Motto: Wie de diepste zin der waarheid nog niet kent, put zich uit in vergeefse gepeinzen. Laat je denken zwijgen – daar komt het op aan. Blijf niet staan bij tegengestelde gedachten; ze na te jagen, ze te zoeken hoed je daarvoor!



Dovnload 39.16 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte39.16 Kb.
motto:

Wie de diepste zin der waarheid nog niet kent, put zich uit in vergeefse gepeinzen. Laat je denken zwijgen – daar komt het op aan. Blijf niet staan bij tegengestelde gedachten; ze na te jagen, ze te zoeken hoed je daarvoor! Wie van het tegengestelde ook maar een vleugje overhoudt, zijn geest blijft verward.  

Szoszan
motto:  

"Eenvoudig wandelen met je God, dat is geen doel meer. Dat is zo onbepaald, zo vrij van alle voorwaarden, van elke aarzeling en elk voorbehoud, zo helemaal vandaag en helemaal eeuwig als leven en weg, en daarom ook deel van de waarheid zoals leven en weg deel zijn van de waarheid.

Eenvoudig wandelen met je God, niets meer wordt daar gevraagd dan om volledig te vertrouwen. Maar vertrouwen is een groot woord. Het is het zaad waaruit hoop, geloof en liefde groeien, en de vrucht die daarin rijpt. Het is het allermakkelijkste en daarom ook het allermoeilijkste.

Eenvoudig wandelen met je God, deze woorden staan boven de deur, de deur van de tempel waarin geen mens kan blijven leven. Waar naar toe openen zich deze deuren? Je weet het niet? Naar het leven."  
vrij naar F. Rosenzweig, de slotzinnen uit 'Der Stern der Erlösung'.

Der tolle Mensch. (F. Nietzsche)  
- Habt ihr nicht von jenem tollen Menschen gehört, der am hellen Vormittage eine Laterne anzündete, auf den Markt lief und unaufhörlich schrie: »Ich suche Gott! Ich suche Gott!« - Da dort gerade viele von denen zusammenstanden, welche nicht an Gott glaubten, so erregte er ein großes Gelächter. Ist er denn verlorengegangen? sagte der eine. Hat er sich verlaufen wie ein Kind? sagte der andere. Oder hält er sich versteckt? Fürchtet er sich vor uns?

Ist er zu Schiff gegangen? ausgewandert? - so schrien und lachten sie durcheinander. Der tolle Mensch sprang mitten unter sie und durchbohrte sie mit seinen Blicken. »Wohin ist Gott?« rief er, »ich will es euch sagen! Wir haben ihn getötet - ihr und ich! Wir alle sind seine Mörder! Aber wie haben wir dies gemacht?

Wie vermochten wir das Meer auszutrinken? Wer gab uns den Schwamm, um den ganzen Horizont wegzu wischen? Was taten wir, als wir diese Erde von ihrerSonne losketteten? Wohin bewegt sie sich nun? Wohin bewegen wir uns? Fort von allen Sonnen? Stürzen wir nicht fortwährend? Und rückwärts, seitwärts, vorwärts, nach allen Seiten? Gibt es noch ein Oben und ein Unten? Irren wir nicht wie durch ein unendliches Nichts? Haucht uns nicht der leere Raum an? Ist es nicht kälter geworden? Kommt nicht immerfort die Nacht und mehr Nacht? Müssen nicht Laternen am Vormittage angezündet werden? Hören wir noch nichts von dem Lärm der Totengräber, welche Gott begraben? Riechen wir noch nichts von der göttlichen Verwesung? - auch Götter verwesen! Gott ist tot! Gott bleibt tot! Und wir haben ihn getötet! Wie trösten wir uns, die Mörder aller Mörder? Das Heiligste und Mächtigste, was die Welt bisher besaß, es ist unter unsern Messern verblutet - wer wischt dies Blut von uns ab? Mit welchem Wasser könnten wir uns reinigen? Welche Sühnefeiern, welche heiligen Spiele werden wir erfinden müssen? Ist nicht die Größe dieser Tat zu groß für uns? Müssen wir nicht selber zu Göttern werden, um nur ihrer würdig zu erscheinen?

Es gab nie eine größere Tat - und wer nur immer nach uns geboren wird, gehört um dieser Tat willen in eine höhere Geschichte, als alle Geschichte bisher war!« - Hier schwieg der tolle Mensch und sah wieder seine Zuhörer an: auch sie schwiegen und blickten befremdet auf ihn. Endlich warf er seine Laterne auf den Boden, daß sie in Stücke sprang und erlosch. »Ich komme zu früh«, sagte er dann, »ich bin noch nicht an der Zeit. Dies ungeheure Ereignis ist noch unterwegs und wandert - es ist noch nicht bis zu den Ohren der Menschen gedrungen. Blitz und Donner brauchen Zeit, das Licht der Gestirne braucht Zeit, Taten brauchen Zeit, auch nachdem sie getan sind, um gesehn und gehört zu werden. Diese Tat ist ihnen immer noch ferner als die fernsten Gestirne – und doch haben sie dieselbe getan!« - Man erzählt noch, daß der tolle Mensch desselbigen Tages in verschiedene Kirchen eingedrungen sei und darin sein Requiem aeternam deo angestimmt habe. Hinausgeführt und zur Rede gesetzt, habe er immer nur dies entgegnet: »Was sind denn diese Kirchen noch, wenn sie nicht die Grüfte und Grabmäler Gottes sind?«  


Friedrich Nietzsche: Werke und Briefe: Drittes Buch, Die Fröhliche Wisenschaft S. 22 ff.

Het gemaskerde zelf
Wat Japanse maskers ons vertellen over het menselijk gezicht.  

Wat zien we als we in de spiegel kijken? Een Gezicht – maar laat dat gezicht zien wie we zijn, of is het eerder een masker waarachter het zelf altijd schuilgaat?  
KARIM BENAMMAR

Filosofiemagazine nr. 6 jaargang 12 pag. 22-25  
Door de ogen kijkt men in de ziel, maar het gezicht geeft de emoties van het zelf weer. Elke dag is een aaneenrijging van gezichten: het eigen gelaat kijkt terug uit de spiegel, en we kennen alle nuances die het gezicht van onze geliefde weergeeft. Op stap is het een chaos van kleine

gezichtsontmoetingen, elke ander wordt bejegend door een gezicht dat vertelt of verbergt. Een gezicht leest ons het nieuws voor, en onmogelijk vergrote aangezichten bespelen onze emoties in de bioscoop.

De Japanse filosoof Tetsuro Watsuji (1889-1960) stelt dat de rol van het gezicht, die zo vanzelfsprekend lijkt, toch problematischer is dan men zou denken. Verbergen we onze gevoelens door de uitdrukkingen die we met ons gezicht maken, of geven we ze juist daardoor weer? Verbergt het gezicht wie we echt zijn, of onthult het juist een diepere laag van ons zelf! Is het sociale gezicht dat we in onze omgang met anderen gebruiken als een masker dat we naar gelang de situatie opzetten? Is het beheersen van onze uitdrukkingen vergelijkbaar met het opzetten van een masker?

Watsuji benadrukt het belang van het gezicht voor de identiteit. Beelden waarvan het hoofd is verdwenen zijn slechts fragmenten, terwijl slechts het hoofd - bijvoorbeeld een buste -toch de hele pers oon kan voorstellen. Als ik aan iemand denk, komt het gezicht van die pers oon snel in mij naar boven; als ik iemands naam hoor, verbeeld ik mij tegelijkertijd zijn gezichtstrekken. Denk aan Pim Fortuyn en zijn gezicht verschijnt automatisch in je geest. Het gezicht is ontegenzeggelijk het centrale punt in de identiteit van een pers oon.

Maar als het gezicht zo fundamenteel is voor onze identiteit - vraagt Watsuji zich af - hoe kunnen we dan datzelfde gezicht juist gebruiken om onze diepste gevoelens te maskeren? In Watsuji's denken over het gelaat speelt daarom het masker een belangrijke rol. We beschouwen maskers als mysterieuze voorwerpen: ze bedekken ons eigen gezicht, en tonen tegelijkertijd een ander, geleend gezicht. Tijdens een gemaskerd bal gebruiken we maskers om onze identiteit te verhullen, en kunnen juist daardoor vrijuit onze gang gaan. Het Latijnse pers ona betekent zowel het theatermasker als de rol die ermee gespeeld wordt, de dramatis pers ona.

Watsuji vraagt zich af hoe de gladde en uitdrukkingsloze maskers van het klassieke Japanse Noh-theater zo doeltreffend gevoelens kunnen overbrengen. In het Noh-theater zijn alle acteurs mannen; de hoofd - en bijrolspelers dragen meestal maskers, de Nohmen of omote. Het bekendste masker is de koomote, het vlakke, bijna uitdrukkingsloze gezicht van een jong meisje. Maskers tonen ook een psychologische gesteldheid: de hannya is het masker van een v rouw wiens gezichtsuitdrukkingen angstaanjagend misvormd zijn door jaloezie. Als de uitdrukkingsloze Noh-maskers door de subtiele bewegingen van de acteur tegen het licht bewogen worden, komen ze tot leven: ze lijken vrolijk als ze omhoog kijken, en treurig als ze naar beneden staren. Het uitdrukkingsloze masker krijgt iets magisch en verbeeldt een rijk en subtiel scala aan gemoedstoestanden. Meesterlijk bewogen kunnen de Noh-maskers heel doeltreffend diepe gevoelens overbrengen. Ook de bewegingen van het lichaam gaan in het masker op: als de hand langzaam voor het gemaskerde gezicht schuift, huilt het masker.

Voor de voorstelling bindt de acteur het masker om in de heilige spiegelruimte, de kagami-na-ma. Door lang naar zijn gemaskerd spiegelbeeld te kijken neemt de Noh-acteur het goddelijke of demonische karakter van het masker in zich op. Hij wordt als het ware bezeten door het pers ona van het masker. Hij verliest zijn eigen zelf, en neemt een ander zelf aan.

Volgens de Japanse filosoof Megumi Sakabe, die Watsuji's analyse uitbreidt, ziet de acteur zichzelf op drie verschillende manieren: eerst kijkt hij naar zichzelf in de spiegel, naar zijn gezicht, zijn eigen masker als het ware. Dan wordt hij door zijn spiegelbeeld, door zijn gemaskerde gezicht gezien. Ten slotte ziet hij zichzelf gemaskerd, als een God of een. demon.

Deze transformatie vindt plaats als de acteur zijn masker opzet in de spiegelruimte, maar ze vindt ook plaats als je in de spiegel kijkt. Je ziet jezelf in de spiegel, je wordt door anderen gezien zoals je door je spiegelbeeld gezien wordt, en tenslotte zie je jezelf als een ander.  
Tussen-zijn

Volgens Sakabe is deze drievoudige structuur van de oppervlakte niet alleen de structuur van het Noh-masker, maar ook de structuur van ons eigen gezicht. De transformatie in de spiegelruimte zegt iets wezenlijks over het menselijk gezicht. Dat blijkt overigens al uit de Japanse taal, waar het teken men zowel voor het masker (Nohmen, kamen) als voor het gezichtsoppervlak (ganmen) wordt gebruikt.

Sakabe stelt zich het masker en het gezicht voor als het raakpunt van twee 'spillen'. De horizontale spil vertegenwoordigt de inter pers oonlijke, sociale relaties tussen mensen, en wordt de 'ethische spil' genoemd, naar de tussen-zijn ethiek van Watsuji. Volgens Watsuji ligt de plaats van de ethiek niet in individuele rechten en plichten, of in de waarde van individuele acties, maar juist in de relaties tussen de mensen, in wat hij het 'tussen-zijn tussen de mensen' noemt (hito to hitoto no aidagara).

De verticale spil daarentegen vertegenwoordigt de transcendente relaties met het absolute, met de goddelijke hoogtes en de demonische dieptes. Sakabe noemt deze spil de 'esthetische spil', die de relatie tussen het menselijke en het bovenmenselijke of bovennatuurlijke weergeeft. Deze relatie wordt uitgedrukt in kunst en religie, in theater en rituelen. Volgens Zeami, de veertiende eeuwse grondlegger van het Noh, is het Noh een overdracht van de relatie tussen de goden en de acteurs (verticaal) naar de relatie tussen de acteurs en de toeschouwers (horizontaal). Voor Sakabe heeft het masker dus zowel een horizontale als een verticale functie, en fungeert het in de ethiek van het tussen-zijn als de plaats waar het bovenmenselijke in de wereld komt. De functie van het masker is dus niet het verbergen van de oorspronkelijke gezichtstrekken, maar het weergeven van iets radicaal anders.

Deze structuur wordt door Sakabe ook op onze gezichtsuitdrukkingen toegepast. In de sociale omgang functioneert het gezicht als de oppervlakte waarop mijn pers oonlijkheid wordt uitgebeeld. Mijn sociale gezicht in het tussen-zijn van menselijke relaties is tegelijkertijd ook het gezicht waarop een diepere emotie zichtbaar wordt. Als je een masker opzet, neem je een andere e pers oonlijkheid aan. Als je bezeten wordt door woede, jaloezie of verdriet, dan komen deze emoties uit het verticale, uit het bovenmenselijke. Deze sterke emoties, die eigenlijk het meest van jezelf zouden moeten zijn, blijken je dan helemaal niet eigen te zijn. Je put als het ware in een algemene, diepere laag van emotie. De emotie maakt zich van jou meester, en dan verlies je jezelf. Je verliest je eigen oppervlakkige pers oon om een universele, archetypische emotie uit te dragen.

Deze archetypische overdracht is in het Noh-theater goed te zien. Het stuk De rivier Sumida (sumidagawa} toont het verdriet en de waanzin van een moeder die hoort dat haar jonge zoon, naar wie ze allang zoekt, precies een jaar geleden op deze rivieroever overleden is. De hand gaat heel traag naar het masker, en het masker huilt. We zien een ver pers oonlijking van een intens en hartverscheurend verdriet, dat naar waanzin leidt. De acteur op het toneel ver pers oonlijkt dit bovenmenselijk verdriet, en de diepte van dat gevoel wordt door middel van het gemaskerde pers onage in ons teweeggebracht. Maskers en gezichtsuitdrukkingen hebben dezelfde functie: ze geven emoties weer. We gebruiken een masker niet alleen om ons voor te doen als iemand anders, maar om een andere pers ona aan te nemen en deze te tonen. Het masker geeft een universele gevoelslaag weer, brengt het bovenmenselijke tussen de mensen. Als mijn gezicht door woede, verdriet of jaloezie vertrekt, dan maakt zich iets van mij meester dat ik niet beheers. Deze emoties beheersen mij, en ze staan paradoxaal buiten of boven mijzelf: ik ben de bliksemafleider die deze bovenmenselijke energie omzet.

Paradoxaal zijn wij in onze diepste gevoelens iemands anders, zelfs iets anders. Het masker en het gezicht opereren op het raakvlak van de ethische en esthetische spillen, en hebben de drievoudige structuur van het zelf en de ander. Het gezicht dat terugkijkt uit de spiegel ben ik zelf, maar het is ook iemand anders, ikzelf als een ander. Ik ben altijd al een ander, gezien als de andere mij ziet, en ervaar mijzelf in mijn diepste emoties als een vreemde voor mijzelf. En juist in het een vreemde voor mijzelf zijn ervaar ik ook mijn diepste menselijkheid, mijn diepste relatie met de vreemde in anderen, door woede, verdriet, jaloezie, liefde, en hoop, ritueel weergegeven in theater en dans, en ervaren in elke ontmoeting van gezicht met gezicht.

 

KARIM BENAMMAR is lector reflectie op het handelen aan de Hogeschool van Amsterdam. Hiervoor was hij universitair hoofddocent filosofie en cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Kobe


VERDER LEZEN:

Erika de Poorter, No -Het klassieke theater van Japan {Salomé, Amsterdam University Press 2001); Kjeld Duits, V rouw breekt los: de vele gezichten van Japan {Uitgeverij Bzztóh, 2002);

Watsuji Tetsuro's Rinrigaku -Ethics in Japan { Albany : State University of New York Press, 1996); twee belangrijke artikelen van Sakabe in Modern Japanese Aesthetics: a Reader, ed. Michael Marra, { Honolulu : University of Hawaii Press , 1999).

 
citaten uit de ban van de ring  


Het enige dat wij moeten beslissen, is wat wij zullen doen met de tijd die ons gegeven is.  

Toch gaat het vaak zo met daden die de wielen van de wereld doen draaien; kleine handen verrichten ze omdat ze dit moeten doen, terwijl de ogen van de groten op andere dingen gericht zijn.  

Omdat hij opgeruimd was had hij geen behoefte aan hoop zolang de wanhoop opzij gezet kon worden.

Komt er nooit een einde aan de grote verhalen? Neen, zij eindigen nooit als verhalen. Maar de mensen erin komen en gaan als hun rol is uitgespeeld. Onze rol zal laat of vroeg ten einde lopen.

Het gaat vaak zo, als er dingen in gevaar zijn: iemand moet er afstand van doen, ze opgeven opdat anderen ze zullen behouden.

In smart moeten wij gaan maar niet in wanhoop. Zie ! we zijn niet voor altijd aan de kringen van de wereld gebonden en daarachter ligt meer dan een herinnering.


Over goed en kwaad
Ik kreeg laatst een vraag over het kwaad. Is er kwaad in de wereld? Zo ja, hoe kan het bestaan als God almachtig en volkomen goed is? Zoals velen van jullie weten is dat een vraag die de gemoederen al duizenden jaren bezighoudt. Laat me jullie daarom een verhaaltje vertellen. Toen de Baal-Sjem-Tov pas vijf jaar oud was werd zijn vader Eliëzer ernstig ziek. Op de laatste dag van zijn leven riep de vader van de jonge Israël hem bij zich en zei: Mijn zoon, bedenk dat de Vijand altijd bij u zal zijn maar dat wat er ook gebeurt, de ziel in u zuiver en heel is. De Vijand kan er niet binnen komen en uw ziel niet bezoedelen; uw ziel behoort God toe. Vrees niemand en vrees ook de Vijand niet, want God is altijd bij u. Toen stierf Eliëzer, de vader van de Baal-Sjem-Tov. Israëls moeder was kort na zijn geboorte gestorven, toen hij besneden werd. En nu Israël wees was werd hij door de mensen uit het dorp opgevoed. Hij was geen ijverige leerling en hij zat in de klas de hele tijd uit het raam te kijken. In feite bracht hij niet veel tijd door op school, want hij was altijd aan het wandelen in het bos, at wortels en bessen en zong het liedje van de vogels mee. Zijn leven in de vrije natuur was zijn belangrijkste leerschool. Hij observeerde mieren, sliep in het mos, praatte met de dieren, en het vaakst zat hij alleen maar rustig te luisteren. Hij luisterde naar de wind, naar het kraken van de takken, het dwarrelen van de bladeren. In de stilte hoorde hij dingen waarvan anderen alleen konden dromen: het weven van de spinnen, de ademhaling van torren, de groei van planten. Zo leerde hij de taal van de natuur. Toen hij tien jaar was, werd hij de assistent van de schoolmeester in het dorp Horodenka. Het was zijn taak de kinderen 's ochtends naar het schoolgebouw te brengen en 's middags weer terug naar huis. Hij kon erg goed met de kinderen overweg en al snel kregen ze allemaal iets stralends. Vaak kwamen de kinderen te laat op school of thuis, maar de ouders vonden het niet erg omdat ze er zo vrolijk uitzagen; hun wangen waren roze van het lachen, want ze zongen de hele tijd. De volwassenen waren blij dat de kinderen zo gelukkig waren.

Alleen de kinderen wisten dat Israël ze langs een omweg naar en van school leidde. In plaats van de weg te volgen, wat de meeste mensen het liefst zagen, gingen ze dwars door de velden en het bos. Ze riepen naar de aardeekhoorns en flo ten met de vogels mee. En ze zongen vooral liedjes voor God die ze van Israël geleerd hadden. De kinderen liepen door het bos met de jonge Israël de zoon van Eliëzer en zongen prachtige liedjes. En net als wij werden de kinderen opgeheven naar de hoogten van de vreugde! En of ze hoog kwamen! Hun liedjes waren zo vol van onschuldige liefde dat ze dwars door de barrières braken die de hemelen bewaakten. Al snel klonken deze liedjes overal in de paleizen van het Goddelijke en het gerucht verspreidde zich dat de messiaanse tijd begonnen was. En toen Satan, de Vijand, dit gerucht vernam, verscheen hij onmiddellijk aan het hemelse hof en met een woede die zich uitte in een zware donderslag riep hij uit: Iemand in de wereld is aan het knoeien en hij moet worden tegengehouden! De profeet Elia, die tot taak heeft de komst van de messiaanse tijd aan te kondigen, kwam naar voren en zei: Het zijn maar kinderen.Maar om de waarheid te zeggen, Elia voelde zich niet al te zeker van zichzelf. Nog nooit was de wereld er zo dicht bij geweest. Misschien kondigde de onschuldige vreugde van de kinderen werkelijk de komst van het messiaanse tijdvak aan.



Satan grauwde naar Elia en eiste met donderende stem van God: Laat mij deze kinderen tegenhouden! God gaf toe: Ga maar, houd ze maar tegen. En dus ging Satan naar de aarde en begon te zoeken naar iets of iemand waarmee of door wie hij zijn werk kon voltrekken. Want zoals iedereen weet kan de Vijand wel tot iets aanzetten maar echte daden kunnen alleen verricht worden door levende schepselen. Satan onderzocht de hele insectenwereld op zoek naar het ene diertje dat zijn vergif in het bloed van de jongen Israël wilde brengen. Geen van de insecten was daartoe bereid. Hij onderzocht alle dieren om er een te vinden dat Israël wilde aanvallen. Maar de jongen kende de taal van de natuur en alle dieren weigerden. Er was niet een levend ding dat mee wilde werken met de Vijand om de jongen kwaad te doen. Ten slotte vond Satan een oude man die leefde van het branden van houtskool. Hij was er een van een zeer zeldzaam geslacht, want hij was geboren zonder ziel. Zijn lichaam werkte als een gewoon lichaam. Maar hij had geen enkele gevoel. Hij kon geen goed van kwaad onderscheiden. Hij kon niet bij de mensen blijven. Ja, na zijn geboorte had zijn moeder hem in het bos achtergelaten omdat ze instinctief wist dat hij meer dier dan mens was. Hij werd gezoogd door een berin en leerde te overleven door het eten van mieren en insectenlarven. Maar hij was wel intelligent en bespioneerde mensen die in het bos overnachtten. Zo leerde hij het vuur kennen, en daarvan leerde hij houtskool maken. Hij werd verschillende keren gezien, maar hij zag er zo eng uit en maakte zulke vreemde geluiden dat de mensen het contact uit de weg gingen. Toch hadden ze medelijden met hem. Mensen die om houtskool verlegen zaten namen wat ze nodig hadden en lieten in ruil daarvoor eten en drinken achter. Hij verstopte zich altijd als er mensen kwamen voor zijn geblakerde hout. Op deze manier kreeg de houtskoolbrander in zijn hele leven nooit direct met een mens te maken. Dit was het volmaakte wezen voor de plannen van de Vijand, iemand die geen nee kon zeggen tegen zijn boosaardige plannen. Al eens eerder had Satan een demonische kracht gestuurd om door het lichaam van de houtskoolbrander te werken. Op nachten bij volle maan kreeg de zielige bruut een een vacht. Hij stond dan op handen en voeten en huilde tegen de maan. De mensen fluisterden over een vreemde weerwolf die in het bos woonde, maar ze konden nooit genoeg moed verzamelen om uit te zoeken wat er gaande was. Satan had deze keer echter een veel geniepiger plan dan alleen het loslaten van een weerwolf. Toen hij de houtskoolbrander slapend aantrof, stak hij zijn hand in diens lichaam en nam er het hart uit. Toen nam Satan een stukje van zijn eigen hart, het hart van het kwaad, de kern van de donkerste leegte, en plaatste dat duistere hart in de lege borstkas van zijn creatuur. De volgende ochtend leidde Israël de zingende kinderen door de velden naar de bomenrij die de rand van het bos vormde. Toen ze de bomen naderden stapte er opeens een enorm, schaduwachtig schepsel uit het donkere woud, grauwend, grommend en spugend. Zijn ogen hadden een rode gloed, uit de neusgaten stegen oranje pluimen mist in spiralen op in de ochtendlucht. Op zijn achterpoten staand was het gedrocht zo hoog als een boom, wel zes meter. Toen het zijn harige armen uitstrekte had het er een span paarden mee kunnen grijpen. Maar het angstaanjagendst was wel zijn gehuil als het loeide, jankte en gilde.

De kinderen vielen ter plekke flauw of renden voor hun leven. Ze verspreidden zich in alle richtingen, behalve zij die op een hoop achter de jonge Israël lagen. Israël was de enige die standhield en het monster onbeweeglijk aankeek. Na een poosje keerde de immense weerwolf terug naar het bos en alles werd weer rustig. Telkens als Israël een van de aan hem toevert rouw de kinderen bijbracht gaf het kind een schreeuw en rende direct naar huis. Al snel stond Israël helemaal alleen aan de rand van het bos.

De ouders uit het dorp waren boos op Israël dat hij met de kinderen door het bos was gegaan. Iedereen wist dat daar een weerwolf woonde, zelfs al dachten ze dat de kinderen zijn omvang hadden overdreven. Maar het was dom om met ze naar het bos te gaan. Ze konden ook nauwelijks weten dat de kinderen helemaal niet overdreven hadden. Israël zei tegen de volwassenen dat er geen reden was om zich zorgen te maken. Niemand had zich toch pijn gedaan? De kinderen waren bang geworden en dat was alles. Hij verzekerde ze ervan dat ze de volgende dag over hun angst heen zouden komen en dat was goed voor ze. Na een poosje gingen de ouders akkoord en zeiden ze dat hij de kinderen de volgende dag weer mocht leiden. De volgende ochtend kropen de kinderen tegen elkaar aan toen ze de bomenrij naderden die het begin van het bos markeerde. En ja hoor, op dezelfde plaats als de dag ervoor verscheen het monsterachtige schepsel weer, blaffend en huilend aan de rand van het bos. Israël maande de kinderen stil te blijven staan of, als het moest, te gaan liggen met hun handen voor hun gezicht. Hij zou met het ondier afrekenen. Israël liep in zijn eentje naar voren, waarbij hij zelf tussen de weerwolf en de kinderen in bleef. Naarmate hij dichter bij het beest kwam, werd het hoger en hoger, tot het op een donkere wolk leek die om hem heen hing. Hij was wel bang, maar steeds opnieuw hoorde hij in zijn gedachten de laatste woorden van zijn stervende vader: Vrees de vijand niet want God is altijd bij je.Hij liep door. De weerwolf bewoog zich niet. Hij kwam dichter en dichter bij. Hij liep er naar toe. En toen daalde de donkere wolk op hem neer en Israël merkte dat hij in de demon terechtgekomen was. In de duistere schaduwen zag hij het gladde, donkere hart   het hart van de duisternis. Hij strekte zijn handen ernaar uit, nam het op, en deed een stap terug. Hij was weer buiten het lichaam van het ondier. Het hart beefde en klopte in zijn handen. Het was glibberig en afstotelijk, maar Israël hield het stevig vast. Op dit moment had de jonge Israël de gelegenheid om het hart van het kwaad te vernietigen. Als hij dat deed, zou de wereld nooit meer hetzelfde zijn. Maar toen zag hij een bloeddruppel die aan een kant van het hart omlaag gleed en hij werd tot in het diepst van zijn ziel bewogen. Hij zag dat het hart grote kwellingen doorstond, het leed. Ook dit hart leed onder de geweldige pijn van de scheiding, net als iedereen in de wereld. Want zelfs het hart van het kwaad heeft een vonk van God in zich en het verlangt er ook naar terug te keren naar zijn bron. De jonge Israël was een en al mededogen en hij had geen andere keus dan het hart los te laten. Hij legde het op de grond. Op hetzelfde moment spleet de aarde open en slokte het hart op in de diepte.

De volgende dag vonden de dorpsbewoners het lijk van de houtskoolbrander. Men zegt dat het gekwelde gezicht een vredige uitdrukking had. Ook waren de kinderen nooit meer zo gelukkig als voorheen, want het hart van de duisternis blijft werken. De angst die het achtergelaten had zat nu in de kinderen en beïnvloedde hun daden, gevoelens en gedachten. Ja, ze leken meer op hun ouders dan op de onschuldige kinderen die ze daarvoor waren geweest. In wat voor wereld zouden we leven als we zelf de kans zouden hebben om het hart van het kwaad te vernietigen? Dit verhaal lijkt eerst treurig, misschien was het beter geweest als Israël het hart had vernietigd. Maar toch is het een heel optimistisch verhaal. Want het leert ons iets belangrijks. Het leert ons dat zelfs het hart van Satan een goddelijke vonk bevat., zelfs het hart van het kwaad hunkert naar de verlossing. Dat is belangrijk, want het leert ons dat we geen slag hoeven te leveren om het kwaad uit te roeien, maar dat we de heilige vonk erin moeten zien te vinden. Het is onze taak niet om te vernietigen maar om te bouwen; niet te haten maar ruimte te geven, niet te polariseren maar overeenkomsten te vinden zodat we samen kunnen werken. Leer deze les, het zal nog van pas komen.


uit D. Cooper: God is een werkwoord

 

 



 

 




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina