Modulewijzer apv (Algemene Professionele Vorming) ‘08/’09



Dovnload 29.67 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte29.67 Kb.

Modulewijzer APV (Algemene Professionele Vorming) ‘08/’09




Praktische informatie

Voor dit vak staan 6 studiepunten. Het gaat om een belasting van 6 x 28 = 168 uren. Deze belasting is verdeeld over twee onderwijsperioden (50:50).

APV is ingeroosterd tijdens periode 1 en 2. Tijdens periode 1 vinden op de woensdagavond van 18:30-20:30 bijeenkomsten plaats in heterogene groepen (je volgt APV dus met masterstudenten van andere opleidingen van FLOT). Tijdens die bijeenkomsten maak je kennis met een aantal thema’s, telkens twee bijeenkomsten per thema. Er geldt een carrousel-model: elke week of om de twee weken wordt gestart met een nieuw thema onder begeleiding van een andere docent. Voor de thema’s zijn de volgende docenten verantwoordelijk:


  1. Leren en instructie: Rutger van de Sande

  2. De bovenbouwleerling vanuit pedagogisch perspectief: Rob van Otterdijk en Frans Vergeer

  3. De school als organisatie: Ilona Mathijsen en William Buys

  4. Onderwijsbeleid en TF: gastdocent en Ilona Mathijsen

Let op: tijdens de eerste bijeenkomst 3 september krijg je een nummer: 1, 2 of 3. Dit nummer is vanaf dan je groepsnummer. In onderstaande tabel zie je waar jouw groep wanneer welk thema volgt en waar.

Let op: op 3 september starten we eerst met z’n allen in F204.!!!

Let op: het gastcollege over onderwijsbeleid moet nog ingepland worden. Zie telkens de sharepointsite voor eventuele wijzigingen in onderstaand rooster (zie verwijzing hieronder)! Daarentegen kun je in eigen tijd reeds beginnen aan de verwerkingsopdracht bij dit thema: het schrijven van een brief over de TF als mentor van een derde klas. Zie de sharepointsite!


Groep

Weken

Thema

Lokaal

1

1, 2:

3 sept & 10 sept



Leren en Instructie

C217

3, 4:

17 sept & 24 sept



Bovenbouwleerling vanuit pedagogisch perspectief

5, 6:

1 okt & 8 okt



Schoolorganisatie

2

1, 2:

3 sept & 10 sept



Bovenbouwleerling vanuit pedagogisch perspectief

C207

3, 4:

17 sept & 24 sept



Schoolorganisatie

5, 6:

1 okt & 8 okt



Leren en Instructie

3

1, 2:

3 sept & 10 sept



Schoolorganisatie

F204

3, 4:

17 sept & 24 sept



Leren en Instructie

5, 6:

1 okt & 8 okt



Bovenbouwleerling vanuit pedagogisch perspectief

Elk thema rond je af met één of meerdere verwerkingsopdrachten. Voor periode 1 gaan we uit van een studiebelasting van 10 uur per week inclu. bijeenkomsten.
Tijdens periode 2 werk je – onder begeleiding – aan een complexe leertaak over 1 van de drie thema’s (een combinatie van thema’s is eventueel ook mogelijk), vrij te kiezen. Voorwaarde is dat je de verwerkingsopdrachten van periode 1 allemaal met een voldoende hebt afgerond. Deadline voor het inleveren van de verwerkingsopdrachten: 31 oktober (week 8). Lever de verwerkingsopdrachten behorend bij een thema telkens in bij de docent van het betreffende thema.

Tijdens periode 2 zijn geen vaste bijeenkomsten ingeroosterd. De docenten verantwoordelijk voor een thema zullen echter 2 a 3 bijeenkomsten inplannen om de voortgang, de resultaten en ervaringen van studenten te bespreken (wederom woensdag van 18:30-20:30).


Voor up to date informatie over praktische zaken, is het aan te bevelen om telkens de dinsdag voor de bijeenkomst op woensdag de sharepointsite te raadplegen:
https://portal.fontys.nl/instituten/lerarenopleidingtilburg/apvmaster0809/default.aspx
Login

Ga naar site FLOT/mijn instituut

Kies voor ‘Studenten’

Kies voor ‘Sharepoint-sites’

Kies voor ‘Sites t.b.v. onderwijs’

Kies voor ‘APV master 2008/2009’

Toelichting op de thema’s

APV is gecentreerd rond een enkele goedgekozen thema’s (zie hierboven). De keuze voor deze thema’s is gebaseerd op de volgende argumenten:



  1. Het zijn vakoverstijgende thema’s in die zin dat de thema’s geen overlap kennen met vakdidactische of vakinhoudelijke onderwerpen. Het is de bedoeling dat masterstudenten zich bij APV ontwikkelen tot zgn. ‘uitgebreide’ professionals. ‘Uitgebreide’ professionaliteit onderscheidt zich van een ‘smalle’ professionaliteit vanwege de aandacht voor vraagstukken die de onmiddellijke lespraktijk (‘hoe leg ik morgen dit onderwerp aan mijn leerlingen uit?’) overstijgen (Sleegers, Bergen & Giesbers, 1990). Masterstudenten verdiepen zich bij APV in onderwijskundige en pedagogische aspecten van het docentschap. Studenten worden daarbij niet aangesproken op hun rol als docent in een bepaald vak (vakspecialist/vakdidacticus) maar als begeleider van leerprocessen van leerlingen vanuit een onderwijskundig perspectief (thema 1), als professional binnen een schoolorganisatie (thema 3) en als pedagoog (thema 2) (zie ook kaderdocument eerstegraads lerarenopleiding FLOT ‘Van docent naar coach II’, juli 2005). Door een verdieping in die thema’s worden masterstudenten in staat gesteld zich op een school te profileren op andere gebieden dan het schoolvak;

  2. De thema’s snijden verschillende niveaus aan:

    1. Micro: op dit niveau gaat het om het leren van leerlingen (thema 1), om instructie door de docent vanuit een leertheoretisch perspectief (thema 1) en om kenmerken van lerenden vanuit een pedagogisch perspectief (thema 2) en vanuit een leertheoretisch perspectief (thema 1);

    2. Meso: op dit niveau gaat het om de school als organisatie (thema 3);

    3. Macro: op dit niveau gaat het om de ‘omgeving’ van de school in het bijzonder wat betreft beleid en wet- en regelgeving door externe instanties bepaald (thema 4).

  3. De thema’s zijn gerelateerd aan de competenties vastgesteld voor masterstudenten aan FLOT. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:

    1. Als het gaat om kennis over leerlingen (in context van de interpersoonlijke competentie 1 en de pedagogische competentie 2) is dit ondergebracht bij thema 2;

    2. Thema 3 (Schoolorganisatie) sluit aan bij competentie 5 ‘samenwerking met collega’s’;

    3. Thema 4 (Onderwijsbeleid en Tweede Fase) sluit aan bij competentie 6 ‘samenwerking met omgeving’;

    4. Als het gaat om verwerving van specifieke vaardigheden door masterstudenten, in het bijzonder als het gaat om de interpersoonlijke en de organisatorische competentie, dan gaan we er grotendeels vanuit dat de stage daar een krachtige leeromgeving voor biedt.

APV is bedoeld als verdieping van flankerend onderwijs in de bacheloropleidingen. Hoewel in kader van elk thema de relatie tussen theorie en praktijk wordt uitgediept, is APV veel theoretischer van aard dan flankerend onderwijs in de bachelopleidingen. In dit opzicht onderscheidt de master zich van de bachelor. Van een masterstudent verwachten we dat hij/zij de praktijk van het onderwijs met meer afstand en een hoger niveau van abstractie kan bekijken – dan een bachelor - om daar vervolgens weloverwogen acties op te ondernemen. Dat betekent ook dat van studenten gevraagd wordt zich te verdiepen in recente inzichten in onderwijskundige/pedagogische onderzoeksliteratuur. Vanwege deze diepgang is het bovendien niet haalbaar om meer thema’s aan te snijden (‘mile-wide inch-deep problem’; Bransford, Brown & Cocking, 2000).


Ten slotte wordt bij elk thema aangesloten bij de actualiteit en/of wordt een innovatief perspectief gehanteerd. Dit wordt gerealiseerd vanwege de koppeling tussen theorie en praktijk: actuele vraagstukken uit de praktijk worden beantwoord door middel van theorie of omgekeerd met behulp van recente inzichten uit de literatuur wordt de huidige praktijk geanalyseerd.
Kortom bij APV gaat het om een onderwijskundige en pedagogische benadering van de les- en schoolpraktijk, met voldoende diepgang en afstand.

Nadere toelichting op de opzet van de module

Bij APV staat zowel de theorie als de les- of schoolpraktijk centraal. Tijdens periode 1 relateer je de aangeboden theorie aan de eigen praktijk door middel van verwerkingsopdrachten. Tijdens periode 2 werk je de koppeling tussen theorie en praktijk nader uit door zelf, afhankelijk van je ervaring met de tijdens periode 1 afgewikkelde verwerkingsopdrachten, een leertaak te definiëren. Deze leertaak moet te verantwoorden zijn vanuit het eerstegraadsdomein: de taak heeft een directe relatie met de tweede fase of met het HBO. Deze leertaak ontstaat in communicatie met de praktijk van de stageschool (waar heeft de school behoefte aan?) en je eigen leervragen. Dat betekent dat de stageplaats toegang tot het eerstegraadsdomein moet garanderen! In het ‘ideale’ geval volgt periode 2 op periode 1, echter we kunnen ons voorstellen dat je wanneer je op andere momenten stage loopt dan tijdens periode 2, je de leertaak op een ander moment uitvoert.

Voor die leertaak gelden een aantal criteria waaronder:


  • uitvoerbaar;

  • er moeten activiteiten aan gekoppeld zijn;

  • er moet een relatie bestaan met één of meerdere thema’s uit periode 1.




Koppeling met praktijk




Theorie




Periode 1

Periode 2

Bij de opzet van APV streven we als volgt naar het bereiken van het masterniveau, uitgewerkt per Dublin-descriptor:



  1. kennis en inzicht: het masterniveau wordt onder andere gegarandeerd door gebruik van (Engelstalige) wetenschappelijke kernliteratuur.

  2. toepassen van kennis en inzicht: studenten moeten, zoals hiervoor aangegeven, per thema een koppeling leggen tussen theorie en praktijk. Daarbij zullen ze kennis moeten integreren en gebruiken bij een analyse van de praktijk.

  3. oordeelsvorming: bij die analyse van de praktijk uitgaande van theorie, zullen studenten op meerdere momenten een oordeel moeten vormen. Bijvoorbeeld als het gaat om de organisatie van de eigen school. Deze oordelen moeten zij staven en beargumenteren met behulp van literatuur rekening houdend met sociaal wetenschappelijke en ethische verantwoordelijkheden.

  4. communicatie: van studenten wordt onder andere verwacht dat zij over hun bevindingen bij opdrachten rapporteren aan specialisten (docent/medestudent) en niet-specialisten (collega’s/schoolleiding/ouders/leerlingen).

  5. leervaardigheden: we stellen studenten in het kader van de leertaak in de gelegenheid over een onderwerp naar keuze (maar wel gerelateerd een één van de thema’s) een nadere studie te ondernemen. In deze zin sturen ze hun eigen leren. Daarnaast moeten studenten in kader van die leertaak zelfstandig wetenschappelijke literatuur leren zoeken en verwerken.



Literatuur

Bransford, J.D., Brown, A.L., & Cocking, R.R. (2000). How people learn: Brain,



mind, experience and school: Expanded edition. Washington: National Academy Press.
Sleegers, P., Bergen, TH., & Giesbers, J. (1990). Functioneren van docenten en

schoolleiding. In: C.Aarnoutse en M. Voeten (Red.), Gaat en onderwijst (pp. 183-198). Tilburg: Zwijsen.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina