Museums, values & deaccession



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina13/14
Datum22.07.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

11.3 Anke van der Laan – ‘Frans Hals Museum’

Het Frans Hals Museum heeft enige tijd geleden veel aandacht gekregen bij de voorgestelde verkoop van een schilderij van Benjamin West en een schilderij van Michel Sweerts. De verkoop is niet doorgegaan omdat het onjuist werd geacht de opbrengst van de verkoop te gebruiken voor een nieuw depot. Hoe zit het nu met deze situatie?


De Benjamin West is uiteindelijk verkocht. Er is een schikking getrokken met de familie van de persoon die ons het werk heeft geschonken. Het werk is door een kunsthandelaar in Londen getaxeerd en verkocht naar een openbare collectie. Dat was een eis van ons. Ik meen dat het een miljoen heeft opgebracht en daarvan heeft de familie vijf ton gekregen en het Frans Hals Museum vijf ton. Uiteindelijk is het schilderij in het Louvre terechtgekomen. Het is gerestaureerd en in de collectie van het Louvre opgenomen.

Als je de mogelijkheid hebt als museum om te eisen dat het werk in een openbare collectie komt, moet je dat ook doen. Wat betreft de Benjamin West dachten wij dat het aan ons geschonken was, maar de familie dacht daar anders over. Die dachten dat het in bewaarneming was gegeven. De juiste papieren zijn daarvan nooit gevonden. Later bleek trouwens dat de eiser altijd het tegenovergestelde moet bewijzen. Nu hebben wij ons in bochten gewrongen om het te bekijken en op te lossen. Maar omdat wij het hebben, hadden zij eigenlijk het onderzoek moeten doen.

Maar voor ons is het idee dat de schenker het toentertijd aan een openbare collectie heeft geschonken. Als de kans er is doe je dat als museum ook. Dat is in de lijn van degene die eigenaar was van het werk.

Het werk van Michel Sweerts is nog steeds in onze collectie. Het blijft een vreemde eend in de bijt in onze collectie. Toen het aangekocht werd dachten we dat het een afbeelding was van het atelier van Frans Hals. Het is zo geschonken door de vrienden van het museum. Maar het bleek dit helemaal niet te zijn, in de verste verte niet. De relatie met Haarlem is er niet. Maar we hebben het nog wel omdat er toen zoveel protest is geweest. Wij zaten toen in een hele moeilijke positie. Ons depot lekte aan alle kanten en was zo krakkemikkig als ik weet niet wat. Dus een groot deel van onze collectie was aan het verpieteren. Na er al tien jaar met de gemeente mee bezig te zijn geweest, waarbij niets van de grond kwam, waren we zo moedeloos dat we gingen bedenken wat kunnen we zelf ondernemen? Toen is gedacht, hebben we vreemde eenden in de bijt? Kunnen we die te gelden maken? De Sweerts is toen voor ongeveer 8 miljoen getaxeerd en dat zou gewoon een nieuw depot voor ons betekenen. Het is een werk dat niet vaak op zaal hangt en we kunnen er een collectie mee redden.

Maar er is toen zoveel publiciteit over ons heen gekomen. Vanuit de museumwereld werd er geshockeerd gereageerd, van hoe kun je dat doen? Het is natuurlijk geen eigenlijke besteding, want in de museale wereld is eigenlijke besteding alleen maar als je het weer aan de collectie besteedt. Maar anderzijds werd er ook gereageerd van, wij begrijpen jullie wel maar waarom probeer je een probleem van de gemeente zelf op te lossen?

De gemeente was er toen gelukkig ook erg van geschrokken en inmiddels was er een andere wethouder, die de dingen anders aanpakte. Nu ziet het er naar uit dat we in 2010, 2011… of 2012 een nieuw depot krijgen, zonder dat we daarvoor werken hoeven te verkopen.

De Sweerts hebben we dus nog en die kunnen we eventueel gaan gebruiken om bij andere musea voor andere waardevolle werken te ruilen. We kunnen kijken of we het schilderij op een andere manier kunnen inzetten om de collectie te verbeteren. Het schilderij hangt nu in de Renaissance zaal, maar als eenling. Omdat er zoveel aandacht voor is geweest hangt het werk wel op zaal, zodat mensen het kunnen zien.
De situatie in het depot nog steeds heel slecht. Dat is al jaren zo en bovendien is het verergerd sinds we sinds tweeënhalf jaar weten dat er asbest op het depot is en dat het sindsdien ook gesloten is. Niemand mag erbij. We zijn een plan aan het opzetten om de schilderijen met asbest vervuild schoon te maken. Allerlei medewerkers hebben hier asbest opleidingen gedaan. We gaan een enorm traject in van het hele depot leeghalen en dan worden de zolders gesaneerd en in orde gemaakt. Maar er komt geen schilderijendepot meer op zolder. Het kan zijn dat er wel meubels of kunstnijverheid voorwerpen op terugkomen. Dit zal ook geen geklimatiseerde ruimte worden. De zolder is nooit geklimatiseerd geweest met alle kieren en gaten, maar de asbest gaat wel weg. Dan is het verder wachten op het nieuwe depot.
Als museum doen wij alleen Haarlem. Gelukkig was Haarlem een enorm rijke stad eind zestiende eeuw begin zeventiende eeuw. Er was veel economische welvaart en daardoor ontstond ook een enorm reservaat aan kunstenaars. Bijna alle grote kunstenaars hebben in Haarlem gezeten of gewoond. Wij hebben de luxe dat we ons kunnen permitteren om ons alleen op Haarlem te richten. Dat is de kracht van Haarlem. Het Frans Hals Museum toont zestiende-eeuwse en zeventiende-eeuwse Haarlemse kunst. We hebben ook een kleine collectie historie en kunstnijverheid. Kunstnijverheid tonen we zilver, glas, meubels en klokken. We hebben al tientallen jaren geleden er wel echt voor gekozen om een kunstmuseum te zijn. We hebben nu wel het historische verhaal, dus de achtergrond waarbinnen die schilderijen zijn ontstaan, in een historische presentatie gemaakt.
De gemeente is eigenaar van een groot deel van de collectie. Maar we hebben ook veel bruiklenen. We hebben bruiklenen van het ICN, van het Haarlems Ziekenhuis die een grote zeventiende-eeuwse collectie heeft en van particulieren.

Bij het Frans Hals Museum hoort ook De Hallen voor moderne kunst. Daar doen we alles behalve Haarlems. Het gaat om moderne en hedendaagse kunst en dat is meer internationaal georiënteerd. We hebben een aantal jaar het accent gelegd op het verweven van fotografie. Nu zitten we veel in de video en films die we aankopen. Maar het is met name nationaal en internationaal.

Met de hele collectie moderne kunst doen we niet zoveel, alleen in de zomer maken we daar wel tentoonstellingen uit. Voor de rest is deze op het depot. Onze collectie moderne kunst bestaat ook nog voor een deel uit BKR-werken en gemeente-werken, die door de gemeente zijn aangekocht om kunstenaars te stimuleren.

Inmiddels hebben we al een paar sessies gehad waarbij we goed door de BKR-werken heen zijn gegaan en door de gemeente aankopen. Daar hebben we vier of vijf jaar geleden een laatste sessie van gehad. We hebben veel weer aangeboden aan de kunstenaars zelf en als die daar niet op reageerden, hebben we de werken beschikbaar gesteld voor openbare plekken, zoals scholen en ziekenhuizen. Die zijn vrijelijk langs gekomen en wij hebben hun de werken overgedragen. Dit afstoten is met toestemming van de raad gebeurd.


Het gaat er dus vooral om dat je je ruimte, tijd, kennis en middelen zo efficiënt mogelijk inzet voor de werken die je er echt toe doen. Dat is de essentie. Als je bergen ruimte, tijd en geld hebt dan is er niets aan de hand. Dan maakt het niet uit als 20% overbodig is. Maar in die positie verkeren we niet meer. Overheden niet meer, musea niet meer. Dat heeft ons in museumland aangescherpt om daar toch kritischer naar te kijken. En wij helemaal met onze situatie op het depot. Wij hadden werk in bruikleen van particulieren waarvan je denkt, jeetje ze staan al in het depot en niet op zaal en ze gaan zo snel achteruit. Nog harder dan dat ze bij de mensen boven de bank zouden hangen. Toen zijn we dus verder gegaan met alle bruiklenen onder de loop te nemen. Alle bruiklenen die we niet op zaal hangen en die we niet gebruiken kunnen we beter teruggeven. Als we ze weer nodig hebben kunnen we ze weer aanvragen. Dat is beter dan ze alsmaar bij ons op zolder te hebben staan. Dus daar hebben we een operatie in gedaan. Toen kwam het asbest, moest het depot dicht en hebben we de operatie gestaakt. We beginnen dan in september weer met de asbest schoonmaken. Dan gaan we goed kijken wat is eigendom, eigendom gaat naar een externe opslag. En wat is bruikleen? En we houden het sowieso tegen het licht. Is het een stuk dat we gebruiken? Zo niet dan zullen we gewoon de gangbare procedures volgen met het op internet plaatsen, aan andere musea aanbieden en verkopen. Hele kostbare werken zitten daar niet meer tussen, hooguit werken die voor anderen wel interessant zijn.
De beheersbaarheid en de kosten zijn belangrijke redenen voor het afstoten. Wij hebben hier een restauratieatelier waar twee mensen 16 uur werken, dus bij elkaar 32 uur en dat is heel weinig. Maar we hebben voor honderd jaar restauratie werk. Waar ben je dan mee bezig? Je moet dan zeggen wat is onze A-collectie, wat gaan we tonen? Maar goed, de B- en de C-collectie moet je ook zo onderhouden dat als er in een andere tijd belangstelling komt voor deze werken, de werken niet helemaal vergaan zijn. Maar de middelen, de menskracht en ruimte spelen een rol. Straks het nieuwe depot heeft veel minder ruimte dan hier op zolder. Dus daar moeten we dan ook in gaan selecteren. Het is altijd een kwestie van geld, menskracht en dergelijke.
De Sweerts was gewoon heel veel waard. Waar haal je dat zomaar vandaan? Als het verkocht kon worden, dan konden we gewoon dat depot betalen. Dat is heel aanlokkelijk. Andere werken komen daarbij niet in de buurt. Geld houdt ons niet primair bezig. Het is niet dat we een enorm plan hebben voor een tentoonstelling en dan zeggen laten we een stuk verkopen. Als het economische gaat overheersen, dat zou niet goed zijn. Je verkwanselt je erfgoed. Dat mag nooit gebeuren natuurlijk. Het was toen nood. De rug tegen de muur en het idee van dan lossen we het zelf wel op. De wanhoop van de staat van ons depot en de kwaliteit van onze collectie. Dat was onverantwoord en de gemeente had eigenlijk al tien jaar niets ondernomen. Het is niet de rijkste gemeente. Daar hadden we dan begrip voor.

Wij waren alleen erg verrast door de hoeveelheid publiciteit die het kreeg. Karel Schampers heeft het aan drie musea aangeboden, maar ze konden het geld niet bij elkaar halen. Het Haarlems Dagblad zit nogal hijgerig op ons. Alles wat wij doen wordt dan behoorlijk opgeblazen, zoals ook met het werk van Benjamin West en de nabestaanden. Dat is allemaal gewroet van het Haarlems Dagblad. We waren overvallen door wat er gebeurde.

Maar we hebben altijd gezegd dat de werken wel in een openbare collectie moesten komen. Als museum ben je hoeder van cultureel erfgoed, van een deel van de geschiedenis van je omgeving. Je bent er allemaal van overtuigd dat het belangrijk is dat het aan volgende generaties wordt overgedragen. We doen ook veel aan educatie voor kinderen en scholen in de omgeving. Dat is je drive. Ons museum legt veel nadruk op tentoonstellingen. We doen ons best om publiek te trekken en om aandacht te krijgen van het publiek. Daarbij komt ook een andere afweging van dat je zuinig bent met je collectie en dat je je collectie niet uitbuit, zodat er voor volgende generaties niets meer over is. Daar moet je een balans in vinden en dat kan wel eens een strijd zijn in het museum. Dat de directie de ene tentoonstelling na de ander tentoonstelling wil maken en dat de restaurateurs zeggen nee niks mag weg en niks mag vervoerd worden. Daar middenin kom je ergens uit. Maar je kunt zeggen op een hoger niveau van we maken tentoonstellingen en mooie presentaties van de collectie, omdat we vinden dat dat moet gebeuren en dat die kennis moet worden overgedragen. Maar op een lager niveau denk je ja we moeten bezoekersaantallen hebben, we moeten entree, zoveel mogelijk inkomsten hebben om alles te runnen. Dat loopt door elkaar heen. Je wilt zowel bedrijfsmatig als ideologisch alles organiseren. We hebben veel kunsthistorici en kunstminnende mensen, maar je wilt ook altijd wel dat er bezoek komt en dat je financieel wat ruimte hebt om andere plannen te maken. Dat loopt door elkaar.
Speelt de zichtbaarheid van de werken ook een rol in het afstoten? Zijn er in verhouding meer werken in het depot te vinden dan op zaal?

Wij hebben een heel behapbaar museum. Ik vind zelf een beetje selectie wel prettig, omdat je visueel toch niet alles in je op kunt nemen. Je kunt beter alleen de topstukken beneden hebben. Ik kreeg pas een e-mail van iemand, die stelde dat onze collectie van de overheid is, hij betaalt belasting en is dus mede-eigenaar van de collectie. De collectie die ook op zolder staat en die hij dus waarschijnlijk nooit te zien krijgt. Toen heb ik de man terug gemaild dat dat zo is, maar je kunt het nooit visueel en lichamelijk aan om alles te zien. Ik ben blij dat er een selectie is. Ik heb hem ook geschreven dat we helaas geen middelen hebben om een open depot te creëren, want dat zou dan een alternatief zijn. Wat ons rest is dat we wel proberen om een zo groot mogelijk deel van onze collectie te fotograferen en op de website te zetten. Daar zijn wij nu mee bezig. Zo vinden we een manier om ervoor te zorgen dat alles beschikbaar is op de website, digitaal beschikbaar. Dat is dan een troost. De man keek hier erg naar uit. Voor onderzoekers of mensen die in het depot willen kijken, zullen we echter nooit te beroerd zijn om ze de werken te laten zien.


Op dit moment kopen we voornamelijk aan voor De Hallen voor de collectie moderne kunst. Als oude kunst wordt aangekocht gaat het altijd meteen op zaal. Dan is het iets dat ook in het verhaal van het museum past en een lacune opvult. Maar voor de moderne kunst, wat het meest aankopen omdat het het best betaalbaar is, geldt dit niet. We hebben in De Hallen altijd tentoonstellingen. We hebben vier periodes van vier tentoonstellingen, want De Hallen bestaat uit vier zalen. Dat is dus 16 tentoonstelling per jaar, maar er zijn zoveel ideeën en dan moeten we echt zeggen nu gaan we de nieuwe aanwinsten tonen. Want we hebben de collectie en die tonen we alleen in een collectie tentoonstelling.
Wat het afstoten betreft zijn we nog niet zover dat we zeggen we willen een pracht collectie bij elkaar hebben en de rest mag weg. We beginnen nu gewoon heel voorzichtig met het snuffelen aan de bruiklenen die we hebben, de bewaarnemingen, de werken die helemaal nooit op zaal komen. We beginnen heel breed. En ik denk dat veel musea pas beginnen. Maar met de oude kunst hebben we ook niet zoveel overbodigs. We zijn altijd het Haarlemse museum geweest met Haarlemse kunst. In het Frans Hals Museum is altijd een duidelijke visie geweest. In De Hallen is dat een ander verhaal. Maar laat dat nog maar, ik wil dat nog niet weten. De conservator hedendaagse kunst zegt misschien nu ik heb helemaal niets met de schilderijen van de jaren ’80 en ’90. Er is niet goed aangekocht, heel divers van beeldhouwers tot lokale kunst. Maar als je daar aan begint.. laat nog maar even. Dat is ook niet zo omvangrijk. De grote BKR-collectie en gemeente-collectie hebben we toch al gereduceerd naar wat wij dan nu belangrijk vinden. Je moet niet echt aan de aankopen gaan tornen. We hebben nu containers vol met beeldhouwwerken, niet onaardig, maar wat kun je ermee? Dan moet je eigenlijk een park hebben. Als de zolders dan gerenoveerd zijn en ze zijn leeg dan kunnen we ze misschien daar opslaan. Het is niet allemaal even relevant, maar er zitten wel goed werken tussen. Wat moet je ermee? Maar dan denk ik de jaren ’80 en ’90 is te recent. Ik wil die selectie nu nog niet op mijn geweten hebben. Laat er nog maar 100 jaar overheen gaan. Laat ze over 100 jaar maar bepalen wat in die tijd belangrijk was. Ik vind met actuele moderne kunst moet je een afstand krijgen om een periode goed te overzien. Nu vinden we het misschien afschuwelijk, maar laat er maar eens honderd jaar overheen gaan. Je moet meer afstand hebben. Dan kun je beter zien wat relevant is.

Wij hebben als kunstmuseum natuurlijk ook alleen maar unica. Daar is moeilijker over te beslissen en ook zeker over de kwaliteit van die stukken. Dan kun je beter meer afstand hebben.


Als we nu afstoten dan gaan we eerst andere musea peilen. We zijn niet uit op extra middelen uit afstoten. Als een schilderij een relatie met Haarlem behoudt zullen we het niet verkopen aan andere musea. Dan zullen we het afstoten via bruikleen. In de toekomst moet je rekening houden met dat visies, ideeën en smaken veranderen. Je mag nooit op de stoel gaan zitten van. Ik weet niet hoe Karel Schampers daar over denkt. Ik zelf vind dat als het een relatie heeft met Haarlem, ook al kun je er niets mee op dit moment, dat je de opening moet laten dat een volgende generatie het wel wil gebruiken. Als het hele atypische werken zijn vind ik verkoop geen probleem. Ik denk niet dat we in die luxe positie zitten, maar je kunt je voorstellen dat als je van Ruysdael een heel mooi verhaal hebt en je hebt nog tien stukken van hem over in het depot, dat je het dan in bruikleen geeft of als je alle stadia hebt doorlopen toch naar de markt gaat. Theoretisch gezien. Als je heel veel van iemand hebt en je hebt een goed verhaal, dan zou dat kunnen.
11.4 René Dekker – ‘Naturalis – Nationaal Historisch Museum’

Kunt u mij vertellen over de collectie van het Naturalis, over jullie visie op het beheren en beheersen van de enorme collectie en over jullie standpunt ten opzichte van het afstoten van objecten?
Wij hebben zojuist een nieuw acquisitiebeleid geformuleerd, dat krijg je van mij mee. Dat gaat met name over het aannemen en het beslissen, maar ik kan mij voorstellen dat we dadelijk ook op grond van dit door de collectie terugwerkend gaan. We hebben laatst een grote educatieve collectie afgestoten. Er was vroeger veel vraag van scholen en andere instellingen naar opgezette beesten. Dan hadden we iemand vol in dienst om leningen naar die school en naar die school en dat museumpje te brengen. Toen hebben we gezegd dat doen we niet meer, daar zijn we niet voor, terwijl het een hele grote collectie was. We hebben al die beesten op de herplaatsingsdatabase gezet, ze zijn allemaal gefotografeerd en die zijn toen naar verschillende natuurmusea gegaan. Zo zijn ze veel meer regionaal beschikbaar. De scholen moeten naar die musea gaan en niet naar ons. Daarom hebben we een hele grote collectie van duizenden beesten afgestoten. Omdat we vonden dat het geen kerntaak van ons was. Dat was het argument om het dus weg te doen. Wij zijn voor de wetenschappelijke collectie en we laten het educatieve werk aan anderen over. We hebben wel wat voor onze eigen tentoonstellingen, maar dat is zo klein als het maar kan.
Bij ons over het algemeen als wij afstoten dan maken we iets ook echt kapot. Niet de container in waar kindertjes in gaan graven, nee het wordt echt kapot gemaakt. Anders komen beesten die in de wetten staan, zoals de Nederlandse Flora en Fauna wet, in particuliere handen en dat wil je niet.

Stel dat je van een beest in de collectie helemaal geen gegevens hebt. Het zit al honderd jaar in de collectie en er zijn helemaal geen gegevens of labels anders dan ‘Nederlands’ bijvoorbeeld. Dan heeft het geen wetenschappelijke waarden. Moeten wij dat bewaren? Nee. Wij gooien dus weg, maar veel ook vanuit wat we binnen krijgen. We krijgen veel schenkingen binnen. Je hebt heel veel amateur biologen, die hebben thuis een insecten collectie, een eieren collectie, tegenwoordig mag het niet meer. Dan zeggen we kom maar, maar de krenten houden we dan over en de pap stoten we dan af. Je hebt een aantal selectiecriteria, van heeft het wetenschappelijke waarde, heeft het tentoonstellingswaarde of historische waarde. Als er dan nog iets moois bij zit, maar niet voor ons, dan gaan we kijken van wil een ander museum, in Nederland of daarbuiten, het. En als je echt niemand vindt, dan is het kapot maken. Vroeger accepteerden we nog hele collecties die als geheel bijeen moesten blijven. We hadden toen zoiets van we hebben liever de collectie, dan dat we zeggen dat doen we niet. Nu hebben we het beleid veranderd. We zeggen prima we willen het hebben, maar de collectie wordt wel geïntegreerd, het blijft niet als collectie Jansen apart, dat mensen over honderd, driehonderd jaar nog kunnen zeggen oh dat is van grootvader. Nee, dat is inefficiënt. Kost je veel te veel geld en het werk onhandig met onderzoek. Dat is daarom nu een voorwaarde en als ze dat niet willen dan houdt het op.

Helaas staan er nu nog wel van dergelijke collecties. Zoiets houdt na 50 tot 75 jaar wel op. We hebben laatst een collectie geïntegreerd, uit elkaar gehaald, en geïntegreerd in de collectie. De eenden bij de eenden en de reigers bij de reigers, in plaats van dat het echt nog de collectie van die persoon was.
Wat wij doen via de herplaatsingsdatabase verkopen we niet. Wat wij doen is gratis. Het enige wat je nog in rekening kan brengen is handlingkosten. Dat hebben wij niet gedaan. We hebben nu wel met een ander museum dat beesten op de herplaatsingsdatabase had staan die wij wilden hebben, die rekenden dan gewoon een bepaald bedrag per object en hoe meer je bestelde hoe minder dat werd. Handlingkosten zijn niet meer dan normaal, want je stopt er tijd in. Maar verkopen doen we niet, zeker met die herplaatsingsdatabase, want het gaat van een rijkscollectie naar een rijkscollectie. De collectie blijft van de staat. Pas als blijkt dat niemand, geen van de andere rijksmusea, erin geïnteresseerd is en het gaat echt weg, dan kun je nog eens ergens over gaan praten. Maar met verkoop en zeker van natuurhistorische objecten, met kunst zit het waarschijnlijk anders, moet je oppassen. Met beesten moet je oppassen, want dan wordt het handel. En bovendien ruil ik liever. Stel dat er van ons iets weg zou gaan, dan heb ik het over een beest in de collectie waarvan we zeggen dat hoort hier niet, en het zou naar Parijs gaan. Dan zou ik zeggen tegen Parijs je mag het hebben, maar als die vrachtwagen terugrijdt wil ik eigenlijk dat en dat van jou hebben. Dat je zo zegt dat past niet bij jou en wel bij ons. Veel meer collegiaal met elkaar omgaan.

Wat je nu ziet gebeuren, en zeker in onze natuurhistorische wereld, is dat met Europees geld er een Europees netwerk wordt gemaakt van musea, waardoor we veel meer dingen afstemmen. We zijn nog niet zo ver, maar wees niet verbaasd als we straks collecties gaan herplaatsen tussen die instituten. En dat is logisch, want als wij een collectie hebben uit een land waarmee we nooit iets gaan doen, terwijl een ander museum daar heel graag meer van zou hebben omdat ze al bezig zijn met dat land, dan hoort het niet hier. Dan hoort het daar en als zij dan weer dingen uit Indonesië hebben, waar wij de beste collectie van hebben, dan hoort dat hier. Dus zo moet je daar eigenlijk mee omgaan. Dat wordt ook steeds acceptabeler. Vroeger wilde elk instituut alles hebben, dat is bij natuurlijke historie heel erg zo, alles van de hele wereld willen hebben. Het is gewoon onzin. Het is van de gekke, dat je ergens op een eilandje staat naast een Engelsman en een Amerikaan en hetzelfde probeert te vangen. Dat is inefficiënt, kost een hoop geld. Dus je gaat veel meer afstemmen, wij zitten daar en als we dan iets hebben waar jullie zitten krijgen jullie het van ons. Veel meer afstemming en vroeger wilde iedereen alles hebben, dat tijdperk zijn we een beetje voorbij.


Wij beheren de collectie van de staat en we hebben een mandaat om heel veel te doen. Wij moeten wel toestemming vragen. Weggooien, dan hoeven we niet voor elk diertje te vragen of we het mogen weggooien, maar bij het afstoten van een hele collectie moet dat gecorrespondeerd worden. Alleen gaat men uit van het advies van de beheerder, van ons. Als wij zeggen van daar en daar en daarom willen wij die collectie ergens anders onderbrengen, dan moet het toch wel heel raar lopen als ze zeggen van nee.
Wij zitten nu nog maar elf jaar in dit nieuwe gebouw. Toen wij dit hebben gebouwd was er groei voor veertig jaar. Daar is dus tien jaar vanaf, dus er is nog dertig jaar ruimte. Nou is dat heel moeilijk in te schatten, want de wetgeving verandert. Vroeger kon je naar elk land en je kon vogels verzamelen en zoogdieren en je nam ze gewoon mee. Dat lukt je nu niet meer. Dus die collecties groeien niet meer. Vroeger had je nog particuliere collecties met vogels, maar die mensen zijn ook oud en overleden, die zijn er dus niet meer. Wat nog wel mag is insecten, die mag je nog verzamelen. Dus wat erbij komt vanuit het onderzoek of vanuit schenkingen van particulieren zijn insecten. Veel, maar klein. Of klein, maar veel. Dat is net hoe je het accent wilt leggen. In aantallen en registratie is het veel werk, maar in ruimte valt het vaak mee. Dus met insecten gaat het nog. En dan is er bijvoorbeeld de ruimte die je over hebt gelaten voor een zoogdieren verzameling die nu niet groter wordt, dus je kan dan wat gaan schuiven. Ruimte is natuurlijk een punt. Wij zitten hier nu nog niet te krap, maar we gaan binnenkort misschien wel krap zitten. We zijn bezig met een fusie van vijf collecties. We zijn nu met plannen bezig om nieuwbouw te plegen, dan zou er een nieuw depot komen waar alles bij elkaar is in 2014 ongeveer. Dat gebeurt allemaal hier op dit complex. Maar Amsterdam kan mogelijk versneld overkomen, dan zitten wij hier dus krap. Om dat op te lossen, halen we nu dus de dertig jaar groei even weg. We gaan de ruimte indikken en opvullen, we huren er nog een paar panden bij waar we tijdelijk collecties opslaan.

Maar we gaan integreren en dat is juist een efficiëntie slag. Een simpel voorbeeld, als wij hier een la hebben met zestig mussen en Amsterdam heeft een la met dertig mussen, dan zijn dat beide laden waarin nog groeiruimte zit. Schuif je die in elkaar, dan verdampt er dus een heleboel volume. Je kunt dus met een heleboel van Amsterdam de ruimtes hier opvullen, als je wel wat overhoudt. Dan maak je dus een enorme efficiëntie slag.



Wat we willen gaan doen, mochten ze al overkomen, is dat we de komende jaren tot de nieuwbouw collecties gaan integreren. Dan zetten we het al in Leiden, deels in de toren en deels in panden die we huren, dan beginnen we al met integreren. Dan zal er dus ook wel eens wat weggegooid gaan worden. Bijvoorbeeld, mijn directeur zij tegen mij toen hij in het oude gebouw was, het is een directeur die hier nog geen jaar werkt, van er staat hier een hele oude stoffige olifant en er staat een hele oude stoffige giraf. Die nemen heel veel ruimte in, daar kun je een heleboel insecten in kwijt. Moet je die wel houden? Terechte vraag. Vroeger hielden we alles. Nu moet je gewoon zeggen heeft ie wetenschappelijke waarde? Nee. Heeft ie cultuurhistorische waarde? Bij de giraf gaat het verhaal dat ie met een schip in Marseille aan land is gebracht en vanaf daar een voettocht heeft afgelegd naar Parijs. Dat was één van de eerste giraffen die ooit door mensen werd gezien. Dan heb je daar dus een verhaal bij, maar dat moet je nog wel uitzoeken en achterhalen. Als dat waar is, dan is het een interessant beest. Maar misschien interessanter voor Frankrijk dan voor ons? Dus moeten wij het bewaren, moet het naar Frankrijk of moet het weg? Wij hebben een olifant, die ziet er niet uit, maar de manier waarop die opgezet is is heel bijzonder. Die heeft een lichaam van hout, in plaats van een kunstlichaam zoals tegenwoordig. Dus als je die bewaart bewaar je hem niet vanuit zijn wetenschappelijke waarden, maar vanuit zijn prepareertechniek-waarde. En dan is de vraag, hou je hem dan helemaal of zaag je hem doormidden om een doorkijk te geven? En zet je hem dan in een tentoonstelling? Of in een museum dat daar overgaat? Zo moet je naar de objecten kijken. Wij hebben nu een collectie van 15 miljoen objecten en straks alles bij elkaar 35 tot 40 miljoen. Dat kun je niet voor elke mug of vlieg doen. Voor een aantal grote beesten is het wel efficiënt. Een olifant en een giraf leveren je heel veel meters op. Maar als beesten door je handen gaan tijdens een verhuizing of tijdens het integreren van collecties, dan kun je zeggen van moet deze nog en moet deze nog? Maar op object niveau gaat het dan vaak om weggooien door het ontbreken van gegevens. Als je het over een hele collectie hebt, dan gaat het over waar werken wij nog aan en waar gaan we over 10, 20, 30 jaar nog onderzoek naar doen?
Objecten waar onderzoek naar gedaan is, is wat lastiger. Onze collectie is een archief, er is over gepubliceerd. Werkt iemand daar weer aan, dan moet je terug kunnen vallen op dezelfde objecten. Om de wetenschappelijke blik waar toen naar gekeken is over te kunnen doen. Dus ja, je moet die objecten bewaren. Maar de vraag is of je alles moet bewaren. Wat wij nu doen, anders als vroeger, is als er een team terugkomt van veldwerk en ze hebben van één beest er honderd mee, dan gebruiken ze die voor het onderzoek, ze beschrijven en meten ze alle honderd, maar dan zeggen wij bewaar er tien of twintig. Bewaar een steekproef die redelijk representatief is voor alles. Maar bewaar alsjeblieft niet alle honderd, en liever ook niet negentig en liever ook niet tachtig. Dus er is nu een selectie en dan pas ga je het in de collectie opnemen. Dus dan gooi je een groot deel weg of je vraagt aan een ander museum of zij het willen hebben. Zo gaan we er nu mee om en willen we er mee omgaan. Vanaf het begin en niet later, want dan wordt het veel moeilijker. Dan is het geregistreerd en moet je het uit de boeken weggooien, allemaal ellende. Dan wordt het meer werk dan het in efficiëntie oplevert. Daarom moet je het doen voordat je het in de collectie opneemt. We hebben dan ook een andere afspraak gemaakt met het ministerie. Vroeger was het zo, als het hier binnen kwam dan was het van de staat, dus dan was het soms zo 100.000 nieuwe beesten en dan rapporteer je een jaar later we hebben er weer 70.000 van weggegooid. Dat is onhandig. Dan blijf je bezig. We hebben nu de afspraak, iets wat binnen komt is eerst van de Stichting Naturalis, pas als de selectie is gemaakt en het gaat de collectie in dan wordt het gerapporteerd als van de staat. Je hoeft dus niet te rapporteren wat je hebt weggegooid van wat nog niet toegevoegd is aan de collectie van de staat. Dat is een efficiëntie slag. Je valt ons niet lastig en je valt de overheid niet lastig.
Efficiëntie is heel belangrijk. Een voorbeeld. Onze alcohol collectie die ging in mooie glazen cilinders met glazen afdekselplaten die in een soort hete was gedrukt werden, zodat het luchtdicht was afgesloten. Openmaken is makkelijk, mesje en open. Eén cilinder dicht maken kost je een half uur, zeer inefficiënt. Als je een onderzoek doet en je opent er 10, 20, 30, 40, ben ik weer een week een behoudsmedewerker kwijt. Maar wij vinden het zo mooi en het hoort bij die collecties. Daar ben ik het dus niet mee eens. Wij hebben nu weckpotten. Eerst met van die rubberen ringen maar die drogen uit en gaan kapot, dus nu hebben we siliconen ringen. Werkt perfect. Zo open en in één seconde weer dicht. Geen tijd meer. Elke cilinder die nu open gaat, omdat ie gebruikt wordt voor onderzoek of omdat ie bijgevuld moet worden, wordt vervangen door een weckpot. Weg met de cilinders. Dan win je dus voor die keer al een half uur en in de toekomst nog eens heel veel keer een half uur. Heel soms gaat het niet. Je verandert toch een beetje het object en het probleem is ook dat de labels die bij de beesten horen soms op het glas geplakt zitten. Dus we zijn nu bezig van hoe lossen we dat op. Desnoods tikken we het uit het glas en leggen we het erin, of maken we er een foto van. Je wilt het behouden, dus dat geeft nog wel eens wat problemen. Maar we zijn bezig met daar waar het kan elke cilinder gewoon te vervangen door gewoon een efficiënte weckpot. En terwijl je bezig bent zie je dan dat er wel 100 beestjes in een weckpot zitten. Dan is het verse alcohol erin en we houden er twintig over. Zo gaan we ermee om. Waar kunnen we winst halen. In tijd, in ruimte, in geld, in inzet.
Ondanks dat wij dertig jaar groeiruimte hebben is het belangrijk om de collectie beheersbaar te houden. Bijvoorbeeld in financieel opzicht. Wij krijgen niet meer geld voor personeel. We krijgen dus wel meer objecten, maar niet meer personeel. De fusie geeft heel veel meer objecten, maar het is ook een enorme efficiëntie slag. Want wat gebeurt er, wij hebben iemand die beheert 250.000 vogels. Amsterdam heeft twee personen, die beheren 60.000 vogels. Als je die vogels bij elkaar doet, krijg je wel meer, maar je krijgt meer van hetzelfde. Je krijgt niet ineens marsvogeltjes of plutovogeltjes. Dus het is nog steeds beheerbaar en beheersbaar. We hebben nu drie mensen, maar dat is onzin want er komt relatief weinig bij. Nee, die ene vogelman bij ons die heeft ook de zoogdieren. Dus we gaan zeggen nou die twee mensen uit Amsterdam die komen over en die ene zoogdieren man van ons gaat naar de zoogdieren. Dat is een efficiëntie slag. Kijk als er nieuwe groepen bij komen, zoals de marsvogeltjes, dan krijg je weer dat je nieuwe mensen moet hebben. Maar nu krijg je mensen die hetzelfde doen in Amsterdam en Leiden aan dezelfde objecten. Dat is een enorme efficiëntie slag. Dan nog steeds we hebben groei, dus het blijft meer worden. Dat loopt een keertje over. Klopt. En met registeren loopt het al over, en zeker met terugwerkend registreren. We proberen alles wat nieuw binnen komt gelijk in de computer te zetten, dat is logisch. We proberen vooral het met terugwerkende kracht registreren vanuit project geld te halen. In het verleden hadden we nu eenmaal nog niet de computer. Laatst zei iemand hebben jullie nog maar 10% gedaan, maar dan heb ik het wel over 1,5 miljoen beesten. Dus in aantallen is het veel, want dat zijn menig collecties in Nederland bij elkaar opgeteld. Maar wat we doen, onze eigen beheerders komen daar gewoon niet aan toe, want die hebben ook de onderzoekers die komen voor de collecties die ze moeten helpen. Wat we proberen is via projecten collectieonderdelen te digitaliseren. We hebben nu net geld gehad van het ministerie vanuit een samenwerkingsproject met Suriname. Suriname heeft namelijk wel de gegevens van wat wij van Suriname hebben, maar niet de beesten. Daar hebben ze de ruimte niet voor, de conditie-eisen niet voor en het klimaat is ongunstig voor natuurhistorische beesten. Ze hebben geld aangevraagd voor het repatriëren van de gegevens. We hebben dus geld gehad om een aantal mensen aan te stellen die alle Suriname beesten voor ons inkloppen. Nou dat zijn er weer 50.000. Dus zo maak je stappen. Amsterdam zat met een grote geologische collectie die ooit van de UVA naar Artis voor een deel is gegaan en voor een deel hierheen is gegaan. Dat was de vorige directeur van Artis, die wilde dat. Maar onze huidige directeur zegt wat moet ik ermee. Geld uit de Mondriaan Stichting gevraagd om a. te selecteren, b. nieuwe dozen en 2,5 menskracht, om wat wij aannemen, de krenten uit de pap, en dat waren nog een hoop krenten, om dat te registeren. Dus dan komt er een collectie bij, maar die is wel gelijk kant en klaar. Ander voorbeeld, universiteit van Utrecht geneeskunde had een hele grote parasieten collectie, wilde ze niet meer hebben. Zag er niet uit, allemaal lullige potjes, ingedroogd, niet geregistreerd. Plantenziektenkundige dienst van LNV had er baat bij dat het bewaard bleef. Toen hebben we gezegd dan kost het geld, Utrecht heeft nog wat geld meegegeven. Anderhalf jaar iemand op, die heeft alles omgepot, geregistreerd en gefotografeerd. Het is nu bijwijze van spreken onze mooiste collectie. Terwijl het drie jaar geleden nog in Utrecht stond en het zag er niet uit. Zo probeer je zonder je eigen personeel te belasten met projecten en projectgeld die stappen te maken.
Hoe zit het met het wijzigen van de collectie met het oog op beleid van voorgangers?

Vroeger was het altijd een bioloog die directeur werd, die was heel erg op de collectie en het ging dus veelal om alles bewaren. Sinds wij van het oude gebouw hierheen zijn gegaan, hadden we veel meer een managerdirecteur. Dus die had geen kennis van de beestjes, is ook niet nodig. Als hij maar iemand onder zich heeft die de kennis van de beestjes heeft. En je ziet ook de directeuren die na hem zijn geweest, dat zijn managers, die komen niet meer vanuit de inhoud, maar vanuit het beleid. Die staan er heel anders tegenover. Die vragen, zeker met nieuwbouw, kan er niet iets weg. Directeur Van der Weiden die ons gebracht heeft van de oude panden naar dit, die zei jongens kan er niet iets weg. Dus die begon er al mee. En de volgende directeur idem dito, kan er niet wat weg. Het ligt nu bij mij, adjunct-directeur Collectie. Maar we hebben ook een adjunct-directeur Onderzoek, onderzoek kijkt er vanuit de inhoud naar, wat is belangrijk. Het rapport over ons acquisitiebeleid is ook geschreven door onderzoekers, dus zowel vanuit de collectie is het bekeken als vanuit onderzoeksperspectief.

Ik kijk er naar van wat is efficiënt. Efficiëntie kan ik ook winnen door sommige gasten niet meer toe te laten in de collectie. Dus door de lat hoger te leggen. Vroeger lieten wij kunstenaars toe in de collectie. Zijn we mee gestopt, want een kunstenaar heeft geen ervaring met de beesten, dan moet je er toch een beheerder bij zetten. Er werd vroeger geen geld voor gevraagd en dat koste dus een halve dag of twee uur of een hele dag, dat je een beheerder gewoon kwijt was. We hebben dus gezegd nee geen kunstenaars meer, en als er nog een kunstenaar wil komen dan moeten ze ervoor betalen. Dan doen ze het over het algemeen ook veel korter, dan als het gratis is. Ze moeten dus betalen en zo creëren wij een pot met geld waarvan we weer werk kunnen uitbesteden. Daar zijn we dus anders mee omgegaan. We kijken wat zijn onze kerntaken. We hebben de educatieve collectie afgestoten omdat we de inzet van die man nodig hebben bij het wetenschappelijke onderdeel van de collectie. Dus zo ga je de schil pellen, je gaat gewoon echt naar de kern toe. Vroeger deden we er allemaal dingen bij.

Terug over die collecties. Samen met onderzoek kan ik dus beslissen van die kan gewoon weg of dat moeten we wel hebben. Of die collectie die aangeboden werd hadden ze vroeger misschien ja tegen gezegd en nu zeggen we nee. Dit stuk (acquisitiebeleid) moet de mensen scherp houden om te zeggen van nee het past daar niet in, op grond van die argumenten, dus niet. Terwijl vroeger dat niet doorlopen werd. Toen was het van kom maar. We hebben nu ook een commissie. Stel er wordt een collectie vlinders door een particulier aangeboden. Dan gaat de vlinderdeskundige kijken en die beantwoordt de vragen. Dan zit er een commissie van onderzoek en collectie aan tafel en die zegt van nou op grond van dat wat onze deskundige heeft opgeschreven zeggen wij ja of nee. De lat ligt dus een stuk hoger.


Er is bij ons geen balans tussen datgene wat in de expositieruimten te vinden is en wat in het depot staat. Er staan heel veel objecten in de tentoonstelling, iets van 10.000. Maar 10.000 op 15 miljoen is een fractie van een procent. Dus het is een fractie. Wat we nu wel doen de laatste tijd is, we laten groepen en publiek onder begeleiding in de toren. We doen dat voor groepen gewoon gratis. Dan vinden we het een manier van ons presenteren en ons verkopen. We doen het soms voor publiek, dan gerelateerd aan een tentoonstelling. Maar dan moet het publiek extra betalen. Dus dan wordt het uur dat de rondleider kost betaalt door de mensen die er meegaan. Daar kunnen wij goed een uur van betalen met de organisatie erbij. Dus ja, dat zeggen we ook voor straks in de nieuwbouw, een open depot zodat we meer kunnen laten zien. Maar dan niet een open depot als tentoonstelling, want dan wordt het toch weer een tentoonstelling. Maar een open depot zoals het er echt ook bij staat, waar je echt mensen aan het werk ziet. En dat kan tegenwoordig steeds makkelijker.
Maar nog over ruimtewinst. Vroeger werd heel veel opgezet. Een beest staat op z’n poten, dat gebeurt nog steeds. Maar skeletten werden ook opgezet. Onderzoekers willen bij al die botjes komen, maar als die vastgeplakt zitten in een beest, dan kunnen ze daar niet goed bij. Bovendien neemt een skelet meer ruimte in als ie in elkaar gezet is, dan dat alle botjes gewoon in een doos liggen. We zijn dus nu alle oude skeletten uit elkaar aan het halen als ruimtewinst-actie. Dus er is gewoon iemand bezig, die haalt alle botjes los. Dus plotseling is alles in dozen, die je ook nog eens kunt stapelen, dus het is al minder volume. In plaats van een opgezet varken, een opgezet schaap, een opgezet hert. Dan gaat het hard in je ruimte. Dus we dikken nu heel erg in als efficiëntie slag.

Wat je ook ziet. We hadden vroeger heel veel beesten uit dierentuinen, omdat dat nieuw was. Tegenwoordig accepteren we nooit meer dieren uit gevangenschap, omdat het wetenschappelijk niet interessant is. Een beest in gevangenschap lijdt niet onder seizoenen. Een vogel gaat een ruiperiode door, gaat een broedperiode door hoe dat precies uitkomt in dat land. Heeft in het wild een heel ander dieet dan in een dierentuin, waardoor z’n kleuren worden aangetast, de haargroei, de verengroei. Dus beesten uit gevangenschap zijn niet interessant. We kregen net een partij duiven aangeboden vanuit Afrika die voor onderzoek zijn gebruik in de universiteit Leiden. Die zou ik heel graag willen hebben uit Afrika, maar ze hebben 4 jaar in een kooi gezeten. Oninteressant, dus niet. Vroeger zouden die geaccepteerd zijn, dus je legt de lat steeds hoger. Eigenlijk ga je niet collectie toevoegen, maar collectie aanvullen. Je gaat veel specifieker kijken van waar zitten hiaten. Kom maar, hiaten vullen. Maar daar waar jij vindt dat ze belangrijk zijn, zoals Indonesië bijvoorbeeld. Maar niet een hiaat vullen in iets van Zuid-Amerika, omdat we daar zoveel hiaten hebben. Dat is meer hiaat dan beest. En je wilt meer beesten hebben dan hiaten, dan kun je de hiaten opvullen.


Wat is er in het verleden gebeurd tussen Amsterdam en Leiden. We hebben ieder onze kant gekozen. Wij zaten in Indonesië vooral en zij zaten vooral in de Antillen en Europa. Dus het wordt nu complementair. Wij hebben ook wel wat van de Antillen maar samen met dat van hun ‘wouw’. Zij hebben ook een beetje van Indonesië, maar bij ons Indonesië ‘wouw’. Wij hebben een beetje Europa, maar dat we straks een grote collectie hebben ‘wouw’. Je ziet dus eigenlijk dat dat in elkaar gaat schuiven. En met twee boeken kun je praten over een dubbele, twee keer hetzelfde boek. Met dieren wordt dat moeilijker. Wij zijn met evolutiebezig. We kunnen niet zeggen die soort ziet er zo uit. Je moet een steekproef hebben. Dus als wij naar beesten kijken en we hebben het over verwantschappen dan hebben we het over 25 mannetjes en 25 vrouwtjes, 25 jonge mannetjes en 25 jonge vrouwtjes. Kijken we naar Suriname zijn ze net weer anders, Sumatra, Bali net weer anders. Dan gaat het hard in je aantallen. Dus wij blijven groeien. Ook omdat er veel veranderd in de loop der tijd. De gemiddelde mens is nu ook langer als vroeger, dus wil je veranderingen in de tijd bijhouden, dan moet je ook blijven aanvullen. Wij hebben voor een aantal groepen tijdreeksen. Voor vogels uit Nederland willen we er elke tien jaar tien bij hebben. Hoeven er niet meer te zijn, ja als je de kans krijgt misschien. Maar als je er maar eentje krijgt, ga je wel kijken van kan ik er niet nog wat krijgen. Je zend een bericht uit naar dierenasiels van jongens we zijn nog even geïnteresseerd in.. Maar een partij van 100 doden mussen. Dan zeg je ho stop, het is wel genoeg om een mooie steekproef te pakken, 10 mannetjes en 10 vrouwtjes, maar voor de komende 10 jaar hebben we er weer genoeg. Dus zo zijn we bezig met wat willen we hebben. Maar dat heb je natuurlijk niet met potvissen, dus het heeft ook te maken met hoe snel reproduceert iets. Zo proberen we daar efficiënt mee om te gaan.
Dit werkt nog niet door naar de presentaties. Presentaties zijn voor ons om die 250.000 bezoekers binnen te halen. Het publiek is ouders of grootouders met kinderen. Daar zijn wij heel goed in. Maar we krijgen weinig hoger opgeleiden. Terwijl we heel veel zalen hebben en we hebben echt wel wat te vertellen. We hebben een nieuwe adjunct directeur op de sector Publiek die daar verandering in wil brengen. Die zegt er zijn meer doelgroepen. We kunnen meer bereiken, we kunnen meer vertellen. We hebben nu een tentoonstelling over Darwin, omdat het het Darwin jaar is. Daar is een inhoudelijk verhaal en dat is niets voor kinderen, daar zie je ook geen kinderen. Maar je ziet wel andere mensen die erop af komen. Mensen zonder kinderen. Dan loop ik er doorheen en een half uur later staan ze er nog. Die besteden echt meer dan een vluchtige blik, om wat inhoud te willen zuigen. Dus op verschillende niveau verhalen vertellen, maar voor als nog hebben we ons geconcentreerd op 250.000 bezoekers per jaar. Afspraak met het ministerie, dan moest je dus blockbusters hebben, dan moet je kinderen hebben.

Maar we willen wel meer en meer de collectie en de kennis die we daarover hebben aan de mensen laten zien. De meeste mensen weten niet dat er ook nog eens een toren staat met 15 miljoen beesten, dat er hier 20 plus wetenschappers zitten. Nou dat moet je vertellen, dat maakt het interessant.


Ik zie een museum gewoon als een bedrijf. Dit zijn dan dode beesten, als ik het oneerbiedig mag zeggen. Laatst zijn we wezen kijken bij Nissan, grote opslag in Europa en daarbuiten in het westelijk havengebied in Amsterdam. Dat is ook een magazijn, waar schroefjes, boutjes, ruitenwissers, alles waar je een auto van kan maken gerobotiseerd, dus niet een beheerder haalt het uit de stelling, maar gewoon geautomatiseerd. Gewoon om te kijken van wat kunnen wij daar van leren en wat kunnen we eventueel straks in ons nieuwe depot daarvan gebruiken. We zijn heel erg nu bezig in de nieuwbouw met efficiëntie. Een ander voorbeeld, dan komt het Herbarium erbij. Het Herbarium heeft een grote vriesruimte en elke week gaan er twee mannen honderd dozen pakken met planten tot de vriezer vol is. Dan wordt het een week daarin gelaten en dan gaat het er weer uit en wordt het opnieuw volgeladen. Daar zijn die mannen elke week een flink aantal uren mee bezig. Dramatisch, want het wordt ontsmet en na een jaar moet je het weer over doen. Wat wij nu in de nieuwbouw willen doen is die vriezer in het magazijn bouwen op rails en elke vijf dagen schuiven automatisch alle kasten een stukje door. Je moet de vriezer als een garage zien, de kasten schuiven erin en na vijf dagen schuiven ze weer door. Dat kost een hoop geld, maar reken is even uit hoe veel het kostte om een heel jaar continue 2 fte daarmee bezig te laten zijn. Dus het is een efficiëntie slag, automatisering van de collectie. Dat is het mooie van nieuwbouw, dan heb je de kans om techniek te gaan gebruiken. Maar ook gewoon de mensen, ik noemde net die potten, 30 minuten per pot nou dat is snel gewonnen. En zo kunnen veel meer dingen veel efficiënter uitbesteed worden. De grenzen van Europa zijn open, in Polen kost het een fractie van wat het hier kost. Ben ik gek als ik het niet in Polen laat doen. En de kwaliteit is hartstikke goed. Bovendien als je het uitbesteedt leer je ook nog eens selectiever te zijn. Wat je uitbesteedt, waarvan je eigenlijk denkt dat hoeft niet, betaal je voor.
Dit heeft niet eens zo zeer te maken met het verantwoord besteden van het geld van de belasting betaler. Ik kan van dat geld zo meer doen. Als ik het efficiënter doe, kan ik van dat geld meer doen. Als die ene man voor hetzelfde geld niet één potje kan dichten maar in een half uur 30 potjes kan dichten. Dan kan ie z’n tijd gebruiken om andere dingen te doen. Dus ik ga er even vanuit dat mijn efficiëntie straks niet geknipt wordt door het ministerie. Dan schieten we er niets mee op. Ik probeer er winst uit te halen door meer te kunnen doen. We hebben twee reorganisatie ronden gehad in 2003 en 2005, we hebben minder handen. Dan moeten die handen dat doen wat moet. Ik vind efficiëntie heel belangrijk, omdat het gewoon in deze natuurhistorische wereld niet zat. Dat is heel erg van, heel gemoedelijk. En dat is moeilijk om er bij de oude generatie in te krijgen, maar bij de nieuwe generatie niet. De nieuwe generatie denkt veel efficiënter. En als je er eenmaal mee begint dan gaat het ook veel makkelijker, je neemt mensen er op aan.

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina