Monnickendam en de Koloniën van Weldadigheid



Dovnload 258.32 Kb.
Pagina1/4
Datum16.08.2016
Grootte258.32 Kb.
  1   2   3   4
Monnickendam en de Koloniën van Weldadigheid
In het weeshuis-kinderboek over de periode 1784-1824 staat bij een aantal weeskinderen de volgende notitie:

'Bovenstaand(e) jongeling/meisje is met de 12 weeskinderen op den 1e Juny 1820 vertrokken naar de Kolonie Frederiksoord'.


Nieuwsgierig geworden naar de betekenis van deze aantekening, kwam ik uit bij de boeken en documenten, die de basis vormen van dit artikel. Een verhaal over het wel en wee van twaalf weeskinderen, vijf kolonisten-echtparen en nog wat andere Monnickendammers, die kortere of langere tijd in de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid hebben doorgebracht.

Over deze Maatschappij straks meer. Eerst een korte historische schets.


Armoedeprobleem

Aan het begin van de 19e eeuw heerste er in heel West-Europa een ongekende armoede. Er was onvoldoende werkgelegenheid voor de groeiende Europese bevolking, terwijl er, vooral in de Franse tijd, een sterk verminderde bedrijvigheid optrad in de handel, de nijverheid en de scheepvaart. Deze terugval werd o.a. veroorzaakt door protectionisme (beschermende maatregelen van overheden), buitenlandse concurrentie en hoge produktiekosten.


In een uit het begin van de 19e eeuw daterende 'Memorie van bestuurders van de zeven steden van West-Friesland en het Noorder Kwartier', waaronder Monnickendam, met Jacob Teengs en Adriaan Gojewijn als vertegenwoordigers, wordt het armoedeprobleem aldus verwoordt:

'De Omwenteling van 1795 bragt aan den reeds nederhellenden welvaart van 't Noorder Quartier den doodsteek toe - veel meer dan aan die van eenig ander gedeelte der republiecq' (1).

De gevolgen van deze maatschappelijke neergang voor het Noorderkwartier worden in deze Memorie breed uitgewerkt en schetsen een beeld van Noord-Holland in die tijd van verpaupering.
Gedurende de Franse overheersing verdubbelden de prijzen van de eerste levensbehoefen, terwijl de lonen op hetzelfde niveau bleven. Zeventig tot tachtig procent van het inkomen ging op aan voedsel, waardoor het voor een arbeider met een flink aantal kinderen, ook al had hij voortdurend werk, vrijwel onmogelijk was om zijn gezin naar behoren te onderhouden. Bij het minste of geringste vervielen deze mensen dan ook tot armoede, waardoor zij de last, die al zwaar op de armenkassen drukte, vermeerderden.
Een schrijver zei het in 1815 zó: 'Ik twijfel of er eenig onderwerp in de menschelijke zamenleving bestaat waarover meer geschreven en verhandeld is, dan over de toestand der armen, en nogthans, ondervindt dezelfe geene, of slechts geringe verbetering, zelfs in de best geregelde staten. Armoede, die verschrikkelijke bron van alle mogelijke ondeugden, blijft de verpestende kanker der maatschappij' (2).
Het aantal behoeftigen in ons land had een omvang, die wij ons nu nauwelijks kunnen voorstellen. Publicaties uit die tijd laten zien, dat er omstreeks 1815 in de toenmalige Noordelijke Nederlanden, op een bevolking van iets meer dan twee miljoen mensen, 190.850 incidenteel of structureel bedeelde armen waren. Dat is ongeveer éen op de elf inwoners.

Ter illustratie: een derde van de bevolking van Amsterdam en Hoorn en in Leiden, dat zo'n 28.000 inwoners telde, zelfs de helft, behoorde in 1816 tot de bedeelden. Godshuizen waren dan ook overvol met behoeftige personen.

Groot was het aantal bedelaars en te vondeling gelegde kinderen. Arbeiders leefden in vochtige woningen, voedden zich vrijwel alleen met brood en aardappelen en kleedden zich in lompen of afdankertjes van de welgestelden.

Hoewel het pauperisme vooral een stedelijk verschijnsel was, verkeerden ook op het platteland veel gezinnen in grote armoede.


Oplossingen voor het armenvraagstuk

Intensief werd naar oplossingen gezocht, niet in het minst vanwege dreigende maatschappelijke onrust, zoals die bv. in 1813 in Engeland was ontstaan.

Het besef drong meer en meer door dat bedeling, het geven van aalmoezen en soortgelijke uitingen van liefdadigheid, geen werkelijke bijdrage leverden. Sommigen zochten de oplossing van het probleem in het komen tot, wat wij zouden noemen, welvaartspolitiek en vrije marktwerking: het aanboren van nieuwe bronnen van bestaan en oude ruimer laten vloeien.

Anderen meenden dat men de paupers tot een nieuw, zo mogelijk zelfstandig, bestaan moest brengen en hen de gelegenheid moest bieden om hun economische krachten, hoe beperkt ook, zoveel mogelijk tot z'n recht te laten komen.

Armenzorg, gericht op het verschaffen van arbeid, was de keus van de Maatschappij van Weldadigheid.
Armoede in Monnickendam

Hoe was de situatie in Monnickendam?

Evenals in alle steden van Holland, slecht. Mevr. Hielkema heeft in haar scriptie de eerste helft van de 19e eeuw in kaart gebracht en een overzicht gegeven van wat er in Monnickendam is gedaan om verbetering in de situatie te brengen. Ze bespreekt o.a. het systeem van alimentatie zoals dat via de burgerlijke overheid en de kerkelijk diakonale weg werd uitgevoerd en schenkt aandacht aan allerlei particuliere initiatieven, zoals bv. de spin- en weeffabriek. Verhelderend zijn daarbij de statistieken die de diverse ontwikkelingen in kaart brengen.
Omdat beroving en diefstal ernstige vormen hadden aangenomen, liet het

stadsbestuur op 23 november 1816 een schrijven uitgaan, waarin er bij de burgers aangedrongen werd op extra waakzaamheid met betrekking tot hun goederen.


Brief van Daniel Arbman

Veelzeggend ook is de brief van burgemeester Daniël Arbman, d.d. 19 februari 1821, gericht aan de Permanente Commissie van Weldadigheid te 's Gravenhage (zie onder). Deze Commissie had het stadsbestuur gevraagd om een analyse van de positie van de armen te geven en aanbevelingen te doen ter verbetering. Arbman schrijft:


'Wij durven gerust veronderstellen dat de armenstand zoo hier als elders dezelfde is, en daarom te vrijer onze gedachten als algemeen voorstellen. Wij zijn van oordeel dat de armen behoren verdeeld te worden in de drie volgende soorten:
1. degenen die door ligchaams gebreken, ouderdom of elendigen toestand niet in staat zijn, iets tot hun, of ter hunnen onderhoud te kunnen verdienen of bijdragen,

2. degenen die, jawel, in staat zijn hun onderhoud te bezorgen, doch ontoereikend,

3. degenen die in staat zijn voor hun en de hunnen de kost te verdienen, doch die door luiheid, dronkenschap en meer andere slechte daden den arbeid verwaarlozen, verzuimen.
Wat de 1e aanbelangt, deze hebben regt en aanspraak op alimentatie. Zij zijn het eigenlijke doel van de mildadigheid. Op hen gelden de spreuken, 'rijken en armen moeten te samen wonen' en 'doet wel aan de armen'. Deze behoren van elke gemeente ondersteund, ja onderhouden te worden.

Door de 2e soort worden bedoeld huisgezinnen met een talrijk kroost gezegend, of waarbij soms een zwakke vader of ziekelijke moeder huisrest, doch hoewel beide ijverig, niet in staat zijn zoo veel te verdienen, als de behoefte vorderd, zo mag men mede, hun de billijke bijstand niet weigeren.

Het 3e soort waarop men bijzonder het oog moet vestigen en waarin men de verbetering van het armenwezen moet zoeken, zijn de luiaards en lediggangers, die dronkaards en verwaarloosters, die alles op ondersteuning van armen kassen, op milde bijdragen van de burgerij laten aankomen. De maatschappij van deze pesten te verlossen, zoude de grootste weldaad zijn. Men heeft wel meermalen bij de hand genomen de alimentatie in te trekken. Wat scheelt het den dronken vader of zijn vrouw en kinderen gebrek lijden. Hij zal, al verdiend hij nog zoo veel, geen penning kunnen missen om niet aan zijn zwelgen te voldoen; wat raakt het de verkwistende en verwaarlosende moeder of haar kroost daar nakend zit en haren man uit baloorigheid elders gaat. Wij zwijgen van die zwerm van bedelaars die algemeen den burger bedriegen en alzo komen wij op de vraag weder, wat is er aan te doen om den armenstaat te verbeteren'?
Arbman ziet voor de derde categorie maar éen oplossing: 'zulke voorwerpen te plaatsen in eene Kolonie, waar zij onder een bepaald opzigt en onder sterk toeverzicht genoodzaakt worden goed te doen en alzo hun tot geschiktheid en zedelijkheid te verplichten'.

Dat nu was de opzet van de Maatschappij van Weldadigheid.


Iedereen was het er over eens dát armen en gebrekkingen verzorgd dienden te worden, maar onder welke voorwaarden en door wie? Zoals voorheen, de kerken? Of was het een taak van de overheid?

De laatste kreeg door wetgeving grotere invloed op de armenzorg, maar dat stond, volgens de voorstanders van de kerkelijke armenzorg, haaks op ondersteuning van behoeftigen vanuit een persoonlijk beleefde christelijke levensovertuiging.


Johannes van den Bosch (1780-1844)

Een man die de verpaupering van de Republiek na aan het hart ging was Jhr. Johannes van den Bosch, een genie-officier met een indrukwekkende

staat van dienst in het toenmalige Nederlands Oost-Indië. Een man ook met een grote kennis van economie, landbouwkunde en koloniale aangelegenheden. Van den Bosch zette zich vanaf 1817 volledig in voor de strijd tegen de armoede. Hij meende dat het diepe verval van de stedelijke volksklasse de kracht van de natie op de duur zou aantasten. Scherper dan veel van zijn tijdgenoten zag hij ook de oorzaken:
a. de onevenredige eigendomsverhoudingen, ook wat de grond betreft;

b. het tekort aan werkgelegenheid, mede een gevolg van de buitenlandse concurrentie en de protectionistische (beschermende) politiek van verschillende mogendheden en

c. de voortwoekering van het verarmingsproces, zonder dat van overheidswege daartegen iets van betekenis werd gedaan.
In zijn geschriften wijst Van den Bosch regelmatig op de maatschappelijke gevaren van een te grote armoede en op de noodzaak om 'dit kwaad niet alleen te stuiten, maar ook te verminderen en allengskens uit te roeijen, en langs dien weg zich zelven en zijne nakomelingen te ontheffen van den reeds al te zwaar drukkenden last des onderhouds van een dagelijks toenemend aantal armen, ja om die verschrikkelijke uitbarstingen waarmede de rust der maatschappij van de kant harer noodlijdende leden van verre bedreigd wordt nog in tijds af te weren' (3)

Over Holland schrijft hij: 'In de verschillende provinciën van ons land is het getal armen groter naarmate enkelen rijker zijn. De provincie Holland is de rijkste, maar de bezittingen zijn er het minst gelijkmatig verdeeld; het aantal en de diepe behoeftigheid der armen is er veel sterker dan in een der overige gewesten'.


De Maatschappij van Weldadigheid

De Maatschappij van Weldadigheid, opgezet door Van den Bosch, begon tegen het einde van 1817 gestalte te krijgen, toen een aantal aanzienlijke Nederlanders een voorlopige Commissie van Weldadigheid vormden, die voorbereidende werkzaamheden moest verrichten. Van deze Commissie was Van den Bosch president.

Op 1 april 1818 kregen de voorlopige plannen hun beslag. Daarom wordt deze datum gewoonlijk aangehouden als het tijdstip van oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid (in het vervolg de MIJ genoemd), hoewel de officiële oprichting al op 6 maart 1818 had plaatsgevonden.
Drie Commissies

De MIJ werd gevormd door drie Commissies:


1. De Commissie van Weldadigheid zetelde in Den Haag en trad als hoofdbestuur op. Zij bestond uit twaalf leden onder voorzitterschap van Prins Frederik.

Deze Commissie was verantwoordelijk voor vier afdelingen: Financiën, Correspondentie, Lopende werkzaamheden en Onderwijs.



2. De Commissie van Toevoorzigt werd voorgezeten door prins Willem, de latere koning Willem II. Zij zetelde in Amsterdam. De 24 leden hielden toezicht op de inkomsten en uitgaven van de MIJ en inspecteerden de Koloniën. Zij werden gekozen door vertegenwoordigers van de plaatselijke Subcommissies (zie onder).

3. De Permanente Commissie (in het vervolg PC genoemd), fungeerde als dagelijks bestuur en bestond uit een voorzitter en twee personen. Jhr. van den Bosch zelf was daarvan de voorzitter. Omdat hij ook tot het hoofdbestuur behoorde, nam hij dus een dominante plaats in de MIJ in. Nagenoeg alle voorstellen gingen van hem uit, omdat hij doorgaans de meest deskundige was.
Doelstelling van de Maatschappij

Het doel van de MIJ werd omschreven als 'de toestand der armen en lagere volksklassen te verbeteren, door zoodanige ontwerpen die voor dezelve dienstig geoordeeld worden, ter uitvoering te brengen, inzonderheid door aan derzelve arbeid, onderhoud en onderwijs te verschaffen en hen uit dien toestand van verbastering, waartoe deze menschen in het algemeen vervallen zijn, op te beuren en tot een hoogere beschaving, verlichting en werkdadigheid op te leiden' (4).

Een nevendoel was de opvoeding van de kolonistenkinderen voor de 'gewone' samenleving, met het accent op onderwijs.

'De Koloniën zijn niet anders aan te merken, dan als een nationale kweekschool ter vorming van kundige, brave, nuttige en gelukkige burgers, wien daartoe bij afwisseling de beste praktische opvoeding wordt toegediend', aldus het blad van de MIJ, de Star in 1820.

Ook geneeskundige hulp behoorde tot de voorzieningen, zeker niet onbelangrijk.

Van den Bosch was zich bewust van de invloed van goede materiële omstandigheden op het menselijk karakter. Daarom moesten huisvesting, kledingvoorziening en voeding in de Koloniën uitstekend verzorgd zijn.


Het was niet langer armenzorg uit liefdadigheid, want artikel 10 van het reglement luidde:'Het onderhoud dat de armen verschaft wordt, zal alleen gegeven worden in vergelding van arbeid, en nimmer zal men trachten dit oogmerk door liefdegiften te bereiken' (5)
Om het doel te verwezelijken moesten er op woeste gronden landbouwkolonies worden gesticht, die men wilde laten ontginnen door paupers. Zij dienden ter plaatse gehuisvest te worden, om hen de gelegenheid te geven in de agrarische sector een bestaan op te bouwen.

Het ging vooral om gezinnen die elders in het land de strijd om het bestaan dreigden te verliezen, maar wel in staat waren om te werken.


Vrije Koloniën

De keus om een Landbouwkolonie te stichten viel op Drente, waar nog veel onontgonnen grond was en steden van enig allure met de bijbehorende nijverheid ontbraken.


De eerste Kolonie, die uit 52 woningen en een spinzaal bestond, werd in augustus 1818 gesticht op het in dat jaar door de Maatschappij aangekochte landgoed Westerbeeksloot in de Drentse gemeente Vledder. Deze Kolonie werd Frederiksoord genoemd, naar haar beschermheer, prins Frederik en administratief aangeduid als Kolonie I.

In 1820 was de tweede Kolonie met uitsluitend woningen gereed. Deze twee Koloniën werden op 31 december 1823 samengevoegd.


Vanwege de grote toestroom van gezinnen moesten er echter steeds meer woningen komen. Zo ontstonden respectievelijk Willems-Oord (1820), Wilhelmina-Oord (1822) en Bosch-Oord (1824).
Discipline

Van den Bosch was een voorstander van een disciplinaire inrichting. Dat het er in de Koloniën inderdaad behoorlijk streng toeging, leert ons het reglement en voorwaarden 'aan welke zich ieder koloniaal huisvader of huismoeder, voor zich en de zijnen, bij handteekening behoort te onderwerpen, bij de aankomst van het huisgezin in de Kolonie'.


'Alle kolonisten zijn gehoorzaamheid zonder tegenspraak verschuldigd aan de Directeur en de onder-Opzieners. Alle brutaliteit tegen de directeur, onder-opzieners, maar ook de bouwmeester of onderwijzers zijn volstrekt verboden'.
Inkomsten en begunstigers

De MIJ was een particuliere instelling, die zonder staatshulp te werk wilde gaan. De inkomsten zouden bestaan uit renten van het stichtingskapitaal, ledencontributies, vrijwillige giften en legaten, de opbrengst uit de verkoop van eigen produkten (de eerste jaren vooral linnen dat gedurende de wintermaanden in de koloniën werd vervaardigd) en uit hetgeen er voor de 'verpleging' van personen werd betaald.


Het plan van Van den Bosch werd in 1818 goed ontvangen. Het aantal leden nam snel toe, waarschijnlijk mede veroorzaakt door misoogsten in 1816 en 1817, waardoor de prijzen van aardappelen en granen aanzienlijk waren gestegen. Eind juni 1818 waren er, op landelijk niveau, al zo'n 15.000 begunstigers die elk 5 cent contributie per week op zij legden, een bedrag dat elk jaar gelijk bleef. Iedere Nederlander die niet door een rechterlijk vonnis tot een onterende straf was veroordeeld, kon lid van de MIJ worden.

Op 1 april 1819 waren er al 21.187 begunstigers, een jaar later 23.478.

Hoewel de MIJ er in 1818 van uitging dat er aan het einde van dat jaar zo'n 100.000 contribuerende leden zouden zijn, bleek dat een grote misrekening. Het werden er, gedurende de jaren van haar bestaan, nooit meer dan 20 à 25.000.
Sub-Commissies

Op 24 juni 1818 ontvingen alle burgemeesters van de Nederlandse steden een uitgebreide circulaire met de handtekening van Prins Frederik, waarin gevraagd werd om met de meeste spoed een Sub-Commissie van Weldadigheid te benoemen.

Die Subcommissie (in het vervolg SC genoemd) zou zo mogelijk moeten bestaan uit twee leden van het stedelijk bestuur, twee geestelijken van onderscheidene gezindheden, twee van de aanzienlijkste inwoners van de stad en als er in de stad een garnizoen gevestigd zou zijn, graag ook een (hoge) officier uit het leger.
Weldra ontstonden er in het hele land van zulke SC's. Ze werden opgericht in steden waar een zogeheten 'rechtbank van eerste aanleg' was, de stedelijke Sub-Commissies. Daarnaast kwamen er ook SC's in de dorpen die onder de jurisdictie (rechtsbevoegdheid) van de desbetreffende rechtbank van eerste aanleg vielen.

Deze dorps Sub-Commissies moesten met de SC van de stad kontakt onderhouden en deze laatste correspondeerde dan weer met de MIJ zelf.


Taak van de Subcommissie

De taak van een SC bestond uit:

1. ledenwerving, het innen en afdragen van contributie, het inzamelen van vrijwillige bijdragen en giften en het verzorgen van de afzet van de in de Koloniën gefabriceerde produkten, vooral linnen,

2. het selecteren van potentiële kolonistengezinnen ter plaatsing in de Koloniën van de MIJ. Deze gezinnen werden voorgedragen aan de PC in Den Haag, als gezegd, het dagelijks bestuur van de MIJ.


Monnickendam en de Maatschappij van Weldadigheid

Hoewel er in M'dam nog geen officiële SC was, was het werven van leden voor de MIJ al vóor 24 juni in gang gezet.

Op 22 mei 1818 stuurde burgemeester Remmet Kous Bos aan Zijne Koninklijke Hoogheid, de Prins der Nederlanden, enkele lijsten met namen van intekenaren voor het lidmaatschap van de MIJ. Hij excuseert zich dat het nog maar zo'n gering aantal is en geeft als reden aan, dat de stad

a. zeer verarmd is en

b. dat de ingezetenen veel hebben gegeven voor de onlangs opgerichte rederij van haringvisserij.

Hij denkt op een later tijdstip meer lijsten te kunnen insturen.


Op 21 september 1818 kan de secretaris met voldoening aan de MIJ melden dat ook Monnickendam een SC heeft, bestaande uit de heren:
Daniël Daniëlsz Arbman (6),

Henricus Jacobus van Marle, lid van de Stedelijke Raad (7),

Bernardus Josephus Gerving, RK pastoor,

Theodorus Egbertus van Marle, notabele, lid (8),

Dirk Nicolaas Teengs, notabele, lid en vice-president (9),

Lodewijk ten Bokkel, Hervormd predikant in M'dam sinds 1798, lid.


De secretaris schrijft: 'zoo hebben wij de vererende last op ons genomen, hoezeer dezelve bij onze verschillende werkzaamhedens niet dan moeilijk kan zijn, met zoo veele achtbare mannen mede te werken tot verbetering van de stand der minderen klasse. Dat heeft bij ons alle zwarigheden doen voorbijzien en stille staan'.

Hij besluit met de woorden: 'Zoo hebben wij onze werkzaamhedens onder de hoop op 's Hemels bijstand begonnen, de Machtige Arm die ons schraagt, vertrouwen wij, zal ons in die moeilijke taak ondersteunen, dewijl wij alles van Uwe (de MIJ) hoge onderrichtingen verwagten, wat ten besten dezer inrichting verstrekken kan'.


De Subcommissie

Burgemeester Daniël Daniëlsz Arbman werd voorzitter. Die taak heeft hij ruim 22 jaar uitgeoefend als hij op 26 oktober 1841 schriftelijk bekend maakt er mee te stoppen. Hij blijft echter wel contribuant. Arbman overlijdt in december 1842 en wordt opgevolgd door vrederechter A. Gockel.


De RK pastoor B.J. Gerving was de eerste secretaris.

Hij was belast met de, vooral in de eerste jaren, zeer intensieve correspondentie van de SC van M'dam met de omringende dorpen en de PC te Den Haag. De brieven gaan voor het merendeel over betalingen en het wel en wee van gezinnen, personen en weeskinderen die naar Drente werden overgebracht.

Vanwege de vele werkzaamheden krijgt Gerving in augustus 1821 assistentie van Johan Philippus Wagner, predikant van de Evangelisch Lutherse gemeente in M'dam sinds 1814. Hij neemt het secretariaat over, als pastoor Gerving in oktober 1822 naar Alkmaar wordt overgeplaatst. Wagner was echter, zo blijkt uit een brief van 1 januari 1831, lichamelijk en psychisch niet sterk. Daarom wordt zijn schrijvende taak regelmatig door de voorzitter en de penningmeester waargenomen. Wagner overlijdt op 17 april 1833. In 1830 was zijn taak als predikant reeds overgenomen door zijn collega George Carolus Egidus Richener. Als deze in 1834 naar Utrecht vertrekt wordt de Doopsgezinde voorganger R. de Vries de nieuwe secretaris. Een jaar later komen we Ferdinand Jacob Domela Nieuwenhuis op deze post tegen.
Tot penningmeester wordt Henricus Jacobus van Marle gekozen. Hij had onder meer de taak om jaarlijks een Rekening-Courant op te maken waarin alle betalingen en ontvangsten werden verantwoord, inclusief die van de Dorps SC's. De PC in Den Haag moest ieder jaar deze Rekening-Courant goedkeuren.

Van Marle is ruim 17 jaar penningmeester geweest als hij op 20 november 1835 overlijdt. F.J. Domela Nieuwenhuis neemt dan ook het penningmeesterschap op zich, tot hij in 1837 naar Utrecht vertrekt.


Andere personen die zich voor de SC van M'dam hebben ingezet zijn o.a. pastoor J. Rusman, Abraham Francois Tinne, lid van de Stedelijke raad van M'dam, pastoor J.L. Becker, vrederechter A. Gockel, de Lutherse predikant C. D. Viehoff (1837-1847) en de Hervormde predikanten A.J. Begeman (1824-1830), H.W. Vollenhoven van Daalen (1835-1839), A.H. Pareau (1839-1845) en D. Broedelet (1846-1860).
Aktiviteiten van de Subcommissie

De eerste aktiviteit van de SC van Monnickendam was om meer contribuanten, tekenaren genoemd, te winnen, voor zowel het fonds als de afname van het linnen.

Tegelijk ging er een schrijven uit naar de dorpen die tot de 'geregtsban' van M'dam behoorden, met de vraag of daar ook Commissies in het leven konden worden geroepen; wie er eventueel al benoemd waren en of er inmiddels tekenaren waren, zo ja, dan graag het aantal en de namen.

Die dorpen waren Broek in Waterland, Marken, Buiksloot, Schellingwoude, Nieuwendam/Zunderdorp, Landsmeer en de verenigde gemeenten Ransdorp, Durgerdam en Holisloot.


Geschikte gezinnen

De Commissie zocht ook naar geschikte 'voorwerpen'. Zo werden in die tijd de mensen aangeduid, die naar Drente konden worden 'opgezonden'.

Hoe men aan zulke gezinnen kwam, die als vrije kolonisten naar Drente zouden kunnen gaan, leert ons een bekendmaking zonder jaar, maar die tussen 1820-1825 moet zijn geschreven.
'De Permanente Commissie der MIJ van Weldadigheid, ons te kennen gegeven hebbende, dat zoo er alhier zich een voor de kolonisatie geschikt huisgezin voordeed, zij ons daar tot het regt heeft goegekend om in de gewone Kolonie te mogen wonen, en die voordelen genieten, welke denzelve opleveren, en alzo door eigen vlijt nuttige bewooners van ons land te worden.

De Kommissie alhier heeft gemeend dit bekend te maken op dat ieder die door braafheid en oppassing zijn eigen brood gaarne wenschte te verdienen en niet door armen Kassen of veel minder, door bedelarij het zelve zich wil verschaffen, zich hiertoe zal aanbieden. De voorbeelden die van hier vertrokken zijn en hun eigen brood met vrouw en kinderen zo gezegend genieten en die te voren hier in armoede verkerende, geven ons ondubbelzinnigste bewijzen dat zij het daar zeer goed hebben, en waarom zij dan ook met dankbaarheid en te vreden met hun bestaan hun leven doorbrengen. De SC te M'dam. Zegt het Voort'.

  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina