Monastieke hofstelsels



Dovnload 9.86 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte9.86 Kb.
Monastieke hofstelsels

Eén oogje hielden de graven wel op het boerenland. Tenslotte lagen daar niet alleen hun eigen hoven, maar groter nog en beter in orde waren de hoven van de monniken, de monastieke hofstelsels. Met name de Over-Betuwe was vanouds, zoals Jan Wolters het genoemd heeft, een 'monnikenland'. Niet dat er abdijen of kloosters te vinden waren in de middeleeuwen, maar sinds eeuwen hadden
beroemde 'buitenlandse' abdijen er omvangrijke bezittingen in de vorm van hoogontwikkelde, goed georganiseerde en zelfstandig functionerende hofstelsels. Zo'n monastiek hofstelsel bestond uit een centrale curtis, de hoofdhof, met een groot aantal onderhorige hoeven in de naaste omgeving en vaak nog haast evenveel verspreid gelegen hoeven in de verdere omtrek. Elke hoeve (mansus) omvatte een hectare of 15 landbouwgrond. Het ging bij een hofstelsel in zijn totaliteit altijd om honderden bunders grond die met de grootst mogelijke
regelmaat en volgens de modernste methoden werden bewerkt. Geen buurschap, geen plaatselijke heer, geen pastoor, geen bisschop en zelfs geen graaf had er eigenlijk iets over te zeggen. In feite vormden de monastieke hofstelsels een soort 'buitenlandse enclaves' die aan niemand anders rekening en verantwoording schuldig waren dan aan vader abt. Maar waar zat vader abt?

Een groot deel van EIst behoorde al sinds 726 toe aan bisschoppelijke instellingen te Utrecht of aan de Utrechtse bisschop zelf: de grootvader van Karel de Grote, Karel Martel, had de grond geschonken aan niemand minder dan Sint Willibrord. In Zetten en Randwijk treffen we weer bezittingen aan van de Sint Heribertusabdij in Deutz bij Keulen, een stichting uit het jaar 1000 of daaromtrent. Ook de abdij Werden - tegenwoordig een stadsdeel van Essen - schijnt in de Over-Betuwe tot de grootgrondbezitters behoord te hebben, en wel met goederen in Elden, Andelst en Slijk-Ewijk.


Van een der abten van het klooster Deutz is bekend dat hij tussen 1155 en 1165 geregeld zelf op bezoek kwam bij zijn Gelderse hoven. Hij reisde per schip en maakte van zijn visitatie gebruik om tegelijk de voorgeschreven afdrachten in ontvangst te nemen en naar Keulen te vervoeren. De hof in Randwijk had hem niet alleen koren, maar bijvoorbeeld ook snoeken te leveren. Nadat de abt te paard Zetten en Randwijk had bekeken en er op St. Bartholomeusdag (24 augustus) hofgericht had gehouden, werd zijn schip weer teruggesleept naar Arnhem en reed hij zelf door naar Velp, waar hij in een van zijn eigen hoeven overnachtte.

In het jaarverslag dat de secretaris van de abt over het jaar 1155-1156 uitbracht, werd geklaagd dat de hofgoederen in Randwijk maar weinig opleverden, omdat ze telkens te lijden hadden van overstromingen: de snoek had daar geen hinder van, het koren des te meer. De eerste maatregelen tegen het water zouden in de Over-Betuwe wel eens genomen kunnen zijn door de monniken of althans door hun vertegenwoordigers op de hoven. Precies een eeuw na het Randwijkse 'rampjaar', in 1256, verkocht de abdij Deutz haar hoven in Groes-


sen, Velp, Randwijk en Wijk bij Duurstede áan graaf Otto II van Gelre (1229-1271). Als we dan over het boekjaar 1294-1295 de allereerste rekening van het graafschap Gelre onder ogen krijgen, valt het op dat graaf Reinald I nu net in Randwijk een eigen dijkje heeft liggen - het eniggenoemde in de Over-Betuwe - waar herstelkosten aan gemaakt zijn.
Uitverkoop van kloostergoed

Het oog dat de graven van Gelre toch geregeld op het boerenland lieten vallen lonkte eerst en vooral naar zeggenschap over de bestuurlijk en landbouwtechnisch geavanceerde monastieke hofstelsels. We zagen al dat Otto II in 1256 de hand wist te leggen op de Gelderse bezittingen van de abdij Deutz, o.a. in Randwijk. Dat was geen toevallige aankoop, maar een transactie die deel uitmaakte van een bewust gevoerde politiek, waarbij het er duidelijk om ging in het Betuwse land zelf steunpunten voor het grafelijk gezag te vestigen.

In 12 12 wilden ook de Benedictijnen van St. Quentin in Noord-Frankrijk hun bezittingen aan onze rivieren kwijt. Vanwege de grote afstand waren ze hun een blok aan het been geworden, schreven de monniken zelf, en navenant brachten ze te weinig op. Achter de klachten van St. Quentin en de abdij Deutz is te beluisteren dat er weer een natte periode aangebroken was die het eeuwenoude

kloosterbezit aan de rivieren tot een hachelijke zaak begon te maken, hachelijker naarmate het 'moederhuis' verder weg lag. Er moest gedijkt en ontwaterd worden wilde men de produktie van de hoven op een rendabel peil houden. Dat vroeg van de Franse en Duitse abdijen diepte-investeringen, deskundigheid en inspanningen die hun te veel werden. Sint Vaast was de eerste die er zich vanaf maakte. St. Quentin had goederen in het Maas en Waalse Deest en een groot hofcomplex met een eigen schout in Rindern tussen Kleef en Kranenburg. Het is deze keer, in 1212, noch de graaf van Kleef noch die van Gelre aan wie de hele bezitting wordt aangeboden. Alles gaat naar een andere geestelijke instelling, het Kapittel van Xanten. De schout in Rindern krijgt aanzegging dat hij zich voortaan aan de instructies van de Xantense domheren heeft te houden. Maar tegelijk gaat er een brief naar graaf Gerard van Gelre met de vraag of hij er op wil letten dat de transactie in Rindern (en Deest) goed afloopt en de domheren ook inderdaad krijgen wat ze gekocht hebben. Daar blijkt wel uit dat de Gelderse graven al eerder voogd over Rindern hebben gespeeld, zonder dat ze nu de kans aangrijpen om de goederen zelf in te palmen. Hun tolzaken zouden ook pas tien jaar later goed geregeld worden; misschien durfden ze dergelijke grote transacties in 1212 nog niet aan.



De Gelderse aankopen van geestelijk goed komen pas in 1226 (EIst), 1229 (Gendt) en 1256 (Randwijk).
Vanouds hadden de graven zelf in de Betuwe toch al de nodige bezittingen, deels oud domeingoed ter beloning van hun grafelijke diensten, deels aanwinsten door koop of vererving. De rekening van 1294-1295 noemt de hof van Dodewaard, de hof van Lakemond en verder allerlei verspreide landerijen in Herwen en Aerdt, Pannerden, Haalderen, Lent, EIst, Andelst en Welie. De voorvaderen van Reinald II waren in de loop van de 13e eeuw in de Betuwe de grootste grondbezitters geworden. Het boerenbelang van de buurschapsbewoners was gaandeweg op de eerste plaats voor de graven zelf beginnen te gelden. Dat Reinald II in 1327 óók voor ons gebied een niet geringe waterstaatstaak op zich nam, is geen kwestie van louter jeugdig idealisme geweest. Die taak werd hem door zijn eigen agrarische belangen opgelegd.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina