Nietzsche’s Middle Period, New York, Oxford University Press, 2000, 208 blz



Dovnload 10.11 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte10.11 Kb.
Abbey, Ruth; Nietzsche’s Middle Period, New York, Oxford University Press, 2000, 208 blz.
2 : De schrijfster neemt de door Lou Salomé geïntroduceerde en veel gebruikte indeling van Nietzsches werk in een vroege, middelste en late periode over. Haar werk betreft derhalve MA, VM, WS, M en de eerste vier boeken van FW. Zij is van mening, dat deze periode in de secundaire literatuur ten onrechte wordt verwaarloosd. Deze verwaarlozing heeft geleid tot een te eenzijdig en te weinig genuanceerd beeld van Nietzsches denken. Zij wil aantonen, dat het werk uit de middelste periode niet alleen als overgang tussen vroege en late periode mag worden beschouwd, maar een duidelijke eigen meerwaarde heeft. Kennis van deze periode geeft inzicht in de ontwikkeling van Nietzsches denken, en bevordert daardoor de interpretatie van het latere werk. Belangrijker voor de schrijfster is echter, dat Nietzsche in deze periode een veel genuanceerder analist is van de psychologie van het menselijk handelen dan in zijn latere werk. Zij stelt zelfs, dat, gemeten naar Nietzsches eigen criteria, het werk uit de middenperiode superieur is aan het latere werk. Deze criteria zijn onder andere: critische zelfreflectie, antidogmatisme, openstaan voor het onverwachte.
Het boek is te verdelen in een viertal hoofdstukken (I, II, VI, IX) met een algemeen, beschrijvend karakter en vijf hoofdstukken (III, IV, V, VII, VIII) met een gedetailleerde analyse van een aantal begrippen bij Nietzsche. Het wordt afgesloten met een conclusie.
In het eerste hoofdstuk wordt Nietzsche besproken als leerling genealoog van de morele vooroordelen. De schrijfster volgt hierbij bekende paden. Haar conclusie is, dat Nietzsche geen herwaardering van morele waarden geeft, maar een herwaardering van de evaluatie van deze waarden. De traditionele waarden blijven intact, echter om andere redenen (M 103).

In het tweede hoofdstuk wordt Nietzsche besproken als psycholoog. Het belang van zelfkennis en vrije wil staan hier centraal als voorwaarden voor het ontwikkelen van je eigen mening. Deze eigen mening berust meer op esthetische dan op morele criteria: het esthetische zelf staat tegenover de Christelijke moraal.



Hoofdstuk VI bespreekt de (‘positivistische’) wetenschappelijke methode in het werk van de middenperiode. Nietzsche waardeert deze methode als middel om tot een eigen oordeel te kunnen komen. Belangrijke voorwaarde hiervoor is het hebben van voldoende zorg voor jezelf; voor goede voeding, een goed klimaat en dergelijke (M 553). Eigen verdienste wordt in deze periode hoger geschat dan afkomst. In hoofdstuk IX wordt Nietzsche besproken als erfgenaam en criticus van zijn voorgangers, met wie hij constant in dialoog is. Nietzsches opvatting in zijn latere werk, waarin hij zichzelf ziet als radicale vernieuwer, is in de middenperiode nog niet aanwezig.
Nietzsches verdienste als psycholoog in de middenperiode wordt in de overige hoofdstukken door Ruth Abbey besproken aan de hand van een aantal thema’s. Centrale gedachte is, dat voor Nietzsche de vorming van identiteit (het esthetisch zelf) verbonden is met dialoog en intersubjectiviteit. De gekozen thema’s sluiten bij deze gedachte aan. Het zijn ijdelheid, medelijden, vriendschap, liefde en enige verwante onderwerpen. Vanuit Nietzsches opvatting, dat de eenheid van een woord niet overeenkomt met de eenheid van de zaak waarvoor dit woord staat, laat de schrijfster zien hoe Nietzsche deze opvatting in de werken van de middenperiode in praktijk brengt. De vele nuanceringen die dit oplevert, steeds balancerend op de grens tussen ‘ik’ en ‘ander’, contrasteren naar de mening van de schrijfster positief met de veel eenzijdiger en afwijzender behandeling van deze thema’s in het latere werk.
In haar conclusie keert de schrijfster zich tegen de opvatting van Walter Kaufmann, dat er continuïteit is tussen het werk van de middenperiode en dat van de vroege en late periode. Zij stelt daarentegen, dat er, naast continuïteit, voor de middenperiode karakteristieke elementen aanwezig zijn. Daarnaast is zij, tegenover Alexander Nehamas, van mening, dat het mogelijk is uit de aforismen thema’s te distilleren, met andere woorden, dat de aforisme-verzamelingen een zekere samenhang vertonen. Zij bevestigt hiermee enerzijds haar beginstelling en verweert zich anderzijds bij voorbaat tegen mogelijke bezwaren tegen haar methode van tekstanalyse.
3: Het boek is vooral bedoeld om het specifieke karakter van Nietzsches werk uit de middenperiode over het voetlicht te brengen. Het geeft een algemene typering van de kenmerken van Nietzsches methodische opvattingen uit deze periode (genealogie, psychologie, wetenschapelijke benadering) en een gedetailleerde tekstanalyse van enkele voor deze periode belangrijke thema’s (ijdelheid, medelijden, vriendschap, liefde). Belangrijke verschillen met het latere werk worden kort behandeld. Het is geen systematische of volledige behandeling van het werk uit de middenperiode. Het werk is opgezet als een wetenschappelijke studie, hetgeen onder andere blijkt uit het gedetailleerde notenapparaat. Hier wordt veelal de discussie met opponenten gevoerd.
4: Het boek is helder geschreven en leest gemakkelijk. De schrijfster kent de Engelstalige literatuur goed en betrekt zowel standpunten pro als contra in haar argumentatie, veelal in een uitvoerige voetnoot. Niet-Engelstalige literatuur wordt, op een enkele uitzondering na, niet vermeld. Zij maakt uitvoerig gebruik van Nietzsches teksten en citeert per thema de relevante aforismen, zoals ik voor ‘friendship’ kon nagaan. Opvallend is, dat uit FW relatief weinig wordt geciteerd. Dit komt waarschijnlijk omdat schrijfster de gebruikelijke periodisering van Nietzsches werk zonder veel discussie overneemt; voor haar eigen argumentatie had zij FW waarschijnlijk kunnen missen. Haar interpretatie van de teksten is zorgvuldig en niet vooringenomen. Dit is vooral opvallend in fragmenten waar Nietzsches standpunt over vrouwen ter sprake komt. Een gemis is het niet gebruiken van de Nachlassteksten, met name omdat de auteur veel aandacht heeft voor de ontwikkeling van Nietzsches denken. Zij beargumenteert haar stellingen overtuigend met oog voor eventuele tegenwerpingen. Bij haar interpretatie betrekt zij ook haar opvattingen over Nietzsches eigen psychologie, onder andere verkregen uit briefcitaten. In hoofdstuk IX schenkt zij, in breder verband, aandacht aan de problematiek van de scheiding schrijver-werk, met name aan Nietzsches verschuivende opvattingen hierover tussen het werk uit de middenperiode en later werk. In haar eigen werk volgt zij kennelijk Nietzsches latere opvattingen.

Het is niet zo eenvoudig het werk te plaatsen. De algemene hoofdstukken zijn informatief, maar bieden weinig nieuws. De uitwerkingen van de specifieke thema’s zijn het meest boeiend en in deze vorm nog niet gebruikelijk: ze kunnen een voorbeeldfunctie vervullen. Toch blijkt deze combinatie functioneel: Ruth Abbey is erin geslaagd in kort bestek haar stelling, dat Nietzsches middenperiode een aantal eigen kenmerken heeft die het waard zijn beter bestudeerd te worden, op boeiende en overtuigende wijze waar te maken.


5: Zoals reeds werd vermeld is het notenapparaat uitgebreid en informatief. Ee bibliografie is over de noten verspreid opgenomen. In het register wordt via de schrijversnaam naar de betreffende noten verwezen; een wat omslachtige methode. Het zakenregister is niet gescheiden van het personenregister en bevat slechts weinig termen. Een gedeelte van hoofdstuk VII is als artikel elders verschenen (Journal of the History of Philosophy 34, no. 2, 1996, 67-90). De uitgave is goed verzorgd en van een informatieve flaptekst voorzien.
Max Noordhoek, 10 januari 2002.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina