:

smog


prognose

risico’s


informatiebronnen

  • geeft informatie aan

GS, ANP, GGD en VROM Inspectie Meldpunt over:

niveaus


prognoses

risico’s


(verwachting) ernstige smog / overschrijding alarmdrempels







  • geeft z.s.m. informatie aan publiek (via media) namens de CdK’s:

niveaus, bronnen, prognoses, risico’s informatiebronnen

De commissaris van de koningin is in geval van smog verantwoordelijk voor:

  • het informeren van de bevolking en zo nodig

  • het doen van aanbevelingen / treffen van maatregelen.


Informeren bevolking
Op basis van de wetgeving (artikel 5.18 Wet milieubeheer en de artikelen 7 en 8 van de Smogregeling 2010) is de commissaris van de koningin verantwoordelijk voor het informeren van de bevolking over smog. Om de informatievoorziening aan het publiek in geval van smog zo vlot mogelijk te laten verlopen, hebben de provincies het RIVM gemandateerd om deze informatievoorziening op zich te nemen.

Het reageren op vragen van burgers naar aanleiding van smogberichtgeving blijft de verantwoordelijkheid van de betrokken commissaris van de koningin. Dat geldt ook voor de taak van de commissaris van de koningin ingevolge artikel 48 van de Wet inzake de luchtverontreiniging: ‘Wanneer bijzondere omstandigheden op korte termijn zijn te ver­wachten en wanneer deze zijn aangebroken, laat de commissaris hiervan medede­ling doen door middel van radio en televisie of op een andere door Gedeputeerde Staten te be­palen wijze. Zonodig laat hij deze mededeling vergezeld gaan van aanbevelingen voor door veroorzakers van luchtverontreiniging of door de bevolking te nemen maatregelen.’



Het doen van aanbevelingen / treffen van maatregelen

De commissaris der koningin kan in geval van smog, een calamiteit of bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard op basis van de concrete informatie in een bepaalde situatie besluiten dat maatregelen in een specifieke situatie opportuun zijn in het belang van de openbare gezondheid. Hij kan in bepaalde omstandigheden:



  • aanbevelingen geven voor door veroorzakers van luchtverontreiniging of door de bevolking te nemen maatregelen (artikel 48, derde lid WLV),

  • algemene voorschriften geven met betrekking tot inrichtingen, toestellen, brandstoffen en verontreinigende handelingen (artikel 48, eerste lid WLV), of

  • een bevel geven om een (deel van) een inrichting te sluiten, een toestel buiten werking te stellen of een handeling te staken (artikel 43 WLV).

Het BOT-mi

Het BOT-mi adviseert de provincies (zie ook paragraaf 12 Wat doen het VROM Inspectie Meldpunt, de afdeling Crisismanagement en het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten?).



Tabel 4: Overzicht taken RIVM en provincie bij verschillende smogfasen



Smogsituatie

Informatievoorziening door:




Maatregelen




RIVM

Provincie





Geen of geringe smog door:

fijn stof/ozon/SO2/NO2



Continue, beperkte standaardinformatie via www.lml.rivm.nl en NOS-Teletekst (pagina 711)


“passieve” voorlichting (beantwoording publieksvragen)

niet aan de orde

Matige smog door:

fijn stof/ SO2/NO2



Standaardinformatie en aanvullende informatie via www.lml.rivm.nl en NOS-Teletekst (pagina 711 en 712)


“passieve” voorlichting

niet aan de orde

Matige smog door:

ozon


Standaardinformatie en aanvullende informatie via www.lml.rivm.nl en NOS-Teletekst (pagina 711 en 712)

Actief informeren provincie, GGD, ANP en VROM Inspectie Meldpunt



“actieve” smog voorlichting (wettelijke taak gemandateerd aan RIVM)

“passieve” voorlichting



niet aan de orde

Ernstige smog door:

ozon / fijn stof / SO2 / NO2



Standaardinformatie en aanvullende informatie door RIVM via www.lml.rivm.nl en zo mogelijk via andere media als NOS-Teletekst (pagina 711 en 712)

RIVM informeert actief provincie, GGD, ANP en VROM Inspectie Meldpunt



“actieve” smog voorlichting (wettelijke taak gemandateerd aan RIVM)

bij bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard “actief” informeren (niet gemandateerd)

“passieve” voorlichting


maatregelen niet op voorhand voorzien

CdK kan in belang openbare gezondheid overgaan tot:



  • algemene voorschriften

  • aanbevelingen

  • bevel

op basis art. 43 – 48 WLV




  1. Informatievoorziening

Geen / of geringe smog

Is er geen of in beperkte mate sprake van smog, dan stelt het RIVM aan een ieder informatie beschikbaar over de actuele kwaliteitsniveaus en de achtergronden daarvan. Dat gebeurt via internet (www.lml.rivm.nl) en zo mogelijk ook via andere media als NOS- teletekst (pagina 711).

Die informatie omvat tenminste:

a. een beschrijving van het ontstaan van concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht;


b. de actuele kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10), en

c. een kwalitatieve aanduiding van actuele kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10) als geen/geringe, matige of ernstige smog.



Matige smog

Wanneer er matige smog optreedt wordt de informatie op internet en zo mogelijk ook op andere media zoals teletekst, uitgebreid. Er wordt informatie gegeven over:

a. het ontstaan van smog en van de verontreinigende stoffen in de buitenlucht die matige smog veroorzaken;
b. actuele kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10) per zone en agglomeratie alsmede een toelichting daarop;
c. een prognose van de kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en of zwevende deeltjes (PM10) voor de eerstvolgende middag, dag of dagen;
d. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor matige of ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, alsmede van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen, en
e. een verwijzing naar het Nederlands Astma Fonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog.

Pagina 711 en 712 op teletekst bevatten dan achtergrondinformatie over de stoffen die de matige smog in een concrete situatie veroorzaken en een tabel waarin voor de zones (Noord-, Midden- en Zuid-Nederland) en de agglomeraties (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Kerkrade/Heerlen) in Nederland het actuele kwaliteitsniveau is aangegeven. Verder wordt een toelichting gegeven op de actuele situatie en wordt de verwachte ontwikkeling van de smog gegeven. Er wordt specifiek aandacht besteed aan de bevolkingsgroep die naar verwachting last kan ondervinden van het betreffende smogniveau. Daarvoor zijn specifieke gedragsadviezen om gevolgen van blootstelling aan smog zo veel mogelijk te beperken. Voor het verkrijgen van meer informatie wordt verwezen naar het Nederlands Astma Fonds, de GGD en het RIVM.

Het RIVM informeert bij matige smog door zwaveldioxide en stikstofdioxide:


  • Gedeputeerde Staten van de provincie waar de smogsituatie zich voordoet

  • de GGD en

  • het VROM Inspectie Meldpunt (VIM)

over de actuele kwaliteitsniveaus.

Bij matige smog door zwevende deeltjes (PM10) worden Gedeputeerde Staten van de provincie waar de smogsituatie zich voordoet, de GGD en het VROM Inspectie Meldpunt (VIM) niet door het RIVM gewaarschuwd omdat die situatie regelmatig voorkomt. Het karakter van een waarschuwingssignaal zou bij veelvuldige berichtgeving verloren gaan.


Bij matige smog door ozon wordt de informatiedrempel van ozon overschreden. De informatievoorziening verloopt het zelfde als in geval van ernstige smog.

Ernstige smog

Als het risico bestaat dat zich een situatie van ernstige smog voordoet, worden niet alleen bepaalde instanties, maar ook de bevolking actief op de hoogte gebracht zodat mensen voorzorgsmaatregelen kunnen treffen (smogverwachting).


Het RIVM informeert:

  • Gedeputeerde Staten van de provincies waar de smog zich voordoet, alsmede

  • via het VROM Inspectie Meldpunt, de stafafdeling Crisismanagement,

  • de GGD en het

  • ANP

Doordat het persbericht wordt verstuurd naar het ANP bereikt het alle



  • landelijke en regionale dagbladen,

  • nationale en regionale radio- en TV-stations,

  • omroeporganisaties,

  • ministeries en diverse overheidsinstanties en

  • organisaties aangesloten op ANP Infonet (grotere bedrijven, PR bureaus, diverse gemeenten, onderwijsinstanties en brancheorganisaties).

Bij constatering van ernstige smog verspreidt het RIVM onmiddellijk een bericht. Wanneer de smog nagenoeg gelijk blijft gedurende een smogperiode, wordt volstaan met berichtgeving eenmaal per dag. Mocht er aanleiding toe zijn, dan kan het RIVM de berichtgeving aan de betreffende instanties intensiveren en meer keren per dag actuele informatie doorgeven. Daarbij gaat het niet alleen om de



  • niveaus van de luchtverontreinigende stoffen, maar ook om

  • de achtergrond ervan,

  • de verwachte ontwikkeling,

  • een indicatie van personen die hinder van de situatie kunnen ondervinden

  • en mogelijke te treffen voorzorgsmaatregelen.

Ten behoeve van het informeren van de bevolking en van maatschappelijke organisaties wordt met name veel aandacht gegeven aan de gezondheidseffecten en aan mogelijke gedragsadviezen. De gezondheidsinformatie gaat in op de relevante risicogroepen ten aanzien van de smogstoffen en op de klachten die er bij bepaalde concentraties luchtverontreiniging op kunnen treden. Officieel informeert de commissaris van de koningin de bevolking daarover. In de praktijk hebben provincies afspraken over het informeren van de bevolking gemaakt met het RIVM (zie ook paragraaf 11 Mandatering informeren bevolking aan RIVM).

  

Binnen de GGD zijn afspraken over het informeren van andere GGD’s en huisartsen.



In situaties van smog kunnen burgers terecht met vragen bij:

  • provincies

  • GGD

  • Astmafonds



NOS Teletekst

Pagina 711 geeft actuele informatie over de luchtkwaliteit

Wanneer de concentraties zich alle onder de grenswaarden en voor ozon onder de informatiedrempel bevinden, zal de pagina drie subpagina’s weergeven. Op één van deze pagina’s wordt een staaf­diagram weergegeven met de vier stoffen en de mate van luchtverontreiniging. Hierdoor kan een snel overzicht worden gegeven van de smogsituatie, waarbij onderscheid wordt gemaakt in weinig of geen, matige en ernstige smog. Verder is er een pagina met een verwachting voor ozon en PM10.

Wanneer bij één of meer van de stoffen de grenswaarde wordt overschreden en voor ozon de informatiedrempel, en er dus sprake is van matige smog, wordt voor de betreffende stof(fen) een extra subpagina toe­ge­voegd. Deze aanvullende pagina geeft een tabel waarin voor 3 zones: Noord-, Midden-Nederland (waar Gelderland onder valt) en Zuid-Nederland) en 6 agglomeraties (Amster­dam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Kerkrade/Heerlen) in Nederland de ge­constateerde concentraties zijn afgebeeld.

Pagina 712 geeft achtergrondinformatie over smog

Deze pagina wordt gebruikt voor aanvullende en achter­grondinformatie: een toelichting op de actuele situatie, het ontstaan van smog, de risicogroepen, de gezondheidsinformatie, ge­drags­adviezen en verwijzingen naar onder meer de provincie, het Astmafonds, de GGD en het RIVM.



Internet

Op de website van het RIVM http://www.lml.rivm.nl/ worden actuele concentraties van de smogstoffen gegeven. De site bevat ook een luchtkwaliteitsverwachting voor ozon en fijn stof (www.lml.rivm.nl/verw.html).




11. Mandatering informeren bevolking aan RIVM

Het mandaat

De commissaris van de koningin heeft ingevolge artikel 5.18 van de Wet milieubeheer de taak om in geval van matige smog door ozon en bij ernstige smog de bevolking via de media te waarschuwen. Om de informatievoorziening aan het publiek zo vlot mogelijk te laten verlopen hebben de provincies het RIVM gemandateerd om deze informatievoorziening op zich te nemen. Dit betekent dat het RIVM bij (dreiging van) ernstige smog voor stikstofdioxide, zwaveldioxide, ozon of zwevende deeltjes (PM10) en bij (dreiging van) overschrijding van de informatiedrempel van ozon, rechtstreeks niet alleen de provincies, informeert over de actuele situatie, maar ook het ANP. Via het ANP krijgen alle landelijke, regionale en lokale media toegang tot het bericht en kan de bevolking via diverse routes snel geïnformeerd worden.

Het RIVM informeert de bevolking dus in de praktijk. Formeel blijven de provincies verantwoordelijk. De mandatering aan het RIVM is beperkt tot de informatievoorziening over smog op basis van de Wet milieubeheer. Het blijft de verantwoordelijkheid van de commissaris der koningin om mededeling van bepaalde gegevens te doen ingevolge de artikelen 43 tot en met 52 van de Wet inzake de luchtverontreiniging (in geval van verontreiniging van de lucht in bijzondere omstandigheden).
Wie wordt geïnformeerd?

In het kader van de mandatering wordt niet alleen het ANP geïnformeerd door het RIVM. Elke provincie kan het RIVM voorzien van een korte lijst met e-mailadressen. De op die lijst vermelde personen en instanties worden dan tevens direct geïnformeerd in geval van (dreigende) smog. De lijst bestaat per provincie tenminste uit de volgende adressen (zie ook bijlage 1 en 2):



  1. het Kabinet van de commissaris van de koningin (in Limburg de provinciaal Gouverneur).

  2. een of twee regionale dagbladen

  3. de regionale tv zender(s)

  4. een generiek e-mailadres

Met het opnemen van een generiek e-mailadres (bijvoorbeeld: smog@provinciexxx.nl) kan de provincie beslissen om meer instanties en personen te informeren. Het is technisch mogelijk om dit vanuit het generieke e-mailadres automatisch te laten verlopen. Eventuele wijzigingen van de door de provincie aangeleverde mailadressen nu en in de toekomst zijn de verantwoordelijkheid van de provincie.

Smogepisodes hebben over het algemeen een korte duur (aantal uren tot een paar dagen) en hebben dus alleen nieuwswaarde als de berichtgeving snel kan worden opgenomen. Regionale dagbladen en tv zenders lenen zich daarvoor het best. Met de pers, regionale radio en tv zenders kunnen afspraken gemaakt worden omtrent de berichtgeving wanneer een bericht van smog bij de media binnenkomt, om ervoor te zorgen dat de berichtgeving de bevolking inderdaad bereikt.



12. Wat doen het VROM Inspectie Meldpunt, de afdeling Crisismanagement en het Beleidsondersteunend Team milieu incidenten?

Het RIVM informeert het VROM Inspectie Meldpunt (VIM) zodra matige smog wordt vastgesteld. Het VIM stelt de stafafdeling Crisismanagement van de VROM-Inspectie in een vroeg stadium in kennis. De stafafdeling is dan voorbereid en op de hoogte dat het, als de situatie ernstiger wordt, nodig kan zijn om het Beleidsondersteunend Team milieuincidenten (BOT-mi) te activeren.

Het Bot-mi is een door VROM beheerde crisis-entiteit ter advisering van publieke crisisorganisaties (bijvoorbeeld het Regionaal beleidsteam van de veiligheidsregio) en overheidsinstanties (bijvoorbeeld provincies). Binnen het BOT-mi werken nationale kennisinstituten samen aan een geïntegreerd advies. Het BOT-mi is daarvoor 24 uur per dag bereikbaar. Het advies kan betrekking hebben op de maatregelen die genomen moeten worden, maar ook op het voorlichten van het publiek. Het BOT-mi kan worden bevraagd door betreffende overheden, maar kan ook zelf met de betreffende overheid (bijvoorbeeld provincie(s)) contact opnemen met de vraag of het BOT-mi een verdere rol kan vervullen in de situatie die is ontstaan. Indien er sprake is van een complexe situatie die om een landelijk gecoördineerd optreden van verschillende overheidsinstanties vraagt, kan de nationale crisisstructuur opgeschaald worden conform het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming11. Overigens blijven bij een dergelijke opschaling de bevoegdheden van de commissaris der Koningin in stand en zal afstemming gezocht moeten worden met de landelijke structuur via de afdeling crisismanagement VROM. In dat geval zijn de adviezen van het BOT-mi niet alleen gericht op de betreffende regionale en provinciale overheid, maar ook op alle overige betrokken overheidsinstanties. De provincie en het RIVM informeren het publiek over de gezondheidsrisico’s. Ter ondersteuning van deze voorlichting kan het BOT-mi voor advies worden ingeschakeld. In uitzonderlijke omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld meerdere provincies betrokken zijn, zal naar het departementaal coördinatie centrum VROM (DCC VROM) kunnen worden opgeschaald, ter coördinatie van de maatregelen van de commissarissen der Koningin. Ieder departement heeft een departementaal coördinatiecentrum. Het DCC VROM wordt actief bij milieuongevallen. Het DCC VROM faciliteert het BOT-mi. Ook is het DCC het informatiecentrum voor VROM-ambtenaren en bewindslieden, bijvoorbeeld over het verloop van een ongeval en de rol van VROM bij de bestrijding.

Meer informatie over de werkwijze kan worden verkregen via de stafafdeling crisismanagement VROM.



13. Smog door fijn stof in België

België

In België (Vlaanderen) wordt een waarde van 70 µg/m3 voor zwevende deeltjes gehanteerd als alarmdrempel. Indien twee dagen na elkaar daggemiddelde fijn stofconcentraties worden voorspeld die gemiddeld voor Vlaanderen hoger zijn dan 70 µg/m3 wordt de bevolking geïnformeerd en worden snelheidsbeperkende maatregelen (90 km/u op bepaalde snelwegen en ringwegen) getroffen. Die hebben een beperkt effect op de fijn stof concentraties12.

Het informeren van de bevolking bij fijn stof concentraties hoger dan 70 µg/m3 in België heeft niet zo zeer als doel om de bevolking te waarschuwen teneinde de risico’s voor de gezondheid van de mens bij kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken. Met het hanteren van 70 µg/m3 als niveau waarbij de maximumsnelheid wordt beperkt, wordt beoogd de bevolking bewust te maken van de luchtverontreiniging door zwevende deeltjes. Het niveau wordt aangeduid als alarmdrempel, maar sluit niet aan bij het karakter en doel van deze waarde. Het betreft nationaal beleid. Het vloeit niet voort uit de EG-richtlijn. In Nederland wordt op nationaal niveau dan ook geen aanleiding gezien om hier bij aan te sluiten.

Limburg

In 2008 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg besloten aan te sluiten bij de smogalarmering die in België voor fijn stof plaatsvindt bij een niveau van 70 µg/m3. Binnen de provincie zijn voorzieningen getroffen om het publiek bij het bereiken van die waarde actief te informeren. Gedragsadviezen worden daarbij niet gegeven.



Noord-Brabant

In Noord-Brabant worden in geval van geringe/matige smog door fijn stof de bij smog betrokken beleidsambtenaren van de provincie op de hoogte gesteld. Er worden vooralsnog geen nadere acties ondernomen. Bij vragen van andere overheden of burgers wordt in overeenstemming met bovenstaande tekst geantwoord. Deze procedure is in het provinciale draaiboek Noord-Brabant opgenomen.






  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina