N. J. M. Kwakman Functioneel recht veronderstelt twee dingen. In de eerste plaats een stabiele kern van fundamentele beginselen en onvervreemdbare (grond)rechten



Dovnload 10.33 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte10.33 Kb.
Deelplegen

N.J.M. Kwakman
Functioneel recht veronderstelt twee dingen. In de eerste plaats een stabiele kern van fundamentele beginselen en onvervreemdbare (grond)rechten. En in de tweede plaats voldoende ruimte en soepelheid om flexibel te kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en eigentijdse inzichten: de rechtsontwikkeling.

We zouden kunnen stellen dat – in deze twee-eenheid – de rechtsontwikkeling de neiging heeft de grenzen van de stabiele kern op te zoeken en dat de stabiele kern de neiging heeft om de rechtsontwikkeling aan banden te leggen.

Eén van de belangrijkste fundamentele beginselen van ons (straf)recht houdt in, dat de burger zo precies mogelijk moet weten waar hij aan toe is als hij bijvoorbeeld wordt verdacht van, of wordt veroordeeld voor een strafbaar feit. Dat vereiste is verwoord in het strafvorderlijke en strafrechtelijke legaliteitsbeginsel, en ligt daarnaast besloten in verschillende verdragsrechtelijk beschermde rechten: het vereiste van foreseeabilty, accessibility en preciseness van de verdragsrechtelijk erkende beperkingen op bepaalde verdragsrechten, zoals het recht op privacy van art. 8 EVRM.

Echter, het vereiste van voorzienbaarheid staat op gespannen voet met vereiste van flexibiliteit en vice versa. Om voldoende recht te doen aan zowel het vereiste van stabiliteit, als aan het vereiste van flexibiliteit, kunnen aan elk van beide vereisten geen absolute claims worden ontleend en moet er voortdurend worden gezocht naar een werkbaar en rechtens aanvaardbaar evenwicht.

Deze spanningsverhouding tussen beide uitgangspunten komt in bepaalde opzichten ook tot uitdrukking in de verhouding tussen de wetgever en de rechter.

Zo is het de taak van de wetgever om, met het oog op het voorzienbaarheidsvereiste, het (steeds voorlopige) resultaat van de rechtsontwikkeling vast te leggen in wet- en regelgeving, maar dan wel op zodanige wijze dat de rechter voldoende ruimte wordt gelaten om het recht binnen bepaalde grenzen zó uit te leggen dat optimaal ‘recht’ wordt gedaan aan eigentijdse inzichten en opvattingen.

Deze rechtsvormende taak van de rechter wordt aan de andere kant begrensd door het democratiebeginsel (een ander fundamenteel uitgangspunt van ons recht) in die zin, dat de wetgever altijd kan ingrijpen als de rechter in zijn uitleg van het recht bepaalde grenzen overschrijdt. Dat veronderstelt wel dat de wetgever zichzelf ook in staat acht, en ook daadwerkelijk in staat is, om corrigerend op te treden als dat nodig is. Als dat niet het geval is, d.w.z. als niet aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan (zoals: de nodige financiële armslag, deskundige wetgevingsjuristen, een organisatie waarin dubbele agenda’s en belangentegenstellingen tussen bijv. diensten en departementen en/of personen ondergeschikt zijn gemaakt aan gemeenschappelijke doelen, voldoende wetenschappelijke ondersteuning, etc.) dreigt het gevaar dat de wetgever achter de feiten aan blijft lopen. Het is dan niet ondenkbaar dat de rechter gedwongen wordt de grenzen niet alleen op te zoeken, maar zelfs te overschrijden om tegemoet te kunnen komen aan de communis opinio op een bepaald terrein. Een voorbeeld van zo’n ‘noodconstructie’ is de zogenaamde ‘onrechtmatigheid ex post’. De civiele rechter heeft deze noodconstructie ontwikkeld bij gebreke van een toereikende regeling voor schadevergoeding voor burgers die (als derden) de dupe waren geworden van ‘rechtmatig’ strafvorderlijk overheidsoptreden. Om tegemoet te komen aan de communis opinio dat de overheid deze gedupeerden niet met de schade mag laten zitten (zoals de schade als gevolg van een op zichzelf rechtmatige huiszoeking), overwoog de civiele rechter dat rechtmatig overheidshandelen alsnog onrechtmatig kan worden als de daaruit voortvloeiende schade niet wordt vergoed. Deze constructie heeft een sterk cirkelredeneringsgehalte, nog afgezien van de vraag of de rechtsfiguur van de onrechtmatige daad wel mag worden gebruikt om een ‘schadevergoedingsplicht uit rechtmatige daad’ te construeren. Maar de belangrijkste reden voor ingrijpen door de wetgever is, dat de wetgeving beter kan worden afgestemd op de communis opinio die uit de grensoverschrijding door de rechter blijkt. Daarmee kan de wetgever het recht op schadevergoeding plaatsen in de context waar het ook thuishoort: zelfbinding op grond van de zorgplicht van de overheid jegens alle burgers. Dat biedt tevens de ruimte om de schadevergoedingplicht te begrenzen aan de hand van een afweging van alle relevante belangen (in plaats van een in beginsel volledige schadevergoedingsplicht op grond van onrechtmatige daad).

Maar kennelijk is vooralsnog niet voldaan aan alle randvoorwaarden om het voornemen van de wetgever om een schadevergoedingsregeling in het leven te roepen, ook daadwerkelijk te vertalen in wetgeving. Het blijft dus nog wel even doormodderen met de noodconstructies.



Een ander voorbeeld is de definitie van het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’. Al geruime tijd geldt daarvoor het door de Hoge Raad geïntroduceerde (non)criterium ‘toerekening naar redelijkheid’. Een werkbaar criterium, omdat het – in concrete gevallen – invullen van het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’ optimale flexibiliteit vereist. Dat is in het verleden wel gebleken bij al die vruchteloze pogingen om een eenduidige en sluitende definitie voor het begrip ‘strafrechtelijk relevante causaliteit’ te ontwikkelen. Echter, ook hier dient de wetgever ervoor te waken dat de rechter de buitengrenzen niet overschrijdt, of dat er een onbalans ontstaat tussen flexibiliteit en voorzienbaarheid. Zo’n buitengrens zou kunnen zijn het ‘conditio sine qua non-vereiste’. Daaraan lijkt in ieder geval te moeten worden voldaan wil er sprake zijn van een strafrechtelijk relevant causaal verband (zij het dat bij het bewijs daarvan een bepaalde onzekerheidsmarge wordt aanvaard die inherent is aan ons bewijsrecht). Als de rechter die grens overschrijdt – en die neiging is er, want het c.s.q.n.-vereiste is tegenwoordig niet altijd meer doorslaggevend – is er niet langer sprake van het ‘vaststellen’ maar het ‘normatief toerekenen’ van het vereiste causale verband. De communis opinio met betrekking tot de strafwaardigheid van bepaalde gedragingen is dan als het ware (mede) doorslaggevend voor de invulling van het (non)criterium ‘toerekening naar redelijkheid’, in plaats van dat (andersom) het aantoonbare causale verband doorslaggevend is voor de strafbaarheid van de gedraging. Afgezien van het feit dat het non-criterium ‘toerekening naar redelijkheid’ de overschrijding van de buitengrenzen van het causaliteitsbegrip per definitie in de hand lijkt te werken, heeft het nog een ander nadeel: de burger kan niet altijd voorzien hoever de rechter bereid is het op te rekken.

Tijd voor ingrijpen door de wetgever dus. In de eerste plaats in de bewijsrechtelijke sfeer, om de onzekerheidsmarge bij het vaststellen van de conditio sine qua non zo klein mogelijk te houden, zodat de rechter zijn toevlucht niet hoeft te nemen tot ‘het normatief toerekenen’ in plaats van het vaststellen van het strafrechtelijk relevante causale verband (vgl. in dit verband bijv. het wetsvoorstel ‘de deskundige in het strafproces’). In de tweede plaats door de ‘communis opinio’ over de strafwaardigheid van bepaalde gedragingen (die blijkt uit het – door de rechter – ‘normatief toerekenen’ van bepaalde gevolgen aan de verdachte), te vertalen in materieelrechtelijke voorzieningen. Wat dat betreft lijkt het me de moeite waard om eens te onderzoeken of er in ons materiële strafrecht ruimte is voor rechtsfiguren als ‘onbewust medeplegen’ (d.w.z. wél opzet op het gevolg, maar niet op de samenwerking), of meer algemeen: deel-daderschap of deel-plegen. Daarmee zouden gedragingen strafbaar kunnen worden gesteld ongeacht of ook andere factoren tot het verboden gevolg hebben geleid, en het niet zeker is of de gedraging op zichzelf conditio sine qua non was voor het verboden gevolg. De rechtsfiguur ‘medeplegen’ kan daarbij als voorbeeld dienen: meerdere plegers, die gezamenlijk de delictsbestanddelen vervullen, maar zonder dat de gedraging van elk van de afzonderlijke medeplegers conditio sine qua non hoeft te zijn voor het verboden gevolg.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina