Nichte, ghi sneeft. Ten es niemant verloren dan die hem verloren gheeft



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina1/9
Datum26.08.2016
Grootte0.49 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9



Nederlandse Letterkunde I
Overzicht en Teksten

Nichte, ghi sneeft. Ten es niemant verloren dan die hem verloren gheeft.”


Notities bij het hoorcollege

Vragen bij de syllabus




1e bachelor Taal -en Letterkunde: Twee Talen
Nederlands –

Steven Delarue




Nederlandse Letterkunde I: Inhoudstafel
Deel-Reynaert
A. Inleidende hoofdstukken

1. De Middelnederlandse literatuur 3

2. “Bewaring” (overlevering) van de Mnl. literatuur 4

a. Gevolgen voor de middeleeuwer 4

b. Gevolgen nu 5

c. De belangrijkste Mnl. handschriften 10

d. Is het overgeleverde representatief? 12

3. Een literatuurgeschiedenis schrijven: kan het, en hoe? 13

4. De vraag naar motivatie (m.m.v. Sielke Vercooren) 17
B. Overzicht van de genres

1. De middeleeuwse (hoofse) lyriek 22

2. De mystiek 26

a. Hadewijch 26

b. Jan van Ruusbroec 29

3. Didactiek 30

4. Dierenepiek: Van den Vos Reynaerde 39

5. Dramatiek: het middeleeuwse toneel 42


Deel-Coigneau: de Rederijkers
A. Algemeen: de Rederijkers, hun activiteiten, wedstrijden 45

B. “Elckerlijc”, “Leander ende Hero” 51

C. Literatuur voor lezers 57

D. “Mariken van Nieumeghen” 58


Vragen bij de syllabus (m.m.v. Sielke Vercooren en Aäron Maes) 59


DEEL 1: Inleidende hoofdstukken




DE MIDDELNEDERLANDSE LITERATUUR




  1. Situering

    1. eind 12e eeuw: eerste Nederlandse literatuur. Hendrik van Veldeke.

    2. eind van de middeleeuwen?

      1. midden 15e eeuw: ontstaan van de boekdrukkunst

      2. eind 15e eeuw (1492): ontdekking van Amerika

      3. 1517: stellingen van Luther in Wittenberg: begin Reformatie.

Zeker is dat de overgang/het proces geleidelijk aan gebeurt, gedurende de 15e E.


  1. Toppers in de literatuur: “Beatrijs”; “Van den Vos Reynaerde”, het werk van Hadewijch en Ruusbroec (auteurs die nu een groter lezerspubliek hebben dan in hun eigen tijd).




  1. Er zijn vragen die we ons nu stellen over de literatuur uit de middeleeuwen.
    Welk publiek kunnen we ons bij een bepaalde tekst voorstellen?
    Hoe verliep literaire communicatie in die tijd? Individueel of anders?

    Wat was het dat mensen in die tijd in literatuur interesseerde?
    Wat is van die literatuur bewaard? Geeft het een volledig beeld? Hoe is het bewaard?

In wat volgt proberen we een antwoord te geven op deze en andere vragen.




BEWARING” (OVERLEVERING) VAN MIDDELNEDERLANDSE LITERATUUR

Er is nog geen boekdrukkunst: het eerste bij ons (in de Nederlanden dus) gedrukte boek dateert pas uit 1473; enkel handgeschreven verspreiding, via manueel kopiëren.



Welke gevolgen heeft dit voor de literatuur in de middeleeuwen zelf? En voor ons?
Gevolgen voor de literatuur van de middeleeuwen zelf


  • een omslachtige en dure reproductiewijze, want het is arbeidsintensief werk, met dure materialen (perkament1, papier komt pas in voege vanaf 1400). Men besteedde veel zorg aan de productie: verschillende specialisten werkten eraan, telkens aan wat zij het best konden. De handschriften werden beschreven met zwarte inkt, en daarnaast ook met rode inkt. Dit noemen we rubricering.
    Er waren typische “schrijfateliers” of scriptoria. Die waren bestemd voor de kloosters en de wereldlijke aristocratie (vorsten; heren): de kanselarij. Later kwamen er ook zgn. lekenscriptoria in de steden, vermoedelijk vanaf de 14e eeuw. Dit onder invloed van verschillende factoren, bijvoorbeeld de aanwezigheid van onderwijsinstellingen. De scriptoria hadden een beperkte grootte (veelal waren het zelfs éénmansbedrijfjes van individuele kopiisten die werden voortgezet volgens het meester-knechtprincipe), op commerciële basis.
    Bij grote opdrachten ontstonden samenwerkingsverbanden (ook dankzij het feit dat bepaalde beroepen in éénzelfde streek/buurt voorkwamen, zo stonden in Gent alle scriptoria2 in een ring rond het stadhuis, dat uiteraard hun grootste werkgever was).




  • Vanaf wanneer kon de burgerij deelnemen aan literatuur en cultuur?

    • Vroeger situeerde men dit rond de 12-13-14e eeuw. De laatste decennia ontstond daar echter scepticisme over: is deze datering niet te optimistisch?

      • Ja, zeggen Ursula Peters (“Literatur in der Stadt”: ze stelt dat de burgerij zich in de 19e eeuw misschien wel in die vroegere tijd projecteerde om zich zo beter te laten voorkomen) en Frits van Oostrom.

      • Neen, zegt Herman Pleij. Hij stelt dat de burgerij wel degelijk al van in de 12de en 13de eeuw deelname aan literatuur en cultuur.

      • Rond de jaren ’80 en ’90 van vorige eeuw dacht men vooral aan de adel als producent van literatuur en cultuur, nu slaat de balans eerder om naar een betrekkelijk vroege burgerlijke cultuur.

    • Jos Biemans presenteerde in 1997 een doctoraatsscriptie in verband met de overlevering van Jacob van Maerlants Spieghel Historiael. Dergelijke studie noemen we een codicologische studie (codicologie = ‘handschriftenkunde’, de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van handschriften).
      Biemans concludeerde het volgende:

      • Datering: er is een duidelijke piek in de productie van handschriften, in het begin (het eerste kwart) van de veertiende eeuw.

      • Lokalisering: (vooral) in Vlaanderen

      • De vormgeving is absoluut niet zo luxueus als je zou vermoeden van zo’n groot project, het was nogal doorsnee.

        Conclusie: het publiek was dus te zoeken bij de Vlaamse burgerij (in tegenstelling tot de aristocraten bij wie het luxueus moest wezen), in het begin van de 14de eeuw.
        Waarom net in het eerste kwart van de 14e eeuw zo’n succes?
        Hypothese: door 1302: door de Guldensporenslag en aanverwante was er een grote afkeer van de Fransen. Daardoor was er nood aan eigen literatuur en cultuur.




  • Een ander gevolg was de beperkte bibliotheekgrootte (10 boeken was al véél, zoals eerder gezegd). De prijs van een handschrift was de prijs van een huis.
    Men bewaarde teksten in katernen (je zou een katern een schriftje van in elkaar gevouwen dubbele bladen kunnen noemen, veelal 4 of 6).
    Rollen werden ook gebruikt, vooral voor kortere teksten ( bloemlezing pg. 10, 12 en 23).
    Perkament was als materiaal zo duur dat men het niet gebruikte voor kladteksten; daarvoor gebruikte men wastafeltjes, uitgeholde plankjes met was die men in de hand en op de arm legde. Je ziet op pagina 1 in de bloemlezing Ruusbroec met zo’n wastafeltje onder enen schonen boom zitten.



Gevolgen voor ons nu


  • Tekstvorm van handschriften

    Teksten veranderden voortdurend qua uitzicht door dergelijke overlevering: geen twee exemplaren waren identiek. Dat zorgt voor een wanorde, we kunnen spreken van “bewegende teksten”.



      • Naast fouten in de overlevering waren er ook bewuste ingrepen, bijvoorbeeld:

        • aanpassen aan een nieuw publiek in bv. een andere regio (door de dialecten moest de taal veranderd worden)

        • moderniseren

        • laïcisering: kloosterpubliek naar lekenpubliek



Welke tekst moet je dan uitgeven als uitgever? En welke gebruik je als studieobject om te onderzoeken?
Je zou denken dat je er goed aan doet om maar meteen de oudste tekst te nemen, maar!


Figuur 1: Een voorbeeld van tekstoverlevering. O is het origineel, A en B zijn afschriften. A is ouder, maar daarom niet beter: meer tussenstappen tussen O en A, dan tussen O en B, dus (zo goed als zeker) meer fouten in A!
Op deze manier kunnen we dus achterhalen dat B origineler is dan A, via een zgn. stemma, een ‘stamboom’ waarin we kunnen aflezen hoe de verschillende afschriften van één originele tekst zich tot elkaar verhouden. Zo kan men dan achterhalen welke tekst het dichtst bij het origineel aanleunt. Via emendatie (de “correctie” van een tekst) kunnen we dan zo dicht mogelijk naar het origineel toewerken. Bij een aparte schrijffout gaat dat het makkelijst, die kunnen we zonder veel problemen verbeteren. Een ander principe van de emendatie is de stelregel dat een moeilijkere lezing meestal een betere lezing inhoudt: bij twee handschriften is het het meest waarschijnlijk dat de moeilijkste van de twee ook de meest oorspronkelijke zal zijn.
Een bekend voorbeeld is dat uit Van de Vos Reynaerde. Het A-handschrift begint met: “Willem die Madoc makede”, het B-handschrift met “Willem die vele boeken makede”. A > B.


  • Datering van handschriften: wanneer zijn ze ontstaan?

    Handschriften hebben geen datumvermelding van wanneer ze geschreven zijn, behalve bij een ‘colofon’ achter in een handschrift met datum en naam van de kopiist, maar dat komt niet veel voor.
    Er zijn enkele technieken om op zo’n ongedateerd handschrift alsnog een (vermoedelijke) datum te plakken.

      • Colofon: bij “zelfdaterende handschriften”

      • Watermerk: als er een watermerk aanwezig is in het papier hebben we een zeer betrouwbare indicator voor de datering, met een speling van ongeveer 10 jaar. Men schepte papierbrij met een schepraam waarin een figuurtje getekend was zodat dat ook in het papier stond nadat het gedrukt was. Watermerken werden in de papiermakerijen om de paar jaar vervangen en zo weten we van welke tijd een bepaalde figuur(en dus ook een bepaalde tekst) is. Zo kunnen we het handschrift Van Hulthem bijvoorbeeld dateren rond 1407, omdat er andere documenten met hetzelfde watermerk gevonden zijn die uit 1406-1407 stammen.

      • Soms is er ook een kalender aanwezig in het handschrift. Bijvoorbeeld: in Beatrijs vinden we een paastabel terug, die bij 1374 begint. Hoogstwaarschijnlijk zal het eerste jaar in zo’n tabel ook wel het jaar zijn van de ingebruikname van het handschrift in kwestie.

      • Paleografie: aard van het geschrift. Een voorbeeld waarover nogal wat controverse is ontstaan, is het Gruuthusehandschrift. Daarin vinden we verschillende handen terug, verschillende (typen) geschriften. Willem Devreese en Klaas Heeroma hadden verschillende meningen, zoals blijkt uit volgende figuur.



Figuur 2: Devreese en Heeroma over de datering van het Gruuthusehandschrift. De Griekse letters staan voor kopiistenhanden.



      • Op basis van de teksten die erin staan
        Dit kunnen we illustreren aan de hand van het Comburgse handschrift. Dat konden geleerden dateren op basis van de laatste tekst, een historische kroniek die loopt tot het begin van de 15de eeuw. Dat (deel van het) handschrift moet dus nà die datum ontstaan zijn.




  • Lokalisering van handschriften: waar zijn ze ontstaan?



      • Taal van de teksten in het handschrift.
        In de middeleeuwen was er nog geen standaardtaal, er waren wel verschillende “taallandschappen” – in principe geen dialecten, want er was een verschil tussen schrijf –en spreektaal.
        Let wel: er bestond wel al iets als een Nederlandse literatuur, mensen die schreven voor het hele Nederlandse taalgebied.
        Zo schreef Jacob van Maerlant, een West-Vlaming, hoofdzakelijk voor Hollanders. Het Leven van Sint-Franciscus bijvoorbeeld schreef hij voor de Franciscanen in Utrecht.
        Er was dus al intentie tot uniformisering.
        De bekende uitspraak van Maerlant (cf. bloemlezing pagina 39) wijst op alle verschillende streektalen: Diets, Duits, Brabants, Vlaams, Zeeuws. Maerlant gebruikte al deze talen om rijmwoorden te vinden.

        Bij dit alles komt nog een extra complicatie…


        Hoe weten we of een werk geschreven is in de taal van de kopiist of in de taal van de oorspronkelijke auteur?

Hoe meer een werk gekopieerd is, hoe minder sporen van de oorspronkelijke taal overblijven. Het rijm beperkte echter de bewegingsvrijheid van de kopiist.

Bijv.: In een tekst staan de twee rijmwoorden of en lof. Of kan in het West-Vlaams af betekenen. Een Brabantse kopiist vertaalt en vervangt het dus door af, maar hij kan het rijmwoord lof niet veranderen.

Dergelijke rijmwoorden gaan dus veelal terug op het oorspronkelijke werk en kunnen we via naslagwerken lokaliseren.

Naslagwerk: “Klankatlas van het 13e eeuwse Middelnederlands”, van Berteloot.

Op deze manier konden we bijvoorbeeld het Comburgse handschrift aan Gent koppelen.




  • Kalender
    Als er een kalender is ingevoegd kunnen we via de heiligen die erin staan de tekst lokaliseren. Een kalender werd immers gebruikt voor heiligenverering. Waar een bepaalde heilige wordt vereerd, en waar hij een kerk heeft, vinden we terug in “Chronologie van de middeleeuwen”, een werk van Strubbe en Voet.



  • Eigendomsmerk
    Een inscriptie die in het handschrift is ingeschreven, verwijzend naar de bezitter. Als dit een vroege bezitter is, dan zit je hoogstwaarschijnlijk dicht bij de ontstaansplaats.
    Zo kunnen we het Gruuthusehandschrift dankzij het aanwezige Brugse wapenschildje aan Brugge – of althans een plaats dichtbij – linken.



  • De teksten zelf
    Het Gruuthusehandschrift bevat – naast algemene teksten – een tekst geschreven met oog op voordracht voor een specifieke Brugse vereniging. Dat weten we door de allusie in de tekst naar de naam van de vereniging (het Genootschap van de Witte Beer, een vereniging van aristocraten. Het genootschap organiseerde steekspelen in Brugge).
    Een ander voorbeeld: het HS Van Hulthem bevat 2 teksten die verwijzen naar mirakelen die zich voor hebben gedaan bij Molenbeek, én een tekst over de Brusselse begijnen.

Hiermee hebben we bekeken welke gevolgen het gebruik van handschriften heeft voor de literatuur in de middeleeuwen, en voor ons nu.

Welke waren nu de belangrijkste Middelnederlandse handschriften?

Dit bekijken we op de volgende pagina.



Belangrijkste Middelnederlandse handschriften
Eerst:

De meeste Middelnederlandse werken hebben (soms) geen naam meer, maar een signatuur. Bijvoorbeeld: 129A10. Dat is de signatuur van de Haagse Lancelotcompilatie.



Nog wat vocabularium voor we een overzicht geven:

  • Convoluut: het bijeenbrengen van diverse katernen in een boek (al dan niet over éénzelfde onderwerp);

  • Compilatie: een verzameling teksten rond één bepaald onderwerp (bijv. rond Lancelot);

  • Verzamelhandschrift: verzameling teksten van allerlei aard (dat is net het verschil met een compilatie).




  1. De Haagse Lancelotcompilatie (ca. 1320)

    1. bevat zowat het geheel van de aan ons gekende Arthurepiek. Zoals de titel zegt is Lancelot de centrale figuur.

    2. 240 bladen perkament met 87 000 verzen, gekopieerd in drie kolommen – dat is zeldzaam, normaal worden de verzen in twee kolommen geplaatst.

    3. er zijn aanwijzingen dat dit nog maar het tweede deel is van een nog veel grotere compilatie.

  2. Het Comburgse handschrift

    1. een verzamelhandschrift.

    2. bevat een vijftigtal teksten, met onder meer een vertaling van de Roman de la Rose, de Reynaert, enkele teksten van Jacob van Maerlant (onder andere diens Martijns – dialooggedichten, een twistgesprek tussen hem en een vriend).

    3. het is ontstaan te Gent voor en na 1400.

    4. later – in de 16e eeuw – is het in een Duits klooster in Comburg terechtgekomen.

    5. nu bevindt het zich in een openbare bibliotheek in Stuttgart.

  3. Het Handschrift Van Hulthem

    1. in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel.

    2. zeer kostbaar handschrift dat de meeste literaire teksten bevat.

    3. op papier (cf. de datum ervan: 15e eeuw).

    4. bevat onder andere de Troje-roman van Segher Diengotgaf (’t Prieel van Troyen) en de abele spelen met de daaraan gekoppelde ‘sotternieën” (kluchten)3. Dit laatste is wereldlijke literatuur, en qua thematiek voor op z’n tijd (tegenover het religieus toneel van die tijd).

    5. een enorme diversiteit aan thema’s en inhouden.

    6. waarschijnlijk een scriptoriumhandschrift, een repertoirehandschrift.

    7. zeer veel teksten zijn op voordracht afgestemd (cf. de abele spelen).

  4. Het Gruuthusehandschrift

    1. bevat ook muzieknotaties.

    2. één van de weinige handschriften die nog in privébezit zijn.

    3. een liedboek, met onder andere het – bekende – Egidiuslied, het Kerelslied,…

    4. daarnaast ook gebedsteksten en allegorische teksten rond de liefde (cf. Roman de la Rose3)

Voor meer informatie over de handschriften en meer handschriften: syllabus pg. 7 tot 10.
In hoeverre geven de handschriften die ons zijn overgeleverd ons een beeld van de literatuur uit die tijd?
Slechts een klein deel van de handschriften is bewaard. Er zijn periodes aan te geven waarin veel verlies is opgetreden:


  1. Eind 15e eeuw (- 16e – 17e eeuw)
    Afdanken van ‘onbelangrijke’ (irrelevante) handschriften: perkamenten handschriften werden ontmanteld, en verknipt ter versteviging van boekbanden op tere plaatsen. Bijvoorbeeld als een “scharnier” tussen de voorkaft en het eerste blad; daarnaast ook voor het dekblad en in de binnenzijde van de katernen als zgn. “hartstrookjes” onder het bindtouw. Op die manier werden enige tijd geleden nog fragmenten van Karel ende Elegast teruggevonden.

  2. Reformatie
    Vernielzucht van het kerkelijke boekenbezit. Als illustratie de getuigenis van de Gentenaar Marcus van Vaernewijck in een kroniek, onder andere over een klooster van de Dominicanen in Gent (gelegen in ’t Pand, naast de Sint-Nicolaaskerk): “Op een dag werden zoveel boeken in de Leie gegooid dat je met droge voeten aan de overkant kon geraken”.

  3. Tijd van de kloosterhervormingen onder Jozef II en onder de Fransen (tijd van de Franse Revolutie en de verlichting)
    Interessante boeken verkochten ze, maar die waren gering in aantal, aangezien ze verkocht werden door een vijandige overheerser. “Oninteressante” boeken gingen zo verloren en werden weggegooid.
    Door dat verkopen bevinden zich een aantal Nederlandstalige handschriften in het buitenland: Parijs, Wenen,…
    Voornamelijk bescheiden literatuurhandschriften gingen verloren (“ze raakten niet door de selectie”), bijvoorbeeld omdat ze geen mooie miniaturen hadden.

Ook later (19e eeuw) werden handschriften vaak zeer slecht behandeld:



    • de Sint-Servatiuslegende van Hendrik van Veldeke werd in de 19e eeuw teruggevonden op een toilet bij een notaris, als “toiletpapier”;

    • een priester verknipte handschriften om daarmee z’n kragen te verstevigen, met daaronder het verhaal van de Vier Heemskinderen;

    • nonnen verknipten handschriften om er bladwijzers van te maken en sigarenhandelaars gebruikten ze voor sigarenbandjes.

Is wat ons overgeleverd is genoeg om ons een adequaat, representatief beeld van die tijd te geven?
Een antwoord op die vraag geven is niet gemakkelijk, en ze is onderhevig aan discussie: er is een neen- en een ja-kamp.
NEEN

  1. Volgens sommigen is er daarvoor te veel verloren gegaan. Voorbeelden:

    1. van Maerlant moet er ook een leven van Sinte-Clara (de ‘vriendin’ van Franciscus) bestaan hebben, aangezien die daar zelf naar verwijst in z’n werk, maar dat is ons niet overgeleverd. Daarnaast moet Maerlant ook een didactisch werk over dromen geschreven hebben, dat ons evenmin overgeleverd is.

    2. Willem die Madocke makede is de eerste regel van de Reynaert, maar die Madoc kennen we niet.



  2. Daarnaast is ons van veel teksten maar één tekst overgeleverd.

    1. als bijvoorbeeld het HS Van Hulthem verloren was gegaan, dan hadden we van het bestaan van de abele spelen niks afgeweten.

    2. als het Gruuthusehandschrift er niet meer was geweest, waren we zeer veel liederen – waaronder het Egidiuslied – kwijtgespeeld.


JA

Nieuwe vondsten wijzen zelden op zaken waarvan we niks weten.

Dus hebben we toch een representatief beeld?
CONCLUSIE

Er is een groot materieel verlies, maar inhoudelijk (qua teksten) is er meer bewaard.




EEN LITERATUURGESCHIEDENIS VAN DE MIDDELEEUWEN SCHRIJVEN: KAN HET, EN HOE?

Problemen duiken al op bij de datering van handschriften, en nog lastiger is het bij de datering van teksten, want die zijn voor een deel onafhankelijk van handschriften.

Enkele voorbeelden:


  • De abele spelen (die onderdeel uitmaken van het HS Van Hulthem, ca. 1406-1407): we weten dus alleen dat die van voor 1406/07 dateren, maar wanneer precies?
    Er zijn gissingen dat het kort na 1300 was, anderen zeggen rond 1400: een eeuw marge!

  • We kunnen Van den Vos Reynaerde door middel van enkele indicaties trachten te dateren. We hebben namelijk één tekst bewaard die de Reinaert inspireerde, en één die door de Reinaert werd beïnvloed.
    - Franse inspiratiebron: 1179
    - Latijnse vertaling van de Reinaert: 1271  één eeuw verschil !!

  • Voor de Beatrijs hebben we een datum ante quem, namelijk die van het handschrift: 1374. Verder is er geen objectieve info, alleen gissingen met als vroegste datum 1300.

Kan je met zo’n gebrekkige chronologie wel een dergelijke geschiedenis samenstellen?





  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina