Museums, values & deaccession



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina12/14
Datum22.07.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

11.2 Wilbert Weber – ‘Zeeuws maritiem muZEEum’

Kunt u mij vertellen over de collectie, de functies hiervan en welke rol het afstoten betekent voor uw collectie?


Ik weet niet of ik direct kan praten over de collectie van het museum. Dan moeten we toch eerst terug in de geschiedenis. Ik ben een grote voorstander van het museum, niet als een collectie, maar een museum als een instituut. Het gaat vooral om de rol die het museum in de samenleving vervult en van daaruit veranderen collecties. Vooral in de jaren na de oorlog is op één of andere manier het idee ontstaan dat een collectie een waarde ‘ansich’ heeft. Je moet dat idee los laten en daarmee ook dat de collectie het bestaansrecht en de financiering van musea rechtvaardigt. Toen ik begon in Zeeland moest ik de hele dag munten poetsen, kwam ik soms tot de ontdekking dat ik nog een gulden van 1926 miste en ging ik opzoek naar een gulden van 1926. Maar niemand die in die tijd zich er dan mee bezig hield met wat het nut nu is van zo’n collectie. Ik denk dat je een verschil moet maken tussen een museum en een verzamelaar. Er zijn natuurlijk in Nederland heel veel instellingen die zich museum noemen, maar die gewoon verzamelaars zijn. En ik heb een omslag gemaakt en ik ben een museum begonnen. Ik vind de collectie ondergeschikt aan wat ik wil bereiken. De collectie is niet het uitgangspunt. Het is wel wat het verschil maakt tussen wat we aan de overkant hebben, een pretpark. Het is het verschil tussen bestaansgrond en bestaansrecht. Wat onderscheidt ons van een andere attractie? Want het bestaansrecht van musea, waarvoor het rechtvaardig is dat wij geld van de overheid krijgen om het museum uit te buiten, is niet zo zeer vanuit het erfgoed. Dat speelt wel bij het CDA een beetje, zij willen het overdragen aan het volgend geslacht. Maar het gaat er veel meer om hoeveel bezoekers worden er getrokken, wat is het economisch nut, wat is de economische bijdrage? En daar is steeds meer een collectie aan ondergeschikt. En er zijn in Nederland denk ik maar een beperkt aantal musea waarvan je zegt die hebben een collectie die je voor de Nederlandse staat moet behouden, bijvoorbeeld de collectie van het Teylers Genootschap.
Je kunt je dus afvragen wat is nou het nut dat als je twee Hockney’s hebt dat je er nog een Hockney bij haalt? Is dat niet het uitleven van de hobby van de conservator?

Er zijn veel collega’s van mij die verzamelaars zijn. Hoe lang krijgen wij het nog voor elkaar in Nederland dat de hobby van de conservator mag worden uitgevoerd op kosten van de overheid? Je ziet in de periferie waar het geld veel minder aanwezig is de discussie al meer opkomen.

Je ziet ook dat culturele ontwikkelingen zich eerder in de periferie ontwikkelen dan in de randstad. Dat heeft te maken met dat in de randstad een heel grote groep van traditionele zijn. Het zal de jonge generatie zijn die dit veranderen.

Kijk bijvoorbeeld naar het Zuiderzee museum. Zij waren in discussie over hoeveel haarkrullen en oordopjes e.d. zij nou nodig hadden als ze een bepaalde klederdracht wilden laten zien en bewaren en wellicht uitlenen, zonder dat er bij nagedacht wordt hebben we die wel nodig?

Nu alle collecties integraal gedigitaliseerd worden zie je ook dat in Nederland niet alles twee keer verzameld wordt, maar misschien wel veertig keer. Dus wat heeft de nieuwe directeur van het Zuiderzee museum gedaan, die heeft gezegd waar zijn we mee bezig? Komt het publiek daarvoor of haal ik daarmee alleen een klein deel van het publiek naar binnen?
Het verzamelbeleid van musea is dus nog steeds erg bepaald door het feit dat de organisatie van een museum vaak geleid wordt door een directeur die eerst conservator is geweest. Hij is dus geen manager en denkt alleen maar in termen van de collectie. Je ziet ook als een directeur afscheidt neemt dat er door de krant wordt gevraagd wat is uw mooiste aankoop geweest? Ik zou het niet weten. Het interesseert mij ook niet. Het gaat mij er meer om wat heb ik aan mentaliteit veranderd in Zeeland? Wat kan ik de mensen duidelijk maken? Wat is mijn toegevoegde waarde aan de samenleving? Dat is de toekomst van het museum. Zo zijn de archieven ook bezig, terwijl de archeologen zich nog steeds gedragen als een soort hyper-verzamelaars. Die bouwen depots waar je nooit meer doorheen kunt komen. En veel musea zijn op dezelfde manier bezig. Dan kun je je afvragen wat is het nut dat u dit verzamelt?

En op een gegeven moment in de jaren ’90 is dat er in dit museum keihard door heen geslagen, omdat we nog maar 4000 tot 5000 bezoekers hadden. Daarmee had het museum geen bestaansrecht meer. Voor de overheid was het niet logisch om daar geld in te stoppen alleen maar omdat er in het verleden verzamelaars zijn geweest.

Je zult in Nederland dus nogmaals onderscheid moeten maken tussen musea en verzamelaars. Er is in Tholen bijvoorbeeld een museum dat van alles en nog wat verzamelt. Zo zijn er zelfs 200 Droste blikjes bewaard van een eilandbewoner die Droste blikjes verzamelde. Maar wat zegt dat over het eiland Tholen?

Zo zijn conservatoren ook opgeleid met het feit dat je een verzameling compleet moet maken. Terwijl het publiek gaten in de collectie vaak niet opmerkt. Wat zie je in de Nederlandse kunstmusea gebeuren, iedereen moet die en die schilder in huis hebben. Dus elk museum voor hedendaagse kunst wil zo’n schilderij en wij zien in elk museum hetzelfde. Wat is dan nog de toegevoegde waarde?


Eind jaren ’80, begin jaren ’90 werd bij mij wel heel duidelijk dat het bestaansrecht van het verzamelen om het verzamelen al aan het verdwijnen was. Dat had ook te maken met de komst van de Welzijnswet. Daarmee is de geïsoleerde situatie van cultuur en kunst verdwenen. De gedachtevorming is ontstaan bij de politiek dat kunst een onderdeel is van het welzijn van de mensen. Het was goed om de arbeider te scholen door iedereen naar het museum te sturen. Cultuur was goed voor je algemene vorming en daar ben ik het wel mee eens. En zo is kunst ‘ansich’ steeds meer uit het beeld verdwenen.

Veel kunstmusea zijn ook nog eens ontstaan door dat wethouders het nodig achtten om een soort eigen mausoleums te bouwen. Wat gingen zij dan verzamelen? Ze gingen laten zien wat in het Rijksmuseum te zien was of in het Van Abbemuseum. Zo heb je dus musea gekregen die allemaal hetzelfde laten zien.

En binnen het verzamelbeleid is het ook vaak van wij moeten een kunstenaar volgen, een internationale kunstenaar. Veel musea hebben het lef niet om te kiezen voor een regionale kunstenaar of een bepaalde stijl, om daarmee een onderscheidend vermogen te hebben, zich te profileren en zich op de markt te zetten.

Kijk naar het Rijksmuseum en het schilderij dat nu ter discussie staat. ‘Ja, want het Rijksmuseum had er nog geen één’. Dan denk ik ‘so what’? Als ik het schilderij bekijk ben ik niet onder de indruk van het feit dat het van een bekende schilder is, maar het geeft een heel mooi beeld van hoe de Amsterdamse grachten werden geschilderd. Het is voor mij ook geen schilderij voor een rijkscollectie, nee het zegt iets over de stad Amsterdam. Dat vind ik veel spannender dan het kunsthistorisch belang.

Dit zijn dus allemaal elementen die mij ervan weerhouden om enkel over de collectie te beginnen. Het gaat om wat het museum uitdraagt.
Daarvoor moeten we terug in de geschiedenis. In 1890 is dus het Stedelijk museum Vlissingen opgericht, naar aanleiding van de verkoop van stadszilver. Victor de Stuers heeft hierbij ingegrepen, hij vond dat het niet op de markt mocht komen, en zo is het topzilver in het Rijksmuseum terechtgekomen. De stad zat zonder geld, dus die moest wat. Victor de Stuers heeft uiteindelijk een goede deal gemaakt. Het zilver is dus verkocht aan het Rijksmuseum, maar wij hebben daarvan direct een deel in bruikleen gekregen.

En daarna is er eigenlijk voornamelijk stadshistorisch verzameld. De stad heeft hier een paar keer flinke klappen gehad, ook in de WO II. Alles wat bewaard kon blijven en wat gesloopt werd, werd gedropt in de depots van het museum. Dus wij hebben nu bijvoorbeeld de grootste tegelcollectie, groter dan die van het tegelmuseum.

Dit zie je bij veel musea, die eigenlijk begonnen zijn als oudheidkamer en dit ontgroeid zijn. Alle musea hebben daardoor een gribus van een collectie staan in het depot. Wat moet je ermee? En er zijn nog steeds ook raadsleden hier die zeggen, ‘ja maar het is toch oud, dat moet je bewaren’. Dan denk ik ‘ja ik heb er al twintig van, waarom moet ik het bewaren’? Dan kijken ze me aan en dan pas gaat er een kwartje vallen.

In de jaren ’50 was het mode om stijlkamers te maken, dus mijn voorganger die maakte een achttiende-eeuwse kamer en een stijl keuken. Dus er werden achttiende-eeuwse stoelen gekocht. Wat dat te maken had met Vlissingen? Nee, alle musea hadden een stijlkamer, dus wij moesten ook een stijlkamer. Er werden dingen gekocht puur om dingen in een context te laten zien. Er werd dus ook op die manier verzameld, er werd verzameld voor de presentatie. Het werd niet verzamelt omdat het iets vertelde over de Vlissingers of over de Zeeuwen, nee het werd verzameld als expositiemateriaal. Wat weerhoudt mij dan om dit expositiemateriaal weer te ontzamelen, als de vraag ernaar er niet meer is?

Maar er is een angst om te ontzamelen en die noem ik onprofessionaliteit. Ik durf hierbij te stellen dat 90% van de conservatoren niet professioneel zijn. Die leven een hobby uit. Als jij echt professioneel bent, zoals een archivaris wordt opgeleid, dan kun je keuzes maken. Wat is het waard om te bewaren? Wat moet ik bewaren om ervoor te zorgen dat het nageslacht er wat aan heeft?

Uit een scheepswrak komen bijvoorbeeld stukken lood, die in de achttiende eeuw werden gebruikt om een schip in evenwicht te houden. Als je vijf of zes van die stukken lood bewaard, met verschillende vormen en bochten, dan kun je daar altijd nog monsters van nemen. Maar moet ik er nou 400 bewaren? Terwijl elk stuk lood 5000 euro waard is. Dan kun je je afvragen, kan ik niet een deel ten gelden maken en daarmee, dat vind ik wel belangrijk, of een archeologisch onderzoek financieren of je collectie verbeteren? Je kunt het niet gebruiken voor je exploitatie, want dan ben je op grensvlakken bezig en dat is een stuk ethiek.


Conservatoren moeten selecteren, net als archivarisen. Maar wat doen conservatoren, die doen niets liever dan onderzoek naar de lengte van de snorharen van de figuren op de schilderijen van Frans Hals. Maar is daar vraag naar? Een paar weken geleden kondigde het Mondriaan Fonds aan dat zij geen geld meer ter beschikking stellen aan musea voor wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek is geen taak van musea, dat is de taak van universiteiten.
Veel collega’s schieten mij lek, want het is zo leuk om langs alle antiek winkels te gaan om te kijken wat willen we nog meer hebben. Maar wat is het nut om nog een schilderij aan te kopen? In hoeverre is het te rechtvaardigen dat je met heel veel geld van de overheid je verzamelwoede kan uitleven? Dat doe je maar als privé persoon.

Wat is het werkelijk waard om te bewaren voor het nageslacht?

Zo is het ook duidelijk onprofessioneel gedrag om niet te ontzamelen alleen maar om het beleid van voorgangers niet te willen veranderen. Dat betekent dat je bang bent om iets weg te doen waarvan later blijkt dat je het niet had weg moeten doen. Ik ben daar niet bang voor. Wat volgens ons geen kwaliteit heeft gaat naar de markt via de veiling. Als het belangrijk is koop ik het later gewoon weer terug. Als het kwaliteit heeft vergaat het niet. Want dan hangt het bij iemand anders, of het komt toch wel weer een keer op de markt. ‘So what’ dat het in particuliere handen terechtkomt of dat het over de grens gaat? Het idee dat de Elgin Marbles terug moeten naar Athene is eigenlijk ook onzin, want dat is onderdeel van de geschiedenis.
Er zijn musea die antiek laten zien in mooie vitrines, en dan denk je dat zijn mooie stukken. Maar dan kom je op de antiquair op de hoek en dan zie je dat het 1 euro 50 kost. En in het museum staan in het depot nog 600 tot 700 van diezelfde potjes, terwijl een stukje plank alleen al 100 euro per jaar kost. Moet je het dan verzamelen, bedrijfseconomisch gezien, of zeg je van ik breng het op de markt? Ik krijg er zoveel geld voor en het bespaart me kosten voor het depot, en als ik het ooit weer nodig heb dan loop ik langs de antiquair en dan koop ik het. Per jaar bespaar ik een hele hoop geld en daarmee kan ik dus ook weer veel spullen kopen.

Veel musea zijn daar onterecht niet mee bezig. Er is altijd gesubsidieerd, dus het gaat en het komt. Ik heb gemerkt in de periferie dat dat nu exit is. De provincie subsidieert hier en stelt randvoorwaarden. Ik vind het terecht dat de betaler bepaald. Er zijn nog steeds een stel idioten die denken dat de overheid niet mag nadenken over wat musea doen, omdat er ooit eens gezegd is dat kunst geen zaak des overheids is, maar een zaak van particulier initiatief. In Brugge viel iedereen erover toen er ineens geen subsidie meer was voor een bepaalde instelling na 40 jaar. En dan denk ik je mag helemaal niet klagen, want je hebt altijd je hobby mogen uitoefenen zonder dat daar iets tegenover gesteld werd. Wat staat er tegenover voor de maatschappij? Vroeger werd er tegen de muziekvereniging in Vlissingen gezegd, je krijgt subsidie maar dan moet je wel drie keer per jaar optreden. Die koppeling is helemaal losgelaten. En ik merk nu, nu de financiën weer krimpen, dat de overheden die koppeling weer terug willen creëren. ‘Wat doet u voor de samenleving?’

Ik vind ook dat ik mij moet verantwoorden. Zo zijn wij er in de jaren ’90 achter gekomen dat wij geen museum hadden van 13 in een dozijn, maar 40 in een dozijn. Er was geen verschil meer tussen het museum in Vlissingen en het museum een eiland verder. Wie komt er dan nog? Je hebt geen onderscheidend vermogen, dus je kunt je niet profileren, positioneren en in de markt zetten. En daarmee heb je geen bestaansrecht meer. Dan worden vragen gesteld is het rechtvaardig dat daar nog geld naartoe moet? In grote gemeenten zitten ook cultureel geschoolde ambtenaren, maar bij hen worden deze vragen niet gesteld. In de periferie is het gemiddelde niveau toch economisch of agrarisch gesteld en die zeggen wat moet ik er mee? Die zeggen wat is het nut?
Dus in de jaren ’90 ben ik mij bewust geworden van waar komt het publiek voor? Toen hebben we een marktonderzoek gedaan, gewoon hier op de boulevard. En wat bleek ze kwamen voor de zee. Ze wilden helemaal niet naar een Stedelijk museum, dan konden ze beter gelijk naar het Rijksmuseum gaan. Dus de naam van het museum zat mij tegen en ook de collectie die ik het publiek kon laten zien, want men verwachtte kunst en geen oude voorwerpen. Toen heb ik een plan gemaakt om ons te ontwikkelen van een lokaal naar regionaal maritiem museum waarin het verhaal van de Zeeuw en de zee wordt verteld. Omdat wij een maritiem museum zijn kunnen wij ons nu profileren en kunnen we groeien naar een Zeeuws maritiem museum. We verzamelen heel duidelijk en zo kan ik in de presentatie, want ik verzamel niet voor het depot, nog beter het verhaal vertellen aan de Zeeuw.

Dat betekent ook dat je een keuze kunt maken. Is het dan een probleem om die voorwerpen die verzameld zijn, maar niet in meer in de nieuwe manier van presenteren passen weg te doen? Nee, die heb ik lekker naar de veiling gebracht. Niet via een internetveiling, want dat levert veel te weinig op. Het gaat naar de veiling en om te bepalen wat naar de veiling mag hebben wij een stroomschema gemaakt. Dat geeft exact aan wat wel en niet verzamelt wordt. En als we twijfelen dan houden we het. Dingen waarvan ik weet sorry dit is aangekocht puur en alleen voor een tentoonstelling: veilinghuis. En er zaten ook hele bijzondere dingen bij, zoals speciale verrekijkers, die op de veiling 15.000 euro op hebben geleverd. Maar dat geeft niet, want er was niemand die zich hier ooit af vroeg of dat hier was. Niemand die het miste. We hebben er ook mee geleurd bij een aantal wetenschappelijk musea, maar die wilden het niet hebben. Prima, dan gaat het op de veiling.

Voor het ontzamelen hebben wij een ontzamelbeleid, al gemaakt voordat de LAMO bestond. Omdat je er heel voorzichtig mee moet zijn. Dit museum is nu een stichting, maar de collectie is van de gemeente Vlissingen. Veel spullen zijn geschonken door particulieren aan de gemeente. Dat kun je dus niet zomaar afstoten, dan moet je minimaal naar de nazaten toe of toch besluiten het te behouden.

Als het dan afgestoten kan worden wordt het getoetst op zegt het iets over de Vlissingse historie of zegt het iets over de Zeeuwse historie? Zo ja dan bewaren we het, maar als die relatie niet te leggen is dan is het een toevallig voorwerp en heeft het totaal geen nut in het museum. Als de relatie er niet is, dan heeft het geen nut. Is het van historisch belang, dan gaan we kijken is er een museum die het wel verzamelt en zo niet dan bewaren wij het maar. Dus we hebben hier echt wel een aantal voorwerpen, waarvan ik zeg die zullen we nooit laten zien, maar het hoort wel bij de historie van Vlissingen. Het heeft enige context.

Dus omdat ik een profiel heb, omdat ik duidelijk weet wat ik wil, kan ik kiezen en kan ik me los maken van het idee mijn voorganger heeft het verzameld en ik ben ook een verzamelaar dus.. Dat vind ik geen rechtvaardiging meer. Dat heb ik geleerd van de archivarissen en dat moeten de archeologen ook nog leren. Als professional moet je kunnen inschatten wat van belang is om te bewaren.
Als museum ben je geen eilandje meer. Je moet je beleid aanpassen aan wat de politiek en de ambtenaren verwachten. Heel veel museum directeuren denken echter dat ze een eilandje zijn. En dat is nog steeds mogelijk en dat verbaast mij. Dit keizers zonder kleren syndroom verbaast mij. En dit wordt gedragen door kunstpausen in de media. Want op het moment dat je als politicus zegt dit museum gaat dicht, dan valt heel Nederland over je heen. Terwijl ik denk, van de 1200 musea in Nederland zouden er best weer 500 dicht kunnen. In het verleden kwamen musea en gingen ook weer dicht en waarom niet? Als het geen bestaansrecht meer heeft? En nu wordt er moord en brand geschreeuwd als een museum, waar niets te zien is, dicht gaat.

Daar zijn we in Zeeland dus wel goed mee bezig met het inventariseren van wat is werkelijk waard om te bewaren? Dat is provinciaal beleid. Als het niet meer draait, wat is nou werkelijk waard om te bewaren? Het blijkt nu ook dat sommige musea dingen verzamelen, die vier kilometer verderop ook bewaard worden. Daar kan je dan keuzes uit gaan maken. Het rijk moet ook die stap maken. Dan moet alles dus eerst goed gedigitaliseerd worden en daar gaat nog wel 10 jaar overheen. In Zeeland is dit binnen 2 jaar wel klaar. Maar de grijze golf van museum directeuren werkt nauwelijks met de computer. Die hebben niet door wat het voor ons kan doen. Zo zet ik mijn catalogus enkel nog op internet. Ik ga niet meer uitgeven, het kan besteld worden op aanvraag. Maar nee andere musea vinden dat er een dikke catalogus moet komen, dat staat indrukwekkend. De jongere generatie moet doorbreken in het museum en dit aanpakken.


Ik verzamel en ontzamel en dat is een continue proces. Continue ben je bezig de collectie door te lopen, heeft dit nog die waarde voor ons of niet? Zo liep ik de collectie door en werd ik geconfronteerd met het feit dat wij 58 haardplaten bezaten. Haardplaten, ‘so what’ wat moet ik ermee? Het haardplaten museum heeft 12 haardplaten, dus tot mijn schrik moet ik erachter komen dat ik het haardplaten museum van Nederland ben. Dus toen heb ik mijn beleid aangepast. De dubbele zijn ondergebracht bij het ICN en de kern, waarvan ik wist waar uit Vlissingen ze vandaan kwamen en wat ze vertelden over Vlissingen, heb ik bewaard in een stukje open depot. En op internet kan iedereen het zien en voor onderzoekers is het toegankelijk.
Het museum wordt nog steeds niet gezien als een gewoon bedrijf. Een bedrijf dat output moet hebben. Een bedrijf dat getoetst moet worden aan de eisen die de overheid steeds meer gaat stellen. Maar het museum wordt nog steeds als iets speciaals gezien. En dat is in het verleden toegeschreven door de hogere klassen.
De beheersbaarheid van een collectie is belangrijk. Of nou de depotruimte wel of niet onbeperkt is, ik vind dat je ten alle tijden moet kijken of het beheersbaar is. In musea wordt bijna 80% bewaard van wat wordt aangeboden en dat is waanzin. Bij archeologen geloof ik 120%. Je moet kunnen zeggen dat je dat naar een beheersbare hoeveelheid moet terug brengen. En dat kan tegenwoordig, omdat je via internet kan zien wat er elders wordt verzamelt. Als ik zie dat een schilderij zich al in een ander museum bevindt, dan ga ik dat niet aankopen, want dan vraag is het in bruikleen. Ik vind het dan ook uitermate onprofessioneel als collega musea hun collectie niet op internet zetten.

Het idee is absolute waanzin als het al ergens anders aanwezig is, dat is Collectie Nederland. Wij zijn daarom ook al bezig met instituten in Vlaanderen, want wij hebben hier geen Hollands erfgoed maar een Vlaams Zeeuws erfgoed.

Ik beheer de stedelijke collectie en de vraag is dus steeds is deze collectie een toegevoegde waarde om de geschiedenis van Vlissingen te vertellen? Zo nee, paf. Zo ja, dan zoek ik maar depot ruimte. Dan kan die ene tegel net zo belangrijk zijn als dat andere schilderij dat verzekerd is voor drie of vier ton. Het heeft te maken met heeft het zijn context, heeft het toegevoegde waarde en is het elders niet bewaard? Is het elders vier keer bewaard, dan hoef ik het niet te bewaren. Ik hoef het niet meer op één plek te hebben, want via internet is alles toegankelijk en te bestuderen.

Natuurlijk komen er wel eens voorwerpen binnen, die zijn zó groot. We zijn nu bezig om een onderzeeboot te conserveren. Ik heb daar met heel veel moeite ja tegen gezegd want ik heb een exploitatie-probleem, want waar laat ik die boot? Nu heb ik gelukkig nog een buitenpost, het Fort Rammekens, dus daar kan ik het nog wel kwijt. Maar ik kijk natuurlijk wel, kan ik dit behappen? Dus ik ga geen boot kopen om die voor de deur te leggen, terwijl ik die niet voor de deur kan leggen. Natuurlijk kijk ik daar naar, maar ik kijk vooral naar verteld dat iets over die Zeeuwen en hoe kan ik het gebruiken in de presentatie?

Ik denk wel dat je soms dingen moet bewaren, die belangrijk zijn dat mensen dat kunnen vinden. Wij hebben hier ook een paar belangrijke archeologische collecties in huis. En laatst heb ik ook iets voor een koopje kunnen aankopen, want niemand was erin geïnteresseerd. Het staat nu nog in het depot, maar toch vind ik het essentieel dat dat in openbaar bezit komt. Want het is het enige portret van een belangrijk iemand voor Zeeland. Laatst kregen we ook een aanvraag voor een bruikleen vanuit België, die wel snappen dat dit een belangrijk stuk is. Dus ik heb vrij veel materiaal bij ons in het depot liggen, maar die ook regelmatig uitgeleend worden. Daarom verzamel ik, als we het over archeologische voorwerpen hebben, heb ik bijvoorbeeld heel veel flessen wijn staan. Je kunt zeggen aan één fles heb je voldoende of aan één munt heb je voldoende, maar wij hebben er daar veel van liggen. Het is namelijk leuk om een bergje muntjes te laten zien. Eigenlijk heb je maar twee muntjes nodig, om de voorkant en de achterkant te laten zien, maar als je het over geld hebt moet je een bergje laten zien. Dan verzamel ik om een bergje te laten zien. En dit wordt vaak uitgeleend. Maar ik verzamel het omdat het van belang is, omdat er vraag naar is.

Maar de kosten spelen ook mee. Dan kan ik het wel eens laten schieten, dat ik denk ik kan het niet. Er is hier een werf verdwenen en dat is de enige werf waarvan de hele collectie bewaard is gebleven. Samen met de archivaris heb ik nu de archieven binnen en een groot deel van de collectie. Maar er zitten dingen bij die zo groot zijn, dus ik heb het bedrijf zo gek gekregen dat de dingen wel bij ons op de lijst staan, maar die blijven gewoon bij het bedrijf. Ik zou niet weten waar ik het anders moet plaatsen. Nu hebben we een deal en heb ik 4 tot 5 hectare opslagruimte, maar toentertijd kon ik het niet plaatsen. Daardoor zijn er ook dingen die ik heb moeten laten lopen in het verleden. Pech.. Je maakt dus altijd de keuze van kan ik het opslaan? Ik vind dat professioneel, de afweging maken van hoeveel is het mij waard om dit te bewaren en als je het niet meer kunt verantwoorden dan is het helaas maar jammer. Dan moet je kijken kun je het op een andere manier conserveren of preserveren. Dan moet je je beperken tot een stukje van iets of een kopie.



Het is een typisch westerse gedachtegang om altijd het origineel te bewaren. We zijn nu in staat om gravures zo te reproduceren dat je alleen nog met een loep kunt ontdekken dat het niet het origineel is. Voor de waarneming is er geen verschil. Ik ga dus in de toekomst de gravures die ik niet kan tentoonstellen zwaar digitaliseren en die ga ik ophangen. Je ziet het verschil toch niet. Want die vertellen ook het verhaal over de ontwikkelingen van het vaarwater. Het origineel moet ik wel bewaren, maar de kopie ga ik laten zien. ‘So what’?
Ik bekijk bij een schilderij ook altijd van wat zie ik op een schilderij. Ik kan met veel liefde praten over dat scheepje dat daar prins Hendrik op staat en dan denk ik waarom heb ik een schilderij waar prins Hendrik op staat? En dan vraagt iemand aan mij wie heeft het geschilderd? En dan zeg ik ‘ja weet ik niet’. Ik heb eens een conservator gehad en die belde mij om 1 uur ’s nachts wakker, ze had iets ontdekt, ze vermoedde dat het schilderij van Van de Velde is. Ik zeg ‘ja ‘so what’?’ ‘Voor mij is het nog steeds een onbekende stad, interesseert me helemaal niet wie het geschilderd heeft. Ik zie een stadsgezicht, een stadsbeeld van een stad die waarschijnlijk staat te springen om dat ene stadsgezicht, omdat je daarmee iets kunt vertellen over de stad’. Ik ben een historisch museum, dus de kunstenaar doet er voor mij helemaal niet toe. Daarom kan ik ook bij de grotere musea een hoop voorwerpen weghalen, die voor mij heel belangrijk zijn.
Ik wil wel de trots laten zien van Zeeland. Zeeland is geen Calimero. Wij droegen voor 25% bij aan het BNP. Hier zijn de eerste buitenhuizen gebouwd. Wij hebben bijgedragen. Dat wil ik wel laten zien, om ze een beetje eigenwaarde terug te geven. Maar met welke voorwerpen doe ik dat, ik geloof dat de hele collectie voor een paar miljoen is verzekerd. Dat stelt niets voor. Maar het zijn schilderijen waar mensen bij stil blijven staan en uren over kunnen vertellen. En dat is het verschil; de move die ik gemaakt heb en heel veel musea die nog niet zover zijn. Een hele hoop mensen schrikken als het Mondriaan Fonds of Nederlandse Fonds voor de Kunsten ineens eisen gaan stellen, randvoorwaarden gaan stellen. Als museum kunnen we nu eigenlijk maar doen en laten wat we willen, dat is toch compleet nonsens. We mogen onze hobby uitoefenen op kosten van de overheid en hoeven geen verantwoording af te leggen. En nu we wel verantwoording af moeten leggen schreeuwen we moord en brand. Ik vind dat uitermate onprofessioneel. Ik vind dat als je belastinggeld uitgeeft, dan moet je daar verantwoording voor afleggen. De betaler bepaald. En dat betekend niet zozeer dat als de betaler zegt je verkoopt de boel dat je het dan verkoopt, maar wel dat je als directeur goed moet inschatten hoe de ontwikkelingen zijn en daarop in moet spelen om op de politieke agenda te blijven zodat jij de mogelijkheid krijgt om het culturele erfgoed te bewaren. Het oude Stedelijke museum Vlissingen was bijna dood, maar omdat wij een goede presentatie hebben en veel bezoekers hebben, zegt de overheid wij stoppen er geld in. Daarom kan ik nu de collectie onderhouden, op vijf schilderijen na is de collectie tip top in orde, omdat wij een keuze hebben gemaakt, omdat wij zeggen daarvoor zijn wij. De politiek vindt dat we niet meer zonder dit museum kunnen, want het heeft bestaansrecht.

Maar er zijn weinig musea die zo durven te denken. Deze ontwikkeling speelt zich eerst af in de periferie, omdat daar sneller een neiging is om te kijken naar de financiering van een museum. Daar is een noodzaak. Je kunt ook zeggen er is te weinig depotruimte, dus er is noodzaak om erover na te denken. Maar nee in de meeste gevallen bouw je er dan gewoon een depot bij. En depot ruimte is altijd wel te vinden. Maar op het moment dat geld een probleem gaat worden, en ik denk dat deze discussie veel meer gaat spelen, dan wordt het anders. Jij bent geboren in een gouden eeuw, dankzij het gas en de economie. Maar de overheid heeft steeds minder geld, die trekt zich terug en dat gaat alleen maar erger worden. Je ziet dat in de uitgaven van uitkeringen en op het gegeven moment kan het dan niet meer dat er wel miljoenen naar de musea gaan. Op een gegeven moment zeg je dan toch van er is iemand die niet eens meer geld heeft om een boterham te eten en je gaat dan toch geld uitgeven aan musea. Dan moet het heel duidelijk worden wat de toegevoegde waarde van het museum is en musea hebben dat als je het goed uitbuit. Musea spelen een rol in het beeld van de image van je stad, het speelt een rol in welke mensen zich wel en niet willen vestigen in de stad, het speelt een rol in hoe mensen en kinderen op een andere manier leren kijken naar de wereld. Dat is de core business van musea en dat moet je duidelijk maken aan het publiek. Als je dat doet, dan ben je professioneel bezig.



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina