Nachtmerries



Dovnload 0.6 Mb.
Pagina1/11
Datum21.08.2016
Grootte0.6 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Nachtmerries
Door mijn eigen ervaring ben ik ervan overtuigd dat huisdieren helpen in de psychiatrie. Als tienjarig meisje was ik heel erg bang voor katten. Daar wilde ik vanaf, en vroeg daarom aan mijn ouders om een poesje voor mijzelf. We hadden er genoeg thuis, dus kreeg ik het zwarte poesje met de witte bef. Elke ochtend, zodra ik opstond, zocht ik mijn poesje, haalde het aan, vertroetelde het en begon ervan te houden. Op een ochtend zocht ik mijn poesje weer, maar vond het niet, en vroeg aan mijn ouders of ze haar misschien ook ergens hadden zien lopen. Toen bleek dat ze het beestje net hadden verdronken in een emmer, want er waren veel te veel katten in huis. Ik verstarde van schrik en kon op geen enkele manier reageren. Liep naar school alsof er niets gebeurd was, maar zag achter ons huis wel de emmer staan, met mijn verdronken poes erin. Ze had het schuim om haar bekje, en zag er uit alsof ze me zo aan wou vliegen. Dat beeld, dat ben ik nooit meer kwijtgeraakt.

Er kwam een enorm gevoel van afschuw over me en een diepe angst voor katten. Groter dan het ooit geweest was. En ik besloot om nooit, en dan ook nooit meer in mijn leven me aan een kat te binden. Mijn nachtmerries kwamen. De zwarte kat werd enorm groot, besprong me, klauwde me en beet, beet maar. Steeds opnieuw, en ik kon niet wegkomen. Toen ik eindelijk wakker werd, voelde ik de pijn nog, alsof ik echt gebeten was.

Vijftig jaar heeft deze nachtmerrie me achtervolgd, en vijftig jaar heb ik elke kat ontweken. Want kwam er een kat in mijn omgeving, dan volgde prompt die nachtmerrie. Op dit punt heeft geen opname, geen gesprek of medicijn daar iets aan kunnen doen.

Totdat er een nieuwe buurvrouw naast ons kwam wonen, die twee katten nam. Later kwamen er nog een paar bij. Drie katten kregen ook nog jongen. Tien, twaalf, veertien, zeventien katten. Ze vlogen door onze tuin. Doodsbang was ik voor ze, en met veel tamtam joeg ik ze weg. Maar er was één kat die zich niets van mij aantrok. Helemaal niets. Vloog weg als ik haar wegjoeg, maar kwam terug en gaf mij kopjes. Ik griezelde, maar liet het toe, al volgde er de nachtmerrie. Ze had ook jonge katjes gekregen. Kwam toch even in onze tuin. Streelde langs mijn been, en ik gaf haar wat melk. De volgende morgen stond ze voor mijn keukendeur door het raam te kijken, en ik gaf haar wat eten. De morgen erna stond ze weer voor het raam, nu met drie jonge katjes naast haar. Wat moest ik daar nu mee? Ik gaf ze toch maar wat te eten. Maar vanaf die tijd stonden ze iedere morgen voor het raam op mij te wachten. Het vertederde me, maar ik durfde die gevoelens niet toe te laten. Eén jong katje ging naar andere mensen, een ander jong katje bleef uit zichzelf weg. De moederkat nam afstand van haar kinderen en stond ook niet meer voor mijn keukendeur. Maar er bleef één katje komen. Elke morgen als ik wakker werd en de keuken inliep, zat ze daar. Het regende en ik liet haar binnen eten. Ze zakte eens door het ijs en ik hielp haar, troostte en vertroetelde haar, en ze sliep in mijn armen. De nachtmerrie bleef, maar was niet meer zo heftig. Toen kreeg ze zelf jongen, die ze bij mij, op mijn kamertje, neer wou leggen. Maar dat kon ik niet toelaten. Want als de katjes er waren, moest ik het nestje toch wegbrengen en het leek me voor de moederpoes niet goed om een nest te verplaatsen. Het was mijn poesje niet, en hoewel ze niet wou, bracht ik haar toch naar de buurvrouw. Thuis kwamen mijn tranen, om alles, om het verleden en om het heden. Nooit, ook toen niet als kind, toen ik mijn verdronken poes zo verkrampt in de emmer zag liggen, heb ik een traan gelaten. Maar nu kwamen ze in niet te stuiten huilbuien. ’s Avonds waren alle kleine katjes er, en we mochten bij hen. Ik mocht er ook wel eentje uitzoeken. Maar dat kon ik niet, omdat ik zo intens veel was gaan houden van de moederpoes.

Maar een dier is geen ding, de buurvrouw hield net zo goed veel van dat poesje. Daarom zei ik niets. Mijn zwager maakte eens een praatje met haar en vertelde wel dat ik zoveel hield van de moederpoes. Dan moest ik maar komen, en als alles achter de rug was met het voeden, dan mocht ik haar wel hebben. Het poesje was toch al heel vaak bij me. Ze had er wel wat moeite mee, maar ze had zelf nog acht poezen. Ze wist van mijn angst voor katten, en wou er wel aan meehelpen dat ik nu zelf ook een poesje had.

Er kwam een geweldige emotie over me, en weer tranen, allemaal tranen. Wel drong het opeens tot me door dat de nachtmerrie al een poosje weg was, en nu ook wegbleef. Na vijftig jaar is de nachtmerrie weg, en heb ik zelf, toch weer een poes, die iets voor elkaar gebracht heeft, wat ik voor onmogelijk hield.

Dieren doen iets bij mensen. Veel mensen zijn psychiatrisch patiënt geworden, omdat het leven niet vriendelijk voor hen is geweest. En voelen heel sterk de behoefte aan wat liefde, warmte en genegenheid. Dieren kunnen hier een bepaalde rol in vervullen. Maar wij als mensen horen lief te zijn voor de dieren. Ze niet te mishandelen of onze frustraties op af te reageren. Maar goed te verzorgen. Dan zal er een band komen tussen mens en dier, die beiden ten goede zal komen.
Anneke Wiegers

Bondgenoten
Na uitvoerig overleg was de afspraak gezet om half zeven.

‘Aan alle kanten een onpraktische tijd’, zei mijn moeder toen ze de telefoon neerlegde. ‘Wat een inbreuk op het normale gezinsritme.’

‘Ik ga er rechtstreeks vanaf mijn werk heen,’ zei mijn vader. ‘Ik zie jullie daar wel.’

Mijn moeder keek hem vernietigend aan. Jij maakt je er weer gemakkelijk van af, zei haar blik. Mijn vader haalde domweg zijn schouders op. Hij bracht het geld binnen, en daarmee had hij bepaalde privileges.

Die bewuste avond zette mijn moeder ons zwijgzaam een bord tomatensoep uit blik voor.

‘Moet je echt dat aan,’ vroeg ze me vlak voor het vertrek, na me gemonsterd te hebben met een blik alsof ze een pak melk openmaakte dat zuur was geworden. ‘In die wijde broek zie je er nog uitgemergelder uit dan je al bent.’ Mijn antwoord wachtte ze niet meer af. Als laatste inspecteerde ze mijn nek en schouders.

‘In ieder geval heb je dat smerige beest niet bij je’, zei ze. Met dat smerige beest bedoelde ze Fritzie, mijn witte rat. Ik had hem twee jaar geleden persoonlijk gered uit een proefdierenlaboratorium en hem met alle geduld van de wereld tam gemaakt. Dit alles tot grote ergernis van mijn moeder, die bleef volhouden dat ratten enge ziektes overbrachten en daarom met een grote boog om ons heen liep. Fritzie en ik waren onafscheidelijk. Ik vertelde hem al mijn geheimen. Hij had net zo de pest aan mijn ouders en mijn zus als ik.

Onderweg praatte mijn zus op een samenzweerderige toon met mijn moeder. Ik liep er achteraan en deed mijn best niets van het gesprek op te vangen. Het zou vast en zeker over mij gaan.



I. Akersloot, gezinstherapeut stond er op het koperen naambordje op de brede deur. Mijn moeder keek op haar horloge.

‘We hebben nog vijf minuten,’ zei ze. Ze pakte een pakje Marlboro’s uit haar tas en haalde er een sigaret uit.

‘Mam, moet dat nu,’ vroeg ik, ‘we hoeven toch niet op het allerlaatste moment aan te komen.’

‘Half zeven is half zeven,’ zei mijn moeder, terwijl ze de rook in rondjes uitblies. ‘Waarom moet jij ook altijd iets zoeken om over te zeuren. In plaats dat je dankbaar bent dat we dit voor jou doen.’

Ze trapte de sigaret uit op de grond. Volkomen overbodig ging ze er met haar schoen nog een paar keer overheen, alsof ze een kakkerlak doodtrapte.

De buzzer liet ons na het aanbellen binnen in de wachtkamer. Mijn vader was er al, verdiept in een tijdschrift. Precies op het moment dat we wilden gaan zitten opende mevrouw Akersloot de deur van haar praktijk. Ik zag een donkerblonde vrouw van een jaar of veertig. Haar enorme bos krullend haar droeg ze in een lage knot in haar nek. Op haar lippen had ze wat zachtroze lippenstift, maar behalve dat droeg ze geen make-up.

‘Komt u binnen,’ zei mevrouw Akersloot. ‘Ja, jij ook hoor,’ voegde ze eraan toe tegen mijn zusje die tegen de muur leunde en een verse kauwgom in haar mond stak.

De kamer was ruim en licht. Aan de muur hing een kindertekening van een eekhoorn. Eén van de ramen stond op een kier.

‘Eerst een vraag voor we gaan beginnen,’ zei mijn moeder, terwijl ze op de leren stoel plaats nam. ‘Ik wil weten hoeveel tijd dit hele verhaal Iris gaat kosten? Het is al met al toch een inbreuk op de normale gang binnen ons gezin.’

Mevrouw Akersloot wachtte rustig tot iedereen zijn plaats had ingenomen. Na wat heen en weer geschuif zaten we in een kring, met de therapeut tussen mij en mijn moeder in. Mijn zusje zat tussen mijn ouders in.

‘Ik zal het u uitleggen,’ zei ze. ‘Het is de bedoeling dat u alle vier aanwezig bent tijdens alle bijeenkomsten.’

Mijn moeders mond viel open.

‘De hele tijd?’ zei ze. ‘Alle gesprekken? Dat kunt u niet menen.’

‘Waar is dat in vredesnaam goed voor,’ vroeg mijn vader, die rechtop in zijn stoel ging zitten. ‘Ik bedoel, er is toch niets mis met ons. Er is iets mis met háár.’ Hij wees met zijn kin richting mij. Mijn zusje schoof haar stoel een stukje dichter naar mijn vader toe en knikte bevestigend.

‘Zo doen we het hier altijd,’ zei mevrouw Akersloot. ‘We gaan ervan uit dat u allemaal lid bent van dit gezin, en als er met iemand een probleem is, dat alle leden van het gezin dat samen moeten oplossen.’

Mijn moeder haalde haar schouders op. ‘Ik kan u alvast één ding zeggen,’ zei ze. ‘U zult er zelf nog wel achterkomen, maar er is echt niets mis met óns. Mijn jongste dochter doet het goed op school, ze heeft vriendinnen bij de vleet en ze is beleefd en aardig.’

Ellis liet haar kauwgom in haar mond knappen. Een akelig geluid waarvan ze wist dat ik er niet tegen kon.

‘Mijn man heeft een goede baan, en ik zorg dat thuis alles perfect op rolletjes loopt.’

‘Zo werken we nu eenmaal,’ zei mevrouw Akersloot, ‘en daar wijken we niet van af.’

‘Ik weet niet of ik zoveel tijd vrij kan maken,’ zei mijn vader. ‘Ik bedoel, ik heb verantwoordelijke werk. Dat kost me al meer dan zestig uur per week.’

Mevrouw Akersloot keek hem kalm aan. Haar blauwe ogen waren ongewoon helder.

‘Meneer,’ zei ze, ‘er zijn problemen met uw gezin. Ik vraag u daar tijd voor vrij te maken. Heeft u dat er voor over of niet?’

Mijn vader keek haar aan alsof hij door een wesp gestoken was. ‘Als u het zo stelt,’ zei hij afgemeten. ‘Ik vroeg me alleen maar af of het ook anders kon. Dat was alles hoor.’

‘Nou, wat wilt u van ons,’ zei mijn moeder. ‘Zeg het maar. We zijn er allemaal. Laten we maar beginnen met uw programma. Iris, let jij ook op of zit je weer eens te dromen? We zijn hier tenslotte voor jou. Dat besef je toch wel, hoop ik? En haal alsjeblieft die hand uit je zak, het is geen gezicht.’

Buiten hoorde ik kinderen schreeuwen. Mijn keel voelde droog aan. We waren nog maar een paar minuten binnen. Mevrouw Akersloot draaide haar gezicht naar me toe en keek me aandachtig aan. Op dat moment liep Fritzie mijn hand achterna die ik uit mijn broekzak haalde en nu op mijn schoot legde. Even, een fractie van een seconde maar, kwam zijn staart boven mijn broekzak uit. Maar mevrouw Akersloot zag het. Onmiskenbaar. Ze knipperde met haar ogen op een manier die alleen door mij als een knipoog uitgelegd kon worden.

‘Vertel eens Iris,’ zei ze, ‘hoe is het voor jou om hier te zijn?’ Haar stem klonk ongekend warm.



Fritzie duwde zijn neus door het gat in mijn broekzak tegen mijn been. Zijn nageltjes krasten vertrouwd over mijn huid. Niets zou vanaf dit moment nog hetzelfde zijn. Ik besefte dat ik nu twee bondgenoten had.
Maria Pia de Jong

Mijn hond Fellow
Ik ben Colinda en heb mijn hond gekocht om mijn herstel te bevorderen. Vroeger toen ik jong was leefde ik in een gewelddadig gezin. Waar niemand met elkaar praatte, en je alles alleen moest oplossen. We hadden een hond genaamd Monkey, die alles voor mij betekende. We gingen wel eens trimmen in een bos en dan ging hij altijd mee. Ook deed hij de oefeningen mee. Maar sprong altijd in de sloot in plaats van erover. Ineens was hij er niet meer. Later hoorden we dat mijn vader daar iets mee te maken had (wat hij ermee gedaan heeft weten we niet). Toen mijn vader wegging mochten we een ander hondje Monkey 2. Daar vertelde ik mijn lief en leed aan. Toen hij klein was heb ik hem Brinta-pap gevoerd en ging bij hem op de grond liggen in de keuken. Totdat ik dacht ik neem hem stiekem mee naar boven. Mijn moeder kwam erachter maar vond het goed. Hij is 10 jaar geworden en we moesten hem laten inslapen terwijl ik op vakantie was. Dat kon ik nooit loslaten. Dat ik er niet was om afscheid van hem te nemen. En ik had niemand meer om mee te praten. Ik kan dat niet goed met mensen praten over mijn gevoelens maar met Monkey wel. Hij luisterde en voelde aan als ik verdrietig was en legde dan zijn hoofdje op mijn schoot. Likte de traantjes weg als ik huilde. Echt een grootte troost was hij. Ik miste dat na 10 jaar nog. Ik heb inmiddels zelf 2 kinderen en ben gelukkig getrouwd, maar miste toch een hond waar ik al mijn gevoel in kwijt kon. Ik had al twee honden, maar die gaven mij niet wat ik zocht. Naar veel zeuren mocht ik dan toch nog een hondje erbij. Ik zei dat het een therapeutische werking voor mij zou hebben. Het werd een engelse cocker spaniel. Een trio collor. Hij heet Fellow. En is echt ook mijn vriend. Ik zeg veel hoe mooi ik hem vind en hoeveel ik van hem hou. Maar echt praten tegen hem doe ik niet. Maar wel dat ik tegen hem aan ga liggen en dan in mijn hoofd tegen hem praat (net alsof hij mijn gedachten kan lezen). Hij houdt onvoorwaardelijk van me en laat dat ook merken. Hij is lief maar ondeugend en kijkt soms zo zielig dat je hem wel moet knuffelen. Fellow heeft mij over het verdriet heen geholpen van Monkey, de hond die mij door mijn zwaarste jaren heen geholpen heeft. Door Fellow ben ik vrolijker, als ik naar hem kijk wordt ik warm van binnen. Hij geeft mij iets wat mensen mij nooit kunnen geven. Hij hangt dan ook erg aan mij. En volgt mij overal. Als ik in bad ben, ligt hij voor de deur op mij te wachten. Maar als ik mopper tegen de kinderen of met hun stoei, staat hij erbij. Dan moet ik weer lachen. Ook als ik knuffel met mijn man wil hij er zich tussen wringen (dat is minder leuk, hihi). Hij is pas 2 jaar geworden dus ik kan nog vele jaren van hem genieten, maar ik merk dat hij mij erg helpt. Hij vult een leegte op die alleen hij kan vullen. Hij is nog heel speels en heeft dan ook graag mijn broekspijpen in zijn bek. Daar schudt hij mee, Ik weet dat ik dat niet moet goedkeuren, maar het maakt me aan het lachen. Ook glijdt hij graag van een glijbaantje dat we hadden staan. En kroop in de vaatwasser. Je maakt zoveel leuke dingen met hem mee. En als ik boos of verdrietig ben, is hij er voor mij. Dat voelen ze op een of andere manier. Mijn Fellow is dan ook mijn fellow (vriend).
Colinda den Otter


Mijn Lichtpuntje

De dagen gaan traag


en toch vliegensvlug
voorbij.
Vaak denk ik:
"God, is er nog een
toekomst voor mij?"

Niets heb ik meer te vertellen


Pijn beheerst mijn leven
-zowel geestelijk
-als lichamelijk.
Alsof de hel me is
komen bezoeken
op deze aarde.

En dan opeens...


zie ik jou
-mijn hondje Joepie-
voor mij van
onschatbare waarde.

Pina Jones




Vriendschap/Joep

Je geeft om mij


Want ik geef om jou
Van jou word ik blij
Omdat ik van je hou
Als ik je nodig heb
Steun je mij
Als jij mij nodig hebt
Ben ik er zo bij
Ik zou je alles kunnen vertellen
Want je luistert zonder kritiek
Jij neemt me in vertrouwen
Of dient me van 'repliek'
Jouw vriendschap is zo mooi,
Het is zo uniek
Het zorgt ervoor dat ik mijn
Leven niet vergooi,
aan onnozel publiek
Vriendschap moet je koesteren,
Laat dus geen sprankje vergaan
Want weet je,
Zònder vriendschap,
Kan niemand het leven aan.

Pina Jones






Dieren hebben mijn leven gered
Ik zal me eerst even voorstellen: mijn naam is Wilma Winteraeken, ik ben 47 jaar en woon in Heerlen in Zuid-Limburg. Verder ben ik in het ‘bezit’ van een man, een dochter, die journalistiek in Tilburg studeert en… 13 katten en 4 honden.

Mijn hele leven heb ik depressieve periodes gekend. Alleen, vroeger had dat geen naam… het was nu eenmaal zo dat ik vaak maanden niet echt leefde, ondanks man en kind, leuk huis, enzovoorts.

In 1992 zocht ik voor het eerst ‘hulp’ en de molen van hulpverleners, therapieën, medicatie, enzovoorts, begon te draaien.

Helaas, ik bleef ‘zwerven’ op mijn fiets: uren hing ik rond bij de spoorwegovergang, waar ik dacht dat de ‘oplossing’ lag!

Toevallig kreeg mijn dochter Marijke die afschuwelijke, donkere winter twee poesjes.

Hen te verzorgen vond ik leuk. Na een paar weken, weer op mijn fiets bij het spoor, dacht ik voor de eerste keer: “Ik moet naar huis om de katten te voeren...”

Nooit eerder had ik de behoefte gevoeld om naar huis te gaan, om mijn kind te verzorgen. Dat was de ‘knop’ die eindelijk omging.

De jaren daarna breidde onze ‘dierentuin’ zich uit en niets maakt me gelukkiger dan bij mijn dieren te zijn en hun onvoorwaardelijke liefde te ervaren. Nog steeds heb ik depressies, heel erg zelfs, maar hoe ‘diep’ ik ook kan zijn, ik verzorg steeds mijn dieren en mijn eerste lachje komst steeds door hen. Zonder dieren was ik er waarschijnlijk niet meer geweest.

Dus meer dan alle therapieën, medicijnen, alternatieve wegen, enzovoorts, hebben mijn dieren mijn leven gered.

Ik hoop dat het niet erg is dat ik dit niet meer overlees en netter schrijf, want dan durf ik het misschien niet meer op te sturen.

Ik ben heus geen excentriek dierenvrouwtje, hoor, maar door de positieve energie van mijn ‘vee’ kan ik functioneren, thuis, in mijn baan, familie, de ‘maatschappij’.

Ik hoop heel erg dat de ‘wetenschap’ zo vlug mogelijk dieren, dus het weer contact hebben met je zintuigen, gaat ‘toepassen’. Al is dat een raar woord voor zoiets ‘natuurlijks’ als dieren.

Bedankt voor het lezen en vriendelijke groet,
Wilma Winteraeken

Mijn goudvis Juul

Ergens in Gouda woon ik. Alleen op een kleine flat, vier hoog, samen met mijn grote vriend Juul.

Juul woont bij mij in een ronde vissenkom. De kom staat op een smalle plank van de scheidingswand tussen kamer en keuken. Juul is altijd in voor een praatje en dan wiebelt hij met z'n staartje heen en weer. Hij lijkt groter dan ie is. Dat is fijn want als je elkaar goed kunt zien praat het beter. Vaak vertel ik hele verhalen aan hem, die ik aan niemand anders zal vertellen. Het mooiste is dat hij luistert en met die mooie zwarte ogen me aankijkt. Juul vertelt nooit iets aan een ander. Daarom kan ik alles tegen hem zeggen.

Ik geniet ervan als hij daar zo statig langs het glas zwemt. Het voeren is ook elke dag grote pret. Hap, slik, weg. Juul heeft altijd honger, ik heb ook altijd trek. Daarom kunnen we het nog beter met elkaar vinden. Hij vindt mij altijd mooi en lief. Hij vindt het helemaal niet erg dat ik een pondje meer weeg. Hij neemt mij zoals ik ben. Ook al ben ik in heel slechte bui, Juul luistert geduldig. En als ik dat oranje lijfie zie kronkelen van genoegen omdat hij mij ziet is de boze bui gauw weer over.

Uren kan ik naar hem kijken.

"Lieve Juul, ik kan je echt niet meer missen. Aan wie zou ik dan moeten vertellen hoe verdrietig ik soms ben. De mensen worden je zat a1s je vaak hetzelfde wil vertellen. Je wilt het ook niet vertellen. Jij lieve Juul luistert geduldig, al vertel ik honderd keer hoe afschuwelijk akelig ik me soms voel. Soms Juul ben ik blij en dan weet ik ook niet waar ik met mijn verhaal heen moet en dan ben jij er gelukkig. Dan zwaai je enthousiast met je staartje en dan ben ik blij dat er tenminste iemand naar mij luistert ook al ben jij maar een goudvis.”

Ergens in Gouda woon ik. Alleen op een kleine flat, vier hoog, samen met mijn grote vriend Juul, de allerliefste goudvis.
Maria van den Heuvel

Huisdieren voor de mentaal sterken
Ik haat huisdieren. Ik weet dat ik me hiermee niet populair maak. In deze samenleving waar mensen hun halve maandsalaris besteden aan dieetvoer voor Miesje, en hun dierbare Wodan naar een hondendagverblijf brengen. Waar mensen honderden kilometers rijden naar een academische dierenkliniek om advies te krijgen voor hun toekan met eczeem. Bij ‘Paardenkathedraal‘ denk ik aan een opwindende toneelavond, niet aan een academische dierenkliniek.

In het algemeen heb ik niets tegen dieren, integendeel, ik houd ontzettend van wad- en strandvogels. Zoals de wulp, de bonte strandloper of de ordinaire scholekster. Spelende kokmeeuwtjes kunnen me in extase brengen. Maar ze hoeven voor mij niet in huis. In de koelkast, vooruit. Toch heb ik liever vegetarische groenteballetjes.


Ik heb het echt geprobeerd. Een jaar lang deelde ik mijn slaapkamer, zelfs mijn bed, met kakkerlakken. Dat beviel niet. Ik moest een hamer aanschaffen om ze dood te slaan. Ons huis was geliefd door dieren. De ratten liepen in de avondschemering in marsorde over de keukenmuur. We gooiden met flessen naar ze, soms gilde er één: raak. Ik huiver er nog van, zo’n bloedig einde. Een moeilijke herinnering is ook die van de vogelspin in mijn kamer. Mijn vriendin sloeg hem dood met haar gezondheidssandaal. Vooral dat laatste detail: fnuikend voor mijn teer gemoed.

Toch liet ik me overhalen twee katjes in huis te nemen. Ze waren lief, speels, aaibaar, aandoenlijk, echt waar. Een schattig gezicht als ze in elkaar gerold in mijn luie stoel in slaap vielen. Daar had ik eigenlijk in willen zitten lezen. Ik bracht dus de hele avond noodgedwongen door op mijn enige andere stoel: een houten keukenstoel. Ik maakte in arren moede dan maar foto’s. Zodat ik nu nog weet hoe schattig ze waren. Gelukkig maar. Een goed tegenwicht tegen al die nare herinneringen. Natuurlijk bleven die katjes niet klein. Ze werden volwassen en zwanger. Met als resultaat een krioelend nest vol snoezige jonge poesjes. Toen er één mormel uit het nest gewipt werd en ik de verstoteling zelf met een pipetje melk moest voeren, dag en nacht, ging de lol eraf. `Debiel’, was het harde oordeel van een vriendje dat van de boerderij kwam. Hij nam het halflamme katje mee naar de badkamer en verzoop het in de wasbak. Oh, gruwel. Onze verhouding is daarna nooit meer ontspannen geweest. Nachten heb ik niet geslapen, gebukt onder schuldgevoel en vreselijke nachtmerries, ik durfde weken mijn tanden niet boven de wasbak te poetsen.

Mijn gevoelige psyche kreeg nog meer te verduren. Eén van de poezen kreeg een hersentumor, wat tot onvoorspelbare agressiviteit leidde. Zo verklaarde de dierenarts later, aan wie ik mijn spaarpotje voor sombere tijden moest afgeven. Op een onverwacht moment, toen ik naakt uit de badkamer kwam, vloog dat kreng - of moet ik zeggen de patiënt - me aan en beet zich vast in mijn been. Ik kreeg ‘m er niet af. De bloederige details bespaar ik u, maar ik voel de tetanusspuit in mijn bil nóg.

Ik had het gehad met huisdieren. De overgebleven kat schonk ik aan het vriendje van de boerderij. Ik zou wel alleen blijven, mijn hele leven.

Dat lukte me natuurlijk niet. Voor ik het besefte had ik een huis vol kinderen. Dat ging me beter af dan huisdieren: kinderen zijn makkelijker te disciplineren, ze eten min of meer wat de pot schaft, zelfs tahoe als ze niet beter weten, en je kunt veel lol met ze hebben. Ze hielden natuurlijk veel van dieren, dat heb je met kinderen. Oudste zoons eerste woordje was `miauw!’ , hij telde net tien maanden. Een half jaar later kende hij heel Elseviers Dieren Wereld uit zijn hoofd, tot aan de okapi en de wombat toe.

Ach, het zijn je kinderen, daar kun je veel van verdragen. Ik bezocht in die jaren vaak de kinderboerderij en diverse dierentuinen. Stokstaartjes en giraffen waren favoriet, die kun je gelukkig niet mee naar huis nemen.

Onvermijdelijk kwam toen het moment dat er om een huisdier gezeurd, gesmeekt en gebedeld werd. Ik ging voor de bijl, maar stelde mijn eisen; vlakbij de tuindeur was ook nog ‘huis’. Het werd een minikonijn, Marie, ze mocht zomers op het gras. Alleszins acceptabel, zoon gelukkig. Tot Marie het bestond om tijdens onze vakantie in een ver achterland de geest te geven. Een snikkende buurman vertelde een verward verhaal aan de telefoon: een zeearend of lammergier op de schutting, die Marie een doodschrik bezorgde. Dat moest ík uitleggen aan mijn zesjarige…Ik haat huisdieren!

Zijn broertje kon zo hartverscheurend huilen om iets dat hij niet kreeg, dat ik de hamster niet durfde weigeren. En de woestijnratten, de kikkerdril, en de guppen. Voor ik het wist woonde ik in een dierenwinkel. De benedenverdieping rook kruidig naar hooi. En naar pies. De vloer stond blank door een lekkend aquarium. De kooi van de ratjes stond open zodat ik achter een watervlugge gerbil aan moest met een visnet.

Op den duur vond ik ze nog lief ook. Ik sjouwde gewillig grote pakken hooi en houtwol, zakjes zaad en knabbelstengels mee met de dagelijkse boodschappen. Ik begon bijna te geloven dat ik mijn trauma’s verwerkt had.Tot ze ziek werden.

Want ja, die beesten leven niet lang. Na twee of drie jaar houden ze het voor gezien en sterven dan braaf ’s nachts onder het hooi. Of krijgen dagen lang epileptische aanvallen, zodat je handenwringend rondloopt. Te laf om het lijden te verzachten door bijvoorbeeld het arme ding tegen de muur te smijten. Rekenend of je deze maand de extra uitgave van euthanasie door de dierenarts boekhoudkundig kunt verantwoorden. Slapeloze nachten had ik weer. Nu van een doodbloedende gerbil. Het sterfbed van de laatste was zo vreselijk dat wij gezamenlijk besloten: geen huisdier meer.

Het slachtoffer heb ik begraven in de tuin, naast het witte steentje waaronder Marie ligt. Een dag en een nacht heeft er een dikke geurkaars gebrand. Een roerend afscheid. Mooi gezicht en het rook lekker.

We hebben alleen het aquarium nog. Vol guppen en neontetra’s. Die baren, leven en sterven, maar ik probeer op afstand te blijven. Me er niets van aan te trekken. Mijn kwetsbare gemoed het leed te besparen. De slakjes ruimt mijn zoon zelf op - ik geloof dat hij ze liefdevol in de tuin uitzet - zonder het me te zeggen. Ik kan er nu beter tegen. Afgehard, zal ik maar zeggen.

Maar toch: geen beesten meer in huis. Nauwgezet vang ik alles wat vliegt en kruipt in huis. Vliegen, spinnen, wespen, kevers, ik zet ze buiten in de tuin. Voer voor de vogels en het egeltje dat ik onder de houtstapel vermoed.

Gek, buiten heb ik er geen last van. Moord en doodslag, ziekte en lijden, eten en gegeten worden. De natuur gaat haar wrede gang maar. Binnenshuis echter wil ik graag de illusie in stand houden dat ik in een ideale wereld leef, zonder al die narigheid. Dood en verval bestaan hier niet.

Huisdieren? Nooit meer! Een aanslag op mijn gevoelige geest.
Marja Morskieft

Vrouwtje
Wat is dat toch met vrouwtje de laatste tijd?

Ze staat op als het allang licht is en ik maar wachten tot ik dan de kamer in mag!

Dan is ze eindelijk opgestaan, ligt ze nog de hele dag op de bank!

Nou, ze is, denk ik, niet zo lekker, ik zal er maar even bij gaan zitten. Hé, ze heeft het wel in de gaten en ik word lekker geknuffeld. Ik zal eens wat meer bij haar gaan zitten, dat vindt ze wel leuk, denk ik. En ik ook!

O, wat huilt ze soms hartverscheurend. Vrouwtje heeft echt veel verdriet en er is niemand die haar troost.

Ik zal even boven op de bank gaan liggen en leg troostend mijn poot op haar schouder. Ze merkt het en lacht naar me.

Gelukkig dat ik wat kan doen voor haar.

Ze blijft maar de hele dag op de bank liggen en op een gegeven moment moet ik toch wel heel nodig! Wat zal ik doen? Toch maar even wachten: vrouwtje heeft nu geen tijd voor me.

Als de nood echt te hoog wordt, ga ik toch maar naar de deur en laat me heel zachtjes horen. Sorry, vrouwtje, maar mijn blaas staat op springen!

Ze reageert en gaat mijn riempje halen, joepie!

Is voor vrouwtje misschien ook wel eens goed: komt ze tenminste een keer van die bank af.

Vrouwtje lacht weer naar me en we hebben samen een heel gezellige wandeling!

Frits, je trouwe viervoeter

Ingezonden door Jolanda Esch



Donkere ogen slepen mij mee
Het is donker buiten. Striemende regel daalt neer op de aarde. Ik ben waardeloos. Sombere gedachten strijden om voorrang. Het huis is leeg. De kinderen zijn naar school en mijn man is naar zijn werk. Ik strijd. Een strijd om te overleven. Ik weet de ene minuut absoluut niet hoe ik de volgende moet doorkomen. Ik hang op de bank. En kom tot niets. Mijn enige lichtpuntje zijn de donkere ogen van het baaltje hond dat de poten over mijn schoot heeft heengeslagen. Zij voelt mijn stemming aan. Ze lijkt een beetje mee depressief te zijn. Als om mij te steunen. Ik moet naar de WC. Voorzichtig til ik de poten van Winnie op. De tocht naar de WC lijkt een wereldreis. Moeizaam loop ik erheen. Eenmaal terug vind ik het onvoorstelbaar dat ik het gered heb naar de bank. Weer die poten over mij heen. Als een geruststelling: het komt allemaal wel weer goed. Ik geloof daar niet in, het komt nooit meer goed. Maar Winnie verlicht wel de ergste eenzaamheid. En de strijd is eenzaam. Het ergste vind ik als ik ’s avonds naar de kinderen kijk. Je weet dat je enorm veel van ze houdt. Maar je voelt totaal niets. Het is alsof je leeg bent van binnen en niets meer kunt voelen. Ook geen liefde. Dat het zover kon komen. Er is niets over van mijn wervelende en creatieve ik. Dat is nog maar een vage herinnering. Eigenlijk wil ik dood, maar ik zou niet weten hoe dat aan te pakken. Verlost van die martelende innerlijke pijn. Dat zou ik willen. Ik ben met geen stok van de bank te slaan. Ik klamp me er aan vast. Het is de enige plek waar ik buiten mijn bed nog wil zijn. Toch wordt dat baaltje wol op mijn schoot al onrustiger. Het is tijd om haar uit te laten. Ik zie er enorm tegenop. Maar ik zal wel moeten. Donkere ogen kijken mij aan en slepen me mee. Ik pak de riem en mijn jas. Knoop moeizaam mijn schoenen dicht en vertrek. Buiten loop ik schichtig langs de huizen. Ik wil niet dat mensen mij zo zien. Mijn ellende zien. Ik loop een obligaat blokje om. Winnie is rustig. Ze trekt niet aan de lijn zoals gewoonlijk. Wederom lijkt het alsof ze mijn stemming perfect aanvoelt. Dat geeft me wel wat steun. Opgelucht steek ik de sleutel in het slot en ga naar binnen. Riem af en linea recta naar de bank. Winnie komt onmiddellijk bij me en legt haar poten weer op mijn schoot. Gek, het lijkt net of ik me door de wandeling met de hond net iets beter voel dan daarvoor. De hond lijkt mijn redding. Zonder hond was ik de hele dag niet van de bank gekomen. Misère alom. Ik kan nu weer even beter ademhalen. Het wachten is nu op de avond, als mijn man thuiskomt. Ik weet dat hij me dan op de fiets gaat zetten en hele enden door Amsterdam met me gaat fietsen. Ik zie daar nu al tegenop. Wat de hond overdag doet, doet mijn man ’s avonds. Me van die bank afkrijgen. Ik moet er zowaar even om glimlachen. Dwars door alle pijn heen.
Corrie Kerssies

Trouw en troost

De hondenmand is leeg en staat na ruim twee weken nog steeds in de bijkeuken. De bakjes voor het water en voer staan er doelloos naast. Het lukt me nog steeds niet om alles op te ruimen.

Ik heb met haar afgesproken dat we dat pas doen als wij daar allebei aan toe zijn. En zover is het nog met. Voor haar zal dat wat langzamer gaan dan voor mij.

Zij heeft in al die jaren van haar opnames haar eigen hond nauwelijks kunnen verzorgen. Wally was haar alles.

Gek heeft ze mij erom gezeurd, "mama ik wil een hond". Maar ik hield niet van honden, het geblaf, de troep, altijd zo'n bakbeest in je huis. En wie zorgt ervoor?

Ze begon hondenboeken te verzamelen en ze kreeg van mij een hondenknuffel. Uiteindelijk won de aanhoudster. We gingen naar het asiel en daar zat Wally. Een prachtige blonde labrador. Het was liefde op het eerste gezicht. Wally had alleen een gebruiksaanwijzing: ze werd agressief tijdens het voeren, om die reden was er afstand van haar gedaan.

Marieke vond dat nu juist een uitdaging. Met veel geduld en toewijding gaf ze Wally het vertrouwen in de mensen terug en het eten was daarna nooit meer een probleem.

Het vertrouwen, dat ze Wally aanleerde raakte ze bij zichzelf juist hoe langer hoe meer kwijt. Ze kon uren liggen knuffelen en eindeloos wandelen met haar hond, maar ze sloot zich hoe langer hoe meer af voor de mensenwereld. Er volgde een periode van dagelijks vele keren flauw vallen en ik ontdekte de sneden in haar armen en polsen.

Toen zij 13 jaar was, werd ze opgenomen in een instelling voor jeugdpsychiatrie.

Niet zozeer het weg moeten van huis, maar het gemis van Wally was het ergste voor haar. Omdat de instelling een psychiatrisch ziekenhuis was, schreven de regels voor dat er geen dieren naar binnen mochten. Maandenlang liep ik dagelijks met Wally de gang naar de instelling en konden wij samen met Wally een stukje over het terrein wandelen.

Hoe slecht het ook ging, hoe depressief, psychotisch of verward: Wally zorgde ervoor dat ze weer even in contact kwam.

Een aai, een glimlach, tranen.

Als ik thuiskwam huilde ik op mijn beurt mijn verdriet uit in de zachte vacht van Wally. Zij keek mij aan en legde een pootje op mijn knie, stil maar vrouwtje, het komt allemaal goed. Tijdens de vele uren lopen met Wally over de hei heb ik het soms uitgeschreeuwd, een hond vindt niets raar, vraagt niets terug en troost door haar aanwezigheid.

Mijn dochter werd suïcidaal en ging steeds vaker naar het spoor of naar de stad. Ze was verward en onbereikbaar.

Nooit zal ik die keer vergeten, dat ik haar zocht midden in de nacht, samen met Wally. Onder de kolossale trap van het museum, meen ik iets te zien bewegen. In de spiegelwand zie ik een ineengedoken hoopje mens, mijn dochter, weggekropen voor de wereld, voor het leven, een brok angst.

Ik maak de riem los. Wally rent op haar baasje af, begint haar wild te likken in haar gezicht en voor even wijkt de angst. En in tegenstelling tot anders is er geen verzet, ze neemt de hondenriem van mij over en gaat met me mee.

Er volgde een periode van gedwongen, gesloten opnames, nu kon mijn dochter zelfs niet meer mee naar buiten om met Wally te wandelen. Ik heb gesmeekt of Wally niet naar binnen mocht, het zou zo goed zijn, maar regels waren regels.

Gelukkig was er net nieuwbouw, met bijbehorende separeertuin. Bij wijze van grote uitzondering mocht Wally daarin. Hond en baas samen in de separeer, maar voor Wally was het allemaal OK, zolang de baas maar brokjes gaf en aaide.

Helaas waren er nog meer hekken en tralies nodig om mijn dochter te beschermen en veiligheid te bieden.

Ze werd overgeplaatst naar een justitiële inrichting, waar zij de eerste maanden niet naar buiten mocht en geen bezoek mocht ontvangen. Ontelbare tekeningen en naambordjes maakte zij voor Wally.

Op een dag was het zover: Wally mocht mee de jeugdgevangenis in, om baasje op te halen: een hond trekt zich niets aan van metershoge hekken, camerabewaking, prikkeldraad, sensoren en detectiepoortjes, die wil maar een ding: baasje!! Onvergetelijk is de vreugde bij het weerzien als hond en baasje op elkaar afrennen.

Hierna volgden nog twee instellingen en elke keer was het weer soebatten om het contact mogelijk te maken.


Na bijna vijf jaren van opnames en vaak balanceren op het smalle randje gaat het beter met mijn dochter. Ze woont in een beschermde woonvorm en bouwt aan haar zelfstandigheid. Ik heb bewondering voor de manier waarop zij haar leven vorm geeft. We zien elkaar nu vaak en halen veel in van wat we al die jaren hebben gemist.

Het eerste wat ze doet als ze thuiskomt, is knuffelen en rollebollen met Wally. Maar dat kan nu met meer. Wally is dood.

Net nu het beter ging met Marieke werd Wally plotseling ernstig ziek, ze wilde met meer uit, nauwelijks meer eten, zakte door haar pootjes. Het was net of ze het aanvoelde: het baasje gaat meer op eigen benen staan, mijn taak is nu volbracht. Die gedachte troostte ons, we hebben er samen veel over gesproken. Maar hoe zou het zijn als Wally er echt niet meer zou zijn? Hoe zou mijn dochter er op reageren? En ikzelf?

Elke keer dat zij met afscheid, dood of verlies te maken krijgt, volgt er een crisis. Wij hebben samen voor Wally gezorgd, zij wilde niet dat Wally zou lijden.

Toen het de warmste dag van de zomer was zaten wij in de tuin en we wisten dat we over enkele uren naar de dierenarts zouden gaan voor haar laatste spuit. We hebben Wally bedankt voor alles wat zij in die jaren op zich heeft genomen. Marieke leerde haar weer vertrouwen hebben in de mensen. Wally heeft haar geholpen om het contact met zichzelf en haar omgeving te herstellen.

Door Wally kon ik veel kwijt van mijn verdriet, maar ook was zij een belangrijke schakel in het contact tussen mijn dochter en mij. Nu het met ons beter gaat, mag zij gaan, zij is in onze armen gestorven.


Enkele dagen later werd een van mijn twee mooie berkenbomen omgehakt. De boom was ziek en verloor grote takken. Wally lag er vaak onder, in de schaduw. We hebben enkele mooie blokken van het hout uitgezocht. Marieke heeft haar verf en kwasten gepakt en op een stukje van de berkenstam een hondenkop geschilderd. Samen hebben wij een klein monumentje gemaakt voor Wally, om haar te bedanken voor haar trouw en troost.

Zij heeft een heel bijzondere rol gespeeld in ons leven, daar kan geen medicijn en therapeut tegenop.


Els Teepe


Mijn kleine geluk
een wereld door ogen vol tranen

een leven van armen vol bloed

de beelden van veel teveel maanden

waarin zoveel angst heeft gewoed

soms als ik weer al die verhalen

en al dat ontroostbaar verdriet

de wanhoop, de haat en de krassen

dat alles weer voor me zie…

het maakt me nog steeds aan het huilen

zo eindeloos diep ging de pijn

de wereld bleef veel te hard groeien

maar zelf bleef ik hulpeloos klein


ik vocht tegen dood, voor het leven

al haatte ik heel m'n bestaan

voor hen die niet snappen dat mensen

zo jong zelf al dood willen gaan


en toen kwam dat kleine gelukje

drie kuikentjes, net uit het ei

ik was er om voor ze te zorgen

ze bleken de redding voor mij


voor hen wilde ik blijven leven

waar kwamen ze anders terecht?

afhankelijk als ze nog waren

vergat ik mijn eigen gevecht


en alles wat ik nog kon geven

het werd aan die kleintjes besteed

want jonge wezentjes weten

waarom liefde liefde heet


ik kreeg weer een doel in mijn leven

steeds renden ze achter me aan

ze riepen me als ik verdwaalde

uit de hel van een pijnlijk bestaan


de kuikentjes werden steeds groter

en uiteindelijk zag ik het licht

langzaamaan werd ik genezen

en het dikke zwarte boek ging dicht

dankzij dieren werd alles weer mooi

en verdween het grootste gevaar

zij lieten me zien wat ik waard was

dat kregen mensen niet voor elkaar!


Elja Wesdijk

PS: Van mijn zus, die lid is van uw blad, kreeg ik een stukje tekst over de

schrijfwedstrijd 'helpen huisdieren?'. Aangezien ik heel veel aan mijn huisdieren

heb gehad toen ik 18 jaar en erg depressief was, wilde ik graag een bijdrage

leveren. Ik slikte wel antidepressiva en kalmeringsmiddelen, maar die gaven me geen

reden om verder te leven. De kuikens, mijn hartediefjes, deden dat wel. Ze boden me

afleiding, zorgden ervoor dat ik volhield en nu ben ik genezen en erg gelukkig,

terwijl ik nooit verwacht had dat dat kon! Bij deze mijn bijdrage! Vriendelijke groet!






Wolf

Ik zag jou op een foto, jij keek mij verloren aan.

In het asiel met vele anderen afgedankt, mishandeld en verwaarloosd.

Volledig kansloos omdat je al 7 jaar was en er uitzag als opgegeven.

Mijn hart ging naar jou uit.

Ik wist hoe jij je moest voelen.

Ook ik was mishandeld, verwaarloosd en afgedankt.

Weggegooid als een lege aansteker, zo vele malen in mijn leven.

Gekwetst en eenzaam, het vertrouwen kwijt in de mens.

Mijn zieke lichaam bewoog niet meer en ik takelde steeds verder af.


Toen jij mij voor het eerst in mijn ogen keek was ik verliefd.

Jouw mooie ogen vol aanbidding omdat ik je liefde gaf.

Mijn hart smelt als ik naar je kijk, hoe hard het ook vriest in mij.

Jij hebt mij geholpen te overleven en ik was de redding voor jou.

Samen maken we contacten met mens en dier.

We krijgen vrienden en ons leven heeft een doel gekregen.

Weer kunnen genieten van het buiten zijn met zo veel plezier.

Dank je mijn wolfje, mijn liefje.

José Scheepers




Mijn droom
Ik zou zo graag de wereld een beetje beter maken, ook al is het een pleister op een hele grote wond. Mens en dier beschadigd door de mens een stuk warmte geven en daarmee de genezing bevorderen. Deze wereld is al hard en koud genoeg voor de onschuldigen, de naïeven en degene die zich niet kan verweren, omdat dat kwaad met kwaad vergelden is.
Mijn droom is een opvang voor mishandelde dieren waar mensen met welke handicap dan ook, geestelijk of fysiek, kunnen helpen om de dieren weer vertrouwen in de mens te geven. Ze moeten wel veel van dieren houden.

Al heel lang voel ik de hulp van mijn dieren. Ze komen uit verschillende asiels, ook uit het buitenland. Sommige waren zo beschadigd dat ze alleen nog maar konden uitvallen naar iedereen die in hun buurt kwam. Met veel geduld en liefde zijn het waardevolle vrienden geworden. Maatjes voor het leven. Zij staan mij nu bij als ik me rot voel, ze geven zoveel liefde, trouw en dankbaarheid terug. Ik moet om ze lachen als ze hun streken uithalen, ze vertederen mij met hun lieve blikken, kopjes en pootjes en ze hebben mij vaak in leven gehouden. Als ik er niet meer was dan zou er niemand meer voor ze zorgen. Mij vertrouwen ze.


In de asiels komen de mensen handen te kort om de speciale aandacht te geven die deze dieren nodig hebben. De dieren schieten daar niets mee op. Een aantal zal er misschien voldoende aan hebben, maar de zwaar beschadigde dieren hebben zoveel extra nodig.
Als ik het geld had dan kocht ik een grote lap grond. Daarop een hoofdgebouw met woonruimte, een ruimte voor de dierenarts die steriel is en uitgerust voor kleinere ingrepen met een kleine recovery en een baby-opvang voor jonge of zieke dieren die extra zorg nodig hebben. Achter het hoofdgebouw twee lange schuren met verblijfruimtes en buitenruimtes voor de dieren. Twee losse kleinere schuren op het terrein met een weiland er bij bieden een kleine opvang voor vee dat een betere plek nodig heeft.

Bij het hoofdgebouw komt een bijgebouw voor vogels. Grote kooien voor roofvogels en waterverblijven voor eenden en dergelijke en een ruimte met kuikenverblijven.

Door de diversiteit in dieren kunnen de mensen uitzoeken met welk dier zij de meeste feeling hebben. De mensen die een dier dat herplaatst kan worden zouden willen hebben, wil ik laten begeleiden door degene (indien mogelijk) die het dier heeft begeleid. Zodat de mensen begrijpen wat dit dier heeft meegemaakt en ze weten hoe ze hem of haar moeten behandelen.

Het afscheid nemen zal voor iedereen zwaar zijn want een goede band met het dier is nodig om resultaten te behalen, maar het doel is de dieren weer een toekomst bieden.

Met dat werk bied je jezelf ook weer een betere toekomst.

Er zitten zo veel voordelen voor de mens aan vast. Iemand die de deur bijna niet uit komt heeft weer een doel om te gaan, verdriet van mishandeling wordt samen verwerkt, iets goeds doen laat je beter voelen, de sociale contacten worden uitgebreid en er zal meer steun onderling komen.

Voorlopig blijft het bij dromen. Het geldschip heeft mij nog niet gevonden.
José Scheepers

Uitbraak

Op een ochtend was het bruin-wit gevlekte ratje van Willem verdwenen uit het kooitje onder zijn bed waarin hij het dier, genaamd Molly, ’s nachts verstopt hield. Hij moest het deurtje niet goed dichtgedaan hebben. Dat soort dingen gebeurde hem soms, hij vond het moeilijk zich te concentreren als er veel stemmen in zijn hoofd tegelijk tegen hem aan het praten waren.

Willem schoof een stapel tijdschriften opzij die naast zijn bed lag, om te zien of Molly daarachter soms was weggekropen. Enkele van de bladen waren aangevreten, zag hij, maar Molly vond hij niet. Ze zat ook niet achter het gordijn verstopt, en was ook niet in een plantenbak gekropen. Willem sloeg zijn hand tegen zijn voorhoofd. Waar kon ze gebleven zijn? Meestal ging ze niet ver bij hem uit de buurt. Hij nam haar stiekem mee als hij ging eten en naar de recreatieruimte, lekker knus in de binnenzak van zijn jas, zonder dat iemand het doorhad.

Maar nu kon hij haar nergens vinden. Ze moest een klein gaatje hebben gevonden waar ze doorheen was gekropen. Willem liep de gang op en liet de deur naar zijn kamer openstaan op een kier. Hij klopte aan bij Francine en bij Edward, die nog slaperig waren. Zij hadden Molly niet gezien, maar beloofden Willem te helpen met zoeken. ‘Laten we wel stil zijn,’ zei Francine, die altijd de verstandigste was, ‘anders komt het personeel erachter’.


‘Toch vind ik het ongedierte,’ sprak Yvonne, een van de begeleidsters van de bewoners van bouwdeel A. De staf en het personeel waren in de koffiekamer bijeengekomen. Iedereen had zich op zijn voordeligst aangekleed, naar eigen inzicht. Iemand deelde oranje speldjes uit, die door de bewoners gemaakt waren.

‘Ongedierte?’ zei Peter, die een colbertje had aangetrokken maar ook vandaag gewoonte- getrouw zijn sportsandalen droeg, ‘Jij laat het klinken alsof er dieren bestaan en niet-dieren. Misschien vindt zo’n ratje jou wel helemaal niets.’

‘Zullen we deze filosofische discussie voor later bewaren?’, verzuchtte Mies, afdelingshoofd en coördinator van de feestelijkheden van later die dag. ‘Er is voldoende te zeggen over het nut van dieren voor het algemene welzijn en de gunstige invloed op de bloeddruk in het bijzonder, maar feit blijft dat de regels van het huis stellen dat huisdieren verboden zijn. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat dit de slechtste dag is voor ons gedoogbeleid om aan het daglicht te komen.’

Vandaag zou het gebouw officieel geopend verklaard worden door de koningin. Het was een belangrijke dag voor iedereen. Alles moest volgens de regels verlopen en er zouden een hoop leden van de pers bij zijn. ‘Ach, wat is de kans dat zo’n beest opeens opduikt?’, zei Peter laconiek. De drukte en het lawaai zouden wel afschrikken, daar was iedereen het over eens. Maar ze zouden toch allemaal een oogje in het zeil houden.


Willem zat op een van de plastic stoelen in de eetzaal gelaten voor zich uit te kijken. Francine probeerde hem te troosten. ‘Molly komt nooit meer terug,’ zei hij. Francine wist niet goed wat ze daarop moest zeggen. Ze had het gevoel dat het allemaal wel in orde zou komen, maar ze kon het verkeerd hebben, dus als ze dat aan hem zou vertellen zou ze hem misschien onbedoeld juist meer verdriet doen. Zij miste Molly ook. Willem en zij lieten het dier vaak tussen hun tweeën van hand tot hand gaan. Dat voelde een beetje als wanneer ze zo’n pluizig speelgoedbeestje aan een touwtje door haar handen liet gaan, alleen was Molly groter. Het enige waar Francine soms wat ongemakkelijk van werd, dat was Molly’s lange kale staart.

Edward kwam haastig aangelopen. Francien keek op. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nog geen keuteltje van haar gevonden’, zei hij.

Nu hadden ze geruchten gehoord dat Dikke Maria, die woonde in het bouwgedeelte dat het laatst was aangebouwd en die niet erg geliefd was omdat ze nogal grof was in de mond, een poesje verstopt hield in haar kamer. Edward had er nog grappen over gemaakt dat ze er maar niet op moest gaan zitten. Ze wisten niet of het waar was, maar misschien was het beter om even naar haar toe te gaan, om haar te vragen goed op te letten dat het beest binnenbleef. Anders zou zich een drama voltrekken. Ze besloten er gedrieën heen te gaan.
‘Kan me niet schelen, scheelt mij weer kattenvoer,’ zei Dikke Maria. Ze droeg over een wit hemdje een gebloemd bloesje waarvan alleen de bovenste twee knoopjes dicht konden en dat nauwelijks tot haar navel kwam. Misschien had het ooit gepast, maar nu niet meer. Toen Dikke Maria zich omdraaide zag Francine dat ze haar armen bijna niet kon bewegen, omdat het bloesje zo strak om haar schouders zat.

‘Vind je het spannend, dat de koningin komt?’ vroeg Francine haar. Ze wilde het gesprek een vrolijke draai geven. Dikke Maria probeerde haar schouders op te trekken om ongeïnteres- seerd te lijken, wat niet lukte. Edward schoot in de lach.

‘Als ik die stomme rat van jullie tegenkom, dan bijt ik zelf zijn kop d’r af,’ snauwde Maria naar hem. Willem rende weg, met zijn handen tegen zijn hoofd bonkend. Edward ging achter hem aan. Francine, die nooit zo goed bij adem was er daarom niet hard kon rennen keek Dikke Maria boos aan. ‘Wat ben jij een trut,’ zei ze en slofte weg.

Dikke Maria bleef haar lang na staan kijken, maar zei niets meer. Ze ging naar binnen en trok het bloesje dat haar zo kwelde stuk bij de knopen.


Van te voren was er een lang gesprek met een aantal officiële heren uit de hofhouding van de koningin, die afdelingshoofd Mies precies vertelden wat ze wel en wat ze niet mocht. Ze mocht wel antwoorden op een vraag, maar er niet zelf een stellen. En ze moest niet vreemd opkijken als de koningin de bloemen die ze door de bewoners kreeg aangeboden direct aan een van haar hofdames gaf. De koningin hield niet van familiariteiten, ze wilde gewoon aangesproken worden met ‘majesteit’. Mies probeerde het allemaal te onthouden. Na het gesprek liep ze met de heren mee naar de ereboog die de bewoners bij de ingang van het complex hadden gemaakt en waar de koningin later die dag onderdoor moest komen lopen. De ereboog moest worden geïnspecteerd om te zien of deze wel voldeed aan alle veiligheidseisen. Een vorstin was tenslotte niet zomaar een mens.
Peter liep naar Willem toe, die boos oud papier aan het verscheuren was in de creativiteits-ruimte, en legde een arm om zijn schouder.

‘Voor jou is het vervelend dat je ratje weg is,’ zei hij, ‘maar ik weet zeker dat zo’n beestje zichzelf heel goed kan redden zonder hulp van mensen. Ik heb er zelf vroeger ook een gehad.’ Willem keek verschrikt op. ‘Maak je geen zorgen,’ zei Peter, ‘ik ben de enige die ervan afweet.’

Het stelde Willem toch wel gerust om te horen dat Molly zelf voor haar voedsel kon zorgen. Ratten in het wild eten praktisch alles, vertelde Peter, van afval tot stukjes touw en zeep, en ze gedijen er aardig op. Het waren slimme beesten. Tamme ratten wisten vaak heel goed hun huis te vinden. Grote kans dat Molly zelf terug zou komen. Als ze dat niet deed, dan had ze het vast naar haar zin. Willem voelde zich een stuk beter, ondanks dat hij haar miste.

Yvonne kwam binnen. ‘Komen jullie ook?’ vroeg ze. De feestelijkheden zouden beginnen.


Er was een pad vrijgemaakt voor de koningin, waar een loper op lag. Het personeel van het huis stond te wachten, rechts naast een klein podium. De bewoners stonden in het publiek. Edward stak zijn nek uit om alles goed te kunnen zien. Willem keek een beetje voor zich uit. Francine en Dikke Maria stonden naast elkaar. Francine was teruggegaan om haar excuses aan te bieden omdat ze Dikke Maria een trut had genoemd, en toen had Maria haar excuses aangeboden over wat zij over Molly gezegd had. Maria had haar het poesje laten zien dat ze verstopt hield. Het beestje was verstoten door zijn moeder, vertelde ze. Het had maar één oog. Maria had hem met melk grootgebracht en met veel moeite zindelijk weten te krijgen. Samen hadden Francine en Maria iets uitgezocht wat zij kon aantrekken. De medicijnen hadden haar nog dikker gemaakt dan ze al was, vertelde ze, en dat maakte haar vaak ongelukkig. Toen ze iets leuks hadden uitgezocht, schilderden Francine en Maria rood-wit-blauwe vlaggetjes op elkaars gezicht. Misschien zou het toch nog een leuke dag worden.

De koningin liep onder de ereboog door naar het lint dat ze moest doorknippen. Edward kneep zijn ogen samen.

‘Er viel iets in haar hoed’ fluisterde hij in Willems oor.

Willem, die net de andere kant op had staan kijken, tuurde naar de hoed van de koningin, en warempel, over de rand vandaan stak een staartje. Het staartje van Molly. ‘Molly is in de koningin haar hoed gevallen,’ zei Willem, en nu zagen Francine en Maria het ook.

Mies, die rechts naast het podium stond, volgde hun blikken en ontdekte hetzelfde. Ze stootte Yvonne en Peter aan. Peter kon bijna zijn lachen niet inhouden. Yvonne liep rood aan.

‘Daar komen problemen van,’ zei Francine.

Maria wreef in haar handen. ‘Ik weet wel iets,’ zei ze. Ze slaakte een kreet, stak haar arm omhoog en wees naar het dak van het complex. ‘Kijk, een loopvogel in zijn blote kont,’ riep ze hard. De koningin keek om, in een reflex, en deed dit met zo’n snelheid dat door de kracht Molly uit haar hoed werd geslingerd, in de richting van Peter, Mies en Yvonne. Yvonne dook weg, Mies en Peter staken hun armen uit. Molly kwam in Yvonnes nek terecht, waar Peter haar snel wegplukte. Hij stopte haar in de binnenzak van zijn colbert.

De koningin, die uiteraard niets had gezien op het dak behalve een paar verveelde meeuwen, lachte ongemakkelijk. Ze keek Mies aan, die haar schouders optrok en een geruststellende knipoog gaf, alsof ze daarmee wilde laten weten dat hier wel vaker iets geks gebeurde. De koningin had Molly niet gezien, en ook de pers niet, omdat die allemaal keken waar de koningin keek toen Maria had geroepen.


Maar de volgende dag kwam Peter zwaaiend met het plaatselijke krantje de koffiekamer in.

‘Het is te hopen dat de koningin niet al te precies naar haar eigen foto’s kijkt,’ zei hij lachend.



Hij vouwde de krant open en de anderen probeerden te zien wat hij bedoelde. Hij wees op haar hoed. Nu zagen ze het ook. Het was onmiskenbaar een staartje.
S

andra Veldhuizen

Met huisdieren meer mens
Momenteel ben ik 38 jaar en woonachtig in Maastricht. Mijn geboorteplaats ligt op de Nederlandse Antillen. In mijn jongste kinderjaren was ik omringd met allerlei huisdieren zoals honden en katten. Toen mijn ouders weer teruggingen naar Nederland namen ze mij als tweejarige peuter mee.
Tijdens mijn schooljaren in Nederland (gymnasium B en Universiteit Maastricht) woonde ik langere tijd bij mijn ouders en hadden we honden, katten, cavia’s, vogels en meer. Al die jaren voelde ik me uitstekend in het gezelschap van dieren. Toen ik begin 1991 op stage ging in San Francisco werd ik geconfronteerd met mijn eerste (psychotische) ziekteperiode. Dit was een zeer zwaar jaar, maar ik maakte desalniettemin mijn UM-studie Bedrijfseconomie af.
Rond die tijd schaften mijn ouders een zwarte kater aan: Boris. Boris was altijd lief en hield zeer sterk van gezelschap. Hij kwam altijd op schoot en was voor iedereen een echte vriend. In die tijd voelde ik mij vaak wat eenzaam en onbegrepen. Mede door Boris werd ik weer wat minder depressief en kreeg ik ook weer echt zin in het leven. Enige tijd later sloot ik mij aan bij de Clientenraad Vijverdal, als bestuurslid. Momenteel werk ik nog steeds als vrijwilliger voor dit Psychiatrisch Ziekenhuis. Tussen 1991 en 2006 ben ik circa tien keer korter en langer opgenomen geweest. Mijn ouders en Boris waren daarbij voor mijn gemoedsrust en voorspoedig herstel zeer essentieel. Zij boden mij op zeer cruciale momenten de liefde en warmte die voor mij doorslaggevend waren.
In die periode werd mijn interesse in dieren en natuur/milieu alleen maar verder vergroot. Zo werd ik actief lid van het Wereld Natuur Fonds, Green Peace en de Dierenbescherming. Ook op de universiteit werd ik weer actief als vrijwilliger, waarbij mijn aandacht vooral uitgaat naar raakvlakken tussen Economie en Duurzaamheid. Circa 3 jaar geleden besloot ik om als duovoorzitter actief te worden voor de Clientenraad Vijverdal.
Een van de door mijn persoon geïnitieerde projecten was “Dieren in het Ziekenhuis”. Het was al mogelijk voor cliënten om naar de Boerderij te gaan, maar nu wilden we het ook mogelijk maken dat eens een aantal aaibare dieren vanuit deze Boerderij naar de minder mobiele cliënten werden gebracht in het ziekenhuis. Uit eigen ervaring weet ik immers hoe lief, zinvol en fijn contact met dieren kan zijn. Na enig intern overleg met personeel en vrijwilligers werd uiteindelijk het groene licht gegeven: met een groepje mensen en boerderijdieren zijn we drie keer naar minder mobiele, ietwat oudere cliënten in het Ziekenhuisgebouw (naar de Blauwe Hoek) gegaan. De reacties van deze cliënten waren vertederend. Je zag de mensen opfleuren en vrolijk worden. Dieren als therapeut werken vaak directer, sneller en liever als mensen. Het was een groot succes!
In 2003 kwam Boris te overlijden. Mijn ouders en ikzelf waren toen diep bedroefd. Na lang te hebben gerouwd gaf ik aan zelf een kat als huisdier te willen op mijn appartement.
Uiteindelijk stemden mijn ouders toe en reden we naar het dierenasiel. Wat is dat moeilijk om daar een keuze te moeten maken! Alle dieren daar zijn zo ontzettend lief. Ik mocht kijken naar de jonge poesjes. Vervolgens nam ik enige poesjes op mijn arm. Toen hoorde ik rechtsonder in een hoekje een sterk spinnend en miauwend geluid. Ik vroeg de medewerkster de kooi te openen. Uit de kooi werd een donkergekleurd langharig poesje gehaald. Toen ik dit poesje op mijn arm wilde nemen, kroop het snel naar mijn schouder en begon veel geluid te produceren.

“Dit is hem!”, riep ik en ik noemde de kleine kater Simba (´Pluis´) mede omdat de medewerkers van het asiel hem ´de pluiskat´ noemde. Simba heeft zeer lang mijn gezondheid kunnen behouden voor een terugval. Hij is ongelooflijk lief en trouw. Als huisgenoot was hij altijd daar en klaar om te spelen of om aangehaald te worden. Ik houd ontzettend van hem.


Het noodlot sloeg in 2005 toe en ik maakte weer een psychotische periode door. Simba is toen uit paniek van mijn balkon (flat) gevallen en ik was hem kwijt. Ik was ontzettend bedroefd, terwijl ik in een open-opname zat in het Ziekenhuis. Door het voeren van een zoekactie hebben we Simba na enige weken toch weer teruggekregen. Wat was ik gelukkig!
Mijn herstel verliep voorspoedig en we waren weer herenigd. In overleg met mijn ouders heb ik nu besloten dat Sim bij mijn ouders thuis blijft. Dat is beter voor Simba: hij krijgt dan vaker en meer aandacht en heeft meer ruimte en een tuin. Ik bezoek mijn ouders vrijwel elke dag en Simba is nog steeds mijn kat en vriend. Ik zie Simba nu als mijn beste maatje, naast mijn ouders. Hij heeft ook zeer bijzondere gewoontes. Als ik met hem praat, dan ´praat´ Simba terug en gaat hij heel relaxed op zijn rug liggen met de voorpootjes omhoog en de achterpootjes gespreid. Simba is uniek en is mijn lieve vriendje.
Dieren dragen bij aan je gezondheid. Met dieren meer mens!
Met dierbare groet,
Raoul de Pagter







Het is tijd om op te staan
Het is tijd om op te staan

maar Shagar ligt naast me,

Tevje in mijn knieholten.

Ik denk in Walt Disney stijl

dat zij niet willen dat ik ga

toch moet ik.

De moed bij elkaar geraapt

ga ik toch op stap

en denk dat zij dat niet leuk vinden.

Om half vijf zie ik twee kopjes

hoor hen mauwen om aandacht

en geef het hen.

Zij moeten verzorgd

en zij houden mij overeind

zij zijn mijn alles.

Ik vertrouw hen aan geen ander toe.

‘s Avonds volgt hetzelfde ritueel

en zijn we in volkomen harmonie.


Marjo Linders


Invloed van een huisdier
Een huisdier heeft meestal een positieve uitwerking op de mens, als is het maar een hamster.

Ikzelf houd al 35 jaar honden, ook nadat ik in 1978 ziek ben geworden na 16 jaar alleen te hebben gewoond met één hond. Een van de 7 honden heeft mij in depressieve omstandigheden weerhouden van zelfdoding toen ik aanstalte maakte om van de Erasmusbrug te springen, omdat hij met zijn droevige blik mij aankeek dat ik van gedachten veranderde. Toen ik onder begeleiding ging wonen op het terrein van het Delta Psychiatrisch Centrum, was er een medebewoner die zwaar depressief was en na verloop van 7 à 8 maanden dankzij de hond normaal functioneerde, volgens de verpleging. Met mijn huidige hond die extra is gesocialiseerd en daarnaast twee diploma’s van de heer Gaus heeft ontvangen, bezoek ik regelmatig het Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam. Dan ga ik op bezoek bij medecliënten. Het is gebeurd dat een meisje, dat elf dagen in coma lag, na gesprek met de artsen of er ook een hond thuis was en of de ouders die mee wilde brengen. Zo gezegd, zo gedaan en het meisje kwam uit haar coma. Het komt voor dat vooral oudere mensen van uitstraling veranderen bij het aanwezig zijn van mijn hond, vooral in bejaardentehuizen bij mensen die zelf een huisdier hebben gehad.

Mijn hond Rosa Heidi Witlaar (?), drie jaar en vier maanden oud, heeft in het centrum een behoorlijke naam opgebouwd en heeft van de Raad van Bestuur bij monde van de heer P. van Heugten gedoogbeleid gekregen dat zij overal toegang heeft bij doktoren, afijn het behandelteam, met als gevolg dat ik al 5 jaar stabiel ben. Daarvoor had ik 23 opnames in 16 jaar tijd.
Ervaring in de psychiatrie met hond Rosa Heidi,

Henk de Rover



Helpen huisdieren in de psychiatrie?
Op bovenstaande vraag kan ik volmondig ja antwoorden. Ik wil zelfs beweren dat als er geen huisdieren waren ontelbare mensen meer een beroep zouden doen op de hulpverlening. Want je zou ze de kost moeten geven, die mensen die in hun hart vinden dat dieren beter zijn dan mensen.

En ik moet bekennen dat ik steeds minder moeite heb om de verbitterde tekst die ik regelmatig van oudere mensen hoor als ze mijn honden zien: “Je bent beter af met dieren dan met mensen” te beamen. Want in feite schuilt er wel een grote waarheid achter hun verbittering. Al is die dan niet geheel genuanceerd omdat je niet alle mensen over één kam kunt scheren. Maar ja, een dier is wel betrouwbaarder dan menig mens, omdat hij zich niet anders voor doet dan hij is. Hij is zoals hij is. Daardoor weet je waar je aan toe bent en dat is nou net iets wat je bij de meeste mensen niet weet. Mensen kunnen zich anders voor doen dan zij zich voelen, zetten maskers op. Een dier daarentegen uit zich rechtstreeks, nooit achteraf. En de trouwheid van een hond, daar kan toch bijna geen mens tegen op.

Het mooiste is nog dat voor het dier al die menselijke maatstaven van een mooi uiterlijk tot ambitieuze drijfveren niet gelden. Hoe lelijk jij ook bent of hoe mislukt in menselijke optiek, het dier dat om jou geeft zal jou daar nooit op beoordelen. Die reageert op hoe jij met hem omgaat, niet meer en niet minder. Een dier accepteert jou zoals je bent. En juist voor mensen met psychische problemen, die zich soms uitgekotst voelen door de maatschappij of weten dat ze te afwijkend zijn voor hun medemens, zich nergens bij voelen horen, kan een huisdier een weldaad zijn. Geaccepteerd worden zoals je bent, een echt maatje hebben, dat geeft verlichting in de eenzaamheid. Maar ook dat het dier jou nodig heeft voor zijn verzorging, de wandelingen en het spelen, maakt dat je je als mens nuttig kunt voelen. En dat is iets wat ieder mens toch nodig heeft. Dan heb ik het nog niet eens over de structuur die een hond kan bieden op een dag. Want je moet je bed wel uit en drie keer per dag de deur uit. En als je mazzel hebt maak je dan ook nog een kort praatje met een andere hondenbezitter, want die praten meestal maar al te graag.

Maar er zit ook een maar aan. Het mag niet ten koste van het dier gaan. Het dier is geen bezit, geen gebruiksartikel, geen ding. Het dier heeft een eigen waarde. Beide moeten er baat bij hebben; het dier en de psychiatrische patiënt. Het dier moet zichzelf kunnen blijven, zijn natuurlijke driften kunnen uiten. En dus niet opgesloten worden in een hok of kooi of overgeleverd aan de nukken of grillen van een patiënt. Net zoals psychiatrische patiënten zijn dieren ook een kwetsbare groep. Juist doordat ze niet goed voor hun rechten kunnen opkomen is men ethisch verplicht daarover te waken. Ik geloof dat dat kan als men daar prioriteit bij stelt. Als men mensen daar bij begeleid, ze voorlicht en ze leert er mee om te gaan. En grondig kijkt of er wel een dier is dat bij hen past en er anders maar liever helemaal niet aan begint. En dat tijdens opname de begeleiding de eindverantwoordelijkheid over het dier op de afdeling blijft houden en zich daar van bewust blijft.

Uit wetenschappelijk onderzoek is allang gebleken dat het aaien van een dier stress vermindert. Waarom geen gezellige hond iedere dag op bezoek om mee te wandelen, spelen en aaien. En waarom geen gezellige afdelingskat op de afdeling? Waarom geen hond bij de therapie aanwezig? Reken maar dat zo’n hond bij heel wat mensen voor een wat opener contact zal zorgen. Waarom geen dagje uit met z’n allen naar het strand samen met de afdelingshond en die te zien ravotten? Zoals je de hulphond hebt voor blinden en lichamelijk gehandicapten, zo zou je ook een hulphond kunnen instellen voor het contact met psychiatrische patiënten. Ideaal zou zijn het natuurlijk zijn als hulpverleners een zeer sociale hond hebben die ze mee naar het werk kunnen nemen. Zo is er voldoende zicht op de hond door zijn baas en heeft hij thuis nog een plek om uit te rusten. Overdag kan de hond op de afdeling dan gezellig met iedereen die dat wil contact maken. Belangrijk is in ieder geval dat wanneer er dieren op de afdeling komen te wonen zoals een poes of een hond er begeleiders zijn die om dieren geven en de belangen van het dier in de gaten houden. Bij een hond zal dat meer nodig zijn dan bij een poes, omdat een poes zich al gauw terugtrekt als ze er genoeg van heeft. Die poes moet dan natuurlijk wel kunnen ontsnappen en de mogelijkheid hebben zich terug te trekken. Mooi lijkt het me ook om de patiënten te betrekken bij de verzorging. Mee laten gaan met het uit laten van de hond, de lijn vast laten houden, de bal of een stok laten gooien, het eten geven. En bij de kat helpen met het eten geven, de kattenbak verschonen en spelen. Dat kan bijdragen in je weer een beetje nuttig voelen.

Natuurlijk zal er altijd ook een groep mensen overblijven die niets met dieren heeft. Het lijkt mij voor hen en de dieren vrij zinloos om die bij de verzorging te betrekken.

Naast binnen kunnen dieren ook op een leuke en gezellige diervriendelijke manier buiten gehouden worden. Konijnen kun je op een konijnenheuvel houden. Gecastreerde mannetjeskonijnen met vrouwtjeskonijnen samen die holen graven en niet kunnen ontsnappen door het diep ingegraven gaas. De bewoners kunnen buiten paardenbloemblad en gras plukken en aan de konijnen voeren. En kippen rondscharrelend in een grote ren. Niets is zo gezellig als hen te voeren en de eieren te rapen.

Maar hoe zit het nu met die psychiatrische patiënt die zelfstandig thuis woont met hond en kat en plotseling in crisis opgenomen moet worden? Wat als de familie niet wil of kan helpen de dieren op te vangen? Naar mijn weten zijn er nu een paar psychiatrische ziekenhuizen die betaalde opvangmogelijkheden hebben voor de dieren. En terecht! Want hoe opnieuw na een crisis te beginnen als het belangrijkste waar jij je leven mee deelde je is afgenomen? Toch vind ik die opvang nog niks. Ik wil geen dieren in hokken zien wanneer dat niet nodig is. Het liefst zie ik gewoon een betaald soort huiskamerdierenopvangproject. Waar ook de hulpverleners hun hond of kat overdag en voor vakantie kunnen stallen tegen betaling zodat dat weer de kosten kan dekken voor de patiënten met minder geld. Een kattenkamer met buitenren en een hondenhuiskamer met een stuk speelland. En daarvoor gewoon twee mensen die om dieren geven en er verstand van hebben in loondienst die wisseldiensten draaien. Zodat het voor de dieren niet extra lijden is omdat hun baasje opgenomen is.

Ik geloof dat dieren een gevoelige snaar kunnen raken bij mensen. Snaren die zijn uitgedoofd in het menselijk contact. Dat een dier soms meer kan bereiken dan de woorden van een hulpverlener of de pillen van de psychiater. Dieren kunnen een warm gevoel geven en dat kunnen de meeste woorden en pillen niet. Wellicht zijn er een heleboel mensen die zich nooit lekker thuis zullen voelen in de door ons opgelegde mensenwereld. Die zich veel veiliger en beter thuis voelen bij een andere diersoort. En waarom niet? Zolang er maar respect is voor alles wat anders is en je elkaar in je waarde kunt laten. Ook dus het dier dat juist zo goed is om jou als mens in zijn waarde te laten.
Sandra van de Werd



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina