Naamvallen duits



Dovnload 10.44 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte10.44 Kb.
NAAMVALLEN DUITS
Wat is eigenlijk een naamval?

Zoals uit de inleiding blijkt: een naamval is eigenlijk gewoon een zinsdeel. Om zinsdelen te herkennen moet je zinnen ontleden. Op de basisschool heb je dat geleerd: je hakt een zin in stukjes, en benoemt de zinsdelen. De leraar pakt zijn tas ontleed je dus door te schrijven: de leraar / pakt / zijn tas. Waar we in het Nederlands praten over onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, enzovoort, praten de Duitsers over 1e naamval, 2e naamval, 3e naamval en 4e naamval. Op zijn Duits: erster Fall, zweiter Fall, dritter Fall, vierter Fall.


Dus het is niet moeilijker dan in het Nederlands?

Wat het moeilijker maakt is dat per naamval woorden van vorm veranderen. Het woordje 'der' kan veranderen in bijvoorbeeld 'den' als het een andere naamval wordt. Leerlingen roepen op dit punt vaak: dit begrijp ik niet. Terwijl dit deel nu juist niet begrepen moet worden: woorden die van vorm veranderen moet je uit je hoofd kunnen leren, of op kunnen zoeken. Later voor je werk kun je het bijvoorbeeld opzoeken op internet of in een grammaticaboek. Op sommige scholen willen leraren dat je ze uit je hoofd leert, op andere scholen zijn leraren tevreden als je het op kunt zoeken. Als je het alleen maar hoeft op te zoeken, is het eigenlijk (bijna) niet moeilijker dan in het Nederlands; het gaat dan nog altijd uitsluitend om het herkennen van de naamvallen. Zinsontleden dus.

Overigens kende de Nederlandse taal vroeger ook naamvallen. Een bekend voorbeeld is de officiele schrijfwijze van Den Haag: 's-Gravenhage. Dat staat voluit voor: des Graven Hage. En 'des' is hier een naamval. In het Nederlands zijn de naamvallen vrijwel verdwenen, behalve dus bij enkele steden en enkele ouderwetse uitdrukkingen ("in naam des Heren"). In het Duits zijn de naamvallen er nog volop!
1e naamval = onderwerp

De leraar pakt zijn tas: de leraar is het onderwerp. Moeder geeft haar peuter een snoepje: moeder is het onderwerp. Het onderwerp is altijd degene die iets doet in de zin. Daarom hoort het onderwerp ook bij het werkwoord. Het werkwoord wordt bij ontleden persoonsvorm genoemd (als er meer werkwoorden zijn: de werkwoorden bij elkaar noemt men dan gezegde). Wat wij in Nederland onderwerp noemen, noemen Duitsers dus eigenlijk erster Fall. Eerste naamval. Begrijpen? Nee: leren! Je moet gewoon leren dat onderwerp 1e naamval is.


2e naamval = bijvoeglijke bepaling met van

De tweede naamval hoef je op school niet altijd te leren. Op vmbo-scholen wordt dit bijna altijd overgeslagen. Tweede naamval is ook wat ouderwets. De 2e naamval geeft bezit aan: de tas van de leraar, de jurk van mijn moeder, het geschenk van de buurjongen, de liefde van mijn leven. Het deel wat begint met 'van' is in het Nederlands een bijvoeglijke bepaling. Er bestaan meerdere bijvoeglijke bepalingen. Dat is voor naamvallen niet zo heel belangrijk. Je zou kunnen proberen te herkennen dat iets een tweede naamval is doordat je in het Nederlands het woord 'van' gebruikt. En er zit een bezit in: het gaat altijd om het .... van .... En op de plaats van de puntjes kun je van alles invullen.


3e naamval = meewerkend voorwerp

Elke zin heeft een onderwerp. Zonder onderwerp is iets geen complete zin. Een meewerkend voorwerp (en hierna een lijdend voorwerp) zit niet in iedere zin. De meeste zinnen hebben geen meewerkend voorwerp. Je herkent het meewerkend voorwerp doordat je het woordje 'aan' erbij kunt verzinnen. Daarnet bij 1e naamval noemde ik: de leraar pakt zijn tas. Je kunt bij de leraar niet 'aan' erbij verzinnen, bij 'zijn tas' ook niet, er is dus geen meewerkend voorwerp. De andere zin: moeder geeft haar peuter een snoepje. Bij 'haar peuter' kun je verzinnen: 'moeder geeft AAN haar peuter een snoepje'. Haar peuter is dus meewerkend voorwerp. Meewerkend voorwerp is dritter Fall, derde naamval: niet begrijpen, leren!


4e naamval = lijdend voorwerp

In de voorbeeldzinnen staan lijdende voorwerpen, niet in alle zinnen. In de ene zin is het 'zijn tas'. In de zin over de peuter is het lijdend voorwerp: 'een snoepje'. Het lijdend voorwerp herken je altijd via het trucje: stel een vraag die begint met 'wie' of 'wat' en zet daarna persoonsvorm/gezegde en daarna het onderwerp. Antwoord op deze vraag is het lijdend voorwerp. Eerste voorbeeldzin: wat + pakt + de leraar? Antwoord is 'zijn tas', en dit is dus lijdend voorwerp. Tweede zin: wat + geeft + de moeder? Antwoord is 'een snoepje', en dit is dus lijdend voorwerp. Lijdend voorwerp is vierter Fall, vierde naamval: niet begrijpen, leren!


Dit is het begin!

Het wordt ietsje ingewikkelder op het moment dat er voorzetsels aan te pas komen. Zinsdelen die beginnen met voorzetsels krijgen vaste naamvallen, soms derde naamval, soms vierde naamval. Het verhaal hierboven was echter de basis.Duitse naamvallen, in het kort:


Ontleden :

1ste Naamval = Onderwerp = HIJ

2de Naamval = VAN HEM

3de Naamval = Meewerkend Voorwerp = AAN/VOOR HEM

4de Naamval = Lijdend Voorwerp = HEM
Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud

1e Naamval Der Die Das Die

2e Naamval Des Der Des Der

3e Naamval Dem Der Dem Den ( +n )

4e Naamval Den Die Das Die
Voorzetsels:

Hieronder een tabel waarin je kunt zien welke naamval volgt op welk voorzetsel.


Als er sprake is van: Zich Bevinden = 3e Naamval

Als er sprake is van: Verplaatsing = 4e Naamval


3e Naamval 4e Naamval Keuze Naamval

Aus (Uit) Bis (Tot) An (Bij)

Bei (Bij) Durch (Door) Auf (Op)

Mit (Met) Für (Voor) Hinter (Achter)

Nach (Na) Gegen (Tegen) Neben (Naast)

Seit (Sinds) Ohne (Zonder) In (In)

Von (Van) Um (Om) Über (Boven)

Zu (Naar) Entlang (Langs) Unter (Onder)

Außer (Behalve) Vor (Voor)

Gegenüber Zwischen (Tussen)


(Tegenover)

Entgegen (in tegenstelling tot)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina