Natura 2000-beheerplan Waddenzee


Instandhoudingsdoelstellingen



Dovnload 1.86 Mb.
Pagina6/29
Datum24.07.2016
Grootte1.86 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29

3Instandhoudingsdoelstellingen


In het vorige hoofdstuk zijn de belangrijkste landschappelijke en ecologische onderdelen van Natura 2000-gebied Waddenzee beschrevenen. In dit hoofdstuk wordt aangegeven voor welke habitattypen en soorten de Waddenzee is aangewezen en dus welke instandhoudingsdoelstellingen er voor dit gebied gelden.

3.1Kernopgaven en ‘sense of urgency’


Voor elk Natura 2000-gebied zijn kernopgaven geformuleerd. De kernopgaven geven de belangrijkste behoud- en herstelopgaven voor de in het gebied aanwezige habitattypen en soorten aan, alsmede het belang van de bijdragen van het betreffende gebied aan de realisatie van de landelijke doelen. Met de kernopgaven worden prioriteiten gesteld en wordt richting gegeven aan de uitwerking van de doelen in de beheerplannen (LNV, 2006b). De kernopgaven vergen op landschaps- en op gebiedsniveau een samenhangende aanpak in beheer en inrichting. Bij het opstellen van de beheerplannen is men vrij om binnen de kaders van het aanwijzingsbesluit aanvullende prioriteiten te stellen.
Binnen de kernopgaven betekent de aanduiding ‘sense of urgency’ dat er concrete maatregelen moeten worden genomen om de water- of beheerscondities voor 2016 op orde te brengen (LNV, 2009c). Dit om te voorkomen dat binnen 10 jaar een mogelijk onherstelbare situatie ontstaat en de betreffende kernopgaven niet meer realiseerbaar zijn. De verschillende elementen uit de kernopgaven leiden niet automatisch tot een prioritering in aanpak via maatregelen. De kernopgaven voor de Waddenzee zijn geformuleerd in het Natura 2000-doelendocument (LNV, 2006b) en geactualiseerd in de zogenaamde essentietabellen (EL&I, 2012) en zijn overgenomen in Tabel 3 .2. Voor de Waddenzee is er geen kernopgave die een ‘sense of urgency’-predikaat heeft gekregen. De opgave ten aanzien van landschappelijke samenhang en interne compleetheid legt de basis voor de ecologische vereisten van alle habitattypen en leefgebieden van soorten.
Tabel 3.2. Kernopgaven voor Natura 2000-gebied Waddenzee. In grijs zijn soorten aangegeven die wel deel uitmaken van de landelijke kernopgaven, maar die niet van toepassing zijn in het betreffende gebied.




Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid (Noordzee, Waddenzee en Delta)

Behoud of herstel ruimtelijke samenhang diep water, kreken, geulen, ondiep water, platen, kwelders of schorren, stranden en bijbehorende sedimentatie- en erosieprocessen. Behoud openheid, rust en donkerte. Voor vogels betekent dit voldoende rust en ruimte om te foerageren en voldoende rustige hoogwater­vlucht­plaatsen op korte afstand van foerageergebieden in het intergetijdengebied.

1.03

Overstroomde zandbanken & biogene structuren

Verbetering kwaliteit permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) H1110_A o.a. met biogene structuren met mossels. Tevens van belang als leefgebied voor eider A063 en zwarte zee-eend A065 en als kraamkamer voor vis.

1.07

Zoet-zoutovergangen waddengebied

Herstel zoet-zoutovergangen (bijvoorbeeld via spuiregime en vistrappen) i.h.b. visintrek Afsluitdijk, Westerwoldse Aa en Lauwersmeer/ Reitdiep in relatie tot Drentsche Aa (rivierprik H1099)

1.09

Achterland fint

Behoud van verbinding met Schelde en Eems ten behoeve van paaifunctie voor fint H1103.

1.10

Diversiteit getijdenplaten

Verbetering kwaliteit slik- en zandplaten (getijdengebied) H1140_A ten behoeve van vergroting van de diversiteit.

1.11

Rust- en foerageergebieden

Behoud slikken en platen voor rustende en foeragerende niet-broedvogels zoals voor bonte strandloper A149, rosse grutto A157, scholekster A130, kanoet A143, steenloper A169 en eider A063 en rustgebieden voor gewone zeehond H1365 en grijze zeehond H1364.

1.13

Voortplantingshabitat

Behoud ongestoorde rustplaatsen en optimaal voortplantingshabitat (waaronder embryonale duinen H2110) voor bontbekplevier A137, strandplevier A138, kluut A132, grote stern A191 en dwergstern A195, visdief A193 en grijze zeehond H1364.

1.16

Diversiteit schorren en kwelders

Behoud (Waddenzee) en herstel (Delta) van schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330_A met alle successie­stadia, zoet-zout overgangen, verscheidenheid in substraat en getijregime en mede als hoogwater­vluchtplaats.



3.2Instandhoudingsdoelstellingen


De doelen voor ieder Natura 2000-gebied zijn gespecificeerd in het aanwijzingsbesluit in doelen voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (LNV, 2009e). Deze doelen zijn gebaseerd op de staat van instandhouding1, de verandering in het voorkomen van de afgelopen jaren (de trend), de verwachting voor de toekomst en het belang van het gebied voor de soort of habitat. In deze paragraaf worden de instandhoudingsdoelstellingen weergegeven zoals ze in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen. Voor de Waddenzee zijn 71 Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Op basis van de Habitatrichtlijn is het gebied voor 13 (sub)habitattypen en 6 -soorten aangewezen. Voor de Vogelrichtlijn gaat het om 13 broedvogels en 39 niet-broedvogels. Van al de doelstellingen die toegekend zijn aan de Waddenzee hebben alleen de subhabitattypen ‘kalkrijke en kalkarme grijze duinen’ (H2130A en B) een prioritaire status. Voor prioritaire soorten en habitattypen hebben lidstaten een bijzondere verantwoordelijkheid voor de instandhouding, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied binnen de Europese Unie ligt en dat het gevaar loopt te verdwijnen.
In onderstaande subparagrafen zijn de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit in tabelvorm opgenomen. Uitvoerige achtergrondinformatie over de habitattypen en soorten, inclusief informatie over trends in voorkomen zijn opgenomen in de Doeluitwerking Waddenzee (Rijkswaterstaat, 2011c). Wanneer in de onderstaande doeltabellen voor een habitattype of soort een trend als afnemend is aangemerkt, betekent dit in de meeste gevallen dat er maatregelen moeten worden getroffen om de situatie van aanmelding (7 december 2004) c.q. aanwijzing (10 juni 1994) te herstellen. Wanneer een trend in voorkomen binnen de Waddenzee als onduidelijk is opgenomen, dan wordt er uit voorzorg mee omgegaan alsof het een negatieve trend is, tenzij de actuele aantallen (in het geval van vogels) aantoonbaar ruim boven het doelaantal liggen.

3.2.1Habitattypen


Bijna het gehele waddengebied is ingedeeld bij één van de hierna beschreven habitattypen (Tabel 3 .3). Alleen de zomerpolders (Noord-Friesland) en kale zandplaten boven gemiddeld hoogwaterniveau vallen niet onder een benoemd habitattype. Door er voor te zorgen dat de beschreven habitattypen voldoen aan de eisen van kwaliteit en omvang is als het ware het maximale gedaan in de Waddenzee om ook voor individuele soorten die gebruik maken van deze habitattypen een goed leefmilieu te bieden. Voor migrerende soorten, zoals vogels en sommige vissoorten, is het daarnaast ook van belang dat hun habitat buiten de Waddenzee voldoet aan de eisen die ze er aan stellen. De ecologische samenhang tussen verschillende (internationale) gebieden vormt een basis voor de Europese natuurbescherming. Maatregelen, lokaal genomen, moeten dan ook in dàt perspectief worden afgewogen .
In Tabel 3 .3 is informatie over de doelstellingen en trends van de habitattypen weergegeven. Van alle habitattypen in de Waddenzee is behoud van oppervlak als doel gesteld. Voor de habitattype ‘permanent overstroomde zandbanken’, ‘slik- en zandplaten’, ‘buitendijkse schorren en zilte graslanden’ en ‘kalkarme grijze duinen’ is een verbetering van kwaliteit ten doel gesteld. Voor de overige habitattypen is het behoud van kwaliteit voldoende.
De staat van instandhouding van de aangewezen habitattypen is doorgaans ongunstig. Alleen voor ‘pionierbegroeiingen van het subtype zeevetmuur’, ‘embryonale duinen’ en ‘duindoornstruwelen’ is de staat gunstig. Voor de meeste habitattypen is de Waddenzee een belangrijk gebied. De relatieve bijdrage van de Waddenzee aan de landelijke staat van de verschillende habitattypen is, met uitzondering van enkele duinhabitattypen, (zeer) groot.
Tabel 3.3 Staat van instandhouding, relatieve bijdrage, trends en de doelstellingen van de verschillende aangewezen habitattypen van het Natura 2000-gebied Waddenzee.

Habitattypen

Landelijke staat van instandhouding (SVI)

Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI

Trend Waddenzee (kwaliteit)

Doelstelling omvang Waddenzee

Doelstelling kwaliteit

Waddenzee



Kernopgave Waddenzee

H1110 A Permanent overstroomde zandbanken

-

+++

Stabiel

b

v

1.03 W

H 1140A Slik- en zandplaten

-

+++

Toenemend

b

v

1.10 W

H 1310A Zilte pionierbegroeiin­gen (zeekraal)

-

+++

Stabiel

b

b




H 1310B Zilte pionierbegroeiin­gen (zeevetmuur)

+

+

Onduidelijk

b

b




H 1320 Slijkgrasvelden

- -

++

Stabiel

b

b




H 1330A Schorren en zilte gras­landen (buitendijks) (vastelandskust)

-

+++

Afnemend-

b

v

1.16 W

H 1330A Schorren en zilte gras­landen (buitendijks) (eilanden)

-

+++

Afnemend

b

v

1.16 W

H 1330B Schorren en zilte gras­landen (binnendijks)

-

+

Onduidelijk

b

b




H 2110 Embryonale duinen

+

++

Stabiel

b

b

1.13

H 2120 Witte duinen

-

+

Stabiel

b

b




*H 2130A Grijze Duinen (kalkrijk)

- -

gering

Onduidelijk

b

b




*H 2130B Grijze Duinen (kalkarm)

- -

+

Onduidelijk

b

v




H 2160 Duindoornstruwelen

+

gering

Toenemend

b

b




H 2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

-

gering

Toenemend

b

b




Legenda

* = prioritair habitattype. Landelijke staat van instandhouding: - - = zeer ongunstig, - = matig ongunstig, + = gunstig. Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI: +++ = >50%, ++ = 15-50%, + = 2-15%, gering = <2%. Doelstelling ten aanzien van omvang Waddenzee: b = behoud oppervlak habitattype. Doelstelling ten aanzien van kwaliteit Waddenzee: b = behoud kwaliteit habitattype, v = verbetering kwaliteit habitattype. Kernopgave Waddenzee: aanwezig indien nummer vermeld, voor uitleg beschrijving van kernopgave zie tekst bij corresponderend nummer in Tabel 3 .2, W = wateropgave.


3.2.2Habitatsoorten


In Tabel 3 .4 is de informatie over de doelstellingen en trends van de habitatsoorten weergegeven. Voor alle soorten geldt een behoudsdoel voor de oppervlakte en de kwaliteit van het leefgebied. Voor de gewone zeehond, fint, zeeprik en rivierprik zijn deze behoudsdoelen gesteld ter uitbreiding van de populatie. De landelijke staat van instandhouding is (matig) ongunstig, alleen de gewone zeehond heeft een gunstige staat van instandhouding. Met uitzondering van de nauwe korfslak is de Waddenzee van groot belang voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten.
Tabel 3.4 Staat van instandhouding, relatieve bijdrage, trends en de doelstellingen van de verschillende aangewezen habitatsoorten van het Natura 2000-gebied Waddenzee.

Habitatsoorten

Landelijke staat van instandhouding (SVI)

Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI

Trend populatie Waddenzee

Doelstelling omvang Waddenzee

Doelstelling kwaliteit Waddenzee

Doelstelling populatie Waddenzee

Kernopgave Waddenzee

H 1014 Nauwe Korfslak

-

Gering

Onduidelijk

b

b

b




H 1095 Zeeprik

-

+

Onduidelijk

b

b

v




H 1099 Rivierprik

-

+

Toenemend

b

b

v

1.07 W

H 1103 Fint

- -

++

Toenemend/onduidelijk

b

b

v

1.09 W

H 1364 Grijze zeehond

-

+++

Toenemend

b

b

b

1.11, 1.13

H 1365 Gewone zeehond

+

+++

Toenemend

b

b

v

1.11

Legenda:

Landelijke staat van instandhouding: - - = zeer ongunstig, - = matig ongunstig, + = gunstig. Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI: +++ = >50%, ++ = 15-50%, + = 2-15%, gering = <2%. Doelstelling ten aanzien van omvang Waddenzee: b = behoud oppervlak leefgebied. Doelstelling ten aanzien van kwaliteit Waddenzee: b = behoud kwaliteit leefgebied. Doelstelling ten aanzien van populatie Waddenzee: b = behoud populatie, v = uitbreiding populatie.

Kernopgave Waddenzee: aanwezig indien nummer vermeld, voor uitleg beschrijving van kernopgave zie tekst bij corresponderend nummer in Tabel 3 .2, W = wateropgave.


3.2.3Vogelsoorten


In Tabel 3 .5 staat informatie over de doelstellingen en trends van de aangewezen vogels. Sommige broedvogels (eider, lepelaar, kluut, bontbekplevier) zijn ook als niet-broedvogel aangewezen. Voor de meeste vogelsoorten is behoud van leefgebied (omvang en kwaliteit) ter doel gesteld. Voor een klein deel van de broedvogels (eider, kluut) en niet-broedvogels (topper, eider, scholekster, kanoet, steenloper), geldt een verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. Voor de broedvogels strandplevier en de dwergstern geldt een verbeteropgave voor de omvang en/of een verbetering van het leefgebied. Hoewel de landelijke staat van instandhouding van de verschillende vogelsoorten verschilt, is de Waddenzee voor alle vogelsoorten van groot belang voor de staat van instandhouding op landelijk niveau.

Tabel 3.5 Staat van instandhouding, relatieve bijdrage, trends en de doelstellingen van de verschillende aangewezen vogelrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied Waddenzee.



Vogelrichtlijnsoorten

Landelijke staat van instandhouding (SVI)

Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI

Trend populatie Waddenzee

Doelstelling omvang Waddenzee

Doelstelling kwaliteit Waddenzee

Doelstelling Waddenzee leefgebied geschikt voor draagkracht populatie met aantallen (broedparen/ seizoensgemiddelden)

Kernopgave Waddenzee

A 034 Lepelaar (b)

+

++

Toenemend

b

b

430




A 063 Eider (b)

- -

+++

Afnemend

b

v

5000

1.03 W

A 081 Bruine kiekendief (b)

+

+

Toenemend

b

b

30




A 082 Blauwe kiekendief (b)

- -

+

Afnemend

b

b

3




A 132 Kluut (b)

-

++

Afnemend

b

v

3800

1.13

A137 Bontbekplevier (b)

-

++

Afnemend

b

b

60

1.13

A 138 Strandplevier (b)

- -

+

Afnemend

v#

v#

50

1.13

A 183 Kleine mantelmeeuw (b)

+

++

Toenemend

b

b

19000




A 191 Grote stern (b)

- -

+++

Toenemend

b

b

16000

1.13

A 193 Visdief (b)

-

++

Afnemend

b

b

5300

1.13

A 194 Noordse stern (b)

+

+++

Afnemend

b

b

1500




A 195 Dwergstern (b)

- -

++

Toenemend

v#

v#

200

1.13

A 222 Velduil (b)

- -

++

Onduidelijk

b

b

5




A 005 Fuut

-

+

Afnemend

b

b

310




A 017 Aalscholver

+

++

Afnemend

b

b

4200




A 034 Lepelaar

+

++

Toenemend

b

b

520




A 037 Kleine Zwaan

-

++

Onduidelijk

b

b

1600*




A 039 Toendrarietgans

+

+++

Onduidelijk

b

b

niet gedefinieerd




A 043 Grauwe gans

+

+

Toenemend

b

b

7000




A 045 Brandgans

+

++

Toenemend

b

b

36800




A 046 Rotgans

-

+++

Stabiel

b

b

26400




A 048 Bergeend

+

+++

Stabiel

b

b

38400




A 050 Smient

+

+

Stabiel

b

b

33100




A 051 Krakeend

+

+

Toenemend

b

b

320




A 052 Wintertaling

-

++

Stabiel

b

b

5000




A 053 Wilde eend

+

++

Stabiel

b

b

25400




A 054 Pijlstaart

-

+++

Toenemend

b

b

5900




A 056 Slobeend

+

+

Stabiel

b

b

750




A 062 Topper

- -

++

Stabiel

b

v

3100




A 063 Eider

- -

+++

Afnemend

b

v

9000-115000

1.11

A 067 Brilduiker

+

+

Afnemend

b

b

100




A 069 Middelste Zaagbek

+

+

Stabiel

b

b

150




A 070 Grote Zaagbek

- -

+

Afnemend

b

b

70




A 103 Slechtvalk

+

++

Toenemend

b

b

40*




A 130 Scholekster

- -

+++

Afnemend

b

v

140000-160000

1.11

A 132 Kluut

-

+++

Afnemend

b

b

6700

1.13

A 137 Bontbekplevier

+

+++

Toenemend

b

b

1800

1.13

A 140 Goudplevier

- -

+++

Afnemend

b

b

19200




A 141 Zilverplevier

+

+++

Toenemend

b

b

22300




A 142 Kievit

-

+

Toenemend

b

b

10800




A 143 Kanoet

-

+++

Afnemend

b

v

44400

1.11

A 144 Drieteenstrandloper

-

++

Afnemend

b

b

3700




A 147 Krombekstrandloper

+

+++

Stabiel

b

b

2000*




A 149 Bonte strandloper

+

+++

Toenemend

b

b

206000

1.11

A 156 Grutto

- -

++

Toenemend

b

b

1100




A 157 Rosse grutto

+

+++

Toenemend

b

b

54400

1.11

A 160 Wulp

+

+++

Toenemend

b

b

96200




A 161 Zwarte ruiter

+

+++

Afnemend

b

b

1200




A 162 Tureluur

-

+++

Toenemend

b

b

16500




A 164 Groenpootruiter

+

+++

Toenemend

b

b

1900




A 169 Steenloper

- -

+++

Toenemend

b

v

2300-3000

1.11

A 197 Zwarte stern

- -

+++

Afnemend

b

b

23000*




Legenda

(b) = Broedvogel. Landelijke staat van instandhouding: -- = zeer ongunstig, - = matig ongunstig, + = gunstig, ? = onbekend. Relatieve bijdrage Waddenzee aan landelijke SVI: +++ = >50%, ++ = 15-50%, + = 2-15%, gering = <2%. Doelstelling ten aanzien van omvang Waddenzee: b = behoud oppervlak leefgebied, v = uitbreiding oppervlak leefgebied. Doelstelling ten aanzien van kwaliteit Waddenzee: b = behoud kwaliteit leefgebied, v = verbetering kwaliteit leefgebied. # = en/of-doelstelling (uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied), * = seizoensmaximum i.p.v. seizoensgemiddelden. Kernopgave Waddenzee: aanwezig indien nummer vermeld, voor uitleg beschrijving van kernopgave zie tekst bij corresponderend nummer in Tabel 3 .2, W = wateropgave.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina