Naam cursist: Stemmingen/gevoelens



Dovnload 335.91 Kb.
Pagina2/4
Datum22.07.2016
Grootte335.91 Kb.
1   2   3   4

Verwerkingsoefeningen



Een beetje verliefd André Hazes

A. Wat hoort er niet bij?

1. alleen – verlaten – samen – eenzaam

2. de bioscoop – de disco – het café – het warenhuis

3. zitten – lopen – hollen – springen

4. gisteren – morgen – eergisteren – verleden jaar

5. hard – zacht – week – teer

6. verlangen – wensen – graag willen – afkeer
B. Wat is (hier in de tekst) het tegengestelde?

1. alleen - niet goed 6. dag - daar

2. ik - bezet 7. snel - staan

3. warm - samen 8. steeds - nacht

4. leeg - koud 9. hier - langzaam

5. okee - jij 10. zitten - nooit


C. Wat is ongeveer hetzelfde?

1. alleen - veel mensen 5. steeds - goed

2. warm - eenzaam 6. okee - houden van

3. druk - cinema 7. verliefd - met zijn tweeën

4. bioscoop - heet 8. samen - altijd
D. Maak een goede zin.

1. In een discotheek zat - zat ik te dromen.

2. En ik voelde mij daar - plaatsje vrij.

3. `t Was er warm - even weg.

4. Ik verlang zo - en druk.

5. Als een kind - zo alleen.

6. Hou m`n - ik van de week.

7. Ik moet - naar jou.



Muziek
Een beetje verliefd André Hazes
Verwerkingsoefeningen
E. Vul het goede woord in.

1. In een discotheek ……………. ik van de week. - zat

2. En ik ……………. mij daar zo alleen. - zat

3. `t ……………. er warm en druk. - verlangde

4. Ik ……………. naast een lege kruk. - was

5. Ik ……………. zo naar jou. - voelde

6. Ik ……………. een beetje verliefd. - ging

7. Als ik ……….. ,wat jij toen ………… - dacht

8. ………. ik nooit op jou gewacht. - dacht

9. Als een kind ……………. ik te dromen. - zat

10. Maar die droom ……………. snel voorbij. - wist

- had
F. Waar of niet waar?

1. Hij zit thuis.

2. Hij heeft het warm.

3. Hij is verliefd.

4. Hij is alleen.

5. Het meisje vindt hem aardig.

6. Hij is vrolijk.



Muziek
Een beetje verliefd André Hazes
Gatentekst
In een discotheek

Zat ik ……………. de week

En ik voelde mij

……………. zo alleen.

`t Was er warm en …………….

Ik zat naast een lege kruk.

Ik verlangde zo ……………. jou.

Hier ……………. mijn zij.


Ja, ……………. denk nog steeds

Hoe het ……………. geweest

Toen je naast me zat

Hier aan de …………….

Ik vroeg: “Drink je …………….

Dat vond ……………. okee.

Toen je proostte, naar me keek

werd ……………. zo week.


Refrein: Een beetje verliefd

Ik dacht, een ……………. verliefd.

Als ……………. wist wat jij toen dacht

Had ik nooit ……………. jou gewacht.

Als een kind zat ik ……………. dromen:

Deze nacht ……………. jij voor mij

Maar die droom ging snel voorbij.
Jij stond ……………. en zei:

Hou m`n plaatsje vrij,

Ik moet even …………….

Maar ben zo terug

Ach die kruk bleef …………….

Tot ik in de gaten kreeg

Dat ……………. wegging zonder mij.

Ik was nu alleen.


Refrein:

Muziek
Roosje m`n Roosje Conny Vandenbos
Tekst
Hij vergeet nooit die eerste ontmoeting,

en hij weet nog precies wat ze zei.

Hij vergeet nooit toen zij in z`n armen,

voor het eerst zei: “De liefste ben jij.”

Hij vergeet nooit die nacht na de trouwdag,

haar grapjes, haar ernst en haar trouw,

en hij weet nog precies hoe ze lachte,

toen hij zei: “Ik maak een liedje voor jou.”

Refrein: Ik geef je een roosje, m`n Roosje.

Ik geef je een roos elke dag.

En ik hou van jou tot de wei zonder dauw.

En de echo niet lacht om een lach.


Ik zag ze zo vaak in ons straatje,

een oud, heel tevreden lief paar.

Als het strand bij de zee,

waren zij met z`n twee,

want ze hielden zoveel van elkaar.

Ieder kind wist, van hem kreeg je dropjes

en zij gaf de kleinste een zoen.

Zij schuifelden saam naar het hoekje

en hij zong z`n liedje van toen.

Refrein.
Nu loopt hij alleen door het straatje

en staat stil bij de dropjesdrogist.

Hij koopt daar wat snoep voor een kleintje,

dat niet weet, dat hij oma zo mist.

Daar plukt hij een roos uit een tuintje,

Dat mag, want men kent zijn verdriet.

Dan zet hij die bloem bij haar steentje

en zingt daar heel zachtjes haar lied.

Ik geef je een roosje, m`n Roosje,

ik geef je een roos, elke dag,

geen uur gaat voorbij, of je bent dichtbij mij.

Ik kom nu heel gauw, als het mag.

(Bron: Veenendaalse Methode)



Muziek
Roosje m`n Roosje Conny Vandenbos
Verwerkingsoefeningen
A. Wat hoort er niet bij?

1. vroeger – gisteren – toen – vorige week – straks.

2. nooit – niet – een beetje – geen.

3. de trouwdag – de bruid – de bui – de bruidegom.

4. de nacht – de maan – de avond – het ontbijt – donker.

5. de muziek – het liedje – de zanger – de wangen.

6. de roos – de tulp – de bloem – de narcis.

7. vaak – elke keer – veel – bijna niet.

8. lief – vervelend – aardig – leuk.

9. de zee – de golf – het water – de bossen.

10. het dropje – de appel – het snoepje – het koekje.
B. Wat is het tegengestelde?

1. vergeten - de dag 9. niet - een traan

2. de eerste - krijgen 10. een lach - bijna nooit

3. nooit - altijd 11. vaak - wel

4. de nacht - nog weten 12. oud - grootste

5. erna - met 13. lief - weinig

6. lachen - ervoor 14. veel - samen

7. geven - de laatste 15. kleinste - jong

8. zonder - huilen 16. alleen - vervelend
C. Maak een goede zin.

1. Ik geef je elke - haar lied

2. Hij weet hoe - alleen

3. Hij loopt nu - dag een roos

4. Hij staat stil bij - zij lachte

5. Hij zingt zachtjes - de drogist

6. Hij plukt een - op het strand

7. Ze houden - zij zei

8. Ik maak een - roos

9. Hij weet nog wat - van elkaar

10. Ze lopen samen - een liedje

Muziek
Roosje m`n Roosje Conny Vandenbos
Luistervragen
Na één keer luisteren.

Is dit waar of niet waar?
1. De man is alleen.

2. Hij vindt alleen rozen mooi.


Na de volgende luisterronde(s).

Is dit waar of niet waar?

1. Het liedje gaat over een man.

2. Vroeger was hij getrouwd.

3. Hij heeft een liedje gemaakt.

4. Vroeger gaf hij elke dag een roos aan zijn vrouw.

5. De zangeres zag de man nooit.

6. De man gaf dropjes aan kinderen.

7. De man en de vrouw leven nog.

8. De man koopt snoep bij de drogist.

9. Hij is verdrietig.

10. De man wil ook wel gauw doodgaan.
Vragen.

1. Houdt de man veel van zijn vrouw?

2. Leeft de oma ook nog?

3. Wat koopt hij bij de drogist? Voor wie koopt hij dit?

4. Hoe oud is de man ongeveer, denk je?

Muziek
Roosje m`n Roosje Conny Vandenbos
Verwerkingsoefeningen
D. Zoek de verleden tijdsvorm.

1. Hij weet het goed. - liep

2. Hij loopt nu alleen. - wist

3. Hij zegt nooit iets. - gaf

4. Ik geef je een roosje. - plukte

5. Hij plukt een mooie roos . - zei

6. De man staat stil bij de drogist. - kocht

7. Hij zingt een liedje voor haar. - kende

8. Waarom krijg ik niets. - zong

9. Hij koopt een nieuwe jas . - kreeg

10. Men kent zijn verdriet. - stond

11. Hij weet het precies. - hielden

12. Ik zie ze vaak lopen. - wist

13. Ze schuifelen naar het hoekje. - schuifelden

14. Ze lacht bijna altijd. - lachte

15. Ze houden veel van elkaar. - zag




E. Zet in het meervoud.

1. Ik maak een liedje voor jou. - Wij maken een liedje

2. Ik geef je een roosje. - Wij ………………………..

3. Hij zingt een liedje. - Zij …………………………

4. Hij loopt nu alleen. - Zij …………………………

5. Jij komt toch wel? - Jullie ……………………..

6. Zij wil geen koffie. - Zij ………………………

7. Hij weet het nog precies. - Zij ………………………

8. Ik mis je zo erg. - Wij ………………………..

9. Hij staat stil bij de drogist. - Zij ………………………..

10. Ik loop langs het strand. - Wij ………………………..
Muziek
Roosje m`n Roosje Conny Vandenbos
Vervolg verwerkingsoefeningen
F. Zoek de fout.

1. Ze houdt zoveel van elkaar.

2. Hij staat stil op de drogist.

3. Hij koopt snoep in een kleintje.

4. Gisteren zie ik hem lopen.

5. Ik hou door jou.

6. Ze loopt samen aan het strand.

7. Ik geef je een roos, elke dagen.

8. Hij plukken een roos in een tuin.
G. Waar of niet waar?

1. De man is oud.

2. De man maakt een lied.

3. De vrouw is dood.

4. Niemand kent de man.

5. Hij plukt bloemen.

6. De man is aardig.




Muziek
Roosje m`n roosje Conny Vandenbos
Gatentekst
Hij vergeet nooit die ……………. ontmoeting

en hij ……………. nog precies wat ze zei.

Hij vergeet nooit ………….. zij in z`n armen,

voor het eerst zei: “De liefste ben ………………”

Hij vergeet nooit die …………… na de trouwdag,

haar grapjes, haar ernst en haar trouw,

en hij weet nog precies ………… ze lachte,

toen hij zei: “Ik maak een liedje voor jou.”

Refrein: Ik geef je een ……………, m`n Roosje.

Ik geef je een roos elke dag.

En ik hou van jou tot de wei ……………… dauw.

en de echo niet lacht om een lach.


Ik zag ze zo vaak in ons ………………;

een oud, heel tevreden lief paar.

Als het strand bij de ………………,

waren zij met z`n twee,

want ze hielden ……………… van elkaar.

Ieder kind wist, van hem kreeg je dropjes

en zij gaf de kleinste een ………………

Zij schuifelden saam naar het hoekje

en hij zong z`n ……………… van toen.

Refrein.
Nu loopt hij alleen door het straatje

en staat stil ……………… de dropjesdrogist.

Hij koopt dan wat snoep voor een kleintje,

dat niet weet, dat hij ……………… zo mist.

Daar plukt hij een roos uit een tuintje,

dat mag, want men ……………… zijn verdriet.

Dan zet hij die bloem bij haar steentje

en zingt daar heel zachtjes haar ………………

Ik geef je een ………………, m`n Roosje,

Ik geef je een roos, elke dag,

geen uur gaat voorbij, of je ……………… dichtbij mij.

Ik kom nu heel gauw, als het mag.

Muziek
Koud zonder jou André Hazes
Luistervragen
Na één keer luisteren.

Is dit waar of niet waar?

1. De zanger is verdrietig.

2. Het regent.

3. Hij houdt van het meisje.


Na de volgende luisterronde(s).

Is dit waar of niet waar?

1. Het is slecht weer.

2. Hij hoopt dat ze niet meer komt.

3. Hij krijgt het koud als zij er niet is.

4. Hij kan de druppels op het raam goed tellen.

5. Hij wil heel graag dat zij weer terugkomt.

6. Hij zegt heel vaak dat hij van haar houdt.

7. Hij heeft haar veel cadeautjes gegeven.

8. Het is avond en het is donker.

9. Hij schrijft haar naam op het papier.

10. Hij wil bij haar weggaan.

11. Hij houdt heel veel van haar.


Vragen.

1. Hoe lang zit de man al voor het raam?

2. Aan wie denkt hij?

3. Waar zit hij?

4. Wat voor weer is het?

(Bron: Veenendaalse Methode)



Muziek
Koud zonder jou André Hazes
Tekst
Ik zit hier nu al uren.

Door het raam kijk ik op straat.

Ik weet dat jij niet komt, maar ik heb hoop.

Het regent en de druppels.

Ik tel ze op mijn raam.

Ik kom niet ver, want steeds hoor ik je naam.

Het is koud zonder jou, maar toch blijf ik je trouw.

Ik hoef je niet te zeggen, dat ik van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zegt dat genoeg.
Moet ik je dan steeds zeggen, “Schat, ik hou van jou.”

Ik gaf je alles, wat je mij ook vroeg.

Het is kil, alleen in huis.

“Alsjeblieft, kom toch weer thuis.”

Ik hoef je niet te zeggen, dat ik van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zegt dat genoeg.


De avond is gevallen, de lichten zijn al aan.

Voor me ligt alweer een lange nacht.

Hoe lang zal dit nog duren.

Mijn ramen die beslaan.

Met mijn vinger schrijf ik langzaam je naam.

Het is koud zonder jou, maar toch blijf ik je trouw.

Ik hoef je niet te zeggen, dat ik van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zeg dat genoeg.


Moet ik je dan steeds zeggen, “Schat, ik hou van jou.”

Ik gaf je alles, wat je mij ook vroeg.

Het is stil, alleen in huis.

“Alsjeblieft, kom toch weer thuis.”

Ik hoef je niet te zeggen, dat ik van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zeg dat genoeg.



Muziek
Koud zonder jou André Hazes
Verwerkingsoefeningen
A. Wat hoort er niet bij?

1. de uren – de minuten – de seconden – de dagen – de klok.

2. de regen – de druppel – nat – de storm – de bui.

3. koud – kil – koel – vochtig.

4. alleen – eenzaam – in je eentje – gezamenlijk.

5. de avond – donker – de nacht – zonnig – de maan.

6. schrijven – het papier – het geluid – de pen – het schrift.

7. stil – rustig – lawaai – zonder geluid.

8. steeds – elke keer – nooit – dikwijls.
B. Wat is ongeveer hetzelfde? C. Wat is het tegengestelde?

1. hier - kil 1. ver - onvoldoende

2. steeds - duister 2. zit - warm

3. koud - op deze plaats 3. komt - dichtbij

4. genoeg - elke keer 4. koud - sta

5. donker - voldoende 5. genoeg - gaat


D. Vul het goede woord in.

1. Ik kijk ………… buiten. - in

2. Ik hou ………… jou. - naar

3. Je moet maar ………… mijn ogen kijken. - van

4. Het is koud alleen ………… huis. - op

5. Ik schrijf jouw naam ………… papier. - in


E. Vul het goede woord in.

1. Ik ………… de druppels op het raam. - ligt

2. Maar ik ………… steeds je naam. - schrijf

3. Het ………… kou zonder jou. - kom

4. Oh, alsjeblieft ………… toch naar huis. - is

5. Ik ………… je naam op het raam. - zijn

6. De lichten ………… al aan. - hoor

7. Er ………… een lange nacht voor mij. - tel



Muziek
Koud zonder jou André Hazes
Verwerkingsoefeningen
F. Maak een goede zin.

1. ik – langzaam – schrijf – naam – je.

2. ligt – een – alweer – voor – lange – mij – nacht.

3. hoor – steeds – naam – ik – je.

4. weet – jij – dat – komt – niet – ik.

5. koud – het – zonder – is – jou.


G. Zoek de fout.

1. Het zijn kil alleen in huis.

2. Ik tel de drippel op het raam.

3. Ik zit hier nu pas uren.

4. Ik weet dat jij niet kom.

5. Hoe lang zal dit duurt?

6. De avond zijn al gevallen.
H. Waar of niet waar?

1. De zanger zit al heel lang te wachten.

2. Hij heeft het koud.

3. Het regent.

4. Hij zit voor het raam.

5. Hij wil dat ze niet terugkomt.

6. Hij is alleen.




Muziek
Koud zonder jou André Hazes
Gatentekst
Ik ………… hier nu al uren.

Door het raam ………… ik op straat.

Ik weet dat jij niet komt, maar ik heb hoop.

Het regent ………… de druppels.

Ik tel ze op mijn ………… .

Ik kom niet ver, want steeds hoor ik je naam.

Het is koud ………… jou, maar toch blijf ik je trouw.

Ik hoef je niet te zeggen, dat ………… van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zegt ………… genoeg.
Moet ik je dan steeds zeggen, “Schat, ik ………… van jou.”

Ik gaf je alles, wat je mij ………… vroeg.

Het is kil, alleen in huis.

“Alsjeblieft, kom toch weer ………… .”

Ik hoef je ………… te zeggen, dat ik van je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, zegt ………… genoeg.


De avond is gevallen, de lichten ………… al aan.

Voor me ligt alweer een lange nacht.

Hoe lang zal ………… nog duren.

Mijn ramen die beslaan.

Met mijn vinger ………… ik langzaam je naam.

Het is koud zonder jou, maar toch ………… ik je trouw.

Ik hoef je niet te zeggen, dat ik ………… je hou.

Als je in mijn ogen kijkt, ………… dat genoeg.


Moet ik je dan steeds zeggen, “Schat, ik hou ………… jou.”

Ik gaf je alles, wat je mij ook vroeg.

Het is stil, ………… in huis.

“Alsjeblieft, kom toch ………… thuis.”

Ik hoef je niet te zeggen, dat ………… van je hou.

Als je in mijn ………… kijkt, zegt dat genoeg.



Luisteren
Bent u gelukkig?”
Luisteroefening

Studienet.fcroc.nl/FC–Sprint²/beginners/thema8
Hieronder staan een aantal woorden.

Zet een streep onder de woorden die je hoort.
gelukkig luisteren

kinderen roepen

getrouwd zuinig

wonen bank

klein euro

boerderij ongelukkig

zee blij

lezen vrienden

Bent u gelukkig?”
Luistervragen
Is dit waar of niet waar?

1. De man heeft 2 kinderen.

2. De man is niet getrouwd.

3. De man vindt op reis gaan heel leuk.

4. Hij heeft veel geld.

5. Hij wil erg veel doen.

6. Hij zet zijn geld op de bank.

7. Hij heeft vier vrienden.

8. De man is ongelukkig.

9. De man heeft 2 miljoen euro.

10. De man wil graag meer geld hebben.

(Bron: Veenendaalse Methode)



Luisteren
Bent u gelukkig?”
Tekst
Bent u gelukkig?”
Ik ken een miljonair.

Hij is heel erg ongelukkig.

Hij is alleen en erg ontevreden.

Hij heeft geen vrouw en kinderen.

Hij is vrijgezel.

Hij wil nooit reizen, want dat vindt hij zo vermoeiend.

Hij kan hier niet wonen, omdat het te koud is.

Hij wil daar niet wonen, omdat het te warm is.

Dit huis vindt hij te groot en dat huis te klein.

Hij wil niet met vakantie naar zee gaan.

Maar hij wil ook niet naar de bergen.

Hij wil niet lezen.

Hij wil niet naar de radio luisteren en ook niet naar de televisie kijken.

Hij geeft zijn geld niet uit, omdat hij wil sparen.

Hij is zuinig.

Maar hij hoeft helemaal niet zuinig te zijn.

Hij heeft 10 miljoen euro op de bank.

Tien miljoen euro is veel geld.

Toch is hij ongelukkig.

Hij heeft ook geen vrienden.

Hij is altijd ontevreden.

Ik wil geen kwaad over hem spreken.

Misschien ben ik ook wel ongelukkig als ik 10 miljoen euro heb.

Maar met 2 miljoen euro kan ik toch wel heel erg gelukkig zijn!

U ook?

Luisteren
Bent u gelukkig?”
Verwerkingsoefeningen
A. wat hoort er niet bij?

1. de vrouw – de dame – de mevrouw – de man – de jongedame.

2. de meneer – de jongen – de heer – de man – de mijnheer.

3. alleenstaand – vrijgezel – ongetrouwd – gehuwd.

4. weggaan – onderweg – reizen – thuis zijn – vertrekken.

5. het huis – wonen – thuis zijn – woning – de trein.

6. het strand – de zee – het zand – de regen – de zomer.

7. lezen – de boeken – het tijdschrift – luisteren.

8. arm – veel geld – miljonair – verdienen – rijk.

9. blij – vrolijk – zuinig – prettig – gelukkig.

10. de t.v. – de telefoon – de radio – het boek – cd-speler.

B. Wat is ongeveer hetzelfde?

1. ongelukkig - het kan niet

2. ontevreden - niet gehuwd

3. ongetrouwd - niet zo normaal

4. ongewoon - niet tevreden

5. onmogelijk - niet blij


6. miljonair - niet veel geld uitgeven

7. vrijgezel - je wordt er moe van

8. vermoeiend - geld naar de bank brengen en bewaren

9. zuinig - iemand die niet getrouwd is

10. sparen - iemand die heel veel geld heeft


C. Wat is het tegengestelde?

1. ongelukkig - spreken 6. veel - geld uitgeven

2. miljonair - altijd 7. reizen - zeker

3. zomer - gelukkig 8. vriend - weinig

4. luisteren - arm 9. misschien - vijand

5. nooit - winter 10. sparen - thuisblijven



Luisteren
Bent u gelukkig?”
Vervolg verwerkingsoefeningen
In de volgende zinnen is een woord weggelaten.

Welk woord moet je invullen?

zuinig – vrijgezel – vermoeiend – ongelukkig – sparen


1. Deze man is niet getrouwd. Hij is ………………….

2. Mijn buurman lacht nooit. Hij is ……………………

3. Ik geef nooit te veel geld uit. Ik ben ………………

4. We willen een nieuwe auto kopen. We gaan ………………..

5. Na een lange reis wil zij veel slapen. Reizen is ……………….



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina