Naam cursist: Stemmingen/gevoelens



Dovnload 335.91 Kb.
Pagina1/4
Datum22.07.2016
Grootte335.91 Kb.
  1   2   3   4


Bronnenboekje

Thema 8
Stemmingen

Gevoelens

Het weer








Naam cursist:…………………………………

Stemmingen/gevoelens

Inhoud


Hoe voelen ze zich? Hoe zien ze er uit? 3 - 4

Spreekvaardigheid 5 - 8

Ik ben boos Lezen 1 9 - 11

Pas op de bus 12

Brand 13

Geef me je geld 14

Mooie muziek 15

Dronken 16

De slang 17

Een feest op school 18

Simon zoekt een vriendin 19 - 20

Simon krijgt een brief 21 - 22

Leun op mij Bob en Rowan 23

Zonder jou Paul de Leeuw en Simone Klijnsma 24

Ik hou van alle vrouwen Hans de Booy 25

Een beetje verliefd André Hazes 26 - 29

Roosje m`n roosje Conny Vandenbos 30 - 35

Koud zonder jou André Hazes 36 - 40

Bent u gelukkig? Luisteren 41 - 47

Alleen aan zee 48

Mensen (De eenzame is niet alleen) 49 - 54

Nederland (Een paar maanden in Nederland) 55 - 61



Aftekenlijst presentatie / prestatie 62

Hoe voelen ze zich? Hoe zien ze eruit?
















Stemmingen en gevoelens: welke woorden horen hierbij?

Lichamelijk

Geestelijk







Negatief













Neutraal













Positief








Spreekvaardigheid__Wat_is_er_gebeurd_Laat_zien_hoe_je_reageert.'>Spreekvaardigheid

Vul in hoe je reageert als…..




Iemand zegt:

boos

verdrietig

anders

Wat heb jij lelijke schoenen.










Ben je daar nu al weer?










Ja zeg, jij hebt tijd genoeg, je doet niets.










Je zeurt ook altijd over hetzelfde.










Je maakt veel te veel fouten.










Je kunt het wel, je bent alleen lui.










Als je niet beter Nederlands spreekt,
krijg je nooit een baan.










Knip jij je haar zelf, wat raar.










Je koopt veel te veel kleren, wat heb je daar nu aan.










Die jas van jou vind ik geen gezicht.









Niet aardig


Als mensen deze dingen tegen je zeggen is dat niet aardig.

Is er wel eens zoiets tegen je gezegd?

Wat kun je zeggen zonder boos te worden?

Spreekvaardigheid

Wat is er gebeurd? Laat zien hoe je reageert.
Je hebt net een spook gezien.
Je hebt net je sleutels verloren.
Je bent net gekust.
Je hebt de bus net gemist.
Je hebt je net gedoucht.
Je bent net naar de tandarts geweest.
Je bent net opgestaan.
Je hebt net gegeten.
Je bent net uit bed gevallen.
Je bent net in de hondenpoep gestapt.
Je hebt net een tientje op straat gevonden.
Je hebt je net met een hamer op je vinger geslagen.

Het lichaam

Hoe voel je je?


Spreekvaardigheid
Laat zien met je lijf.
Ik ben verbaasd.
Ik heb kiespijn.
Ik heb pijn in mijn been.
Ik begrijp iets niet.
Ik ben verkouden.
Ik verveel me.
Ik heb rugpijn.
Ik ben jaloers.
Ik heb het koud.
Ik ben verdrietig.
Ik ben vrolijk.
Ik ben blij.
Ik ben verliefd.
Ik ben boos.
Ik heb het warm.
Ik ben misselijk.

Spreekvaardigheid
Intonatie
De toon waarop je het zegt
De manier waarop je iets zegt is vaak net zo belangrijk als wat je zegt.

Zeg deze zinnen op drie verschillende manieren.


Ik ben boos.

Ik ben gisteren naar Amsterdam geweest.

Ik hou niet van tomaten.

Ik heb geen zin in gezeur.

Sorry.

Ja hoor.


Wat jammer.

Ben je wel lekker?

Ga je mee?

Ga toch weg.

Nee.

Da`s fijn.



Op welke toon?

Op welke toon worden de zinnen gezegd?

Wijs aan.
Op welke toon worden de zinnen gezegd?

Wijs aan.





Lezen 1
Ik ben boos
Tekst

Ik ben boos.

Ik ga naar de kapper.

Ik wil mijn haar laten wassen en knippen.

De kapster knipt mijn haar vreselijk slecht.

Ik ben boos.

Ik betaal de kapster niet.

Ik loop weg.

Ik ga nooit meer naar de kapster.
Isabella

Als ik met mijn kinderen ga winkelen

en ze vragen mij om een ijsje te kopen

en gooien dan het papier op de grond,

dan zeg ik : “Raap het papier op en gooi

het in de prullenbak”.

Dan word ik boos.
Rosa

Uit: “Dit neem ik niet” en andere verhalen.

(Bron: Veenendaalse Methode)

Lezen 1
Ik ben boos
Verwerkingsoefeningen

A. Is dit waar of niet waar? Zet een + of een _
1. Isabel wil haar haar zelf wassen.

2. De kapster doet het prima.

3. Isabel is blij.

4. Isabel betaalt € 25, - .

5. Isabel zegt: “Tot de volgende keer!”

6. Rosa heeft één kind.

7. De kinderen vinden ijs lekker.

8. Ze gooien het papier op de grond.

9. Rosa wordt erg boos.

B. Vragen.

1. Waar gaat Isabel naar toe? Zij gaat naar de …………….


2. Wat doet de kapster?
Zij ………………. en ………………. het haar van Isabel.

3. Hoeveel betaalt Isabel? Zij betaalt ……………………….

4. Gaat Isabel de volgende keer wéér naar de kapster?

Nee, zij gaat …………….. meer naar de kapster.

5. Wat willen de kinderen van Rosa eten?

Zij willen een ……………… eten.

6. Wat doen zij met het ijspapiertje?

Zij ……………… het papier …………………..

7. Waar moeten zij het papier in gooien?

Zij moeten het papier in de ……………………………… gooien.



C. Maak een goede zin.

1. Ik ga - boos.

2. Ik wil mijn - naar de kapper.

3. De kapster knipt - loop weg.

4. Ik ben - slecht.

5. En ik - haar laten knippen.



Lezen 1
Ik ben boos
Vervolg Verwerkingsoefeningen

(vervolg oefening C. Maak een goede zin.)

6. Ik betaal - op de grond.

7. Ik ga - een ijsje.

8. Rosa gaat - niet.

9. De kinderen willen - weg.

10. Ze gooien het papier - winkelen.




D. Wat is het tegengestelde?

1. de kapper - slecht 6. het kind - de vrouw

2. schoon - de kapster 7. kopen - blij

3. prima - wel 8. boos - hij

4. niet - zitten 9. zij - verkopen

5. lopen - vies 10. de man - de moeder




E. Wat is ongeveer hetzelfde?

1. slecht - heel erg

2. nooit meer - niet goed

3. wassen - dingen kopen in de stad

4. vreselijk - niet meer

5. winkelen - schoonmaken




F. Vul het goede woord in. Zoek in de tekst.

1. Isabel gaat naar de …………………………..

2. De kapster knipt het haar …………………

3. Isabel is …………………………………………….

4. Ze gaat …………………. meer naar deze kapster.

5. De kinderen van Rosa willen een .…………….. eten.

6. Ze gooien het ……………….. op de grond.

7. Ze moeten het papier in de ………………….. gooien.

8. Rosa is ook ………………………….

Pas op!
Fatma heeft een zoon.

Haar zoon heet Ali.

Hij is zes jaar.

Ali speelt op de stoep voor het huis.

Hij speelt met een bal.
De bal rolt op de weg.

Ali rent naar de bal.

Hij rent de weg op.

Dan komt er een bus aan.


Fatma staat voor het raam van haar huis

Zij roept: ‘Pas op!’

Maar Ali hoort het niet.


De bus stopt.

Fatma rent naar Ali.

Zij pakt Ali en loopt naar de stoep.

Fatma is boos op haar zoon.


Bron:beter lezen

Brand!

Kata ligt in bed. Ze slaapt.

Het is half zes `s morgens.

Het is zomer.

Het raam staat open.

Het is warm.


Kata wordt wakker.

Ze ruikt rook.

En ze ziet rook.

Ze schrikt.

Ze denkt: brand, brand, help!
Kata springt uit bed.

Ze rent naar het raam.

Ze kijkt naar buiten.
Er staan veel mensen.

De mensen roepen:

‘Het is bij de buurman!’

Kata doet snel haar kleren aan

en ze gaat naar buiten.

De brandweer komt snel.

De mannen blussen de brand.

Om zeven uur gaan alle mensen weer naar binnen.

Kata slaapt niet meer!
Geef me je geld!


Het is twaalf uur `s nachts.

Karim wacht op de bus.

Hij is alleen.

De straat is donker.
Daar komt een man aan.

Hij heeft een pet en een donkere bril op.

Hij zegt tegen Karim:

‘Geef me je geld. Snel!’

Karim zegt: ‘Ik heb geen geld.’

De dief heeft een mes.

Karim schrikt.

Karim zegt: ‘Ik heb geen geld.’

De dief zegt: ‘Geef me je geld.

Of ik steek je met het mes.’

Karim is bang.

Hij heeft echt geen geld.

Alleen zijn OV-chipkaart zit in zijn zak.

Hij kijkt rond.

Er is niemand op straat.
Daar komt de bus aan.

De dief staat in het licht van de bus.

De dief schrikt.

Hij is bang voor de mensen in de bus.

Hij rent weg.

Karim stapt snel in de bus.

Hij durft niet meer alleen in het donker op straat.

Mooie muziek


Het is zondag. Jozo en Anna zijn thuis.

Anna leest een boek.

Jozo schrijft een brief.

De radio is aan. Er is mooie muziek.

Het is lekker rustig.


Opeens horen ze muziek.

‘Wat is dat?’, vraagt Anna.

‘Het is muziek van de buurman’, zegt Jozo.

De muziek is heel erg hard.

Jozo en Anna moeten nu hard praten.

De buurman vindt harde muziek mooi.

Jozo en Anna houden van rustige muziek.

Jozo gaat naar de buurman.

Hij belt aan de deur.

Hij bonst op de deur.

Hij roept de buurman.

Maar de buurman hoort Jozo niet.



Jozo gaat terug naar huis.

Hij belt de politie.

De politie komt.

De politie praat met de buurman.

De muziek stopt.

Het is weer lekker rustig.

Dronken


Peter is klaar met zijn werk.

Hij gaat naar een café.

Hij drinkt een glas bier.

En hij drinkt nog een glas bier.

En nog één en nog één.
Het café gaat dicht.

Peter gaat naar huis.

Hij loopt niet recht.

Hij loopt op de stoep.

En hij loopt op de straat.

Hij is dronken.


Dan komt Peter thuis.

De deur is niet op slot.

Peter doet de deur open.

Het is donker in huis.

Peter loopt zacht naar boven.

Hij denkt dat zijn vrouw slaapt.


Peter loopt naar de slaapkamer.

Hij doet de deur open.

Het licht is uit.

Maar, ziet hij dat goed­?

Er liggen twee mensen in bed!

Een vrouw en een man.

Peter is erg boos. Hij slaat de man.

De man springt uit bed.

De vrouw springt uit bed.

De man doet het licht aan.

En wat ziet Peter?

Het is zijn buurman.


‘Wat doe jij hier in mijn bed?’,

vraagt Peter aan de buurman.

‘Ik woon hier. Dit is mijn huis’,

zegt de buurman.

Dan kijkt Peter naar de vrouw.

Zij is niet de vrouw van Peter.

Zij is de buurvrouw.
Peter is niet in zijn eigen huis.

Hij is in het huis van de buurman.

Peter schaamt zich.

Hij zegt: ‘Het spijt me! Het spijt me!’

En hij loopt snel de kamer uit.

Naar zijn eigen huis.

En naar zijn eigen vrouw.


Hoe kan dat nou?




De slang
Rosa gaat drie keer per week naar school.

Ze leert Nederlands.

Vandaag gaat ze niet naar school.

Rosa gaat met haar groep naar de dierentuin.


Het is mooi weer.

Ze wandelen door de dierentuin.

Ze zien olifanten, tijgers en leeuwen.

In het midden van de dierentuin staat een groot huis.

Het is een slangenhuis.

Iedereen wil naar binnen.

Rosa durft niet zo goed.

Ze is een beetje bang voor slangen.

‘Kom Rosa, ga mee!’, zegt haar leraar.
Binnen zijn bakken van glas.

In die bakken liggen slangen.

Ze zijn mooi.

Maar gelukkig liggen ze achter glas.


Rosa loopt langs de bakken.

Dan stapt ze op iets.

Het is glad en rond.

Rosa schrikt.

Ze gilt: ‘Een slang!’
Alle mensen kijken naar Rosa.

Ze kijken naar haar voeten.

Dan lacht iedereen.

Rosa staat op een tuinslang.

Een tuinslang om het slangenhuis goed schoon te maken.

Rosa lacht niet. Ze schaamt zich dood!



Een feest op school


Selma is vijftien jaar.

Vrijdag is er een feest op haar school.

Selma wil graag naar het feest.

Ze houdt van dansen.

Haar vriendinnen komen ook.

En er zijn leuke jongens.
Het feest is om half twaalf afgelopen.

Maar Selma moet om half elf thuis zijn.

Daarom heeft ze ruzie met haar vader.
Hij is bezorgd om zijn dochter.

Ze is nog jong.

Selma`s vader vindt half elf laat genoeg.

Selma begrijpt dat niet. Ze is boos.


Selma zegt:

‘Mijn vriendinnen blijven tot half twaalf.

Alleen ik moet vroeg naar huis.

Als ik tot half twaalf mag blijven,

kan ik met de anderen meefietsen.’

Maar haar vader zegt:

‘Sorry Selma, ik kom je om half elf halen.

En anders ga je maar niet.


Volgend jaar, als je zestien bent,

mag je om elf uur thuis komen, maar nu nog niet.’

Selma huilt. Ze vindt het niet eerlijk.

Ze slaat de deur dicht en rent naar haar kamer.


Simon zoekt een vriendin
Simon woont alleen.

Hij heeft geen vrouw en geen kinderen.

Het is stil in huis.
Simon werkt in een fabriek.

Hij werkt met aardige mensen.

Het zijn bijna allemaal mannen.

Sommigen zijn vrienden van Simon.

Simon gaat wel eens bij zijn vrienden op bezoek.

Of hij gaat met een vriend naar een café.


Maar Simon wil wel eens met een vrouw praten.

Hij wil graag een leuke vriendin.

Op zijn werk zijn weinig vrouwen.

In het café zijn vrouwen nooit alleen.

Ze komen met hun man of hun vriend.

Of twee vrouwen komen samen.

Simon durft dan niet met ze te praten.
Simon`s vriend zegt:

‘Je moet op zaterdag in de krant kijken.

Daar staan advertenties van mannen en vrouwen.

Allemaal mensen die een vriend of vriendin zoeken.’

‘Maar dat is toch alleen voor seks?’ ,vraagt Simon.

‘Veel advertenties wel, ’zegt zijn vriend, ‘maar niet allemaal.’


Op zaterdag zoekt Simon in de krant.

Hij zoekt de advertenties.

Het zijn er erg veel.

De advertenties zijn een beetje moeilijk.

Er staan heel veel afkortingen in.

Simon vindt twee leuke advertenties.

Nu moet hij brieven schrijven.

Dat vindt hij erg moeilijk.

Hij weet niet goed wat hij moet schrijven,

want hij kent de vrouwen niet.

Hij schrijft over zijn werk en over zijn huis.

Hij schrijft dat hij graag wil praten en lachen

en een keer naar de film wil gaan met een lieve, gezellige vrouw.

De brieven zijn klaar.

Hij moet ze alleen nog in de brievenbus doen.

Maar hij durft niet. Hij legt ze in de kast.

Misschien vinden de vrouwen zijn brieven niet leuk.

Of misschien zijn het erg lelijke vrouwen!


Zondag is het slecht weer.

Simon zit thuis.

Het is erg stil in huis.

Simon is niet gelukkig.

Hij pakt de brieven en hij doet ze in de brievenbus.

En hij denkt: als de vrouwen niet terug schrijven,

dan zoek ik een andere vriendin in de krant!




Simon krijgt een brief
Simon wacht.

Hij wacht op een brief.

Een brief van een vrouw uit de krant.

Simon wacht al een week.

Dan hoort hij de brievenbus. Er is post.

Bij de post is een brief!

Een brief van de vrouw van de advertentie.

Het is een heel leuke brief.

De vrouw heet Rian.

Ze wil met Simon in een restaurant gaan eten.

Haar telefoonnummer staat in de brief.
Simon pakt de telefoon.

Zijn handen zijn nat van het zweet.

Wat moet ik zeggen?, denkt hij.

Hij draait het nummer.

Rian is thuis.

Ze praten een paar minuten.

Het is erg leuk om met Rian te praten.

Ze maken een afspraak voor het volgende weekend.


Het is zaterdag. Simon is erg nerveus.

Hij gaat vandaag met Rian naar het restaurant.

Simon heeft nieuwe kleren gekocht.

Hij is ook naar de kapper geweest.

Simon kijkt in de spiegel.

Hij ziet een bange man.

Hij moet erg lachen. Dat is beter!

Hij denkt: ik moet niet zo bang zijn.


Om half zeven gaat Simon naar het restaurant.

Daar ziet hij Rian.

Ze ziet er erg leuk uit.

Simon weet niet goed wat hij moet zeggen.

Rian vraagt naar zijn werk.

Ze beginnen te praten.

Ze praten de hele avond.

Het is heel gezellig.
Om één uur wil Rian naar huis.

Simon wil haar graag nog een keer zien.

Maar hij durft niets te vragen.

Ze lopen naar de auto van Rian.

Rian zegt: ‘Ik vond het leuk, Simon.

Zullen we nog een keer afspreken?’

Simon is blij.

Hij wil Rian morgen weer zien

en maandag weer en dinsdag weer.

Maar ze maken een afspraak voor volgende week.

Simon rijdt naar huis.

Hij zingt en hij lacht.

Hij droomt van een mooie vrouw.

Hij droomt van Rian!



Leun op mij Bob en Rowan
Je kan leunen op me en je kan steunen op me,
en als het even niet meer gaat pak ik de teugels voor je,
en de lasten worden groter met de dag, maar we lachen als we vallen, 
samen sterk, daaruit putten we de kracht want, niets is sterker dan de vriendschap, 
want onze band is veel meer waard dan een miljoen op de bank,
en ik bedank je voor de tijden die we hebben samen,
je kan bellen als er iets is, je weet dat we het redden, samen.

Jij weet alles wat er speelt,


met wie ik alles heb gedeeld,
en wanneer ik val dan vang je mij,
jij weet hoe mijn leven gaat,
weet dat jij er altijd staat,
iemand die me altijd steunt en dat ben jij.

Kom bij mij, leun op mij,


als het even niet meer gaat, leun op mij.

Ik kan leunen op je schouder als de druk te groot wordt.


Ik kan leven met je fouten omdat jij dat ook doet.
Je kan springen in het diepe, geen probleem ik vang je op.
En we weten alle twee dat het nooit meer anders wordt want,
wij zijn twee personen, we hebben één gedachte;
Leven, leven waar de wereld steeds verandert, en hoe hard het ook wordt, 
jij zal daar zijn, als er iets is, vraag het aan mij.

Jij weet alles wat er speelt,


met wie ik alles heb gedeeld,
en wanneer ik val dan vang je mij,
jij weet hoe mijn leven gaat,
weet dat jij er altijd staat,
iemand die me altijd steunt en dat ben jij.
Kom bij mij, leun op mij,
als het even niet meer gaat, leun op mij.
Kom bij mij, leun op mij,
als het even niet meer gaat, leun op mij.

Je kan leunen op me en je kan steunen op me (leun op mij).


Je kan leunen op me en je kan steunen op me (leun op mij).
Want je kan leunen op me. En je kan steunen op me.
(Als het even) je kan (niet meer gaat) leunen.
Leun, op mij..
Zonder jou Paul de Leeuw

Simone Klijnsma


Bijna altijd ruzie, met elkaar,

het werd me allemaal te veel.

We konden niets meer hebben van elkaar,

de onmacht vloog me naar m`n keel.


Ik besloot m`n leven alleen te leven,

maar ik kan alles opnieuw vergeven.

Stil, het is zo stil hier alleen.
Zonder jou, is alles in m`n leven killer,

zonder jou, is alles plotseling veel stiller.

Zonder jou, is wat voorheen vertrouwd was, niet vertrouwd.

En zonder jou tegen me aan is elke nacht weer koud.


Hoewel jij vaak gedreigd had, weg te gaan,

dacht ik: ze speelt gewoon een spel.

Ik heb je aangehoord maar niets gedaan,

totdat je zei: "Nou, dag, vaarwel."


Lamgeslagen heb ik op bed gezeten,

toen jij de deur had dichtgesmeten,

zomaar, ik heb je zomaar laten gaan.
Zonder jou, is alles in dit huis veel killer,

zonder jou, is alles plotseling veel stiller.

Zonder jou, is wat voorheen vertrouwd was, niet vertrouwd.

En zonder jou tegen me aan is elke nacht weer koud.




Zonder jou .....

Waarom, waarom, waarom …..

Is alles in m`n leven killer

Heb ik je laten lopen.

Zonder jou …..

Waarom, waarom, waarom …..

Is alles plotseling veel stiller …….


gaan dromen over.

Zonder jou .....

Waarom, waarom, waarom …..

is wat voorheen vertrouwd was, niet vertrouwd.

Je bent m`n hele leven.

En zonder jou tegen me aan,

is elke nacht weer …… (samen) :
Zonder jou, is alles in mijn leven killer,
zonder jou, is alles plotseling veel stiller.
Zonder jou is, wat voorheen vertrouwd was, niet vertrouwd.

En zonder jou tegen me aan is elke nacht weer koud.

Wat moet ik nou, zo zonder jou ……….

ben ik alleen

zo zonder jou



Ik hou van alle vrouwen Hans de Booy

Ik hou van alle vrouwen,

mijn hart is veel te groot,

mijn hart is veel te groot,

Daar ben ik mee geboren,

en daar ga ik ook mee dood,

daar ga ik ook mee dood.
Ik hou van alle vrouwen,

dat is een groot verdriet,

ja dat is een groot verdriet.

Met een kan ik maar trouwen,

en daarom trouw ik niet,

en daarom trouw ik niet.

Zo ben ik geboren,

en zo ga ik ook weer dood.


Ik hou van alle ogen,

ik kijk er zo graag in,

ik kijk er zo graag in.

Hoe meer ik word bedrogen,

hoe meer ik ze bemin,

hoe meer ik ze bemin.


Ik hou van heel het leven,

het leven om een vrouw,

Het leven om een vrouw.

Om ieder wat te geven,

ben ik ze allen trouw,

ben ik ze allen trouw.

Zo ben ik geboren,

en zo ga ik ook weer dood.





Muziek
Een beetje verliefd Andrè Hazes
Tekst
In een discotheek

Zat ik van de week

En ik voelde mij

Daar zo alleen.

`t Was er warm en druk

Ik zat naast een lege kruk

Ik verlangde zo naar jou

Hier aan mijn zij.


Ja, ik denk nog steeds

Hoe het was geweest

Toen je naast me zat

Hier aan de bar.

Ik vroeg: “Drink je mee?”

Dat vond jij okee.

Toen je proostte, naar me keek

Werd ik zo week.


Refrein: Een beetje verliefd

Ik dacht, een beetje verliefd.

Als ik wist wat jij toen dacht

Had ik nooit op jou gewacht.

Als een kind zat ik te dromen:

Deze nacht ben jij voor mij

Maar die droom ging snel voorbij.
Jij stond op en zei:

“Hou m`n plaatsje vrij,

ik moet even weg

maar ben zo terug.”

Ach die kruk bleef leeg

Tot ik in de gaten kreeg

Dat je wegging zonder mij.

Ik was weer alleen.


Refrein:
(Bron: Veenendaalse Methode)

Muziek



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina