Mw. Drs. A. Knepper nov 06 De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord (2de schema)



Dovnload 25.73 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte25.73 Kb.

Mw.Drs.A.Knepper nov 06

De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord (2de schema)



  1. Inleiding:

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld hoe iets eruit ziet.


Voorbeeld:

Ik zie een blauwe auto. ‘Blauw’ zegt iets over de auto.


In het Duits wordt een bijvoeglijk naamwoord verbogen als het voor een zelfstandig naamwoord staat. Er zijn wel 3 verschillende manieren om het bijvoeglijk naamwoord te verbuigen. Je mag natuurlijk niet zomaar wat doen, er zijn regels voor om te bepalen welk verbuigingsschema je moet kiezen. Welk schema je moet gebruiken hangt af van het woord dat vóór het bijvoeglijk naamwoord staat. In dit hoofdstuk leer je het tweede schema van de drie schema’s die het Duits kent voor de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord.


  1. De ein-groep.

Elders op deze website kun je lezen over de ein-groep. Dat is een groep van woorden die net als het lidwoord ‘ein’ verbogen wordt. We herhalen hier maar even kort om welke woorden het gaat.


ein-groep:

ein = een

kein = geen

mein = mijn

dein = jouw

sein = zijn

ihr = haar

unser = ons, onze

euer = jullie

ihr = hun

Ihr = Uw

3. Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord na een woord van de ein-groep.
Als er een woord uit de ein-groep voor het bijvoeglijk naamwoord staat, dan moet je het bijvoeglijk naamwoord volgens het volgende schema verbuigen:
Schema 2




mannelijk

vrouwelijk

onzijdig

meervoud

1

2

3

4

ein alter Baum

eines alten Baumes einem alten Baum

einen alten Baum


eine alte Frau

einer alten Frau

einer alten Frau

eine alte Frau



ein kleines Kind

eines kleinen Kindes einem kleinen Kind

ein kleines Kind


keine lieben Leute

keiner lieben Leute

keinen lieben Leuten

keine lieben Leute


Je ziet dat er meestal achter het bijvoeglijk naamwoord de uitgang –en komt, maar vijf keer komt er een andere uitgang achter. Die andere uitgang vind je in de 1ste naamval mannelijk, de 1ste en 4de naamval vrouwelijk en onzijdig.


Schematisch ziet de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord na een woord uit de ein-groep er dan zo uit:


er

e

es

en

en

en

en

en

en

en

en

en

en

e

es

en

Met een beetje goede wil kun je hierin een sleutel herkennen, dat is een gemakkelijke manier om dit eerste schema te onthouden. Binnen de sleutel staat steeds de uitgang –en achter het bijvoeglijk naamwoord, erbuiten steeds een andere uitgang.





  1. De verschillende stappen die je moet doen om de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord te bepalen:




  1. Als je de juiste uitgang moet bepalen van het bijvoeglijk naamwoord, moet je eerst kijken naar het woord dat er vóór staat. Staat er een woord uit de ein-groep voor, dan kies je het bovenstaande schema, schema II.

  2. Als je het schema hebt bepaald, dan moet je kijken naar het zelfstandig naamwoord waar het bijvoeglijk naamwoord bij hoort. Als dit bijvoorbeeld een mannelijk zelfstandig naamwoord is, dan moet je dus in de eerste kolom van schema II kijken, want daar staat ‘mannelijk’ boven.

  3. Daarna moet je de zin waarin het bijvoeglijk naamwoord staat, ontleden. Zo bepaal je in welke naamval het zelfstandig naamwoord waar het bijvoeglijk naamwoord bij hoort, moet staan.

  4. Vervolgens kies je voor het bijvoeglijk naamwoord de juiste vorm.



5. Voorbeelden:


  1. Op de straat loopt een klein meisje.




    • ‘klein’ is een bijvoeglijk naamwoord, het zegt iets over een meisje.

    • Vóór ‘klein’ staat ‘een’. ‘Een’ is een woord uit de ein-groep, je moet dus schema II kiezen.

    • ‘Klein’ hoort bij het zelfstandig naamwoord ‘meisje’. ‘meisje’ is een onzijdig woord. Je moet dus kiezen uit de derde kolom van schema II.

    • Het woord ‘meisje’ moet in de 1ste naamval staan: ‘een meisje’ is onderwerp in de zin.

    • Ik moet dus voor het bijvoeglijk naamwoord ‘klein’ de 1ste naamval onzijdig volgens schema II kiezen.


Op de straat loopt een klein meisje => Auf der Straβe geht ein kleines Mädchen.



  1. Zie je mijn rode trui?




  • ‘Rood’ zegt iets over de ‘trui’ en is dus een bijvoeglijk naamwoord.

  • Vóór ‘rood’ staat het woord ‘mijn’, dat tot de ein-groep behoort => schema II

  • ‘Trui’ is een mannelijk zelfstandig naamwoord => 1ste kolom van schema II

  • ‘Trui’ is lijdend voorwerp in de zin => 4de naamval van de 1ste kolom van schema I


Zie je mijn rode trui? => Siehst du meinen roten Pullover?



  1. Ik hoor liever geen harde muziek.




  • ‘hard’ zegt iets over de muziek en is dus een bijvoeglijk naamwoord.

  • ‘geen’ , dat voor het bijvoeglijk naamwoord staat, behoort tot ein-groep => schema II.

  • ‘muziek’ is vrouwelijk => 2de kolom van schema II.

  • ‘Muziek’ is lijdend voorwerp in de zin => 4de naamval vrouwelijk van schema II.


Ik hoor liever geen harde muziek => Ich höre lieber keine laute Musik.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina