Naam: Nr.: Leerkracht: de heer Geuens Klas: 3d datum: n V. t. Vak



Dovnload 15.13 Kb.
Datum29.09.2016
Grootte15.13 Kb.
Naam: Nr.:
Leerkracht: de heer Geuens Klas: 3D
Datum: n.v.t. Vak: Geschiedenis


Begrippen en verklaringen - Geschiedenis


1.)ancien régime
-Oorspronkelijk: aanduiding va de politieke en sociale organisatie van de (Franse) samenleving vóór de grote economische, sociale, politieke e culturele veranderingen vanaf ca.1750.

2.)miniatuur
-Schildering of tekening in een middeleeuws handschrift.

3.)haakploeg
-Primitieve soort houten ploeg zonder wielen, waarmee de grond wordt opengereten.

4.)autarkie
-Economische onafhankelijkheid, economisch systeem dat steunt op zelfvoorziening, gesloten economie zonder intense handel.

5.)drieslagstelsel
-Systeem waarbij de landbouwgrond in drie delen (slagen) wordt verdeeld. elke deel wordt vervolgens een beurtrol twee jaar bebouwd (één jaar met wintergraan, bijvoorbeeld tarwe of rogge), één keer met zomergraan (bijvoorbeeld gerst of haver) e ten slotte één jaar braak gelaten om de grond te laten herstellen.

6.)haam
-Leren of houten juk om de schouders van een trekpaard waarmee het dier een ploeg of een kar voorttrekt.

7.)inpolderen
-Droogleggen van overstromingsgebied door het aanleggen van dijken en afwateringskanalen.

8.)keerploeg
-Ploeg die steunt op een as met twee wielen en voorzien is van een koutermes, een ploegschaar en een keerblad. De keerploeg snijdt de opengereten grond open en keert die in zoden om.

9.)ontginnen
-Woeste gronden geschikt maken voor landbouw door het grondig wegwerken van de natuurlijke begroeiing.

10.)tweeslagstelsel
-Systeem waarbij de landbouwgrond wordt verdeeld in twee delen (slagen). Elk deel wordt volgens een beurtrol één jaar bebouwd e één jaar braak gelaten om de grond te laten herstellen.

11.)zaadrendement
-Cijfer dat aangeeft hoeveel kilogram graan er gemiddeld geoogst wordt na het zaaien van 1kg zaaigoed.

12.)bevolkingsexplosie
-Een tijdelijke enorme groei van de bevolking, bijvoorbeeld vanaf ca.1750 in Europa en vanaf de 20ste eeuw in de ontwikkelingslanden. Die groei was explosief in vergelijking met de trage bevolkingsgroei in het ancien régime*.

13.)bevolkingsstructuur
-De algemene kenmerken, karakteristieken van een bevolking in een samenleving.

14.)geboorteoverschot
-Positief verschil tussen nataliteit* en mortaliteit*, met andere woorden het aantal geboorten in een bepaalde periode dat het aantal stergevallen overtreft.

15.)huwelijkspatroon
-De kenmerken van de huwelijken in een samenleving, bijvoorbeeld het percentage mensen dat huwt en het percentage dat nooit trouwt, of de huwelijksleeftijd.

16.)mortaliteit
-Sterftecijfer, sterfteniveau, meestal uitgedrukt in het aantal sterfgevallen per duizend levende mensen.

17.)nataliteit
-Geboortecijfer, geboorteniveau, meestal uitgedrukt in het aantal geboorten per duizend levende mensen.

18.)ondervoeding
-Onvoldoende voeding, niet zozeer een tekort, dan wel een eenzijdige en eiwitarme voeding.

19.)overbevolking
-Toestand waarin de omvang van de bevolking te groot is voord e beschikbare hoeveelheid bestaansmiddelen. De landbouw- en voedselproductie kan de bevolkingsgroei niet bijhouden.

20.)bastaardkind
-Kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk.

21.)endogamie
-Trouwen met iemand van zijn eigen stand en geloof in zijn eigen dorp of buurt.

22.)monogamie
-Huwelijk met één partner; in het ancien régime het huwelijk van één man met één vrouw (tegenover polygamie of een huwelijk van één man met verscheidene vrouwen tegelijk).

23.)kogge
-Scheepstype dat gebruikt werd van de 10de tot de 15de eeuw. Een kogge waas breed en kort, met ronde, hoogopstaande stevens (voorste en achterste deel van een schip) en aanvankelijk met één mast met zeil. Het laadvermogen kon oplopen tot 20 ton.

24.)nokkenas
-Mechanisme waarmee een continu draaiende beweging, bijvoorbeeld van een windmolen, wordt omgezet in een op- en neergaande beweging.

25.)turf
-Gedroogd veen om vuur van te stoken, gebruikt als huisbrandstof.

26.)specerijen
-Kruiden, bijvoorbeeld kaneel, peper, kruidnagel ...

27.)sacrament
-Symbolische handeling waarin de gelovige door bemiddeling van een priester de zegen van God krijgt.

28.)abt
-Overste van een abdij (klooster).

29.)ambstadel
-Niet adellijke personen die wegens bewezen diensten in het bestuur door de vorst in de adelstand waren opgenomen.

30.)clerus
-Stand van geestelijken*.

31.)geestelijke
-Gewijde persoon, in dienst van de kerk.

32.)horige
-Onvrije, meestal door geboorte, maar ook op vrijwillige basis. In tegenstelling tot een slaag had een horige persoonlijke rechten (bijvoorbeeld het recht om te huwen) en zakelijke rechten (bijvoorbeeld het recht op bezit). Er bestonden twee soorten onvrijen of horigen: laten* (gedeeltelijke onvrijen) en lijfeigenen (volledig onvrijen).

33.)laat
-Gedeeltelijke onvrije, meestal afstammend van een vrije die bescherming had gezocht bij een grootgrondbezitter en daardoor vrijwillig onvij was geworden. Voor het gebruik van de grond moest de laat met een deel van de oogst betalen en allerlei karweien verrichten voor de heer. Een laat die afstand deed van de grond, werd weer volledig vrij.

34.)lijfeigene
-Volledig onvrije, afstammend va een slaag. voor het gebruik van de grond moest de lijfeigene een deel van de oogst betalen en allerlei karweien verrichten voor de heer. In tegenstelling tot de laat* mocht de lijfeigene de grond niet verlaten omdat hij persoonlijk gebonden was aan de heer.

35.)privilege
-Voorrecht voor bijzondere personen of groepen personen.

36.)stand
-Afgesloten groep in de maatschappij, bepaald door geboorte, met eigen (voor)rechten en plichten.

37.)standensamenleving
-Samenleving waarvan de bevolking is onderverdeeld in verschillende standen*; elke stand heeft verschillende rechten en plichten.

38.)tiende
-Belasting, meestal één tiende van de veldgewassen, vruchten of jongen van dieren dat men aan de kerk moest afstaan voor het onderhoud van de plaatselijke pastoor en van de kerkgebouwen, en ter ondersteuning van de armen.

39.)klooster
-Plaats waar monniken* of nonnen zich hebben teruggetrokken om hun leven aan God te wijden.

40.)monnik
-Geestelijke* die zich in een klooster aan God wijdt.

41.)bedelorde
-Religieuze orde die het armoede-ideaal nastreefde; de bedelmonniken hadden geen gemeenschappelijke bezit en leefden van wat ze al bedelend bij elkaar kregen.

42.)begijn
-Vrome vrouw die in een gemeenschap zonder kloosterregel en religieus leven leidde. In de Nederlanden leefden de begijnen samen in begijnhoven.

43.)inquisitie
-Kerkelijke rechtbank die de taak had ketters* op te sporen en te bestraffen.

44.)kathaar
-Lid van een religieuze beweging in de 12de-13de eeuw die omwille van haar afwijkende ideeën door de kerk vervolgd werd als ketters*.

45.)ketter
-Iemand die door de kerk wordt afgekeurd omwille van zijn afwijkende ideeën.



Versie: 30.11.a2011-16.49 Computerstudio1 – Texas Intruments 650CD – Begrippen en verklaringen
Versie: 09.12.b2012-20.22 Computerliving6 – Acer Aspire One - Update



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina