Modeloplossingen opdracht 4, 6, 8, 9 Opdracht 4



Dovnload 16.01 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte16.01 Kb.


Modeloplossingen opdracht 4, 6, 8, 9



Opdracht 4

  1. Personaal: het verhaal wordt verteld door de ogen van de hoofdfiguur in de ik-vorm.

  2. Zijn vader werkt bij de post, beschouwt zich als een echte socialist, maar drinkt al het geld op, zodat ze in krotten wonen. Na tien jaar huwelijk stapt zijn moeder op met alle meubelen. Daarop trekken ze in bij zijn grootmoeder, zoals drie ooms al voor hen.
    Zijn tante Rosie is na de dood van haar vader getrouwd met een rijke Brusselaar, maar komt nu terug omdat hij haar mishandelt.



  1. Beeld van een armoedige jeugd, van een marginale familie

  • De ik-figuur groeit op in een bijzonder kansarm milieu. De enige met vast werk is zijn vader, een postbode. In alle kroegen hebben ze openstaande rekeningen. Vaak krijgen ze bezoek van de politie en deurwaarder. Ze drinken eigenlijk hun problemen weg.

  • Zijn opvoeding wordt verwaarloosd. Ze nemen hem mee op café en doen hem een mengeling van bier en cola drinken.

  • Ze zijn trots op hun imago van ongemanierde zatlappen. Hoewel ze neerkijken op rijkere mensen, schamen ze zich enorm wanneer Rosie en Sylvie bij hen intrekken want ze worden daardoor geconfronteerd met hun miezerigheid en totaal gebrek aan zelfrespect: bv. met open deur op het toilet zitten; in onderbroek rondlopen; het goedkope, slecht bereide en ongezonde eten; het gebrek aan hygiëne; de scheten die ze laten; de vloeken; het smerige huis; hun vuile kleren … Ze doen er evenwel niets aan.

  1. De spanning tussen gehechtheid aan je familie en de noodzaak eraan te ontsnappen.

  • Ze vormen een hechte groep en komen voor elkaar op. Wanneer de dwergen bv. kritiek geven op Sylvie, kunnen ze dit niet verdragen.

  • Hoewel de ik-figuur blij is wanneer hij er later in slaagt uit zijn milieu weg te vluchten, is er een zekere weemoed want het blijft zijn familie en een deel van zijn leven (zie vraag 5).

  1. De dood: de Opperdrinker is gestorven aan kanker, de tweeling zal niet lang meer leven net als André en op het einde blijkt dat de ik-figuur zijn nicht pas zal terugzien op de begrafenis van zijn vader.

  2. Deze suggereert aanvaarding, berusting: de dingen zijn nu eenmaal zoals ze zijn. Er is dus geen woede of wrok.



  1. Hier gaat het meer over de zinloosheid van het leven, over het hebben van kinderen. Hij lijkt zich te verzetten tegen het leven van de gewone mensen.

  2. Hier suggereert de auteur dat je je leven in eigen handen moet nemen, zoals de ik-figuur, dat je niet bij de pakken moet neerzitten zoals zijn ooms, die gewoon ‘helaas’ zegden en voortdeden.



  • Hij noemt zijn grootvader ‘Onze Opperdrinker’ (25, 153).

  • Tante Rosie vertrekt naar Brussel met haar man, ‘tot diepe droefenis van onze jonge mannen die nu lelijker vrouwen ongelukkig te maken hadden.’ (27-28)

  • Ze smeken de man van tante Rosie tijdens de zeldzame bezoeken ‘of hij zijn peperdure wagen alstublieft niet voor onze deur zou parkeren. Wij waren arm, altijd geweest, maar droegen onze armoe met trots. Dat er iemand zijn luxueuze auto voor onze deur plaatste, ervoeren wij als een vernedering en we schaamden ons bij de gedachte dat iemand van het dorp zou hebben gezien dat een Verhuist het financieel behoorlijk stelde.’ (40-46)

  • ‘Mijn vader sprak steeds met fierheid over de ongemakken van onze woonst, het getuigde van weinig mannelijkheid makkelijk te willen leven, en toen wij uiteindelijk verhuisden naar de Merestraat, was dat uitsluitend omdat wij ons daar konden verslechteren.’ Zie regel 52 e.v.

  • ‘De sfeer in het café was op het ogenblik dat wij binnenkwamen, lamlendig en vertrouwd. Je kon er vergif op innemen dat er al de hele tijd aan de toog was geluld over misnoegde vrouwen, echtscheidingen, onderhoudsgeld. Onderwerpen die hier werden aangesneden zoals men het elders over het weer had. Twee mannen speelden een partijtje biljart, maar liepen niet over van ambitie het spel te willen winnen, aan de kaarttafel bestudeerden vier oudjes aandachtig het lot dat ze in hun bevende handen hielden, en de overige aanwezigen bedronken zich geduldig naar dat niveau waarop geluk en ongeluk zich in elkaar vergissen.’ (303-312)

  • Het drinken van limonade, bovendien nog zonder suiker, wordt ‘als bijzonder asociaal en afstandelijk’ beschouwd (407).

  • Ze gaan laat op de avond dronken naar huis: ‘We lieten een spoor van blaffende honden en omvergelopen vuilnisbakken na. En van urine, door onze Potrel vakkundig in een bloembak gemikt. Er was geen spar die het op alle toegangswegen naar een goed café langer dan twee jaar overleefde, omdat al onze mannen ertegen plasten. Sparren kunnen daar niet tegen.’ (474-478)

  • ‘Het speet ons. Alles in het leven speet ons. Zo waren we.’ (514)



  1. Zwarte humor

  • André laat zijn schijtzak zien en zegt dan: ‘”Voilà”, zei hij, “ik heb gedaan met schijten. Nu nog doorspoelen.” Hierop goot hij een pint bier ad fundum in zijn strot. “Je hebt er geen idee van hoeveel ik mij per maand uitspaar aan wc-papier.”’ (386-388)

  • Hoewel Dimitri Verhulst vooral ironie gebruikt, spot hij eigenlijk met zijn eigen ongeluk. In die zin zou je de hele tekst ook als zwarte humor kunnen zien.

  1. Absurde humor

  • Wanneer blijkt dat Potrel het antwoord kent op een quizvraag op tv, zegt iemand dat hij niet zo stom is als hij eruitziet. Daarop zegt hij: ‘Het is een heruitzending, sukkelaar.’ (230)

  • De uitbater van De Bok maakt zijn oude bok zat (279 e.v.).

  1. Vulgaire humor

  • ‘”Ik moet ook pipi doen.”
    Wij deden nooit pipi. Wij zeikten.’ (479-480)

  • Sylvie wanneer ze dronken thuiskomt: ‘Het wonder is geschied, mijn pruim is nat en ’t regent niet.’ (518)


Opdracht 6



  • Het boek gaat over de periode toen hij 12-13 jaar was. Veel zaken zijn zeker waar: hij groeide op in erg armoedige omstandigheden, zijn vader en ooms woonden in bij zijn grootmoeder en dronken veel, zijn vader was soms gewelddadig, de politie kwam vaak langs, hij is door de jeugdrechter geplaatst en zijn grootmoeder is dement geworden. Zijn oom bevestigt dat hij graag een pintje drinkt, dat er een WK bierdrinken was en dat zijn broer Herman die nacht zijn auto in de prak heeft gereden, dat Dimitri’s vader in een ontwenningskliniek heeft gelegen nadat zijn vrouw hem had bedrogen en verlaten.

  • Daar staat tegenover (volgens oom Karel, van wie de bijnaam ‘Potrel’ klopt) dat zijn moeder altijd hard gewerkt heeft en heel proper was. Sommige verhalen heeft Dimitri, die veel jonger was, enkel van horen zeggen en hij heeft ze opgeblazen. De Ronde van Frankrijk bv. was geen gigantische drankorgie. Zijn vader heeft zich ook niet doodgedronken, maar is gestorven aan lymfklierkanker. Alle ooms die goed geboerd hebben, worden bovendien niet vermeld. Dimitri was zelf trouwens niet zo gemakkelijk, wat bleek in het pleeggezin waar hij terechtkwam.

  • Volgens de auteur spreekt er eveneens liefde uit het boek. Hoewel hij bang was voor zijn vader, vindt Verhulst hem eigenlijk lief. Zijn probleem was de drank. In feite is zijn portret zacht: hij deed gevaarlijke zelfmoordpogingen en bedreigde zijn zoon af en toe met een mes. Met zijn boek wou Verhulst overigens ook aantonen dat je uit zo’n milieu en uit de instellingen kunt geraken als je dat echt wilt.

Uit het fragment blijkt verder dat ze een hechte familiale band hadden. Daarnaast gebruikt Verhulst vooral ironie en suggereert de titel dat hij het allemaal wel betreurt, maar er niet kwaad over is.

Opdracht 8



  • Zelfs in de meest realistische of autobiografische geschriften staan er zaken waar je bedenkingen bij kunt maken. We bekijken onze omgeving nu eenmaal op onze manier, vanuit ons perspectief. Bovendien vervormen we de werkelijkheid alleen al door gegevens te selecteren en in een bepaalde volgorde of verband te plaatsen.

  • Als auteur wil je bovendien gelezen worden, dus moet je zorgen dat je boeiend bent en alles voldoende aantrekkelijk formuleert. Dit kan betekenen dat bepaalde zaken worden aangedikt, bv. om ze duidelijker te maken of beter verstaanbaar. De humor die Verhulst gebruikt, dient allicht niet zozeer om zijn familie belachelijk te maken, maar om alles draaglijker te maken, te relativeren.

  1. Er zijn natuurlijk auteurs die heel realistisch willen zijn en bv. ‘non-fiction novels’ schrijven zoals In Cold Blood (Truman Capote) of Pieter Daens (L.P. Boon), maar ook zij vervormen de werkelijkheid op de een of andere manier. Aan het andere uiterste heb je auteurs die fantasiewerelden creëren, zoals Tolkien in de trilogie In de ban van de ring.
    Het belangrijkste voor de lezers is echter dat ze kunnen meegaan in de wereld van de schrijver, dat binnen de conventies van het genre een samenhangende wereld wordt afgebeeld die als ‘echt’ overkomt.
    Een extra voorbeeld ter verduidelijking. In De kleine blonde dood vertelt Boudewijn Büch over de tragische dood van zijn zoon. Na het overlijden van de auteur werd echter bevestigd wat sommigen al vermoedden: hij had niet alleen geen zoon, de jongen was het kind van zijn vriendin en leeft bovendien nog. Is de literaire waarde van dit boek daarmee ineens helemaal verdwenen? Uiteraard niet. Hooguit kun je zeggen dat je je als lezer bedrogen voelt omdat Büch zo overtuigend kan schrijven.

  2. Voor een stuk is dit persoonlijke smaak. Toch kun je zeggen dat Verhulst duidelijk maakt dat er voor ons allemaal iets bestaat als ‘de helaasheid der dingen’, ook als we niet in zo’n moeilijke omgeving zijn opgegroeid. Het leven is nooit helemaal zoals we het hadden gewenst. We kunnen ons daar heel druk of boos over maken, er depressief van worden, er grappen over maken … Beter echter is de zaken aanvaarden zoals ze zijn omdat dat nu eenmaal typisch is voor ons bestaan.


Opdracht 9

  • Ze schrijven over sociale achterstelling.

  • Boon was aanvankelijk politiek veel geëngageerder. Toch is hij veel pessimistischer over de ‘verbeterbaarheid’ van de mens. In de eerste editie (1947) van Mijn kleine oorlog schreef hij op het einde nog: ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’, in de tweede (1960) staat: ‘Wat heeft het alles voor zin?’

  • Verhulst is er uiteindelijk in geslaagd via een pleeggezin en een goede scholing te ontsnappen aan de armoede. Hij voelt geen wrok tegenover zijn familie, maar blikt met humor terug. Zijn engagement blijkt onder meer uit Problemski Hotel, een documentaire roman over asielzoekers. In een interview in De Morgen zie hij: ‘Ik kietel de mensen liever een geweten, dat is sluwer.’ (25-1-2006)






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina