Natuurterreinen van de Ommer Marke in Lemele mei 2010



Dovnload 47.74 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte47.74 Kb.
Natuurterreinen van de Ommer Marke in Lemele

mei 2010


Door C.P.M Zoon
Inhoud
1. Inleiding

Aanleiding

Bodem en grondwater
2. De terreinen

A. het terrein aan de Grefeldijk

B1. de Noordpoel aan de N347

B2. de Zuidpoel aan de N347

3. Conclusie voor alle terreinen

1. Inleiding
Aanleiding
De Agrarische natuurvereniging “Omme Marke” heeft in de landinrichting Lemele enkele terreintjes toegewezen gekregen als natuur.

Deze terreinen, die van oorsprong natte graslanden waren, zijn al enkele jaren geleden ingericht als natuur.

Op 1 mei 2010 is een veldbezoek gedaan, om te beoordelen wat de waarde van de terreinen is en wat het mogelijke beheer kan zijn. Vanwege het vroege moment zijn niet alle soorten herkend.

Ligging van de terreinen van de Ommer Marke bij Lemele.


Links de terreinen met rolstoelpad en ijsbaan aan de N347; Rechts het terrein aan de Grefeldijk en de “Beneden Nieuw Brekkenleiding”


Bodem en grondwater.
Alle terreinen liggen grotendeels op lage natte grond aan de rand van het Reggedal.

De terreinen aan de N347 liggen op de overgang van zeer grof zand op de westelijke delen naar leem op de lage delen. Een teken dat ze op de natte voet van de stuwwal liggen. In deze terreinen is duidelijk kwel van de stuwwal aanwezig (Waterviolier, Veldrus en Echte koekoeksbloem). Grondwater vanaf de stuwwal stroomt relatief snel door het grove zandpakket en wordt tegengehouden door de lemige bodem, die in de terreinen aan de oppervlakte komt. In de winter, bij hoge grondwaterstanden, stroomt het grondwater deels over de leemlagen. In de zomer verdwijnt het grondwater meest onder de leemlagen naar grotere diepte (naar de Regge) en stagneert alleen nog regenwater op de leemlaag. Daardoor bestaat een terrein met wisselende waterstanden (winter zeer nat; zomer zeer droog). Het zandige westelijke deel is meest droog en de lemige laagte in het zuiden en oosten meest nat.


Het terrein aan de Grefeldijk heeft een geelbruine lemige bodem, een afspoelsel van gletsjers, vermengd met klei-afzettingen van de Regge.

In dit terrein is sprake van geringe grondwaterinvloed (Veldrus), waarschijnlijk vanuit de aanliggende Belt, en meer regenwaterinvloed. Regenwater stagneert op de sterk lemige bodem. Waarschijnlijk is het terrein vooral nat bij hevige regenval. In droge perioden kan de lemige bodem geen water naleveren. Hierop wijzen planten van moerassen naast planten van nat en droog schraalland. Waarschijnlijk was ook in het verleden al sprake van natschade én droogteschade op het perceel.



2. De terreinen
A. Terrein aan de Grefeldijk
B. Terreinen aan de N347

B1. Noordpoel

B2. Zuidpoel

A. terrein aan de Grefeldijk



bos en bomen

ruigte

ruig grasland

soortenrijk

schraalland

soortenrijk

riet/wilg

water



vegetatie aan de Grefeldijk

1 mei 2010


De indruk bestaat dat de humeuze bovengrond van het middendeel (4,5en 6) afgeschoven is en neergezet in een strook rondom het centrum (2 en 3). De grens tussen beide delen is vrij scherp en onnatuurlijk. De overgangen tussen 4, 5 en 6 zijn geleidelijk.

De ruigte (3) in de zuidoostpunt is een maaiseldepot van het waterschap.


De samenstelling van de verschillende delen is als volgt.

1. gangbaar grasland.

2. ruig grasland op humeuze grond; Rietgras, Grote brandnetel

3. zeer ruige vegetatie; depot voor maaisel

4. schraalland op humusarme leem; soorten van droog als van nat schraalland; matig veel Pitrus.

5. ondiep water met soortenrijk overjarig riet en jonge wilg.

6. open water met waterriet en enkele jonge wilg

7. greppel met kruidenrijk rietland

8. natuuroever waterschapsleiding met riet en wilg. Deels overjarig.

B1. rij zeer oude inlandse eiken

B2 gemengd jong loofbosje

B3 jonge eiken met meidoorn

B4 rij jonge els

B5 jonge loofhoutsingel



Bijzondere flora

K kale jonker

E egelboterbloem

L echte koekoeksbloem

B veldbies (soort?)

N snavelzegge

X blauwe zegge

Z zwarte zegge

S scherpe zegge

A moerasmuur

U moeraswalstro

W waternavel

V veldrus

Bijzondere flora

aan de Grefeldijk

1 mei 2010


Bijzondere soorten komen niet of nauwelijks voor in de opgebrachte grond.





Bijzondere fauna
Z Knobbelzwaan (nest)

W Winterkoning

F Fitis

T Tuinfluiter



G Geelgors

K Groene kikkers (zeker voortplanting)

R rustende Ree

M Mol
De belangrijkste delen voor dieren zijn:

- de zuidelijke singel langs een moerasje (B5)

- de natte delen (5 en 6) bijv. voor amfibieën.

- oude eikenrijen (B1) en meidoorn haag (B3 )

- de maaiselhopen (3)



Ontwikkelingsmogelijkheden
Als de omringende singel (B4, B5) ouder wordt, zal er meer schaduw in het terrein komen. Dit is niet onverdeeld gunstig. Graslanden in schaduw ontwikkelen zich minder goed.
De natte delen (5 en 6) zullen geleidelijk met bomen dichtgroeien tot een moerasbosje met riet en zeggen. Bij wintermaaien wordt riet (hoog) bevorderd, bij zomermaaien de zeggen (lager). Verbossing kan voorkomen worden door tenminste elke 2 jaar te maaien. Jonge boompjes kun je dan nog maaien.
De ruige grasrand (2) zal nog lang ruig blijven en gemakkelijk overgaan in ruig bos.

Als deze rand beweid of gehooid zou worden, dan zou er voedsel afgevoerd worden en ontstaan er openingen in de zode voor soorten met minder concurrentiekracht. Voor uitmijnen (roofbouw door het betelen met veel vragend gewas) is het wat laat. Er zijn al ontwikkelingen in bodem en vegetatie opgetreden. Die zouden weer terug gezet worden.

Voor zover de bodem in deze strook jaarrond boven het grondwaterpeil blijft, zal het organische stofgehalte steeds afnemen en zal de opgebrachte laag inklinken. Het verschil met het naastliggende schraalland (4) zal minder worden. De onderliggende leembodem zal de ontwikkeling bepalen.

Door van het ruige deel de humusrijke bovengrond af te graven zal het aandeel schraalland direct toenemen.


De productie in het schraalland (4) zal laag blijven, omdat de bodem hier in de zomer sterk uitdroogt. Wanneer dit niet gemaaid wordt zal er een steeds meer gesloten zode ontstaan. Door ophoping van strooisel zal dit deel meer op het ruige deel gaan lijken en ook dichtlopen met bos van wilg en els.
Door op enkele beschutte plekken nabij bomen maaisel en takken te leggen ontstaan overwinterings- en voortplantingsplaatsen voor dieren (ringslang, salamanders, padden).

Het huidige waterschapsdepot kan sterk verkleind worden.



Mogelijk beheer
Afvoeren van productie van de ruige grasrand (2) door hooien of beweiden.

Pas op bij beweiden of maaien: bij veel regen gaat het terrein kapot.


Regelmatig in de nazomer maaien van het schraalland (4). Tenminste om het jaar.
Tenminste om het jaar de natte delen (5 en 6) in de winter maaien. De zuidelijke poel in een keer, de centrale poel in twee keer. Daardoor blijft er elk jaar een helft riet overstaan. Dat is goed voor planten en dieren.
Bij het maaien van het schraalland (4) kan een deel van de natte delen(5) in de zomer meegemaaid worden, zodat daar een lage moerasvegetatie blijft. De waterstand is dan laag.
Bossingels (B5) langs zuidelijke moeras (5) vaak afzetten (griend), om voldoende licht te krijgen. Elders (hoeken bij 3 en westrand B4) tenminste elke 3-5 jaar afzetten. Niet veel oude bomen in de buitenrand laten ontstaan (in verband met weidevogels in de omgeving en schaduw in het terrein zelf). Bosje in noordpunt (B2) beheren als opgaand bos.
Meidoornhaag (B3) jaarlijks terugzetten. Oude meidoorn loopt niet meer uit en wordt hol.
Maaisel en snoeisel afvoeren uit het terrein. Een deel kan onder de singels gelegd worden (voor de fauna).

B. terreinen aan de N347

Overzicht terreinen aan de N347 bij Lemele.


Deze worden uitgewerkt als:


  1. Noordpoel




  1. Zuidpoel


rolstoelpad


poel



B1. Noordpoel


vegetatie rond de noordpoel op 1 mei 2010
1 landbouwgrond

2a kruidenrijk ruig grasland 6 open water met waterplanten

3 ruigte

4 vochtig schraalland B4 elzenrij

4a droog schraalland B5 jonge wilgensingel

5a veldrusmoeras B6 jong elzenhakhout

9 pitrusvegetatie

9a vochtig grasland met veldrus en pitrus


water ruig gras

soortenrijk schraalland soortenarm schraalland

riet en moeras bos en bomen

ruigte


Flora
6: waterviolier (kwel), veenwortel, zomprus, egelboterbloem en moeraswalstro

4: zwarte zegge, echte koekoeksbloem, lidrus

5a: veldrus, kattestaart, kale jonker, pitrus

B6: afgezet elzenhakhout; sterk lemig.


Tussenstuk: maaisel schraalland ligt op talud, waardoor verruiging optreedt.

Fauna
Veel kikkerlarven in het dichtbegroeide en ondiepe, water. Bezonning erg belangrijk.

Zorg dat het terrein niet helemaal dichtgroeit.

Stobben van els en wilg worden oud en belangrijk voor kleine dieren.

Ontwikkelingsmogelijkheden
Als gevolg van de sterk lemige ondergrond en de aanvoer van grondwater uit het grofzandige pakket van de stuwwal, zijn de mogelijkheden voor bijzondere natuurwaarden hoog. Grondwater mengt zicht met stagnerend regenwater en zorgt voor bijzondere milieu’s.
De elzenrand is hoog en geeft erg veel schaduw. Dit is ongunstig voor grasland en amfibieën.
De pitrusvegetatie zal zich waarschijnlijk ontwikkelen tot een soortenrijker nat grasland. Daarvoor dient wel enige jaren het maaisel afgevoerd worden. Tussen en onder de Pitrus ontstaat op termijn ruimte voor soorten van nat grasland. De dichte pitrusvegetatie is gunstig voor de fauna.
De poel is nu in een waardevolle fase: jonge opslag in moeras en open water. Door regelmatig afzetten, maaien en schonen kan deze situatie behouden worden.
Door in de noordelijke bosrand wat maaiselhopen te maken, ontstaat een warm winterbiotoop voor kleine dieren (ringslang, padden, salamanders).

Mogelijk beheer
Elzenrij (B4): elke 5 – 10 jaar afzetten.
Elzenhakhout (B6): elke 3-5 jaar afzetten. Zou niet hoog mogen worden, hoewel een

Enkele els wel oud mag worden. Vooral aan zuidoost, zuid en zuidwestzijde open houden

(bezonning).


Pitrusvegetatie, graslanden en delen van veldrusmoeras (5a): laat in de zomer maaien.
Natste deel Veldrus moeras (5a): een keer in de twee jaar in de winter maaien.

Er kan/mag wat riet in komen. Opslag wordt daarmee tegengegaan.


Poel: elke 2 jaar de helft schonen om open water te behouden.
Materiaal afvoeren, behalve enkele hoopjes maaisel in de bosrand (voor dieren).

B2. Zuidpoel


vegetatie rond de zuidpoel op 1 mei 2010
1 landbouwgrond 10 vochtig schraalland met wilg

2 ruig grasland 6 water

2a kruidenrijk ruig grasland 8 kruidenrijk grasland

4 vochtig schraalland B2 gemengd jong loofbos

4a droog schraalland B5 jonge wilgensingel
water ruig grasland

nat schraalland ruigte

droog schraalland

schraalland met opslag bos en bomen

Flora
4: Sterk lemig;

Veldrus, egelboterbloem, haarmos, ronde zonnedauw, kale jonker, zwarte zegge, echte koekoeksbloem, kruipend zenegroen, lidrus, moerasrolklaver, moeraswalstro.


4a: Zeer grof zand;

ruige leeuwentand, gewone veldbies, reukgras, kleine klaver, biggenkruid



Fauna
Langs de ondiepe oevers zijn veel kikkerlarven aanwezig.


Ontwikkelingsmogelijkheden
Droog schraalland (4a) blijft kort (geen productie). Vochtig schraalland (4) kan veel opslag van wilg krijgen.
Het ruige grasland (2) kan door maaien en afvoeren steeds soortenrijker (2a) worden.
Door maaien en afvoeren van grasland 8 zal waarschijnlijk droog schraalland (4a) ontstaan.
De ontwikkeling van oevervegetatie is sterk gereduceerd, als gevolg van het schonen in het voorjaar.
Door in de noordoosthoek onder de singel wat maaiselhopen te maken, ontstaat een warm winterbiotoop voor kleine dieren (ringslang, padden, salamanders).


Mogelijk beheer
Grasland 8: een of twee keer in de zomer maaien en afvoeren.
Ruig grasland (2,2A) en schraalland (4, 4A): laat in de zomer maaien. Maaisel afvoeren, behalve enkele hoopjes maaisel in de bosrand.
Sterke betreding bij ijs houdt het talud kaal, waardoor laagproductieve soorten een kans krijgen (zonnedauw, zenegroen)
Open water (6): niet in het voorjaar schonen, omdat daardoor het biotoop voor kikkervisjes verslechtert. Schonen in de nazomer geeft de oevervegetatie in het voorjaar een betere start en voldoet waarschijnlijk ook voor het schaatsen.
Tussenstuk: maaisel schraalland ligt op talud, waardoor verruiging. Afvoeren dus.
Overweeg om in een deel van het ruige grasland (2) de humeuze bovengrond af te graven.

Het vochtig schraalland zal dan toenemen.


Enkele maaiselhopen aanleggen in de noordoosthoek tegen de bossingel (voor dieren).
3. Conclusie voor alle terreinen
De actueel aanwezige natuur is van een heel ander karakter dan de natuurbeheertypen in de provinciale plannen voor deze terreinen aangeven. Er is sprake van veel hogere natuurwaarden. Hieronder wordt dit verschil omschreven.
- De aanwezige houtopstanden zijn geen van alle “Droog bos met productie”, maar

“Vochtig hakhout en middenbos”.

Eigenlijk zijn het landschapselementen en zouden landschapsbeheertypen als “Elzensingel” (B4), “Bossingel of bosje” (B5, B2, B1) en “Struweelhaag” (B3) zeer passend zijn.

Het is zeer ongewenst om deze houtopstanden door te laten groeien voor productiehout. Er komt vooral met enige regelmaat een kleine, onrendabele, partij takhout vrij.


- De graslanden zijn slechts ten dele “Kruidenrijk en faunarijk”. Dit zijn de ruige randen van

het terrein aan de Grefeldijk, de rand van de IJsbaan en slechts een klein hoekje bij de

Noordpoel aan de N347 (2 en 2a).

Een belangrijk deel van de graslanden zijn “Vochtige schraallanden” (4), op sommige

Plekken “Droge schraallanden” (4a) en regelmatig beide tegelijk. Ze zijn alle zeer

soortenrijk.

Door de sterk lemige bodem zal het gewenste maaien en afvoeren met aangepaste (kleinere) machines moeten gebeuren.
- De natte delen zijn slechts deels “Zoete plas” (6). Belangrijke delen ervan zijn verland tot een soortenrijk “Moeras” (5, 5a). Dit zal regelmatig gemaaid moeten worden.
- Er is onduidelijkheid over de ontwikkeling van het zuidoostpuntje van het terrein aan de

Grefeldijk. Het gebruik als maaiseldepot door het waterschap beantwoordt nog niet

helemaal aan de doelen van en natuurterrein.
Het ligt voor de hand dat de natuurbeheertypen/landschapsbeheertypen voor deze terreinen aangepast worden, om het gewenste beheer te ondersteunen en de aanwezige waarden te behouden.
Hiervoor kan de Ommer marke een zienswijze indienen op het ontwerp Natuurbeheerplan 2010 (vóór eind juni).


Ommer Marke Lemele/ mei 2010






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina