Module 2: Structuur en organisatie volwassenenonderwijs en onderwijswetgeving



Dovnload 117.37 Kb.
Pagina1/3
Datum20.08.2016
Grootte117.37 Kb.
  1   2   3
MODULE 2: Structuur en organisatie volwassenenonderwijs en onderwijswetgeving

Lesgevers : F. Verleyen en Hilde Penneman

Veel gebruikte afkortingen

AID Afdeling Informatie en Documentatie

ARKO Algemene Raad van het Katholiek Onderwijs

ASO Algemeen Secundair Onderwijs

AVSG Advies en vormingscentrum van de Steden en Gemeenten

BIS Begeleid Individueel Studeren of Afstandsonderwijs

BKO Buitengewoon Kleuteronderwijs

BLO Buitengewoon Lager Onderwijs

BSO Beroepssecundair Onderwijs

BuSO Buitengewoon Secundair Onderwijs

BVL Beroepsvoorbereidend Leerjaar

CDO Centrum voor Deeltijds Onderwijs

COC Christelijke Onderwijscentrale

CIPO-model Context Input Proces Output-model

CLB Centrum voor Leerlingenbegeleiding

CVO Centrum voor Volwassenenonderwijs

DIGO Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs

DIKO Dienst voor Investeringen van het Katholiek Onderwijs

DVO Dienst voor Onderwijsontwikkeling

GOK Gelijke Onderwijskansen

GON Geïntegreerd Onderwijs

GPB Getuigschrift van pedagogische bekwaamheid

HOSP Hoger Onderwijs Sociale Promotie

ICT Informatie- en Communicatietechnologie

KOSPA Koördinatieorgaan Onderwijs Sociale Promotie- Arbeid

KRV Korte Reglementaire vervanging

KSO Kunstsecundair Onderwijs

LOC Lokaal Overlegcomité

MVG Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

OSP Onderwijs voor Sociale Promotie

OV Opleidingsvorm

OVB Onderwijsvoorrangsbeleid

OVSG Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse

Gemeenschap

PAV Project Algemene Vakken

POC Permanente Onderwijscommissie

POV Provinciaal Onderwijs Vlaanderen

PROZA Projectgroep Ontwikkeling Zelfanalyse

RSO Raad Secundair Onderwijs

SERV Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen

TADD Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur

TAO Tijdelijk andere opdracht

TKO Tweedekansonderwijs

VDAB Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding

VDKVO Vlaamse Dienst van het Katholiek Volwassenenonderwijs

VIZO Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen

VLHORA Vlaamse Hogescholenraad

VLIR Vlaamse Interuniversitaire Raad

VLOR Vlaamse Onderwijsraad

VOOP Vlaams Onderwijs Overleg Platform

VP Vlaams Parlement

VSKO Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs


Hoofdstuk 1 HET ONDERWIJSLANDSCHAP

1. OVERZICHT: de voornaamste feiten uit de periode 1831-1955

1842 De wet-NOTHOMB verplichtte elke gemeente ertoe om een lagere school op te richten. De gemeente kon aan de verplichting voldoen door een vrije (katholieke) school aan te nemen.

1914 Het lager onderwijs wordt verplicht gemaakt tot de leeftijd van 12 jaar.

1921 De wet-DESTREE verlengt de schoolplicht tot 14 jaar.

1955 De wet-COLLARD beperkte de betoelaging van het vrij onderwijs, legde beduidend hogere schoolbevolkingsnormen vast voor het vrij onderwijs dan voor het staatsonderwijs. Dit leidde tot de tweede schoolstrijd.

Het Schoolpact van 20 november 1958 is een overeenkomst, afgesloten door vertegenwoordigers van de toenmalige drie nationale partijen (Christelijke Volkspartij, Belgische Socialistische Partij en de Liberale Partij). Het Schoolpact had als voornaamste doelen het bewaren van de schoolvrede en het verzekeren van een continuïteit inzake onderwijs, gebaseerd op fundamentele beginselen, los van toevallige coalities.



2. WET VAN 29 MEI 1959 TOT WIJZIGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN DE ONDERWIJSWETGEVING (SCHOOLPACTWET)

Deze wet is nog steeds van toepassing op het secundair onderwijs.

Het is wel de bedoeling dat het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering een nieuwe regelgeving uitwerken waardoor de schoolpactwet volledig zal worden opgeheven en vertaald in niveaudecreten.

Zo keurde het Vlaams Parlement het decreet op het basisonderwijs goed. Dit decreet is van toepassing op het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het decreet bundelt de vroegere reglementering en voert een aantal vernieuwingen in1. Voor het secundair onderwijs werd er ook een niveaudecreet ontworpen, maar jammer genoeg werd dit verder aangevuld met amendementen die ook op andere niveaus betrekking hebben.



3. FEDERALISERING VAN HET ONDERWIJS

Grondwet van 1988

De grondwetsherziening van 15 juli 1988 heeft de communautarisering van het onderwijs mogelijk gemaakt.



 artikel 127 § 1

De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet het onderwijs, met uitsluiting van :

a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;

b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;

c) de pensioenregeling.

De leerplicht

De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou verhoogd worden tot 13 jaar en vervolgens tot 14 jaar. In 1953 werd de leerplicht verlengd tot 15 jaar. Toen in de jaren zeventig een aantal studies een duidelijke band aantoonden tussen onderwijsniveau en werkloosheid, werd de leerplicht verlengd tot 16 jaar.

Uiteindelijk werd de leerplicht door de wet van 29 juni 1983 verlengd tot 18 jaar. De wetgever wilde met deze verlenging vooral de weerbaarheid van de jongeren t.a.v. maatschappelijke, sociale en economische structuren verhogen. Bij de uitwerking van de wet werd rekening gehouden met het feit dat een aantal jongeren lang voor de leeftijd van 18 jaar de school wil ruilen voor werk.Daarom werd de leerplicht gemoduleerd.

voltijdse leerplicht tot 16 jaar of tot 15 jaar voor wie de eerste twee jaren van het secundair onderwijs heeft gevolgd;

deeltijdse leerplicht tot 18 jaar

Na de leeftijd van 16 ( of soms 15 jaar) kan men dus vrij beslissen om verder voltijds onderwijs te volgen of over te stappen naar een deeltijds systeem . Jongeren die kiezen om hun leerplicht deeltijds te vervullen, moeten op jaarbasis 360 uren ( -16 jarigen) resp. 240 uren ( + 16 jarigen ) vorming of onderwijs volgen in een school of een erkend opleidingscentrum.



 artikel 24

In dit artikel wordt de keuzevrijheid van de ouders gewaarborgd.

Het gelijkheidsprincipe wordt uitdrukkelijk gesteld: alle leerlingen, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet.

Het recht op onderwijs wordt gewaarborgd en tot het einde van de leerplicht is de toegang tot het onderwijs kosteloos.



Vrijheid van onderwijs

In de Belgische grondwet wordt de vrijheid van onderwijs vooropgesteld, wat enerzijds de vrijheid van organisatie van onderwijs inhoudt, en anderzijds de vrije keuze van de school aan de ouders garandeert.

De vrijheid van organisatie of pedagogische vrijheid betekent dat de organisatie van de onderwijsinstellingen aan geen enkele beperkende maatregel mag worden onderworpen. Iedereen heet met name het recht om op een autonome manier onderwijs te organiseren. Dit principe regelt in het Vlaamse onderwijsbeleid in zeer grote mate de relaties tussen en de verantwoordelijkheden van de verschillende partners in het onderwijsbeleid ( het ministerie, de inrichtende machten, de officiële en gesubsidieerde scholen). Willen deze scholen evenwel officieel erkende getuigschriften of diploma’s afleveren, dan moeten zij voldoen aan de erkenningsvoorwaarden van de overheid. Om gefinancierd of gesubsidieerd te worden door de Vlaamse overheid, moeten zij voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen. Daarenboven stelt de Vlaamse overheid een aantal eisen betreffende de kwaliteit van het verstrekte onderwijs.

Naast de pedagogische vrijheid, waarborgt de grondwet ook de vrije schoolkeuze. Ouders kunnen kiezen aan welke school ze hun kinderen toevertrouwen. Leerlingen uit het basis- en het secundair onderwijs kunnen kiezen of zij naar het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel of het gesubsidieerd vrij onderwijs gaan.

In paragraaf 2 van artikel 24 van de grondwet werd de basis gelegd voor de overheveling van de uitoefening van de functie van inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs (vroeger rijksonderwijs) naar een Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO), vanaf 1 januari 2003 de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.

Godsdienst en onderwijs

De Belgische grondwet garandeert de scheiding van Kerk en Staat. In deze context zijn er veel sociale, culturele en onderwijsaangelegenheden georganiseerd volgens het subsidiariteitsprincipe. Dit verklaart waarom de regering geen directe invloed heeft op de oprichting van de leerplannen zelf ( zie verder ) De regering heeft enkel een duidelijk gedefinieerd recht om deze leerplannen te controleren. Hoewel de overheid bij wet verschillende godsdiensten erkend, is er geen sprake van een officiële godsdienst. De erkende godsdiensten zijn de katholiek, protestantse, joodse anglicaanse, islamitische en orthodoxe godsdienst. In het onderwijs kan door de ouders een keuze worden gemaakt voor onderricht in één van deze godsdiensten of in niet-confessionele ethiek. In speciale gevallen kunnen leerlingen worden vrijgesteld om één van deze lessen te volgen.

Artikel 24 van de grondwet garandeert dat alle kinderen in het lager en het secundair onderwijs het recht hebben een filosofisch of godsdienstig vak.

4. DEFINITIES EN BEGRIPPEN

officiële scholen

Zijn diegene die opgericht zijn door de Staat, de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten of door enig ander publiekrechtelijk persoon.

De scholen die niet officieel zijn, worden vrije scholen geheten.

inrichtende macht

De onderwijswetgeving bevat veel haastig en ongelukkig gekozen uitdrukkingen en termen. De term inrichtende macht is daar een voorbeeld van. Men gebruikt ook andere verwoordingen : 'organiserende instantie' of 'schoolbestuur'.

In de Schoolpactwet wordt het begrip gedefinieerd als : "de overheid, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon of -personen die er (voor de onderwijsinstellingen) de verantwoordelijkheid voor op zich nemen".

school


Een inrichtende macht is verantwoordelijk voor één of meer scholen. Een school is een pedagogisch geheel, onder het gezag van een directeur en is al dan niet gespreid over één of meer vestigingsplaatsen. In de wetgeving gebruikt men soms ook de term instelling.

Een schoolcomplex kan uit verscheidene scholen bestaan en dus verschillende directies hebben.

scholengemeenschap

Een scholengemeenschap is een samenwerkingsverband tussen twee of meer scholen die tot dezelfde of tot verscheidene inrichtende machten behoren. Er bestaan reeds geruime tijd scholengemeenschappen voor het secundair onderwijs.Voor het basisonderwijs is dit mogelijk vanaf 1 september 2003.

directie

Men verwart de inrichtende macht van een school soms met de directie van die school. De directie (directeur, adjunct-directeur) behoort tot het personeel (bestuurs- en onderwijzend personeel) van de school en is als zodanig onderworpen aan de autoriteit van de inrichtende macht. In het vrij onderwijs kunnen de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, lid zelfs voorzitter of gevolmachtigde van de inrichtende macht zijn.

schoolnetten

De indeling in 3 schoolnetten is zeer gebruikelijk:

officiële scholen opgericht door de Gemeenschap;

officiële scholen opgericht door de provincies, gemeenten of enig ander publiekrechtelijk persoon (gesubsidieerd officieel onderwijs);

vrije scholen (gesubsidieerd vrij onderwijs).

5. BELEIDSORGANEN - INRICHTENDE MACHTEN EN INSPECTIE

5.1. INRICHTENDE MACHTEN - BEVOEGDHEDEN EN FUNCTIES

De inrichtende macht is de initiatiefnemer van de school en is verantwoordelijk voor het verder functioneren ervan.

Enkel het gemeenschapsonderwijs is gebonden door het criterium van de neutraliteit. De andere inrichtende machten kiezen vrij de levensbeschouwelijke of filosofische basis van waaruit het onderwijs wordt gegeven. Tegenwoordig spreekt men hier van de uitbouw van een 'pedagogisch project' voor de school.

De inrichtende machten zijn volkomen vrij inzake hun pedagogische methoden en opvoedingsconcept. Mits een minimum lesrooster wordt gevolgd en het leerplan wordt goedgekeurd, komt een school in aanmerking voor betoelaging. Zij wordt als instelling erkend om diploma's uit te reiken.

De inrichtende machten zijn ook soeverein in het aanstellen en benoemen in vast verband van personeelsleden. Deze vrijheid wordt echter ten dele beperkt en gereglementeerd door de personeelsstatuten en door regelgeving inzake financiering of subsidiëring.

5.1.1. GEMEENSCHAPSONDERWIJS

Tussen de vier grote Vlaamse politieke partijen werd op 9 november 1988 een akkoord bereikt over de oprichting van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO).

Door het Bijzonder Decreet van 19 december 1988 heeft de ARGO de uitoefening van de inrichtende macht overgenomen van de Vlaamse minister van Onderwijs. Daarmee werd een einde gesteld aan de vroeger moeilijke situatie van een minister die de functies van moest combineren.

In 1998 werd het Bijzonder Decreet van 1988 opnieuw herbekeken met als doel decentralisatie, responsabilisering en democratisering.inrichtende macht van het rijksonderwijs en van hoeder van het hele onderwijs

De bevoegdheden van het Gemeenschapsonderwijs worden op drie niveaus gesitueerd:

1) de school (lokale niveau) met de directeur als beslissingsorgaan en de schoolraad als advies- en overlegorgaan;

2) de scholengroep (meso-niveau), is de inrichtende macht van de scholen van de verschillende onderwijsniveaus, de internaten en het CLB;

3) de Raad van het Gemeenschapsonderwijs (centrale niveau), verantwoordelijk voor de grondwettelijke waarborgen, de algemene kwaliteitszorg, de ondersteuning van de scholen(groepen) en de toewijzing van de middelen voor investering en grote infrastructuurwerken.



5.1.2. GESUBSIDIEERD VRIJ ONDERWIJS

Het vrij onderwijs bestaat in hoofdzaak uit katholiek onderwijs. De protestantse, israëlitische, islamitische en niet-confessionele vrije scholen vormen een minderheid.

De identiteit van de inrichtende macht moet aan het departement onderwijs worden medegedeeld. Eenzelfde inrichtende macht kan het beheer hebben over een aantal scholen. In geval van een VZW worden één of meer leden aangeduid als gevolmachtigde of afgevaardigde-beheerder. Deze persoon of personen tekenen de bescheiden van de bedoelde inrichtende macht.

Beleidsvorming

Het Centraal Bureau van het Katholiek Onderwijs is het beraadslagend en beslissend orgaan van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO). Het behandelt alle belangrijke problemen inzake onderwijs.

Het VSKO bestaat uit een aantal verbonden en algemene diensten.

5.1.3. GESUBSIDIEERD OFFICIEEL ONDERWIJS

In het gesubsidieerd officieel onderwijs is de regel dat men steeds vertrekt van de lokale overheid die als openbaar bestuur de inrichtende macht van het gemeentelijk of provinciaal onderwijs is.

De provincies hebben zich hiervoor verenigd in het "Provinciaal Onderwijs" (POV). De gemeenten hebben hiervoor een VZW opgericht : het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG).

De provinciale scholen hebben als inrichtende macht de provincieraad, in casu de bestendige deputatie.

Het provinciaal onderwijs bevat voornamelijk secundair technisch en hoger onderwijs buiten de universiteit.

De gemeentelijke of stedelijke scholen hebben als inrichtende macht het gemeentebestuur, dit wil zeggen de gemeenteraad. De beslissingen van de gemeenteraad worden uitgevoerd door het college van burgemeester en schepenen. Het college kan ook dringende maatregelen treffen in afwachting van beslissingen van de gemeenteraad. De burgemeester of een door hem gevolmachtigde schepen tekent de documenten namens de gemeentelijke inrichtende macht.

Het gemeentelijk onderwijs is veruit het meest vertegenwoordigd in het basisonderwijs en het kunstonderwijs, in grote steden echter ook in andere onderwijssectoren en -niveaus.

Beleidscontrole

Verschillende grote stedelijke en provinciale inrichtende machten hebben een eigen inspectiedienst.

Deze inspectiediensten worden door deze inrichtende machten zelf ten laste genomen en voeren het beleid ervan uit.

Het gesubsidieerd officieel onderwijs beschikt over een eigen betoelaagde begeleidingsdienst.



5.2. INSPECTIE

Het decreet van 17 juli 1991 heeft de opdracht van de vroegere rijksinspectie grondig gewijzigd. De controle op het behalen van de eindtermen staat centraal in de nieuwe opdrachtsbepaling. De vroegere opdrachten (subsidiëringsonderzoek krachtens de Schoolpactwet) blijven behouden en worden zelfs uitgebreid tot het gemeenschapsonderwijs (financieringsonderzoek).

De inspectie stelt zelf geen leerplannen meer op, maar heeft terzake een adviserende opdracht.

5.2.1. Organisatie van de inspectie

De inspectie is ingedeeld in 4 korpsen, telkens geleid door een inspecteur-generaal:

de inspectie basisonderwijs: bevoegd voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs.

inspectie secundair onderwijs : bevoegd voor voltijds en deeltijds gewoon secundair onderwijs, en voor buitengewoon secundair onderwijs.

inspectie levensbeschouwelijke vakken: bevoegd voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs.

de inspectie volwassenenonderwijs, deeltijds kunstonderwijs, psycho-medisch-sociale centra.



5.2.2. Feitelijk functioneren en gevolgen voor de scholen

Sommige opdrachten (bv. personeelsevaluatie en -begeleiding) van de vroegere rijksinspectie behoren niet meer tot de opdracht van de nieuwe gemeenschapsinspectie.

Het individuele inspectieonderzoek maakt plaats voor een groepsinspectie waarbij de school als onderwijsorganisatie en onderwijsverstrekker in haar totaliteit wordt doorgelicht. De eerste schooldoorlichtingen vonden plaats in het schooljaar 1991-1992. Deze doorlichtingen hebben nog aan belang gewonnen omdat de eindtermen ook effectief als norm gelden. De erkenning van een school is immers afhankelijk van het bereiken van de eindtermen.

Daarnaast wordt het referentiekader voor de inspectie bij haar onderzoek bepaald door de schoolpactbepalingen of de bepalingen in de niveaudecreten inzake subsidiëring en de inspectiebepalingen inzake financiering.

Het belangrijkste gevolg van deze nieuwe manier van optreden is de erkenning van scholen. Indien een inspectieteam de doorlichting van een school besluit met een gunstig advies, verwerft de school het recht zelfstandig getuigschriften en attesten uit te reiken met civiel effect.

5.2.3. Pedagogische begeleidingsdiensten

De overheid heeft sommige vroegere inspectie-opdrachten, inzonderheid de personeelsbegeleiding afgestoten, waardoor deze opdrachten werden toevertrouwd aan de onderwijsverstrekkers zelf. Vooral inzake pedagogische ondersteuning en stuwing heeft de overheid extra-inspanningen gedaan: de mogelijkheid werd gecreëerd om eigen pedagogische begeleidingsdiensten uit te bouwen. Dergelijke dienst bestaat uit een aantal pedagogische adviseurs en uit een aantal gedetacheerde leerkrachten. Deze diensten houden zich hoofdzakelijk met procesbegeleiding bezig. Aldus vullen zij de taak van de inspectie goed aan.



6. VLAAMS ONDERWIJSBELEID - BELEIDSINSTANTIES - ADVIES- EN OVERLEGORGANEN

De bevoegdheid over onderwijs is dus een gemeenschapsaangelegenheid. Het Vlaams Parlement (decretaal), de Vlaamse regering (uitvoerend) en de Vlaamse minister van Onderwijs beslissen over de onderwijsaangelegenheden in Vlaanderen.



6.1. BELEIDSVORMING

De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming behoort tot de uitvoerende macht. Hoewel de Grondwet de wetgevende macht een zekere voorrang ten opzichte van beide andere machten heeft gegeven, is in de loop der jaren de uitvoerende macht nationaal een steeds belangrijker plaats gaan innemen inzake beleidsvorming. Dit geldt ook voor de uitvoerende macht in de Gemeenschappen. Wat het onderwijsbeleid betreft is er echter een kentering op dit gebied: onder impuls van de Raad van State wordt nu meer beslissingsmacht aan de decreetgever toegeschoven.

Een minister wordt bijgestaan door zijn kabinet.

Is het kabinet voor de besluitvormingsprocessen van centraal belang, toch mogen we niet uit het oog verliezen dat de besluitvorming op zich niet altijd een doorzichtig proces is. De instanties en groeperingen die invloed hebben op het beleidsvormingsproces vormen immers een zeer heterogene verzameling (bv. Vlaams Parlement, regering, administratie, burgers, politieke partijen, syndicaten, belangengroepen, media, ...).

We bekijken enkele van die groepen of subsystemen.

6.1.1. ALGEMENE SUBSYSTEMEN

Het departement

Het departement vervult een drieledige rol: beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie.

Door de inkrimping van de ministeriële kabinetten neemt het belang van de beleidsvoorbereiding steeds toe.

Syndicale raadpleging

a) Gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd officieel onderwijs

De betrekkingen tussen de overheid en het overheidspersoneel worden - dus ook de onderwijsmensen van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs - geregeld door de Wet van 19.12.1974 (syndicaal statuut), die uitgevoerd werd door het KB van 28.09.1984.

Sedert februari 1986 functioneren als gevolg daarvan sectorcomités en basis(overleg)comités voor het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs.

b) Gesubsidieerd vrij onderwijs

Met het Decreet van 5.04.1995 werden vanaf 1.09.1995 onderhandelingscomités opgericht in het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Enerzijds betreft het een overkoepelend onderhandelingscomité dat opgericht wordt bij het departement onderwijs en waarvan de Vlaamse minister van Onderwijs voorzitter is.

Anderzijds worden lokale onderhandelingscomités opgericht, die paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van het personeel.



Paritaire comités

In uitvoering van het Decreet van 27.03.1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, zijn paritaire comités opgericht enerzijds voor het gesubsidieerd vrij onderwijs en de pedagogische begeleidingsdiensten en anderzijds voor de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding.

Hun taak bestaat uit het beslissen over de algemene arbeidsvoorwaarden en het voorkomen of bijleggen van elk geschil dat ontstaan is of zou dreigen te rijzen tussen de inrichtende machten en het personeel.

Andere sociaal-economische milieus

Het betreft hier in de eerste plaats de werkgeversorganisaties als het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en het Vlaams Economisch Verbond (VEV). Ook de grote werknemersorganisaties als het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW) en Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), de Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden (ACLVB).

Werkgevers en werknemers vormen samen de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), een publiek organisme, dat verplicht advies moet uitbrengen over decreten, ook onderwijsdecreten.

De ouderverenigingen

Er zijn in Vlaanderen drie koepelorganisaties werkzaam die als platform namens de ouders erkend worden en als zodanig volwaardig lid zijn van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR), m.n. de Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen (VCOV), het Nationaal Nederlandstalig Verbond van Ouderverenigingen bij het Officieel Onderwijs (NVO) en de Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs (KOOGO).



6.1.2. SPECIFIEKE SUBSYSTEMEN

Afhankelijk van het onderwijsniveau of de onderwijsvorm treden specifieke beleidsvormingsprocessen en -systemen op. In diverse van die systemen vindt men vertegenwoordigers van de inrichtende machten, de syndicale organisaties, de ouderverenigingen, ... Enkele voorbeelden :



Medezeggenschap

De personeelsleden van het onderwijs hebben inspraak in de onderwijsinstellingen waar zij fungeren.

In het gemeenschapsonderwijs kunnen zij deel uitmaken van de schoolraden of van de Raad van bestuur van de scholengroep. Als lid van de Raad van Bestuur maken zij deel uit van de inrichtende macht.

In het gesubsidieerd onderwijs zijn personeelsleden aanwezig in de participatieraden. Zij ontmoeten daar eveneens ouders en de plaatselijke gemeenschap. Via de participatieraad zijn zij nauw betrokken bij de werking van de school, maar zij behoren niet tot de inrichtende macht.



Vlaamse onderwijsraad (VLOR)

Vóór de oprichting van de VLOR was er geen geëigend overkoepelend advies- en overlegorgaan voor onderwijsaangelegenheden. Hieraan is verholpen door de uitvaardiging van het Decreet van 31.07.1990, dat de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) instelt, bestaande uit een algemene raad en uit raden en afdelingen

De algemene raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van inrichtende machten, personeel, ouders, sociaal-economische middens, en uit onderwijsdeskundigen uit de universiteiten en de administratie. De algemene raad is bevoegd voor de adviezen inzake het globaal onderwijsbeleid.

Voor de onderwerpen die betrekking hebben op welbepaalde onderwijsniveaus, zijn de raden en afdelingen bevoegd.

Een derde niveau binnen de structuren van de VLOR vormen permanente commissies en tijdelijk werkgroepen. Deze werken onder het gezag van de Algemene Raad of van de niveauraden. Meer dan de raden en de afdelingen doen deze commissies en werkgroepen een beroep op de inbreng van deskundigen.

Binnen de VLOR zijn er ook twee zogenaamde participatiecolleges, één voor het gesubsidieerde officieel onderwijs en één voor het gesubsidieerd vrij onderwijs. Hun samenstelling is analoog met deze van de participatieraden in de scholen. De participatiecolleges hebben een bemiddelende rol bij conflicten binnen de participatieraden en moeten overtredingen van het decreet op deze raden vaststellen.

Naast een advies- en overlegfunctie heeft de VLOR ook een studiefunctie. De raad kan zelf het initiatief tot onderzoek nemen of dit uitbesteden aan derden. Daarnaast is er een beoordelings- en bemiddelingscommissie belast met het toezicht op de toepassing van de non-discriminatieverklaring.

6.1.3. BELEIDSVORMING BUITEN HET MINISTERIE

Wetgevend werk

Het is evident dat de decretale macht een belangrijke rol speelt bij de beleidsvorming. Vooral in de commissies van het Vlaams Parlement worden de meningen van meerderheid en minderheid grondig aan elkaar getoetst en krijgen ontwerpen en voorstellen hun definitieve vorm.



6.2. BELEIDSUITVOERING

Het departement onderwijs is het administratief orgaan dat het beleid uitvoert. Het departement is een blijvend administratief orgaan.

De beleidsimplementatie gebeurt praktisch via omzendbrieven, gericht aan de inrichtende machten en aan de directeurs. In deze omzendbrieven worden decreten en reglementaire teksten meegedeeld of beschreven en wordt de uitvoering ervan uitgelegd. Zowel structureel als inhoudelijk werkt de overheid met andere woorden ordenend en constructief in op het onderwijs.

Kabinet en departement onderwijs

De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming is een politieke mandataris en wordt benoemd in het kader van de Vlaamse regering, die beslissende bevoegdheid heeft. Hij wordt in zijn functie bijgestaan door een aantal politieke medewerkers, die samen het kabinet van de minister vormen.

Het departement onderwijs bevat alle administratieve diensten die een adviserende en uitvoerende taak hebben in het onderwijsbeleid over de verschillende niveaus. De minister kan ook een deel van de beslissingsbevoegdheid delegeren aan de ambtenaren van zijn departement.

HOOFDSTUK 2: STRUCTUUR EN WERKING MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

1. ALGEMEEN

Het departement onderwijs maakt deel uit van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dat de volgende departementen omvat:

Coördinatie;

Algemene Zaken en Financiën;

Onderwijs;

Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

Economie, Werkgelegenheid en Binnenlandse Aangelegenheden;

Leefmilieu en Infrastructuur;

Wetenschap, Innovatie en Media.

Sinds 1995 is het organogram van alle departementen grondig gewijzigd. De besturen en diensten zijn vervangen door een aanzienlijk kleiner aantal afdelingen (van ongeveer 400 tot minder dan de helft).

Op het volgend blad vindt u het organogram van het departement onderwijs.

Als bestuursorganen fungeren het college van secretarissen-generaal en de departementale directieraad.




2. STRUCTUUR EN BEVOEGDHEDEN DEPARTEMENT ONDERWIJS

Het departement onderwijs bevat alle administratieve diensten die een adviserende en uitvoerende taak hebben in het onderwijsbeleid over de verschillende niveaus.

De grote beleidsopties en beslissingen worden genomen door de Vlaamse minister van Onderwijs, die als politiek mandataris de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt. De minister kan ook een deel van de beslissingsbevoegdheid delegeren aan de ambtenaren van zijn departement.

Het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993, houdende organisatie van het ministerie en regeling van de rechtspositie van het personeel heeft aan de administratie meer autonomie, bevoegdheden en verantwoordelijkheid gegeven, in het jargon de 'responsabilisering' genaamd.

De administratie wordt, mede door de afslanking van de kabinetten, meer betrokken bij het beleidsvoorbereidend werk. De administratie is afgestapt van de rol van louter uitvoerder en werkt dynamisch, creatief en anticiperend aan haar drie doelstellingen: beleidsvoorbereiding, beleidsevaluatie en beleidsuitvoering.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina