Module 2: Structuur en organisatie volwassenenonderwijs en onderwijswetgeving



Dovnload 117.37 Kb.
Pagina3/3
Datum20.08.2016
Grootte117.37 Kb.
1   2   3

5. VERTEGENWOORDIGING VAN HET PERSONEEL

Onderwijsvakbonden

De onderwijsvakbonden in België vormen een onderdeel van de drie grote algemene vakcentrales : het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) en de Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden (ACLVB).

Binnen het ACV bestaan twee onderwijsvakbonden :



  • het Christen Onderwijzersverbond (COV) behartigt de belangen van de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs van het gesubsidieerd vrij en officieel onderwijs;

  • de Christelijke Onderwijscentrale (COC) is er voor de personeelsleden van:

  • het basisonderwijs van het gemeenschapsonderwijs;

  • het secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, het hoger onderwijs, het kunstonderwijs, het onderwijs voor sociale promotie en de CLB-sector, en dit zowel voor het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel als het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Het Algemeen Belgisch Vakverbond heeft een onderafdeling, de Algemene Centrale der Openbare Diensten of ACOD, waarvan de Sector Onderwijs de belangen van de personeelsleden van het onderwijs ter harte neemt.

Een onderdeel van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden is het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA). Het personeel der onderwijsinstellingen is ondergebracht in de Groep Onderwijs van deze vakbond.

De onderwijsvakbonden verdedigen de materiële en morele belangen en ook de beroepsbelangen (dit wil zeggen de pedagogisch-didactische idealen en inzichten) van hun leden.

De onderwijsvakbonden zijn ook regionaal gestructureerd en hebben hun syndicale afgevaardigden per school. Op die manier kunnen zij op alle niveaus van het onderwijsbeleid hun rol spelen.


Hoofdstuk 3: De RANGORDE IN DE REGELGEVING


1. ALGEMEEN

De voornaamste basisteksten van de huidige vigerende onderwijsreglementering zijn



  • de wetten en decreten;

  • de koninklijke besluiten en de besluiten van de Vlaamse regering;

  • de ministeriële besluiten;

  • de omzendbrieven.

Hiërarchisch staat natuurlijk de grondwet bovenaan, vervolgens de wetten (decreten), dan de koninklijke besluiten (besluiten van de Vlaamse regering); hierop volgen de ministeriële besluiten en tenslotte de ministeriële omzendbrieven.

Voorbeeld:



art. 24 van de grondwet: principe van de vrijheid van onderwijs -
dit fundamenteel principe kan niet bestreden worden door een wet of besluit.

Sinds 1 januari 1989 is de onderwijsbevoegdheid in België een aangelegenheid geworden voor het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering. De nationale wetten blijven bestaan maar worden aangevuld en aangepast door de decreten. Decreten hebben kracht van wet. Zij komen binnen het Vlaams Parlement op dezelfde wijze tot stand als de wetten binnen het Nationaal Parlement. De Vlaamse regering neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, vergelijkbaar met de koninklijke besluiten op nationaal niveau die nodig zijn voor de uitvoering van de wetten.



2. DE WETTEN EN DECRETEN

2.1. Historiek


België was tot 1970 een zuivere unitaire staat en het onderwijsbeleid was een nationale aangelegenheid. Sinds de staatshervorming van 1989 wordt het onderwijsbeleid in Vlaanderen autonoom bepaald door de Vlaamse Gemeenschap. De vroegere wetten blijven evenwel geldig tot zij volledig vervangen zijn door een decreet of een besluit van de Vlaamse regering.

Enkel de vaststelling van de leerplicht, de minimale voorwaarden voor diploma's en het pensioenstelsel blijven nationale (federale) zaken (voorbeeld: de leerplichtwet van 29 juni 1983).

De institutionele hervormingen van 1980 en 1988 hebben tot gevolg dat de bevoegdheden inzake onderwijs naar de Vlaamse Gemeenschap worden overgedragen. Het onderwijsbeleid in Vlaanderen wordt gevoerd door het Vlaams Parlement, de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Onderwijs.

De vroegere nationale (federale) wetgeving blijft bestaan maar wordt aangevuld en gewijzigd door decreten (en besluiten van de Vlaamse regering).


2.2. Wetten en decreten

2.2.1. De wetten


Uit de grondwet vloeit voort dat het onderwijs vroeger volledig bepaald werd op nationaal niveau door wetten.

De wetten worden uitgevaardigd door de nationale (federale) wetgever (Koning en Parlement) binnen zijn bevoegdheid. Het vertrekpunt van een wet is een wetsvoorstel (ingediend door een parlementslid) of een wetsontwerp (ingediend door een lid van de regering). Het wetsvoorstel of ontwerp wordt dan besproken in een parlementaire commissie en aangepast, goedgekeurd of verworpen. Vervolgens is er een bespreking en goedkeuring in het Parlement.

De wetten worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Tien dagen daarna wordt de wet van kracht (tenzij een andere datum in de wet is bepaald).

Voorbeelden :

1. de schoolpactwet van 29 mei 1959.

In artikel 12 bis vindt men de basis terug voor de indeling van de huidige bekwaamheidsbewijzen in drie groepen (VEreiste, VOldoende geachte en ANDere).

In artikel 28 paragraaf 1 worden de voorwaarden vermeld tot bezoldiging van een personeelslid in een instelling van het gesubsidieerd vrij - en officieel onderwijs.

Uit de samenlezing van de artikelen 25, 27, 29 en 31 blijkt dat de reglementering voor het personeel van het rijksonderwijs (huidige gemeenschapsonderwijs) eveneens als basis dient voor de subsidiëring van de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs.

2. de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs specificeert hoe de personeelsleden moeten voldoen aan de bepalingen van de taalwetten.

2.2.2. De decreten


De weg van een decreet

Een decreet komt tot stand op initiatief van een Vlaams volksvertegenwoordiger of van de Vlaamse regering. In het eerste geval spreken we van een voorstel van decreet, in het tweede geval van een ontwerp van decreet.

De onderwijsdecreten komen er meestal op initiatief van de regering, meer bepaald van de minister van Onderwijs. Daarom gaat het hier verder enkel over ontwerpen van decreet.

De eerste stap is natuurlijk altijd het schrijven van een decreet. Vaak wordt in die fase al informeel overlegd met vakbonden, koepels en inrichtende machten. Na het schrijven begint het decreet aan zijn officiële traject. Tijdens de eerste fases heet het nog een voorontwerp van decreet.

De inspecteur van financiën formuleert een advies over de budgettaire consequenties van het decreet. Daarna gaat het naar de minister van Begroting met een begeleidende nota waarin wordt toegelicht hoe met het advies rekening is gehouden. De begrotingsminister geeft dan zijn akkoord.

Na het begrotingsakkoord komt het voorontwerp voor de eerste keer op de Vlaamse regering. Die geeft op basis van een samenvatting van het decreet en een nota over de bedoeling ervan haar principiële goedkeuring. Dat betekent dat ze de minister van Onderwijs machtigt om over het voorontwerp te onderhandelen en het voor advies voor te leggen aan de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) en de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (SERV).

De SERV bekijkt de onderwijsdecreten vooral op hun sociaal-economische impact, de VLOR formuleert zijn advies vanuit onderwijskundige hoek.

Na het advies van de VLOR start de minister de onderhandelingen met de vakbonden en eventueel met de inrichtende machten. In principe moet met de vakbonden enkel onderhandeld worden als de decreten consequenties hebben voor het personeel.

Op basis van de adviezen en de onderhandelingen wordt het voorontwerp bijgestuurd en opnieuw voorgelegd aan de regering.

Het gewijzigde voorontwerp krijgt nu van de Vlaamse regering haar goedkeuring. Deze goedkeuring betekent dat de regering de onderwijsminister machtigt om het voorontwerp voor advies voor te leggen aan de Raad van State. Deze laatste zal zich namelijk pas uitspreken over het voorontwerp als alle andere fases (adviezen, onderhandelingen) afgerond zijn.

De termijn voor het advies van de Raad van State hangt af van hoe de onderwijsminister dit gevraagd heeft: zonder termijn, binnen de maand of – indien de hoogdringendheid kan worden gemotiveerd – binnen de drie dagen. Op basis van dit advies wordt de tekst indien nodig aangepast en komt het decreet voor de laatste maal op de regering. Ditmaal is het geen voorontwerp meer maar een ontwerp van decreet.

De Vlaamse regering geeft nu haar definitieve goedkeuring. Hierdoor machtigt ze de minister van Onderwijs om het ontwerpdecreet in te dienen in het Vlaams Parlement.

De voorzitter van het Vlaams Parlement beslist eerst of het ontwerp ontvankelijk is: het moet over een aangelegenheid gaan waarvoor het Vlaams Parlement bevoegd is en het moet tot hier de correcte procedure gevolgd hebben.

Dan verwijst het Bureau het voorstel of ontwerp naar een commissie. Een ontwerp van decreet over onderwijs wordt besproken in de Commissie voor Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid.

De onderwijscommissie bestudeert de tekst van het ontwerp van decreet. Tijdens de bespreking kan die tekst gewijzigd of geamendeerd worden als een meerderheid van de leden daarmee instemt. De commissie kan ook hoorzittingen en gedachtewisselingen organiseren om zich beter te informeren over de inhoud van het ontwerpdecreet. De commissievergaderingen zijn openbaar.

Van de commissiebespreking wordt een verslag gemaakt. Op basis van dat verslag kan de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement het ontwerpdecreet bespreken en erover stemmen. De plenaire vergadering van het Vlaams Parlement is voor het publiek toegankelijk.

Als het ontwerpdecreet door de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement goedgekeurd is, moet het nog bekrachtigd en afgekondigd worden door de Vlaamse regering. Dan wordt het decreet, met een Franse vertaling, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Zodra een decreet is gepubliceerd en in werking getreden, worden alle Vlamingen verondersteld dat decreet te kennen en het na te leven.

Het Arbitragehof kan een decreet of een gedeelte ervan nog vernietigen indien het parlement zich aan bevoegdheidsoverschrijding schuldig maakt. Ook als kan aangetoond worden dat er in het decreet sprake is van discriminatie of van de schending van het grondwettelijk recht op de vrijheid van onderwijs, kan het decreet nog vernietigd worden. Op dat moment wordt het decreet of een gedeelte ervan als onbestaande beschouwd en moet de hele procedure opnieuw doorlopen worden.

Voorbeelden :

1. Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (ter vervanging van het oude statuut van het rijksonderwijs).

2. Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra (ter uitvoering van artikel 12bis van de schoolpactwet dat voorziet in statuten voor het gesubsidieerd onderwijs).

De twee voormelde decreten rechtspositie gelden voor alle onderwijsniveaus en categorieën en omvatten o.a. volgende gemeenschappelijke beginselen:


  • dienstanciënniteit (gemeenschapsonderwijs GmO : art. 4, gesubsidieerd onderwijs GsO : art. 6);

  • plichten en onverenigbaarheden van de personeelsleden (GmO : art. 6-12, GsO : art. 8-16);

  • tijdelijke aanstellingen (GmO : art. 17-27, GsO : art. 19-29) (art. 17 GmO en art. 19 GsO behandelen de persoonsgebonden voorwaarden voor bezoldiging van het personeelslid);

  • vaste benoeming (GmO : art. 35-40 bis, GsO : art. 30-36);

  • selectie en bevordering (GmO : art. 42-55, GsO : art. 37-44);

  • mutatie en affectatie (GmO : art. 30-34, GsO : art. 45-47);

  • administratieve standen (GmO : art. 74-85, GsO : art. 48-59);

  • tuchtregeling (GmO : art. 61-73, GsO : art. 64-73).

  • Decreet van van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs

  • Decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs

  • Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV.

  • 3. DE KONINKLIJKE BESLUITEN EN DE BESLUITEN VAN DE VLAAMSE REGERING

3.1. De koninklijke besluiten


Volgens artikel 64 van de grondwet is een koninklijk besluit elke handeling van de Koning die door de bevoegde (federale) minister mede ondertekend is. In de praktijk wordt het besluit eerst door de verantwoordelijke nationale minister ondertekend die tevens zorgt voor de uitvoering.

De koninklijke besluiten zijn verbindend de tiende dag na hun bekendmaking. Zij zorgen voor de uitvoering van overeenstemmende wetten. De rechtsgeldigheid van een koninklijk besluit vereist het voorafgaand bestaan van een wet.



  • Voorbeelden

  • Koninklijk besluit van 1 juli 1957 houdende algemene regeling van de studiën in het secundair technisch onderwijs

  • Koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen.

3.2. De besluiten van de Vlaamse regering (BVR)


De uitvoerende bevoegdheid inzake de Vlaamse gemeenschapsaangelegenheden wordt uitgeoefend door de Vlaamse regering. De naam "Vlaamse regering" vervangt de vroegere benaming "Vlaamse Executieve". Vandaar dat men in oudere wetgeving de term BV. terugvindt.

De Vlaamse regering neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn. Enerzijds worden de besluiten van de Vlaamse regering aangekondigd in de decreten. Anderzijds wordt in de aanhef (1e deel) van de besluiten verwezen naar alle hogere rechtsgronden van het besluit, ingeleid met de woorden “Gelet op”.

Het initiatief voor het nemen van besluiten ligt bij elk lid van de Vlaamse regering. Net zoals de decreten dienen de ontwerpen van besluit onderworpen te worden aan het voorafgaand advies van verschillende instanties (vakorganisaties, inspecteurs van Financiën, Raad van State...). Het zijn evenwel enkel de reglementaire besluiten (met algemene draagwijdte) die voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State moeten worden voorgelegd. Dit geldt niet voor de individuele besluiten die een persoonlijke rechtstoestand regelen voor een bepaald geval.

Na de nodige adviezen en goedkeuringen wordt het besluit aangenomen door de Vlaamse regering. De gebruikelijke termijn van inwerkingtreding van de besluiten is de tiende dag na hun publicatie, tenzij dit tijdstip in een afzonderlijk artikel wordt vastgesteld.

Deze reglementaire besluiten kunnen vroegere federale teksten wijzigen.

Voorbeelden :



  1. Besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage (uitgewerkte reglementering TBS-OB).

  2. Besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

  3. Besluit van de Vlaamse regering 17 oktober 2003 betreffende structuurwijzigingen in het hoger onderwijs voor sociale promotie

  4. Besluit van de Vlaamse regering van 18 juni 2003 betreffende de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004.

  5. Besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 2001 betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie-en bezoldigingsregeling voor de personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs

4. DE MINISTERIËLE BESLUITEN


De rechtsgrond voor een ministerieel besluit wordt steeds ontleend aan een reglementaire tekst van een hogere rang (wet, decreet, koninklijk besluit, besluit van de Vlaamse regering).

De slotbepaling van een koninklijk besluit of een besluit van de Vlaamse regering kan een minister belasten met de uitvoering van het besluit. Een ministerieel besluit beoogt dan enkel de administratieve aanvullende maatregelen die voor de toepassing van het besluit noodzakelijk zijn.

Een wet kan evenwel ook een minister de uitdrukkelijke bevoegdheid geven om uitvoeringsbesluiten te nemen. Zo ontstaan ministeriële besluiten met een algemene normatieve draagwijdte.

Voorbeeld:



  1. Ministerieel besluit van 22 november 1994 tot toepassing van artikel 2 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs.

5. DE (MINISTERIËLE) OMZENDBRIEVEN

De omzendbrieven geven instructies of uitleg over de wijze waarop de reglementering moet worden toegepast. Zij kunnen zowel beslissingen, richtlijnen, onderrichtingen, procedures als aanbevelingen bevatten. Zij kunnen zowel informatief als normatief zijn.

Voorbeelden :


  1. Omzendbrief organisatie van het onderwijs voor sociale promotie

Referentie : PV/2003/03

Publicatiedatum : 02/07/2003

Wettelijke basis: Decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs

Onderwijsdecreet XIV



Contactpersoon: Patrick Weckesser 02 553 97 67

Chama Rhellam 02 553 06 09



  1. Omzendbrief tijdelijk aanstelling van doorlopende duur

Referentie: Pers/2003/05

Publicatiedatum: 06/06/2003

Wettelijke basis: decreet rechtspositie

  1. Omzendbrief personeelsaangelegenheden in het onderwijs voor sociale promotie

Referentie : PV/2002/10

Publicatiedatum :15/06/2002

Wettelijke basis : Onderwijsdecreet XIV

  1. Omzendbrief bepalingen betreffende het personeel van centra voor volwassenenonderwijs

Referentie: 0SP/PERS/Gr/LG

Publicatiedatum: 25/06/2001

Wettelijke basis:

    • het besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 2001 betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie- en de bezoldigingsregeling voor de personeelsleden van de centra voor volwassenenonderwijs

    • het decreet betreffende het onderwijs XIII-mozaïek, aangenomen door het Vlaams Parlement op 10 juli 2001

    • het decreet betreffende het onderwijs XIV, aangenomen door het Vlaams Parlement op 5 februari 2003.

    • het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden betreffende het volwassenenonderwijs, hierna het decreet volwassenenonderwijs genoemd, zoals gewijzigd

Contact : Lieve Gyselinck

  1. Omzendbrief toelichting bij de documenten schoolbeheer

Referentie: PV/2002/01

Publicatiedatum: 06/02/2002

Wettelijke basis:

Decreet van 2 maart tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs



Contact: Natacha Vanhoof

  1. Omzendbrief verklaring van het individuele betalingsuittreksel

Referentie: Pers/2003/15 ( 13AC)

Publicatiedatum: 01/10/2003

Contact: Frans De Schoemaeker 02 553 65 84

  1. Omzendbrief goedkeuring van de leerplannen

referentie OND/V/VO/LP/IG/hdb

publicatiedatum:(17/01/1994)

wettelijke basis: Besluit van de Vlaamse regering van 3 juni1992 tot vaststelling van de goedkeuringsmodaliteiten van leerplannen

  1. Omzendbrief :mededeling aan de besturen en directies van de door de Vlaamse gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs

Referentie: osp/org

Publicatiedatum: 31/07/2001

6 Regelgeving: Waar te vinden ?

Vanaf 1 september 2001 is de onderwijsregelgeving consulteerbaar via internet met het programma Edulex. : site http://edulex.vlaanderen.be

Edulex stelt op een kwaliteitsvolle en gebruiksvriendelijke manier de juridische aspecten van het onderwijs via het internet ter beschikking van de onderwijswereld en de burger.Algemene informatie : Schooldirect

Schooldirect is een communicatiemix voor de directies van de Vlaamse Gemeenschap. Via dit kanaal bezorgt de Vlaamse Overheid hen rechtstreeks en systematisch overzichtelijke, praktische informatie. Schooldirect bestaat in een snelversie via e-mail en een uitgebreide gegevensbank op het web: http://schooldirect.vlaanderen.be



Inhoud :

Onderwijsdiscussies
Informatie over discussiethema's over onderwijs die in de aandacht staan, met links naar websites.

Arbeidsovereenkomst
De voorstellen voor CAO VI van de minister van Onderwijs namens de Vlaamse regering.

Beleidsdocumenten
De beleidsnota 2000-2004 en de beleidsbrief 2002-2003 van de minister van Onderwijs.

  • Persberichten

  • Volg de link vanuit de website van het departement onderwijs.

1 Dit decreet wordt nog verder aangevuld met het nieuwe decreet betreffende het landschap basisonderwijs van 10 juli 2003.

V
Management

p.
SKO – VDKVO, Cursus Beginnende Directies



1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina