Museums, values & deaccession



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina14/14
Datum22.07.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

11.5 Jan Teeuwisse – ‘Museum Beelden aan Zee’

Kunt u mij vertellen over de collectie van Museum Beelden aan Zee, uw visie op het beheer en behoud van de collectie en uw standpunt met betrekking tot het afstoten van museale objecten? Heeft het feit dat uw museum een particulier museum is invloed op uw visie op het afstoten van objecten?


Wij hebben een particuliere collectie, die is door een verzamelaarsechtpaar opgesteld. Die zijn begonnen midden jaren ’60. Ze hebben gekozen voor moderne beeldhouwkunst, eerst Nederlands en dat werd steeds internationaler. In 1994 toen ze 30 jaar aan het verzamelen waren, hebben ze dit museum gebouwd. Dit museum is dus gesticht voor die collectie en om de moderne beeldhouwkunst onder de aandacht te brengen. Ze begonnen met verzamelen toen het eigenlijk nog niet erg in was, zeker niet in Nederland. Ze hebben het al in de jaren ’70 in een stichting ondergebracht, vanwege de fiscale voordelen. De heer Scholten was topman bij Robeco. Hij was iemand die in die periode al in trek was bij musea, omdat dat al een periode was dat er werd gekeken naar hoe kunnen musea nou meer hun eigen inkomsten genereren. Hij heeft in heel veel besturen gezeten en daardoor heeft hij ook veel mensen leren kennen. Hij was altijd een man die zeg maar als kenner een liefhebber was, maar als zakenman was hij een professional. Zo is hij meer in die wereld gekomen en zo is hij ook op het plan gekomen om zelf een museum te stichten. Hun benadering van de collectie was altijd heel relaxed. Ze woonden in Bildhoven, daar stond die collectie grotendeels in de tuin. En niets was verzekerd. Ze gingen in de zomer altijd lang weg naar Italië, maar ze hadden zoiets van we hebben helemaal geen zin om ons daarmee bezig te houden. En er is ook helemaal nooit iets gebeurd. Toen hebben ze samen met Quist, de architect, dit gebouw helemaal bedacht, waarbij ze een sterke interactie wilden van binnen en buiten. Er is dus geen klimaatbeheersing, het is gewoon een gebouw waarbij je de schuiven open kunt zetten en de zeelucht binnen kunt laten. Het gaat natuurlijk om grote objecten, die niet makkelijk van kleur verschieten. Dus dat zegt iets over de filosofie achter het beheer hier. Wij zullen niet zo gauw schilderijen of tekeningen tentoonstellen, want dan kom je in problemen.

Uiteraard is tijdens het begin van het museum heel vaak die eigen collectie getoond of delen daarvan. Nu worden er steeds meer tentoonstellingen gemaakt over kunstenaars die in die collectie zitten of over het mensbeeld, wat een thema is binnen de collectie. Ik ben in 2002 erbij gekomen, toen heeft hij gevraagd of ik het over wilde nemen. Uiteraard is de tentoonstellingsmachine steeds actiever geworden, dus we hebben nu drie tentoonstellingen tegelijk. We doen ook zelfs een meer documentachtige tentoonstelling per jaar in een ruimte waar bijna geen daglicht is.

Het gebouw heeft een heel duidelijk standpunt als het gaat om collectiebeheer. Zij gingen heel relax met de collectie om. Het stond daar ook in de kamer en in de tuin. Geen handschoenen en dat soort maatregelen. Beelden worden natuurlijk vaak alleen maar mooier als je er vaker aankomt. Het grappige is dat we dat ook merken als we samenwerken met andere musea. Die tentoonstelling met die Italianen, dan komen er allemaal bruiklenen uit alle grote musea en er komen ook restaurateurs mee. Je merkt dan dat die mensen er soms helemaal niets van weten, want dan komen ze met een bronzen beeld en doen alsof het een schilderij is. Dan komt er bijvoorbeeld stof uit of aarde, wat bij bronzen beelden vaak gebeurt uit de kern, en dan staan ze dat op te vegen. Dan staan onze mensen natuurlijk te lachen, want dat hoort bij bronzen beelden. Er komt altijd rommel uit. Vorig jaar hebben we samen met het Rijksmuseum een tentoonstelling gemaakt, toen waren we satelliet in het hele programma. We hadden hier allemaal Aziatische beelden, hele oude en kostbare beelden. En ook die kwamen natuurlijk met allemaal restauratoren en die keken ook wel op van de relaxte manier waarop wij met de beelden omgaan. Ik vind het bijvoorbeeld ook niet erg als mensen aan onze eigen beelden komen. Iedereen wil dat, iedereen doet dat. Beeldhouwkunst is tactiel. We hebben dan ook veel rondleidingen voor blinden. Dit doen we uiteraard niet bij de beelden die we lenen. We geven ook aan wat wel mag en wat niet mag, maar in dat opzicht zijn wij wel speciaal. Beeldhouwkunst is natuurlijk ook anders, het is niet alleen maar kijken, maar er omheen lopen.
Ze hebben vrij snel nadat het museum open was ook een depotprobleem geconstateerd. Beelden zijn groot. Toen hebben ze onder de grote patio meteen een depot gegraven. Er is een groot depot, een klein depot en inmiddels hebben we ook nog buiten een depot. Ik vind het jammer dat je veel van de beelden niet kunt zien. Dus we hebben nu ook een soort satellietprogramma gemaakt. We hebben de tuin van Paleis Soestdijk helemaal gevuld in opdracht van de rijksgebouwendienst. Daar verdienen we ook aan. Die prachtige tuin achter het paleis daar staan nu een dertigtal beelden voor ons voor een periode van drie jaar. Mensen die dus daar wachten kunnen eerst een wandeling maken door die tuin. In Drenthe bij de Havixhorst daar hebben ze een hele mooie formele tuin. Daar hebben wij een Nederlandse tuin gemaakt; Soestdijk is internationaal, Prins Bernard was natuurlijk internationaal. Bij de RKD in de hal daar zetten we altijd beelden neer. Het Singer Museum, de tuin die is een keer leeg geroofd. Toen hebben we gezegd dat is sneu voor jullie, we kunnen jullie wel wat beelden lenen. Dus we zijn nu met plannen bezig voor die beeldentuin voor permanent en in de tussentijd hebben ze een keuze mogen maken uit onze collectie. Dus we geven graag bruiklenen weg als het goede omstandigheden zijn. Bij het Kurhaus staan ook beelden van ons.

Wij merken zelf dat musea vaak ontzettend lastig zijn met bruiklenen weggeven. Dat is een hele foute situatie. Musea, zoals het Stedelijk dat nu dicht is, die beheren een collectie die wij betaald hebben [wijst naar mij en zichzelf als belastingbetalers]. Wij hebben pas een tentoonstelling gehad van een beeldhouwer die 90 werd en het belangrijkste deel van zijn collectie stond in het Stedelijk. Hij heeft zelf gebeld met de directeur van het Stedelijk en hij kreeg het niet, terwijl het duidelijk zijn laatste grote tentoonstelling was. En waarom kreeg hij het niet, omdat ze gewoon geen zin hadden om het uit het depot te halen. Hoe kun je het lef hebben om te zeggen wij gaan vijf jaar dicht? Terwijl die depots zijn er gewoon, maar het wordt geaccepteerd. Wat dat betreft doen musea elkaar heel veel leed aan.

Wij hebben nu die tentoonstelling over die Italianen. Er staat van Marini een prachtig houten beeld bij Kröller-Müller, maar dat ga ik niet vragen. Wij vragen beelden die niet in Nederland zijn. We kunnen nou wel zo’n houten paard gaan transporteren, maar je kunt ook hier tegen de mensen zeggen gaan ook nog daar heen. Wij hebben beelden van plekken waar ze niet zo vaak komen. Dus ik kan mij voorstellen dat veel musea een beetje huiverig zijn ten opzichte van bruiklenen, want er worden veel oppervlakkige keuzes gemaakt. Ze willen dat en dat en dat en ze willen de Nachtwacht lenen etc. Daar moet je natuurlijk kritisch in zijn, maar als het een goed concept is dan moeten die musea elkaar natuurlijk wel helpen.

Als particulier museum ben je daar dus heel anders in. Wij zijn heel actief. Als een leuk museum, ook al is het klein, met een goed verhaal komt, dan willen wij altijd meewerken. Wij zijn niet alleen maar hier voor ons eigen hachje. Het gaat ook om die kunstenaars. Wij zijn natuurlijk een speciaal museum voor beeldhouwers. De stichters van het museum hebben altijd direct bij de kunstenaars gekocht, niet via de kunsthandel. Het waren altijd levende mensen waarbij zij kochten. Dus zij vonden dat contact altijd een heel belangrijk onderdeel van hun hobby. Je bent dus niet alleen een museum voor beeldhouwkunst, maar je beheert ook werk van mensen die dat geestelijk erfgoed houden. Je bent er verantwoordelijk voor.



Het beeld dat ik noemde van het Stedelijk Museum dat was nog veel erger, want dat stond niet eens in het depot. Dat stond ergens buiten op een gemeente werf achter een woonwagen, ze waren het gewoon kwijt. Maar het verdriet dat die beeldhouwer toen heeft gehad. Dat is natuurlijk heel erg. Er worden allemaal congressen georganiseerd voor musea en dan hebben ze het over ethiek. Ik denk dan begin daar maar eens een keer.
Ik merk zelf, ik heb hiervoor meer dan tien jaar in de gesubsidieerde sector gewerkt als hoofdconservator moderne kunst bij het RKD, en ik zit nu natuurlijk helemaal aan de andere kant. Ik zou niet terug willen. Wij zijn veel meer een winkel, wij moeten gewoon geld verdienen. Hoe meer mensen er binnen komen, hoe kleiner het tekort, want als museum kun je bijna geen winst maken. En dan hebben wij nog een kleine exploitatie, omdat wij maar zeven betaalde mensen hier hebben. We hebben 150 vrijwilligers, dat is het geheim. Wij hebben de ambities van een middelgroot museum als je dat in bezoekersaantallen meet. We zitten tussen 50.000 en 70.000 bezoekers en dat is twee keer zoveel als het museum in Zwolle. Een museum als het van Abbemuseum die trekt doorgaans 70.000 tot 80.000 bezoekers, maar die hebben een staf van 50 betaalde mensen. Als die dan een tentoonstelling over Michelangelo maken hebben ze er in één klap natuurlijk ook veel meer, maar wij hebben in ieder geval 50.000 bezoekers met een heel kleine staf. Maar aan de andere kant tentoonstellingen over beeldhouwkunst zijn natuurlijk heel duur qua transport, qua inrichten, het is zwaar allemaal en breekbaar. Dus het zijn dure tentoonstellingen, maar met tentoonstellingen haal je wel je publiek binnen. De eigen collectie is op een bepaald moment uitgeput. Zeker als je geen Brancusi hebt en Van Gogh. Het Van Gogh Museum doet bijna tentoonstellingen om de staf bezig te houden, daar staan altijd toeristen voor de deur. Die blijven wel komen. Dat hebben wij niet. Er zijn onderzoeken gedaan, maar we zitten op een heel gekke plek: je hebt de boulevard met de schnitzels en dan hier de kunst. Het is ander publiek. We hebben een beeldentuin aan de boulevard, dat is het laatste werk van Theo Scholten geweest. Die heeft zichzelf natuurlijk ook opgevoed en hij wilde dat delen met iedereen. Hij dacht natuurlijk we hebben een heel mooi gebouw, maar het is erg gesloten en zeker naar de boulevard. Daar lopen echter wel een miljoen toeristen per jaar. Als ik daar maar een percentage van binnen haal is het goed. Toen heeft hij dus een kunstenaar de opdracht gegeven om aan de boulevard sculpturen te ontwerpen. Het is heel populair, met de Haringeter, maar mensen kunnen nog steeds moeilijk de brug slaan met het museum. Wij halen nog steeds niet veel van het publiek op de boulevard hier binnen, tenzij het een keer regent. Kunst is toch ver weg voor veel mensen. Ons echte bezoek komt van landinwaarts. Maar die sculpturen zijn wel onderdeel van de collectie. In oktober moet het wel weg, want dan wordt de boulevard opgehoogd. Ze worden opgeslagen. Het is natuurlijk een project van de gemeente en het Hoogheemraadschap, dus de kosten zijn gedekt. En als alles is gebeurd komt het er weer te staan, maar dan meer naar de ingang, dus dat is positief.
De vrouw van Theo Scholten, Lida Scholten, heeft altijd de collectie heel uitvoerig gedocumenteerd. Zij was de eerste die de collectie al helemaal in de computer had, toen de meeste musea dat nog helemaal niet hadden. Zij was altijd geïnteresseerd in computers. Ze is nu 86 en is nog steeds vrijwilliger bij mij. Maar ze hebben altijd goed gekeken van hoe doen musea dat nou en welke programma’s worden er gebruikt. Dus toen ik hier kwam zat alles al in bestanden. Het is inmiddels overgezet naar nieuwe bestanden. Grotendeels zitten daar ook afbeeldingen in en dat is via de website van het Sculptuur Instituut allemaal raadpleegbaar. Ook daar de bewerking van, literatuur, wordt gedaan door vrijwilligers. Je hebt groepen die zich alleen maar daar mee bezig houden. Er zijn dus geen achterstanden. We houden ook een documentatie bij over de kunstenaars die in de collectie zitten, want dat kun je dan gebruiken als informatie bij tentoonstellingen. We voorzien natuurlijk niet alleen het publiek van informatie, maar ook de vrijwilligers, want die moeten het verhaal vertellen. Vandaar ook de bibliotheek, die heel goed is, want dat zijn alle boeken die de Scholtes kregen en kochten bij de kunstenaars. Daar zijn oplages bij van 50, waar zij dan een exemplaar van toegestuurd kregen. Toen ik hier kwam hebben we het Sculptuur Instituut opgericht als research centrum, met de bedoeling de bibliotheek de beste van Nederland te maken op dit gebied.
Ik koop dus beelden aan per jaar, ik heb een bepaald budget. We hebben een vriendenvereniging en we hebben nu ook de Bankgiroloterij voor 5 jaar, dus krijgen we er elk jaar twee ton bij. Maar ik koop heel rustig, want we hebben al 1000 beelden. Ik koop dus heel gericht, ik koop alleen dingen waarvan ik zeker weet dat ze geëxposeerd zullen worden of dat we ze kunnen gebruiken. Je ziet wel bij musea dat werken direct in het depot eindigen, maar die musea hebben natuurlijk ook een andere functie, die zijn een soort bewaarkabinet of archief. Wij zijn begonnen op een moment dat bijvoorbeeld het Stedelijk Museum al een uitstekende beelden collectie had, het Kröller-Müller Museum etc, dus dat hoef je allemaal niet nog een keer te doen. Dus ik bouw voort op de collectie die we hebben, probeer daarin bepaalde gaten te vullen. Maar de energie gaat natuurlijk uit naar de projecten die je doet, de tentoonstellingen. Maar wij willen de eigen collectie daar wel altijd een rol in laten spelen. Sowieso is de helft van het gebouw altijd voor de eigen collectie, de terrassen zijn altijd eigen collectie. We proberen ook zoals nu bij die tentoonstelling over die Italianen te kijken van wat was nou de invloed van die Italianen op de Nederlanders? En beng dat betekend gelijk weer 50 beelden uit onze eigen collectie exposeren. Dus het is een hele gemakkelijk voorraad voor ons. Daar maken we ook echt gebruik van. We hebben vorig jaar een tentoonstelling gehad over de hybriden. Dat ging over beelden waarbij de mensfiguur in een dier verandert of in een plant of een machine. Daarin blijven we de collectie voortdurend als een structureel element naar voren schuiven.

En zo’n collectie, ik heb hem beschreven in het boek ‘Parade Beelden aan Zee’, dat is een collectie zoals elke particuliere collectie. Er zitten dingen in waarmee je eigenlijk niets kunt en er zitten dingen in die uniek zijn. Ze hebben bijvoorbeeld een keer op een veiling een houten kop gekocht van Zadkine, dat is een van de beste werken van Zadkine die er bestaat. Dat was een Zadkine die kwam uit de collectie van Toorop, die had hem geruild met Zadkine, die is in de familie gebleven en toen is zij gestorven en haar zoon en dat ding is in de jaren ’70 op de veiling gekomen. Dat hebben zij gewoon voor een paar duizend gulden gekocht en dat is een begeerd stuk. Dat zijn hele gelukkige aankopen geweest. Dat is het leuke van zo’n particuliere collectie. Zij waren daar zelf ook heel spontaan in. Ze zeiden van goh hoe hebben we dat nou ooit kunnen kopen? En een andere keer kwamen ze weer een beeldhouwer tegen en zeiden goh wat een aardige man is dat en dan kochten ze gewoon een beeld. En een jaar later dachten ze van ja het is toch niet zo mooi. Ze hebben natuurlijk wel langzamerhand hun smaak geprofessionaliseerd. Ze gingen heel veel naar tentoonstellingen, kochten veel en lazen veel. Heel begeesterd. Maar de kinderen speelden tussen de beelden en gebruikten ze als doelpaal. De kinderen zijn ook allemaal geïnteresseerd of in oude kunst of muziek, maar niet in moderne beeldhouwkunst. Die ouders waren zo begeesterd, dat de kinderen een andere hoek hebben gezocht. Ze moesten ook onterfd worden om dit museum te bouwen, maar dat was allemaal oké. Het was echt hun kind.

Tegen de tijd dat het museum open ging hebben ze naar de collectie zitten kijken zo van wat is nou de gemene delen. Dat was de menselijke figuur. Dus toen hebben ze gezegd alle beesten die erin zitten die halen we eruit. Die hebben ze een beetje onder hun kinderen verdeeld. Dus rond die tijd is er een deel uitgegaan. Theo Scholten is in 2005 gestorven. Lida Scholten is verhuisd van Scheveningen naar Bunnik. Toen heb ik op een bepaald ogenblik tegen haar gezegd van het is toch raar dat je vroeger omringd was door die beelden en nu heb je helemaal niets meer, want het staat allemaal hier en voor een deel in het depot. Ik zou het wel erg leuk vinden als je een aantal beelden uitzoekt. Toen heeft ze dus een aantal beelden uitgezocht die zo abstract waren, dat ik met het bestuur heb afgesproken volgens mij moeten wij die gewoon aan haar geven, want die gebruiken wij toch niet. Dat is zo gebeurd, spartelde ze tegen natuurlijk, want alles voor het museum. En op die manier hebben we ontzamelt.

Ik koop dus aan, er komen dingen bij, maar dat gaat heel selectief. Dat wordt ieder jaar gepubliceerd. We hebben ook wel wat bruiklenen, wat we vroeger helemaal niet hadden. We krijgen bijvoorbeeld het hele atelier van een beeldhouwer in gips. Daar willen dan een gipsotheek van gaan maken vanwege educatieve doeleinden. Dus nu hebben we gewoon 800 beelden in bruikleen van het Frans Hals Museum. We hebben van de erven van een beeldhouwer ook het hele atelier. Daar willen we wat groots mee gaan doen volgend jaar. We hebben ook een keer een grote conferentie hier gehad van het ICN en toen hebben we als dank twee beelden mogen uitkiezen uit de collectie voor permanente bruikleen. Voor de acquisitie hebben we ook nog een constructie met een echtpaar. Dat is een echtpaar dat altijd klein plastiek heeft verzameld, die hebben geen kinderen en die hebben gezegd als jullie onze collectie mooi vinden dan krijgen jullie die na ons overlijden, maar dan zou het leuk zijn als we vanaf nu dingen verzamelen waar jullie het ook mee eens zijn. Sinds dien is het zo dat zij mij bellen en vragen we willen dat eigenlijk heel graag kopen, maar voel je daarvoor? En omgekeerd gebeurd het ook, dat ik denk dat is wel iets in hun straatje, willen jullie het betalen? Ze kunnen het thuis krijgen, maar meestal gaat het direct hier naar toe. Dat is een hele mooie band, want wij zetten die mensen in het zonnetje en je hebt er heel leuk contact mee. Dat spoort natuurlijk met onze oorsprong van particulier verzamelen. Dat hebben we dus met twee echtparen, die hebben geen kinderen en die willen toch dat het op een of andere manier bij elkaar blijft. Er zitten natuurlijk dingen tussen die we niet willen en dat zeggen we dan ook. Het is belangrijk dat je zulke mensen om je heen hebt. Als particulier museum zonder subsidie heb je de sympathie van een aantal particuliere mensen nodig. We hebben een speciale constructie laten ontwerpen voor het prenten en penningenkabinet, dat koste bij elkaar 2 mille. Dat is betaald door één van onze bestuursleden, zelf ook verzamelaar, en een echtpaar. Het stond er al binnen een maand. Als je dat via fondswerving moet doen.. eerst een voorstel in dienen en na een half jaar krijg je een ja of nee.

Dus voor de hele collectie uitbreiding, dat heeft dus een aantal jaren op een laag pitje gestaan, omdat we voor die beeldentuin heel veel geld hebben uitgegeven. Maar dat heeft nu een impuls gekregen omdat we dus vanaf dit jaar twee ton van de Bankgiroloterij krijgen. Daarmee kunnen we dus grote aankopen doen. Daarom ben ik begonnen met die Marc Quinn kopen, dat heeft ook pr-waarde, maar het past ook heel mooi in onze collectie.
Beeldhouwkunst brengt op veilingen relatief weinig op nog steeds. Beeldhouwkunst is nog altijd goed te verzamelen als je er kijk op hebt. Christie’s heeft een aantal sculptuurveilingen gedaan maar die zijn ermee gestopt, omdat er gewoon te weinig inbreng is en te weinig afname. Dus die markt is er niet echt. Als ik echt geld zou willen genereren moet ik beelden verkopen waar we het nou net van moeten hebben. De Valentino en de Zadkine, dan ben je je diamanten kwijt. Dus dat is geen optie. Ik zou best een aantal beelden kwijt willen, omdat die ruimte in nemen en die zullen tijdens mijn bewind niet getoond worden. Ik heb geholpen bij het ICN met het kijken naar wat kan nou echt weg van hun eigen collectie. En weg betekend op E-Bay en dan wordt het gewoon verkocht. Er waren dingen van de jaren ’70, je ziet gewoon de hele kunstgeschiedenis voor je voorbij trekken maar dan in de derde categorie. Je ziet Nederlandse kunstenaars die voor de BKR gewerkt hebben en allemaal beïnvloed zijn geweest door wat er toen afspeelden en daarvan een slap aftreksel hebben gemaakt. Ik durf met de hand op mijn hart te verklaren dat die dingen over honderd jaar niet meer ontdekt gaan worden, dat weet ik gewoon zeker. Het is gewoon troep. Het is mooi dat die mensen in stand gehouden zijn, maar het is gewoon niet goed.

Zo hebben wij ook wel een paar dingen waarvan ik denk van tja… maar om dat nu op de veiling te gaan zetten… Dat levert € 1.500 op.. Nee. Het grappige is wel als je verzamelt binnen een bepaalde discipline, beeldhouwkunst, en binnen een bepaald onderwerp, mensfiguren, dan gaan mensen de randen opzoeken. Ze hebben dus beelden in leer en lego-stenen. Dat is typisch voor verzamelaars, dan gaan ze alle gekke uitingen zoeken. Voor zo’n museum is dat best handig, wij trekken een breed publiek en we kunnen dan laten zien wat voor diversiteit er is. En of die beelden nou goed zijn of niet dat maakt dan niet uit. Dus nee, voor mij heeft het niet veel zin. De enige reden om dingen te verkopen zou zijn omdat ze zo groot zijn of zo onhandig. Maar grote beelden kun je altijd in langdurig bruikleen geven. We hebben nu een heel groot paard van Spronk gehad. We hebben van de Amro kunstcollectie twee hele grote dingen gehad. Maar het werk van Spronk op de patio kan hier niet altijd zo blijven, dus dat gaan we binnenkort in langdurig bruikleen geven. Dus op die manier.

Afstoten heeft voor ons weinig zin, enkel voor de ruimte. Wat ik leuk vind is om dingen zichtbaar te hebben. Kunst is er niet om op te slaan. Zeker beeldhouwkunst is een openbaar ding dat je wilt laten zien. Dus we krijgen ook wel veel verzoeken om het in bruikleen te geven. We kijken natuurlijk wel naar de reputatie van zo’n plek en hoe professioneel ze het doen. Want voordat je het weet staat het half weg te zakken, het moet wel reclame zijn. We zijn daar dus wel heel kieskeurig in, maar als het goed is dan doen we zaken. Daar staan we dus voor open. Maar echt afstoten via verkoop heeft voor ons weinig zin.
Wat nog goed is om te vertellen is dat toen het museum eenmaal open ging, toen is er veel gewerkt met stagiaires. Die hebben zich ook bezig gehouden met het collectiebeheer. Maar de verantwoordelijkheid van het dagelijkse beheer rust op één vrijwilligster. Nu staan er bij Shell een aantal dingen van ons en zij regelt het dan allemaal.

Je merkt dat zo’n groot depot dat wij hebben, dat je dat wel voortdurend in de gaten moet houden. Dan komen er weer pallets boeken binnen en die worden dan voor het gemak even snel weg gezet. In zo’n museum dat gericht is op publiek, merk je wel dat je zo’n collectie in bescherming moet houden. De show must go on. De hele ethische benadering van zo’n depot moet je wel in de gaten houden, voordat je het weet zetten ze de paraplubak er ook tussen. Dat is dus af en toe wel een zorg. Je kunt alles op slot doen, maar ze moeten er toch ook bij kunnen. En ze gaan heel, dat zie je ook aan het publiek, mensen zetten gerust een glas wijn op een sokkel neer. Dat is onvoorstelbaar. Je kunt het zo gek niet bedenken. En dat geldt dus zelfs voor de vrijwilligers die hier al jaren werken en erin getraind zijn. Ze gaan toch gewoon eraan zitten, gips moet je bijvoorbeeld niet aan zitten. Dat blijft verrassend. Dat is een apart gegeven in een particulier museum als de onze, dat je daar heel erg moet inspelen op professioneel beheer. We zijn wel een museum, dus let op.



Ik moet zeggen, ik kom natuurlijk ook in depots van gesubsidieerde musea en dat is af en toe ook schrikken hoor. Het is vaak een probleem. Ik heb lang geleden in het Boijmans nog een paar beelden gehaald en die stonden daar ook allemaal tegen elkaar aan geschoven op een plank. Dan zag je dus dat bij de stenen beelden de neus beschadigd was omdat er een bronzen beeld te dicht tegenaan stond.
Wij zijn als particulier museum niet afhankelijk van subsidies voor ons depot en dergelijke, wij kunnen andere geld bronnen aanboren. Maar een depot is niet sexy. Maar wij zijn nog steeds niet zo ver dat het depot een probleem is voor ons. Maar dat kan ook zo ineens veranderen. Als volgend jaar dat Soestdijk op houdt, dan komen er ineens 30 beelden terug. Maar dan zoeken we wel weer een oplossing. Het aardige van die beelden is dat je een aantal ervan ook gewoon buiten kunt zetten. We hebben ook wel eens gesproken met onze verhuizer, die heeft een groot terrein in Amstelveen. We kunnen ook op jaar basis voor een paar duizend euro de beelden daar neerzetten. Dat is wat anders dan een geklimatiseerd depot, maar het is dus altijd wel op te lossen. Ik heb wel gesproken met die club die een centraal depot ergens in Wageningen aan het bouwen zijn. Daar kun je depotruimte huren, dan betaal je zoveel per vierkante meter en langs de weg maken ze dan ook reclame voor je. Er komt ergens een ruimte waar je objecten kunt raadplegen. We waren daar wel in geïnteresseerd, want het is op zich alleen een technisch probleem wat altijd op te lossen is, maar wat geld kost. Toen hebben we gekeken van als wij onze hele depotruimte leeg zouden halen en daar publieksruimte van zouden maken. Dan ga je ook weer verdienen. Maar die vierkante meters moet je ergens anders doen. Nou dat was gewoon niet te betalen. Dat is gewoon zo chic. En hier in de haven staan gewoon famen leeg, dan huur je die toch. Het kost een paar duizend, maar het is vlakbij. Dus ik maak me daar niet zo’n zorgen om. Maar het moet wel van tijd tot tijd weer bekeken worden. We hebben ook nog al onze stenen sokkels, dat zijn dingen die ergens heen moeten. We zijn dus niet bezig met een lange planning vooruit.
Ik hoef wat betreft de collectie en het beheer geen verantwoording af te leggen aan de vrienden en zakenpartners van het museum. Ik doe gewoon waar ik zin in heb. Ik leg verantwoordelijkheid af bij het bestuur. Toen Theo en Lida Scholten in 2002 het stokje aan mij overdroegen heb ik wel gezegd ik zou het fijn vinden als jullie mij blijven adviseren wat betreft de collectievorming. Zij hebben dat natuurlijk 30 jaar lang gedaan. Vanaf 1994 toen het museum open ging tot 2002 zijn zij daar gewoon mee door gegaan. En er werd vies gekocht hoor, voor tonnen per jaar. Ik zat vanaf het begin, 1994, in de artistieke adviescommissie van het museum, omdat ik één van de weinige kunsthistorici ben die zich bezig houdt met beeldhouwkunst. Die was er omdat zij vonden dat toen het museum open ging er wat meer draagvlak moest zijn. Maar zij kochten het en we kwamen één keer per jaar bijeen en dan keken we naar de dingen die ze al gekocht hadden. Dus het was niet zo dat we zeiden van dat mag niet of.. Nee, het is hun geld. Dat is zo 8 jaar door gegaan. Toen wilden ze dat ik het zou overnemen. Toen waren de financiële omstandigheden wel heel anders. De beeldentuin aan de boulevard werd toen gemaakt en er was dus veel minder geld beschikbaar om aan te kopen. Die beeldentuin was bij elkaar een paar miljoen, dus dat was acquisitiegeld voor jaren. Dat kwam dus op een lager pitje te staan, maar er was nog wel wat geld. We hebben ook wel bij de Vereniging Rembrandt wat gekregen. En in 2002 heb ik meteen gezegd ik zou het fijn vinden als jullie mij bij het verzamelen willen ondersteunen. Je merkt ook wel dat als zij naar beurzen gaan, ze iedereen kennen. Je had dus een goede entree. Op dat moment hebben we ook die adviescommissie afgeschaft. Ten eerste waren die mensen al zo oud en Theo had ook zoiets van als we het dan toch met z’n drieën doen, dan is dat niet meer nodig. Het was toch meer een orgaan dat aanhoorde. Ik heb mijzelf toen ook niet meer met zo’n team omgeven. Dit is een museum waar je alles heel snel moet doen. Het is heel autonoom allemaal. Ik heb ook geen secretaresse, dus ik heb ook geen tijd om helemaal ambtelijk een voorstel te doen en dat dan weer bij een commissie te leggen. Het probleem met die commissies is, ik zit natuurlijk zelf allemaal in van die dingen, is dat mensen zitten er altijd met twee belangen. Belang voor de club waarvoor ze het doen, maar ook belang van hun baan. Het kost allemaal tijd en energie. Stel nou dat ik iets heel graag wil hebben en er zit iemand in die club die ineens zegt van nou dat nooit. Daar heb ik helemaal geen tijd voor. Daarbij gaat het om een paar dingen per jaar. En als ik nou miljoenen uitgaf of overheidsgeld, maar het is allemaal particulier geld, allemaal van ons. Ik verzamel vanuit de formule van het museum. Ik heb me dus, doordat ik het echtpaar erbij betrok, me van hun steun verzekerd. Toen Theo Scholten overleed bleef ik samen met Lida doorgaan. Het wordt wat anders als zij ook overlijdt. Wat ik wel al doe is dat als ik iets wil kopen, ik even een kleine notitie maak voor het bestuur van dat is het, en ik wil het daarom en daarom. Maar dat is natuurlijk ook de lol van alles hier. Ik hoor van collega directeuren van ja je moet dat en dat doen, maar ja die staf van mij en dat krijg ik er niet doorheen… Dan denk ik van het is net de burgemeester die niks te zeggen heeft. Dat is ook een belangrijke reden dat ik niet naar een groter museum wil. Als je als kunsthistoricus lol wilt hebben, dan moet je dus in deze organisatie zijn. Anders weet je zelf wat goed is en dan moet je nog mensen gaan overtuigen, die slecht geslapen hebben of ruzie hebben met hun vrouw en dan tegen gaan werken. Zonde van de tijd. Dus zo werkt het hier.
(Noties na het uitzetten van de voice recorder)

Wil geen kunsthal zijn.

Bezoekersaantallen zijn niet alles.

Verhuren ook ruimtes, maar niet alleen voor het geld; willen wat meegeven (cultureel).

Museum draagt ergens zorg voor, belangrijk dat het niet alleen een winkel is.

Voor pr blijft vaak weinig budget over, gaat naar het maken van de tentoonstellingen.

Wel zakelijk ingesteld: doen bijvoorbeeld 3 offertes aanvragen voor het verhuizen van beelden, terwijl het samenwerkende gesubsidieerde museum daarvan op keek, die zijn nog niet zo zakelijk.

Verzakelijking is goed.



12. Appendix 3 -

Statement Karel Schampers

‘Frans Hals Museum’
12.1 Statement

The statement made by Karel Schampers on the 19th of March during a meeting organized by the ‘Institute Collection Netherlands’ (ICN):


“Concluding I can say that deaccession can be a good instrument to improve the quality and content of the collection profile and the management and preservation conditions of the collection. This mostly concerns objects that do not fit into the collection profile and do not have a connection to what is primer to the collection. Works that cannot flourish in any way and lead a hidden life in the depots. Works also that are qualitatively not strong enough in relation to the rest of the collection.
Does the collection, mostly also in terms of preservation and management, want to flourish, then there is no way of escaping from ‘cleaning’ the current possessions. Leading principle, however, is that the gift or permanent deposit is always preferred above sale.
I do want to say that deaccession of museum objects should be handled with great care and reticence. Sale from a museum collection often has a rather negative influence on the willingness of givers to donate works in the future. It can also undermine the reliability of the museum as a ‘careful manager’ of art”.
12.2 Notes

Notes from Arjen Kok, employee of the ICN, during the discussion afterwards:


Question for Karel Schampers: did you call the ‘Rothko’ a boulder in the collection?

[At the end of March 1999 the director Chris Dercon of the ‘Museum Boijmans Van Beuningen’ in Rotterdam announced that he wanted to sell the painting ‘Grey, orange on maroon 60/8’ of the American artist Mark Rothko. The museum had severe financial problems and needed the return of the sale of this painting for a development project. Director Chris Dercon states that he followed the proprosal of Karel Schampers, at the time head of the department for modern art, who called the Rothko a boulder (Gubbels et al. 2007:157-162)].

Yes, I called the Rothko a boulder. The painting was bought under serious considerations, but after the acquisition it did not get a context. The painting did not fit in the surrealistic theme of the modern art collection of the ‘Museum Boijmans Van Beuningen’.

But I did not propose the sale of the Rothko. I wanted to exchange the painting for a painting of Francis Bacon from the ‘Stedelijk Museum’. [The Rothko would have a better place in the ‘Stedelijk Museum’, which already possessed a Rothko, and their Francis Bacon would be more at home in the collection of ‘Museum Boijmans Van Beuningen’ (Gubbels et al. 2007:160)].

But it was both politically and art historically sensitive.
But sometimes museums have to deaccession works. Most museums are reticent in making corrections in their collection. But why should a collection be unassailable? It is only out of fear that corrections are not made.

Of course mistakes can be made concerning deaccession and acquisition. But it is important that, as Hans Locher, former director of the ‘Gemeentemuseum’, stated: there is a balance between the volume of a collection and the management of a collection.

That is why the ‘Frans Hals Museum’ deaccessioned all the works that where acquired during the ‘Visual Artist Regulations’ (BKR) and the works from the eighteenth century. The private deposits where given back to the owners and in 2006 a part of the Codart collection was deaccessioned.

And still there is a lack of money to take good care of the collection. [Already in 2005/2006 Karel Schampers proposed to sell two paintings from the museum to finance the build of a new depot. Reactions were fierce and the proposal was forbidden. The municipality of Haarlem agreed to finance the depot (Gubbels et al. 2007:164-171)]. Unfortunately there is still no money from the municipality, no new depot and the art is suffering visibly.


So, a work needs to be sold to generate budget. This was the idea that was offered in 2005/2006. First this proposal created internal resistance, but the museum has come to the conclusion that sale is necessary. It has been approved to sell the painting of Sweerts, but only when it ends up in a public collection. This painting has to be sacrificed in order to preserve thousands of other important objects.

It is, however, in contradiction with the LAMO.

I understand that the ‘Dutch Museum Association’ is against the sale of the Sweerts and I know that they have to draw a line. But they also need to be sensitive for the position of the ‘Frans Hals Museum’. Deaccession is necessary.

Therefore I plead for a broader interpretation of the LAMO concerning the use of returns from sale.


Reaction Leo Schenk: I understand your position, but this way you reward the bad behaviour of the municipality of Haarlem. [They do not take good care of their art collection and do not provide the museum with enough financial means].
Discussion: will this example not serve as a safe conduct for making mistakes in acquisitioning and simply selling these ‘mistakes’? [Fear of museums turning into galleries].

No, because the painting of Sweerts was bought as something else. Therefore it does not fit in the collection anymore.

We first let the value of the work be estimated and then we did offer it to three other museums. There were some interested parties, but at the end they decided not to buy the work. Therefore we could sell the painting through an art dealer.
Why do you not want to use the return of the sale for the acquisition-budget?

Karel Schampers: I have enough budget for new acquisitions!





1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina