Nationale identiteit, beeldvorming, stereotypen en karakteristieken



Dovnload 49.87 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte49.87 Kb.






NATIONALE IDENTITEIT, BEELDVORMING, STEREOTYPEN EN KARAKTERISTIEKEN



Het debat over de nationale identiteit

Door: Pieter Stokvis (pieter.stokvis@ou.nl)



Ingezonden reacties
Bob van Zijderveld: Nationale identiteit en multiculturaliteit

 Reacties welkom!

Met de voortgang van de Europese eenwording is een oud debat over de nationale identiteit ook in Nederland weer opgerakeld. Daarin wordt gerefereerd aan karakteristieken die al eeuwenlang in reisverslagen, maar ook in sociologische en historische beschouwingen genoemd worden. In een artikel over die laatste categorie wijst Bart van Heerikhuizen bijvoorbeeld op geijkte verklaringen van het Nederlandse volkskarakter: de strijd tegen het water, het verzet tegen het Habsburgse centralisme en de vroege en relatief omvangrijke verstedelijking. Met name haalt hij de beschouwingen aan van de socioloog Steinmetz (1930) en de historicus Huizinga (1935). Steinmetz achtte in het kielzog van Fruin een flegmatische aard of bedaardheid, vrijheidszin, huiselijkheid en zindelijkheid kenmerkend voor het Nederlandse volkskarakter. Huizinga bracht deze eigenschappen onder de noemer van een alles doordringende burgerlijkheid.(1) In een recent essay herleidt de socioloog Hans van de Braak in dezelfde trant het Nederlandse volkskarakter tot de tweedeling rein en onrein (goed en kwaad) waarbij reinheid verbonden wordt met eigen huis en groep. Zo zouden Apartheid en Verzuiling twee kanten zijn van een streven naar afzondering in eigen (zuivere) kring die verdraagzaamheid naar buiten mogelijk maakt en moralisme in de buitenlandse politiek bevordert.(2) Ook in een reeks min of meer polemische artikelen in NRC Handelsblad over nationale identiteit duiken dergelijke karakteristieken weer op.(3)

In 'Omzien naar Holland', een bespreking van enkele boeken over Nederland in de NRC van 19 september 1992, vroeg Paul Scheffer zich af wat er over bleef van de Hollandse 'eigen-aardigheden' binnen een verenigd Europa. Als middelaar tussen de grote naties had Nederland (met het Janusgezicht van koopman en dominee) de neiging zich verheven te achten boven die naties. Door zich klein te maken dacht Nederland zich te vergroten. Zou die zelfverheffing tot zelfopheffing leiden? Al naar gelang hun antwoord op deze vraag classificeerde Scheffer auteurs als kosmopolieten, capitulanten en eigenheimers. In de NRC van 7 januari 1995 opende Scheffer een nog steeds voortdurende gedachtenwisseling onder de titel 'Nederland als open deur'. Bezinning op de vanzelfsprekendheid van de Nederlandse identiteit en met name bezinning op tolerantie, consensus en egalitarisme als nationaal geestesmerk achtte hij wenselijk. In een reactie opperde Koen Koch dat een dergelijk geestesmerk slechts de ideologische voorkeur van de beschouwer weerspiegelde (NRC 31 januari 1995). Na enkele andere bijdragen aan het debat stelde Nico Wilterdink in de NRC van 4 maart 1995 de vraag wat er nu eigenlijk bedreigd werd, de nationale identiteit, de nationale solidariteit of de nationale autonomie. Met de Nederlandse identiteit zat het volgens hem wel goed, want door ontzuiling en secularisering, democratisering, verstedelijking, uitbreiding van onderwijs en opkomst van televisie en roddelbladen waren de Nederlanders Nederlandser geworden dan ooit te voren. Wel werd de nationale solidariteit (verzorgingsstaat) bedreigd door de internationale wedijver en vooral de nationale autonomie door de Europese integratie. Van de overige bijdragen aan het debat wil ik er twee uitlichten die de vraag naar nationale identiteit niet zozeer politiek als wel cultureel opvatten.(4) In een ingezonden brief (NRC 18 maart 1995) betoogde Roy Meyer dat nationale identiteit eigenlijk bestaat uit een optelsom van gemeenschappelijke alledaagse ervaringen. Anton van Hooff (NRC 1 april 1995) verwees in dit kader naar de kaasschaaf en de flessenlikker als zinnebeelden van onze zuinigheid.

Zuinigheid en zindelijkheid worden (of werden) beschouwd als typisch Nederlands. Hoe komt het nu dat andermans (en eigen) oordelen over het Nederlandse volk zo op elkaar lijken, alsof er één referentiekader, één samenhangend beeld is? Hoe komt die beeldvorming tot stand en onder welke voorwaarden verdicht en verstart het beeld tot een stereotype? In hoeverre is het (stereotiepe) beeld te herleiden tot een nationaal karakter of althans tot nationale karakteristieken, zeden en gewoonten kenmerkend voor de nationale cultuur? Aan de hand van deze vragen hoop ik het debat over nationale identiteit te verhelderen.



Beeldvorming

Over beeldvorming van 'Het andere volk' heeft Den Hollander een nog steeds behartenswaardig opstel geschreven dat als uitgangspunt voor verder onderzoek en overdenking kan dienen.(5) Nationaal bewustzijn, zo betoogt Den Hollander, wekt in het individu een wij-gevoel op van landgenoten (ingewijden) tegenover buitenlanders (buitenstaanders). Bij zijn oordeel over buitenstaanders zal het individu afgaan op het eigen (nationale) waardenpatroon. Enig besef van eigenwaarde leidt dan al snel tot zelfverheffing en geringschatting van het andere volk, vooral onder invloed van bestaande of voorbije conflicten en rivaliteiten. Zelfverheffing en (negatieve, maar ook positieve) waardering van het andere volk komen tot uiting in stereotiepe beelden van het eigen en het andere volk die op onvolledige, eenzijdige of zelfs fictieve informatie berusten.

Stereotypering wordt meestal gezien als het resultaat van een wisselwerking tussen waarneming en motivatie. In zijn verklaring van stereotypering legt Den Hollander de nadruk op de motivatie van de waarnemers. Stereotypering van andere volkeren versterkt het eigen eenheidsbesef (solidariteit). Herkenning van eigen positieve waarden in het andere volk brengt gevoelens van sympathie te weeg. Onderkenning van een afwijkend waardenpatroon wekt omgekeerd gevoelens van antipathie. Rivaliserende volkeren neigen ertoe de prestaties van de tegenstander toe te schrijven aan oneervolle motieven en oneerlijke handelwijzen.

Stereotypering is echter ook te verklaren uit het waarnemingsproces. (6) Bij de waarneming van zo'n complex verschijnsel als een ander volk neigt de waarnemer tot vereenvoudiging van het beeld door al dan niet bestaande verschillen te overdrijven (overcategorisering). Wanneer men in het bijzonder emotioneel geladen kenmerken categoriseert, neigt men ertoe verschillen tussen (nationale) categorieën te accentueren en verschillen binnen dezelfde categorie te minimaliseren (accentuerings-minimaliserings-hypothese). Een hier relevante wijze van categoriseren is de indeling van mensen in landgenoten en buitenlanders. Dit indelingsmechanisme gaat niet zelden gepaard met vooroordelen en discriminerend gedrag. Daarvoor zijn een aantal redenen. Het ligt voor de hand ongewenst gedrag aan buitenlanders toe te schrijven, omdat landgenoten vertrouwder zijn en daardoor positiever beoordeeld worden. Positieve waardering van eigen volk impliceert positieve zelfwaardering die bevorderlijk is voor de gemoedsrust (cognitieve balans). Bovendien worden vooroordelen en discriminerend gedrag door de betrokkenen meestal gerationaliseerd zodat de cirkel weer rond is. Dat stereotypen die tot stand zijn gekomen in andere tijden en onder andere omstandigheden, een relatieve duurzaamheid bezitten, komt doordat zij niet zozeer uit de waarneming voortkomen als wel de waarneming sturen en dienen om de eigen nationale identiteit te bevestigen. Bij de verklaring van nationale stereotypering moet men kortom rekening houden met de motivatie van de waarnemers, de relatie tussen de betrokken naties en het waarnemingsproces.(7) In hoeverre een stereotype opgevat kan worden als 'een verdiende reputatie' komt aan de orde bij de bespreking van het begrip 'volkskarakter'.



Imagologie

Behalve als sociaal verschijnsel wordt (nationale) stereotypering ook als talig verschijnsel bestudeerd door literatuurwetenschappers die of in het geheel niet verwijzen naar sociaal-wetenschapppelijke literatuur of die benadering als 'essentialistisch' (positivistisch) afwijzen.(8) Onder de noemer van 'Komparatistische Imagologie' maakt de Vlaming Hugo Dyserinck die in Duitsland gedoceerd heeft, er aanspraak op een specifieke tak van vergelijkende literatuurwetenschap gefundeerd te hebben.(9) Ondanks de gewichtigdoenerij en het overbodige jargon heeft de imagologie de literaire aspecten van stereotypering wel verhelderd. Zo wijst Dyserinck op de topos van de noord-zuid polariteit (nuchtere noorderlingen tegenover zonnige zuiderlingen), de mogelijkheid van wisselende waardering van toegeschreven eigenschappen (nuchtere ernstige of sombere noorderlingen tegenover zonnige levensgenietende of lichtzinnige zuiderlingen), de bestendigheid van 'imagotype' (stereotiepe) denkmodellen en de verwevenheid van auto- en hetero-images.(10) In Nederland heeft Joep Leerssen de imagologische benadering van nationale identiteit bepleit. In een aanval op de empirisch onderbouwde Nederlandertypologie van Geert Hofstede beweert hij dat het zelfbeeld van de Nederlander een ideologisch produkt is en dus een stereotiepe zelfrepresentatie zonder verifieerbare objectieve grond.(11) Kennelijk gaat Leerssen ervan uit dat identiteit berust op stereotypering en dat Hofstedes ondervraging geen antwoorden oplevert die informatie geven over waarden, normen en gedragsvormen. Omdat uitspraken over nationale identiteit bij uitstek naar elkaar verwijzen (intertextualiteit), moeten de bronnen nagetrokken en de zegslieden gesitueerd worden. Deze imagologische benadering van de (literaire) beeldvorming bekreunt zich dus niet om de geldigheid van het beeld, maar uitsluitend om de vorming en werking van het beeld. Wat heeft een dergelijke benadering nu opgeleverd? Veel meer dan de noord-zuid polariteit, het Germaanse introverte noorden tegenover het Romaanse extraverte zuiden, als topos of verklaringssjabloon weet Leerssen aanvankelijk niet te noemen.(12) In andere publicaties heeft hij zijn standpunt herhaald, verduidelijkt en aangevuld. Stereotypen berusten op conventies en refereren aan conventionele kennis of overgeleverde gemeenplaatsen.(13) Bedacht op literaire conventies onderzoekt de imagologie het beeld als tekstuele constructie, als waardeoordeel, maar niet als waarheidsoordeel. Bij dit onderzoek is de aandacht gericht op perceptie en representatie en op het onderscheid tussen identiteit en alteriteit. Zowel het subject als het object is betrokken bij een waardeoordeel dat bij een interculturele confrontatie geveld wordt. In dat oordeel zijn immers 'auto-images' en 'hetero-images' met elkaar verweven. De images of beelden worden uitsluitend intertekstueel geduid: het noord-zuid onderscheid naar temperament en mentaliteit is bijvoorbeeld te herleiden tot Montesquieu en zelfs Tacitus. Als topos in de mentale topografie is het noord-zuid onderscheid dus voor Leerssen een conventionele en niet een empirische categorisering.(14) Nationale (culturele) identiteit wordt door Leerssen omschreven als apart-zijn dat onderscheid tussen eigen en ander volk impliceert, en als bestendig-zijn dat historisch besef veronderstelt. Nationale identiteit is bij uitstek een kwestie van mentaliteit, van anders voelen en vinden dat tot uiting komt in stereotypering. Daarbij wordt gebruik gemaakt van standaard tegenstellingen (noord-zuid, centrum-periferie, geciviliseerd-exotisch, modern-traditioneel etc.) en tegenstrijdige kwalificaties en gemeenplaatsen. Zo dekken de gemeenplaatsen van koopman en dominee (schoolmeester) uiteenlopende of zelfs schijnbaar tegenstrijdige karaktertrekken van de Nederlander. Kleine zwakke mogendheden zoals Nederland roepen meestal een pittoresk, exotisch beeld op, terwijl de beeldvorming ten aanzien van grote machtige naties gereserveerder en negatiever is.(15) Tot zover een inventarisatie van imagologische bevindingen over nationale stereotypen als literaire gemeenplaatsen.

Nationale karakteristieken

De door Leerssen verguisde 'essentialistische' benadering van Geert Hofstede gaat uit van gedragspatronen en attitudes die blijken uit per nationaliteit verschillende antwoordscores op gestandaardiseerde vragen.(16) Cultuur wordt in deze sociaal-wetenschappelijke benadering opgevat als mentale voorprogrammering of predispositie in houding en gedrag die door opvoeding en sociaal verkeer overgedragen en in stand gehouden wordt. Het is een collectief verschijnsel waarvan de kern gevormd wordt door positieve en negatieve waarden. Die waarden kunnen in een aantal dimensies of aspecten geanalyseerd en door ondervraging gemeten worden.

De eerste dimensie is de mate van machtsafstand, die afgeleid wordt uit de relatieve waardering van maatschappelijke ongelijkheid en hiërarchie. De tweede dimensie is de mate van individualisme die bij groeiende welvaart algemeen lijkt toe te nemen. De derde dimensie is de mate van masculiniteit of feminiteit die beter aangeduid zou kunnen worden als de mate van assertiviteit, want in deze dimensie wordt de waardering voor assertief en aggressief gedrag tegenover bescheiden gedrag, en prestatiedrang en wedijver tegenover dienstbaarheid en solidariteit gemeten. De vierde dimensie is de mate van onzekerheidsvermijding door regelgeving, formele procedures en rituelen. In de later toegevoegde vijfde dimensie van het lange- of korte-termijn-denken wordt (oosterse) volharding in ontwikkeling en toepassing van innovaties gesteld tegenover (westerse) drang naar waarheid en onmiddelijk resultaat.

Met dit instrumentarium heeft Hofstede opvallende mentaliteitsverschillen tussen nationaliteiten aan het licht gebracht waarmee - en dat is de praktische kant - ondernemers en politici bij grensoverschrijdende samenwerking rekening zouden moeten houden. Het Institute for Research on Intercultural Co-operation van de universiteiten Maastricht en Tilburg zet Hofstedes onderzoek voort en houdt diens Values Survey Module bij de tijd. Terwijl Hofstede wel verwijst naar het Tilburgse European Values Study-project van Ruud de Moor en Loek Halman, bevatten de publikaties die uit dat project zijn voortgekomen, geen enkele verwijzing naar of toetsing van Hofstedes bevindingen!(17) Waarom deze Tilburgse onderzoeksgroep aan een vergelijkbaar grootschalig en internationaal gewaardeerd onderzoek voorbij gaat, is niet geheel duidelijk.(18)

De scheidslijn tussen Latijnse en Germaanse landen die Hofstede constateert op het gebied van machtsafstand en onzekerheidsvermijding, wordt volgens Leerssen wel erg gemakkelijk verklaard uit de Romeinse en Germaanse erfenis en de katholieke en protestantse traditie. Om nationale mentaliteitsverschillen historisch te verklaren moeten naar mijn mening vooral opvoedings- en socialisatiepatronen bekeken en vergeleken worden. Een intrigerend invalshoek voor een dergelijke benadering biedt de familietypologie van Emmanuel Todd.(19) Uitgaande van gegevens over de familiestructuur, de gelijke of ongelijke erfdeling tussen zonen en de autoritaire of liberale verhoudingen tussen ouders en kinderen heeft hij een gezinstypologie geformuleerd en voor West-Europa in kaart gebracht. Todd onderscheidt de volgende gezinstypen: 1. het absolute gezin met relatief liberale verhoudingen tussen ouders en kinderen, maar ongelijke erfdeling, 2. het egalitaire gezin met liberale verhoudingen en gelijke erfdeling, 3. de stamfamilie met een autoritaire vader en ongelijke erfdeling en 4. de gemeenschapsfamilie met een autoritair familiehoofd en vele ongelijk bedeelde leden.

In de regionale spreiding van gezinstypen zoekt hij de verklaring voor uiteenlopende waardenpatronen en godsdienstige en politieke voorkeuren. Noord-Oost-Frankrijk waar het egalitaire gezin domineert, was daardoor revolutionair en is nu anti-Brussel. Het conservatieve, hiërarchisch denkende zuid-westen (stamfamilie) is nu overwegend pro-Brussel. Het lijkt Todd aannemelijk dat de ontkerstende protestantse en egalitair gezinde regio's zich in toenemende mate zullen verzetten tegen de Europese integratie waar de (voorheen) katholieke regio's juist voor zijn.(20) In een recent boek brengt Todd de verschillende integratiepatronen van etnische minderheden in Europa in verband met het dominante gezinstype en huwelijkspatroon onder autochtonen. Omdat de toetssteen van werkelijke integratie volgens Todd gevormd wordt door onderlinge huwelijken, heeft integratie de beste kansen in gebieden waar het egalitaire gezin en het daarmee verbonden exogame huwelijkspatroon regel zijn zoals in Noord-West-Frankrijk. In Nederland waar in het noord-westen het absolute gezin overheerst en in het zuid-oosten de traditie van de stamfamilie doorwerkt, zou daarentegen groepsexclusivisme sterk zijn en trouwen binnen de eigen groep (endogamie) vanzelfsprekend, een veronderstelling die tot onderzoek uitdaagt.(21)

Door Nijmeegse sociologen is onderzoek gedaan naar de mate van consensus over nationale stereotypen.(22) Bij volledige consensus van 'binnenlanders' en buitenlanders zou het beeld kunnen verwijzen naar nationale karakteristieken. Enig voorbehoud is wel geboden, want nationale gedragsverschillen worden vanuit de eigen culturele codes geïnterpreteerd en eerder toegeschreven aan (aangeboren) nationale persoonlijkheidskenmerken dan aan culturele conventies. Verschil tussen eigen en andermans beeld en andermans beelden onderling kan betekenen dat de waarnemers over uiteenlopende informatie beschikken, beoordelingsfouten maken, naar andere maatstaven oordelen of een bijzondere relatie met het beoordeelde volk hebben. In die gevallen zal men de verklaring van stereotypen en vooroordelen eerder moeten zoeken in het waarnemingsproces en de motivatie van de waarnemers dan in cultuurverschillen als zodanig.

Uit een ondervraging van 277 Europese scholieren in 1990 kwamen de Nederlanders te voorschijn als behulpzaam, vriendelijk, ambitieus, rationeel (doelgericht), emotioneel (gevoelsmatig) en eerlijk. Belgen weken in negatieve zin van het Europese gemiddelde af door het Nederlands volk als arrogant en zelfzuchtig te stereotyperen. Van de Belgen vond dan ook slechts 52% het Nederlandse volk sympathiek, terwijl het Belgische volk juist door 72% van de Nederlanders sympathiek gevonden werd. Fransen meenden als enigen dat Nederlanders weinig individualistisch waren. Zelf zagen Nederlandse scholieren het eigen volk ook als uiterst behulpzaam en emotioneel, in mindere mate als ambitieus, rationeel en vriendelijk, maar niet als eerlijk. Afgezien van de eerlijkheid was er dus een grote mate van consensus tussen Nederlanders en buitenlanders over het Nederlandse volkskarakter. De beoordeling als behulpzaam heeft een lange traditie (liefdadigheid), de beoordeling als gevoelsmatig is echter van recente datum. Weinig verrassend is de geringe sympathie voor het Duitse volk (44%). Van Duitse kant was de sympathie groter (64%). Overigens kreeg niet het Duitse, maar het Engelse volk de laagste waardering (39%) en wel van de Franse scholieren. Al met al onthult een dergelijke opiniepeiling toch meer over beeldvorming en stereotypen dan over nationale karakteristieken.

Ook (historisch-)antropologen hebben zich het hoofd gebroken over het onderscheid tussen nationaal karakter en nationaal stereotype. Uit het themanummer van Focaal (1986) dat verslag doet van een debat over het begrip 'nationaal karakter', kunnen een aantal opmerkingen en suggesties geput worden.(23) De verdichting van een nationaal karakter tot een modale persoonlijkheidsstructuur door Ruth Benedict en anderen moet weer verruimd worden tot een bestudering van nationaal karakter in het kader van natie- en staatsvormingsprocessen, huwelijkspatronen, vormen van sociabiliteit en gezichtsbepalende sociale groepen. Bij stereotypen die verwijzen naar nationale cultuurverschillen, moet gelet worden op literaire aspecten en de wordingsgeschiedenis, die dikwijls te herleiden is tot historische sleutelperioden. De Amerikaanse volkskundige Alan Dundes en de Nederlandse historicus Willem Frijhoff braken een lans voor het behoud van de term volkskarakter als referentieel begrip. Dundes omschreef 'nationaal karakter' als 'een cluster van specifieke karaktereigenschappen dat empirisch vastgesteld kan worden'. Frijhoff definieerde 'volkskarakter' omzichtiger als 'collectieve benoeming van waargenomen gedragsvormen'. De Zweedse etnoloog Orvar Löfgren maakte een verhelderend onderscheid tussen nationaal gevoel dat door omstandigheden opgeroepen kan worden, nationale identiteit als contrasterend begrip en nationale cultuur als begrip dat verwijst naar een collectief bewustzijn, een codegemeenschap. Tevens formuleerde hij vragen die gesteld moeten worden bij de bestudering van de benoeming van nationale gedragsvormen. Welke cultuurelementen zijn gemeenschappelijk in een nationale context? Hoe wordt het nationale erfgoed benoemd, door wie, waar en wanneer? Hoe zijn gemeenschappelijke culturele codes op nationale schaal tot stand gekomen of gebracht?

De culturele nationalisering van Zweden als model

Wat Zweden betreft, heeft Orvar Löfgren met een aantal collega's in 1993 antwoord gegeven op deze vragen.(24) Omdat dit antwoord als model kan dienen om 'de nationalisering van Nederland' te onderzoeken, zal ik de thematisch relevante hoofdlijnen van het boek De verzweedsing van Zweden hier aangeven. Waar nodig zal ik Nederlandse in plaats van Zweedse voorbeelden geven. Löfgren c.s. betrekken de begrippen nationaliteit en etniciteit op een gemeenschapsbesef dat tot uitdrukking komt in symbolen en cultuurvormen zoals taal, godsdienstige rituelen, kleding, eetgewoonten en andere zeden en gewoonten. Nationaal besef veronderstelt weliswaar een staat, maar wordt gerechtvaardigd met een beroep op culturele (etnische) identiteit. Als een natie een denkbeeldige gemeenschap is, moet men de organisatie van die denkbeelden en de gemeenschap zelf in tijd en ruimte onderzoeken met het oog op communicatieprocessen, dagelijkse praktijken en vertogen.

Het gangbare vertoog over nationale identiteit zoekt naar een nationale (levens)stijl of een nationaal karakter dat gevonden wordt in het symbolische kapitaal van mythen, helden, gouden tijden en symbolen. Dat de natie in het vertoog als homogeen wordt voorgesteld, is mogelijk dankzij een selectief nationaal geheugen. In het nationaliseringsproces wordt een zelfbeeld geformuleerd dat contrasteert met het beeld van andere naties. De profilering van de nationale eigenaard gaat dikwijls gepaard met het opwaarderen en uitdragen van een deellandschap (polders) en een deelcultuur (Volendam) als karakteristiek, zo niet stereotiep nationaal erfgoed. Het zelfbeeld wisselt al naar gelang het vergelijkingsobject, de mate waarin behoefte is aan contrastering en het tijdstip van vergelijking. Sinds 1851 noden ook wereldtentoonstellingen tot vergelijking van nationale stijlen en prestaties: de beschouwingen daarover vormen een veelbelovend onderzoeksveld. De nationalisering van het verleden en de schepping van een heldengalerij bevorderden het nationale besef in de negentiende eeuw. In de twintigste eeuw was een sleutelrol weggelegd voor sport en vrijetijdsbesteding. Daarbij kan de vraag gesteld worden: wanneer, waar en hoe worden bepaalde bezigheden (sporten, fietsen, zingen etc.) als typisch nationaal ervaren en door wie?

Verwijzingen naar het nationale verleden, nationale helden en nationale karakteristieken zijn verweven in opvoeding en onderwijs. Min of meer vanzelfsprekend gaan zij deel uitmaken van het eigen verhaal van elke nieuwe generatie. Het verhaal over het eigen ik en de natie vullen elkaar aan. De opkomst van de nationale staat en de ontdekking van het individu vielen dan ook samen. De nationale identiteit en het biografisch ik dienden als betekenisverlenende subjecten om een veelheid aan ervaringen te ordenen. Typering is een manier van ordenen die de nationale eigenaard beschrijft en interpreteert. Dikwijls tot stand gekomen onder bijzondere historische omstandigheden (Opstand, Bezetting) bieden nationale stereotypen weerstand aan verandering. De verbeelding van de nationale eigenaard pleegt achter te blijven bij de werkelijkheid. Zo floreerde de idyllische voorstelling van het platteland en het boerenleven juist in een verstedelijkende en industrialiserende samenleving (Ot en Sien). In de formulering van identiteit als een vat vol tegenstellingen zijn patronen te onderkennen, zoals de toedichting van eigenschappen die vatbaar zijn voor tweeërlei uitleg, positief en negatief (bijvoorbeeld flegmatisch als traag of vasthoudend). Bij het overdrachtelijk spreken over de natie is het van belang te letten op mannelijke en vrouwelijke metaforen (vaderland en moedertaal). Hetzelfde geldt voor personificaties en karikaturen. De nationale retoriek is te vergelijken met een toneelstuk dat in wisselende regie met telkens nieuwe rolbezetting opgevoerd wordt. Door opvoeding en onderwijs en natuurlijk in het sociale verkeer leert men zich te spiegelen aan het nationale zelfbeeld, leert men zijn rol in woord en gebaar. Terwijl lichaamstaal vanzelf nagevolgd wordt, is lichaamsbeleving een bewust proces dat in de twintigste eeuw ook overheidszorg is geworden. Het lichamelijk welzijn werd toen bevorderd door aandacht voor hygiëne, lichamelijke opvoeding en (verenigings)sport. In de internationale wedstrijdsport culmineren tegenwoordig nog steeds nationale gevoelens, stereotypen en retorisch geweld over erfvijanden en nationale helden. Het lijkt mij dat in het voorgaande voldoende aanknopingspunten te vinden zijn om de culturele nationalisering van Nederland in kaart te brengen.



Conclusie

Het debat over Nederlands nationale identiteit heeft vooral aangetoond dat 'een land leeft zolang er debat is' om Kossmann te citeren (NRC 7 maart 1995). Slechts enkele deelnemers aan het debat wezen op concrete aspecten van de Nederlandse cultuur die eerder te vinden zijn in reisgidsen en inburgeringshandleidingen dan in vertogen over de nationale identiteit. Juist die concrete, alledaagse aspecten zouden historici in navolging van antropologen grondiger in kaart moeten brengen. Omdat een belangrijke categorie bronnen daarvoor bestaat uit reisverslagen, is bezinning op beeldvorming noodzakelijk met aandacht voor de historische context, de motivatie van de waarnemers en de kenmerken van het waarnemingsproces. De imagologische benadering van stereotypen als talige verschijnselen heeft de verdienste te wijzen op topoi, maar schiet te kort of het doel voorbij door de werkelijkheid buiten beeld te houden. Tegenover deze 'constructivistische' benadering staat de 'essentialistische' sociologische en antropologische benadering van nationale karakteristieken, waardenoriëntaties en gedragsvormen. Het lijkt mij een uitdaging om Hofstedes dimensies (waardenoriëntaties) voor historisch onderzoek van mentaliteitsverschillen te operationaliseren. Wat de historische verklaring aangaat biedt Todds gezinstypologie een aanvulling op Hofstedes tweedeling in Romeins en Germaans Europa. Een inspirerende en veelzijdige benadering van culturele nationalisering is te vinden in het onderzoek van Orvar Löfgren c.s. dat als model voor historisch-antropologisch onderzoek van de nationale identiteit kan dienen.



1. B. van Heerikhuizen, 'Het Nederlandse volkskarakter. Sociologen in de jaren dertig en veertig over het Nederlandse volkskarakter', Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 6 (1980, 4) 643-675.

2. H. van de Braak, Homo Neerlandicus. Essay over 'wij Nederlanders' (Amersfoort 1993).

3. Inmiddels gebundeld door K. Koch en P. Scheffer red. onder de titel Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit (Amsterdam 1996).

4. Zie voor een overzicht van de politieke dimensies van Nederlands nationale identiteit H. te Velde, 'Nederlands nationaal besef vanaf 1800', in: T. Zwaan e.a. red., Het Europees labyrint. Nationalisme en natievorming in Europa (Meppel 1991) 173-188.

5. A.N.J. den Hollander, Visie en verwoording (Assen 1968) 1-15.

6. H. Steensma, 'Het is altijd wij of zij', Intermediair 20 juli 1979.

7. C. Boekestijn, 'Opvattingen over andere groepen', in: Menswetenschappen vandaag (Meppel 1972) 137-154.

8. Zie de 'dialoog van doven' tussen Joep Leerssen en Geert Hofstede in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 16 (1989, 3) 360-365 naar aanleiding van J.Th. Leerssen, 'Over nationale identiteit', Theoretische geschiedenis 15 (1988, 4) 417-430.

9. M.S. Fischer, Nationale Images als Gegenstand Vergleichende Literaturgeschichte. Untersuchungen zur Entstehung der komparatistischen Imagologie (Bonn 1981).

10. H. Dyserinck, 'Komparatistische Imagologie', in: H. Dyserinck en K.U. Syndram, Europa und das nationale Selbstverständnis. Imagologische Probleme in Literatur, Kunst und Kultur des 19. und 20. Jahrhunderts (Bonn 1988) 13-37.

11. Leerssen, 'Over nationale identiteit'.

12. Zie voor een sociaal-psychologische benadering van de Noord-Zuid polariteit U.R. Ehrenfels, 'Nord-Süd-Polarisation als ganzheitliches Phaenomen', Zeitschrift für Ganzheitsforschung, II (1967) 129-138. Een uitvoerig gedocumenteerde herleiding tot de klimaattheorie van Hippocrates en Galenus is te vinden in W. Zacharasiewicz, Die Klimatheorie in der Englische Literatur und Literaturkritik (Wenen 1977).

13. Joep Leerssen, 'Mimesis and stereotype', in: Yearbook of European Studies (National Identity. Symbol and representation) 4 (Amsterdam 1991) 165-175.

14. Joep Leerssen, 'Echoes and images: reflections upon foreign space', in: Raymond Corbey en Joep Leerssen, Alterity, identity, image. Selves and others in society and scholarship (Amsterdam 1991) 123-138.

15. Joep Leerssen, 'Culturele identiteit en nationale beeldvorming', in: J.C.H. Blom e.a. red., De onmacht van het grote: cultuur in Europa (Amsterdam 1993) 7-19.

16. Geert Hofstede, Allemaal andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen (Amsterdam 1993).

17. P. Ester, L. Halman, R. de Moor red., The individualizing society. Value change in Europe and North America (Tilburg 1993).

18. Naar Geert Hofstede mij schriftelijk mededeelde is hem niet bekend waarom Halman c.s. nooit nota genomen hebben van zijn werk. Loek Halman verzekerde mij per E-mail dat het achterwege blijven van vergelijkingen en verwijzingen niet opgevat mag worden als een negatieve evaluatie van Hofstedes werk. In Tilburg bestaat kennelijk nog geen behoefte het eigen onderzoek te valideren tegen ander, vergelijkbaar onderzoek.

19. Emmanuel Todd, L'invention de l'Europe (Parijs 1990).

20. Peter van Dijk over Emmanuel Todds theorie over familietypen in Europa, NRC za 17 okt. 1992.

21. Martin Sommer, 'Anders is niet gelijk' (over Emmanuel Todd, Le destin des immigrés. Parijs 1995) Volkskrant za 11 maart 1995.

22. L. Hagendoorn en H. Linssen, 'Nationale karakteristieken en stereotypen', in: A.J.A. Felling en J. Peters red., Cultuur en sociale wetenschappen. Beschouwingen en empirische studies (Nijmegen 1991) 171-197.

23. Focaal. Tijdschrift voor antropologie 1986, 2/3.



24. Billy Ehn, Jonas Frykman en Orvar Löfgren, Försvenskningen av Sverige. Det nationellas förvandlingar (Stockholm 1993). ùR



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina