Ninke Mussche Executive Summary 1 Inleiding



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina1/11
Datum25.07.2016
Grootte0.54 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Immigratie en de Ontwikkeling van de Open Welvaartsstaat: het belang van immigratie in de ontwikkeling van het territorialiteitsprincipe in de sociale zekerheid.


Ninke Mussche

Executive Summary


1) Inleiding

Dit CSB- bericht bespreekt enkele resultaten van een doctoraal proefschrift verdedigd in Harvard Law School, Cambridge, US, in november 2008. Het vormt het eerste deel van een reflectie over de rol die immigratie heeft gespeeld in de ontwikkeling van de juridische architectuur van de welvaartsstaat en in dat van de sociale zekerheid en de sociale bijstand in het bijzonder. Meer bepaald wordt nagegaan of en hoe het ontstaan en de evolutie van de sociale wetgeving werd beïnvloed door de aanwezigheid van immigranten op het territorium. Via historisch case-studie onderzoek voor België wordt aangetoond dat immigratie de architectuur van de welvaartsstaat – en de ontwikkeling ervan – sterk heeft bepaald. Immigratie heeft immers een belangrijke impact gehad op de ontwikkeling van het territorialiteitsprincipe dat tot op vandaag voor bijna alle sociale zekerheidstakken het personeel toepassingsgebied bepaalt.

De case-study die voorwerp uitmaakt van dit CSB-bericht gaat dieper in op de ontstaansgeschiedenis en evolutie van drie belangrijke takken van de sociale zekerheid: de arbeidsongevallenregeling (1903-nu), de kinderbijslagregeling (1930-nu) en de sociale bijstand (1818/1830-nu). Het onderzoek is gebaseerd op een grondige tekstuele analyse van de parlementaire stukken en debatten, de Koninklijke en Ministeriële besluiten, de latere wetswijzigingen en rechtspraak alsook van de vele verdragen die betrekking hebben op deze drie takken van de sociale zekerheid.

Een grondige studie van de ontstaansgeschiedenis van de arbeidsongevallen, de kinderbijslagen en de sociale bijstand, brengt enkele inzichten aan het licht die we in wat volgt kort bespreken. Voor een uitgebreide versie verwijzen we naar de tekst als bijlage.



2) Aandacht voor en inclusie van immigranten

De aanwezigheid van immigranten is steeds een element geweest in de discussies rond het personeel toepassingsgebied van de bestudeerde sociale wetten. Immigranten werden steeds als een onderscheiden categorie behandeld waarbij de vraag werd gesteld of en hoe zij zouden deelnemen aan de nieuwe sociale wetgeving. Hun aanwezigheid confronteerde de wetgever immers acuut met de fundamentele vraag wie men gerechtigde diende te maken van de nieuw gecreëerde sociale rechten. Het antwoord daarop is in de drie casussen uiteindelijk hetzelfde: immigranten werden hetzij onmiddellijk, hetzij na korte tijd opgenomen in het personeel toepassingsgebied van de sociale wetten (zie infra).



3) Invloed van aanwezigheid immigranten op het toepassingsgebied van de sociale zekerheid

De studie van de ontstaansgeschiedenis van deze sociale zekerheidstakken toont aan dat de aanwezigheid van immigranten en de aandacht van de politieke beleidsmakers hiervoor een sterke invloed heeft gehad op de wijze waarop een fundamenteel aspect van de organisatie van de sociale zekerheid is vormgegeven. Met name is de aanwezigheid van immigranten sterk bepalend geweest voor de invulling van het personeel toepassingsgebied. Het sociaal recht organiseert het personeel toepassingsgebied van de sociale wetgeving voornamelijk op basis van ‘territorialiteit’. Het territorialiteitsprincipe is vandaag het voornaamste criterium dat bepaalt of iemand gerechtigde is in de sociale zekerheid: voor de sociale verzekeringen volstaat arbeid op het Belgisch territorium om onder het personeel toepassingsgebied van de sociale zekerheid te vallen.1 Voor de sociale bijstand volstaat (legaal verblijf en) de behoefte aan hulp om een menswaardig bestaan te kunnen leiden om rechten op maatschappelijke dienstverlening te kunnen openen. Noch in de sociale verzekeringen, noch in de sociale bijstand is de nationaliteit dus een criterium. Belgische sociale rechten zijn met andere woorden niet gebonden aan nationaliteit, maar aan territorialiteit: een binding met het territorium (werk of verblijf en behoefte) opent de rechten.

Enkele factoren hebben de vestiging van het territorialiteitsprincipe beïnvloed. Vooreerst speelden de ‘technieken’ waarmee sociale bescherming georganiseerd werd een rol. Met techniek bedoelen we het geheel van methodes die gebruikt werden om sociale bescherming te organiseren. In de Bismarckiaanse welvaartsstaten betrof dit vooral de techniek van de sociale ‘verzekering’ waarbij bijdragen door de werknemer en werkgever actief op het territorium centraal stonden. Bijdragen en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn van nature heel ‘territoriaal’ daar zij verbonden zijn aan het werk verricht op het territorium. Daarbij is de nationaliteit, het geslacht, of andere kenmerken van de werknemer van ondergeschikt belang. Een werknemer betaalt bijdragen omdat hij werkt, niet omdat hij een bepaalde nationaliteit heeft. Deze techniek leunt dus dichter aan bij een territorialiteitsidee, dan bij een nationaliteitsidee. Vervolgens, en complementair aan de sociale verzekeringen, is er de techniek van de sociale bijstand. Oorspronkelijk werd de premoderne sociale bijstand hyper-territoriaal, namelijk locaal georganiseerd. Sociale bijstand werd enkel toegekend aan de locale inwoners van een gemeente, waarbij het heel moeilijk was zo’n locale inwoner te worden. Deze techniek diende vooral om de armen te sedentarizeren en dus onder controle te houden. Wanneer sociale bijstand evolueerde in het licht van de opkomende natiestaten in de 19e eeuw, bleef bijstand gebonden aan het locale territorium, maar steeds minder aan de mensen die afkomstig waren van die locale territoria. Zodoende evolueerde sociale bijstand tevens eerder naar het territorialiteitsprincipe (alle mensen in nood die verblijven op het territorium komen in aanmerking) dan naar het nationaliteitsprincipe (alleen de nationale burgers komen in aanmerking).

De vestiging van het territorialiteitsprincipe werd echter ook sterk beïnvloed door de aanwezigheid van immigranten op het territorium. Bij de introductie van nieuwe sociale wetgeving werd de aanwezigheid van immigranten steeds besproken gedurende de parlementaire debatten. De aanwezigheid van immigranten is dus steeds een element geweest in de discussies rond het personeel toepassingsgebied van de bestudeerde sociale wetten. Immigranten werden als een onderscheiden categorie behandeld waarbij de vraag werd gesteld of en hoe zij zouden deelnemen aan de nieuwe sociale wetgeving. Omwille van economische, geo-politieke, humanitaire en andere overwegingen werd de aanwezigheid van immigranten als een wezenlijk onderdeel van het politieke spel uitgespeeld. Hun aanwezigheid confronteerde de wetgever immers acuut met de fundamentele vraag wie men gerechtigde diende te maken van de nieuw gecreëerde sociale rechten. Het antwoord daarop is in de drie casussen uiteindelijk hetzelfde: immigranten werden hetzij onmiddellijk, hetzij na korte tijd opgenomen in het personeel toepassingsgebied van de sociale wetten.

De aanwezigheid van immigranten en de aandacht van de politieke beleidsmakers hiervoor heeft zodoende een sterke invloed gehad op de wijze waarop een fundamenteel aspect van de organisatie van de sociale zekerheid is vormgegeven. Met name is de aanwezigheid van immigranten sterk bepalend geweest voor de invulling van het personeel toepassingsgebied. Elk van de drie bestudeerde casussen leert dat bij de invulling van het personeel toepassingsgebied de spanning tussen de nationaliteits-, territorialiteits- en (in mindere mate) universaliteitsoptie heeft geleid tot een evolutie in de richting van de territorialiteitsoptie. In deze evolutie heeft de aanwezigheid van migranten een doorslaggevende invloed uitgeoefend. Hierna bespreken we heel kort deze evolutie in de drie bestudeerde sociale zekerheidstakken.

Arbeidsongevallen

In 1903 voerde België de eerste wet op de arbeidsongevallen in.2 De wet schreef voor dat werkgevers alle arbeiders die werkongeschikt werden als gevolg van een arbeidsongeval, dienden te vergoeden, door ze een vast percentage van hun loon uit te betalen. Ingeval van een dodelijk arbeidsongeval werden de familie van het slachtoffer vergoed. De werkgever werd ‘objectief aansprakelijk’ gesteld om de arbeider te vergoeden voor de opgelopen schade, dus onafhankelijk van het feit of de werkgever schuld had aan het ongeval.3

In de arbeidsongevallenregeling gebeurde de inclusie van immigranten onmiddellijk. Het oorspronkelijke ontwerp van de regering had alle ingezeten immigrantengezinnen automatisch opgenomen. Men heeft in het ontwerp zelfs nooit overwogen ze niet op te nemen, het personeel toepassingsgebied was dus meteen territoriaal georganiseerd. Er was echter één beperking die tot passionele debatten heeft geleid. Het ontwerp stelde namelijk dat gezinsleden van overleden migrerende arbeiders die niet op het Belgische grondgebied verbleven op het ogenblik van dat overlijden, geen aanspraak konden maken op het pensioen voor Belgische overlevende gezinsleden, indien de buitenlander niet afkomstig was uit een land waarmee een wederkerigheidsverdrag was afgesloten dat dezelfde ‘genereuze’ behandeling voor Belgische arbeiders in dat land garandeerde. Met andere woorden, als een arbeider die in België omkwam een gezin had dat nog in het thuisland woonde, dan zou dat gezin pas een uitkering krijgen als hun thuisland hetzelfde deed voor Belgische arbeiders die in het buitenland werkten van wie het gezin nog in België woonde. Deze beperkte eis tot wederkerigheid stuitte op hevig verzet in het parlement. Het resultaat van deze debatten was dat ook deze beperking werd opgeheven, zodat er volledige gelijkstelling kwam tussen Belgen en immigranten.

Verschillende factoren speelden een rol om immigranten volledig in te sluiten in de arbeidsongevallenregeling. Vooreerst gaf de Belgische ‘natie’ blijk van de wil tot een doelbewuste ontwikkeling van ‘internationale welvaartsstaatrelaties’ met andere naties: de ‘Belgische natie’ – het parlement – trachtte zich bij haar eerste stappen in de ontwikkeling van de welvaartsstaat, te positioneren ten opzichte van andere naties. De interventies in het parlement (zie bijlage) kunnen gezien worden als een onderhandeling over die ‘internationale welvaartsstaatrelaties’ van België, waarbij het recht op sociale uitkeringen van migrerende arbeiders gebruikt werd als pasmunt bij die onderhandelingen. België had een goede relatie met - specifiek - Frankrijk nodig door het grote aantal Belgische arbeiders die in Frankrijk tewerkgesteld waren en waarvoor men een gelijkaardige sociale bescherming ambieerde. De socialistische en progressief-liberale parlementsleden hamerden er dan ook op dat België een genereus gebaar moest stellen t.o.v. vreemde arbeiders en het juiste voorbeeld geven om zo de eerste stap te zetten naar een open houding ten opzichte de sociale inclusie van immigranten. Zij wezen tevens op de inclusieve sociale wetgeving van Frankrijk. Een liberale interventie daarentegen wierp op dat men de uitsluiting van de niet in België verblijvende vreemde weduwen moest gebruiken als pasmunt om Frankrijk te verplichten haar wetgeving te verbeteren. Na heel wat heen en weer gepraat paste de regering haar ontwerp aan om het helemaal inclusief te maken. Uit de interventies komt naar voren dat de ontwikkeling van goede ‘internationale welvaartsstaatrelaties’ wenselijk geacht werd om België te positioneren als een rijpe, onafhankelijke natie die een nobele voortrekkersrol kon spelen in de ontwikkeling van het sociaal recht. Prestige en een sterke positionering waren naast reciprociteit sterke drijfveren om immigranten op te nemen in de arbeidsongevallenregeling.

Een tweede factor die speelde was de rol die immigranten konden spelen in de sociale emancipatie van de arbeider. Immigranten waren een zichtbare aparte groep onder de werkende bevolking. Zij konden gemakkelijker gebruikt worden om in het nadeel van de Belgische arbeider te spelen: sociale dumping. Immigranten mee beschermen verzekerde de lokale bevolking ervan dat deze niet als een goedkoop alternatief zouden ingezet worden waardoor de arbeidsmarktpositie van Belgen nog zou verslechten. Het parlementair debat ging daar dan ook op in.

Een derde factor lag in overwegingen van ‘humanitaire’ aard. Daar het sociaal recht bedoeld was om de ‘malheureux’ te helpen, en menselijke miserie te voorkomen, oversteeg deze elke nationaliteit. Verschillende interventies in het parlement geven blijk van deze humanitaire bekommernis, die losstond van politieke of economische overwegingen. Zelfs de positie van immigranten in het burgerlijk recht werd aangehaald om diens positie sociaalrechtelijk te versterken.

Het parlementair debat rond de positie van immigranten toont duidelijk een dynamiek die territorialiteit als organiserend principe van het personeel toepassingsgebied van de arbeidsongevallenregeling vestigt. Ook in de kinderbijslagregeling hieronder vinden we dergelijke dynamiek, zij het op een heel andere manier.

Kinderbijslagen

De kinderbijslagwet van 1930 voerde een veralgemening van de kinderbijslagen in,4 waarop Belgische loontrekkenden recht hadden. De wet verplichtte alle Belgische werkgevers om lid te worden van een ‘verrekenkas’, waaraan werkgevers een vaste maandelijkse bijdrage moesten betalen per werknemer. Werknemers met kinderen zouden dan maandelijks kinderbijslag uitbetaald worden. De algemene invoering van de kinderbijslag was bedoeld als antwoord op twee aan elkaar gerelateerde kwalen: de ellendige leefomstandigheden van de werkende klasse en de denataliteit. Men vond dat het loon van een arbeider te laag was om een gezin van meer dan één of twee kinderen te kunnen onderhouden.5 En het dalende geboortecijfer baarde zorgen. De kinderbijslag zou dit proces moeten keren.

Net zoals het geval was bij de arbeidsongevallen, toont de ontstaansgeschiedenis van het kinderbijslagstelsel aan dat met de aanwezigheid van immigranten op het territorium expliciet rekening werd gehouden en de vestiging van het territorialiteitsprincipe in het personele toepassingsgebied beïnvloedde. De kinderbijslagwet werd bijna dertig jaar na de arbeidsongevallenregeling ingevoerd en legt dan ook een andere dynamiek in het parlement bloot wat betreft de houding t.a.v. de aanwezigheid van immigranten. De kinderbijslagwet van 1930 resulteerde dan ook niet onmiddellijk in de opname van immigranten in het personeel toepassingsgebied.

Het oorspronkelijk wetsontwerp stelde wel voor om de immigranten – na één jaar verblijf – op te nemen in het personeel toepassingsgebied van het kinderbijslagstelsel. De bevoegde minister Heymans koppelde in de memorie van toelichting uitdrukkelijk de oplossing voor de denataliteit aan het opnemen van grote immigrantengezinnen in zijn demografische project voor bevolkingsgroei.6 In zijn Memorie van Toelichting beschreef Minister Heyman deze aanpak als in het belang van de natie. Immers, “denataliteit” werd beschouwd als een ernstig demografisch en economisch probleem dat, o.a., zou leiden tot een tekort aan werkkrachten voor de industrie. “Gezien het gebrek aan handarbeiders in onze nijverheid, is het niet zonder belang dat zij zich onder ons vestigen en er een talrijk gezin bezitten”.7 Immigranten met grote gezinnen waren welkom om de demografische achteruitgang te helpen stuiten. Hoewel het parlement dit ontwerp niet ongenegen was, draaide de uiteindelijke wet toch uit op een systeem dat gereserveerd was voor Belgen.

Tijdens het debat stelde niemand zich vragen bij de voorgestelde inclusie van de arbeidsmigranten als dusdanig. In plaats van een discussie over de in- of exclusie van arbeidsmigranten op zich, werd het debat gestuurd in de richting van discussies over bepaalde groepen arbeiders die niet waren opgenomen in het oorspronkelijke wetsontwerp, en dit vanuit de nood om goede ‘internationale welvaartsstaatrelaties’ met Frankrijk op te bouwen. Deze twee groepen arbeiders betroffen Fransen die naar België pendelden om er te werken, maar in Frankrijk woonden, alsook Belgen die in Frankrijk werkten, maar in België woonden. De parlementsleden die het debat in die richting stuurden, wilden ervoor zorgen dat deze groepen – bovenop de reeds opgenomen immigranten – ook deel uitmaakten van het personeel toepassingsgebied.

Om zich dus van een bevoorrechte relatie met Frankrijk te verzekeren werd na de interventies ten voordele van de twee groepen gernsarbeiders, afgestapt van een algemene insluiting van immigranten, en zou men met bi-laterale wederkerigheidsverdragen de zaken regelen. Het feit dat de algemene inclusie van immigranten hier en daar nog werd verdedigd met vooral ‘humanitaire’ argumenten, kon het tij niet keren. Deze verschuiving van positie ging bovendien gepaard met een expliciete hiërarchisering van de immigranten, waarbij de betrouwbare en controleerbare ‘nabije’ immigrant in contrast stond met de ‘oncontroleerbare’ immigrant uit ‘exotische landen’.

Het resultaat was een wet waarin enkel de Belgische burgers opgenomen waren, met een vrijwillige opname van immigranten door de verrekenkassen.

Niettegenstaande deze initiële uitsluiting, werden immigranten toch opgenomen via ‘alternatieve routes’. Ten eerste waren veel immigranten reeds opgenomen in de bestaande private verrekenkassen, nog voor de wet was goedgekeurd. Reeds in het parlementaire debat werd aangehaald dat de verrekenkassen buitenlanders evengoed opnamen als de Belgische arbeiders en dat de arbeidscontracten van de steenkoolnijverheid zelfs voorschreven dat de buitenlandse arbeiders dezelfde uitkeringen moesten krijgen als de Belgische, behalve voor kinderen die niet in België grootgebracht werden. Blijkbaar bleven de verrekenkassen dit doen nadat de kinderbijslagregeling werd ingevoerd. Dat was de reden die de regering nadien vermeldde toen ze de kinderbijslagwet nationaliteitneutraal maakte. Hoewel de kinderbijslagregeling dus nationaliteitafhankelijk was, werden in de praktijk alle arbeiders werkzaam in België vrijwillig opgenomen. Ten tweede sloot België ook verdragen af met verschillende landen, waarbij de respectieve burgers officieel opgenomen werden in de kinderbijslagstelsels van de verdragssluitende partijen. Ten derde, naast de vrijwillige opname door de verrekenkassen en de verdragen, nam de regering verschillende Ministeriële Besluiten in de jaren veertig en vijftig om kinderbijslag mogelijk te maken voor buitenlandse arbeiders zelfs als hun kinderen niet opgevoed werden in België. In die periode was er een nood aan buitenlandse werkkrachten en de sociale rechten hielpen deze aan te trekken vanuit het buitenland.

Er vond dus - via andere officiële en niet-officiële kanalen - een omslag plaats van nationaliteit (enkel Belgen) naar territorialiteit (alle inwoners die bijdragen tot de regeling) als basis voor de kinderbijslagregeling. Deze situatie werd uiteindelijk officieel bevestigd in 1957.

Sociale Bijstand

De derde tak waarbij de rol van de aanwezigheid van immigranten werd bestudeerd is de sociale bijstand. De sociale bijstand, als onmisbaar sluitstuk van de welvaartsstaat, kent een oude geschiedenis, die reeds vóór de ontwikkeling van de moderne welvaartsstaat het voorwerp was van actief overheidsbeleid. Sociale bijstand werd eeuwenlang georganiseerd op het niveau van het dorp/stad. Van belang voor ons onderwerp daarbij is dat overal in Europa een streng verblijfscriterium bestond waardoor iedereen die niet tot de lokaliteit behoorde, uitgesloten werd van bijstand. Dit betekende dat mensen uit naburige steden/dorpen er geen recht op hadden (om niet te spreken van buitenlanders!). Door de ontwikkeling van het economisch liberalisme en de industrialisering tegen het einde van de achttiende en gedurende de negentiende eeuw, stelden vele landen deze strikte lokale aanpak in vraag. De pre-moderne sociale bijstand werd georganiseerd op basis van de ‘onderstandswoonst’: dat was de gemeente die als enige verantwoordelijk was voor de sociale bijstand aan een persoon. Bijgevolg was iedere persoon gebonden aan zijn onderstandswoonst in geval van nood: enkel die stad of gemeente mocht die persoon bijstaan. De ‘onderstandswoonst’ werd in de 19e eeuw het voorwerp van politieke discussie en geleidelijk aan werden de voorwaarden voor het verwerven van een onderstandswoonst steeds flexibeler. Het werd alsmaar minder belangrijk om inwoner te zijn van één specifieke plek.

Wanneer we onze aandacht richten op de positie van immigranten in de 19e eeuwse wetgeving, valt onmiddellijk op dat immigranten effectief deel uitmaakten van de groep potentiële begunstigden van sociale bijstand: deze was georganiseerd op basis van territorialiteit, en niet op basis van nationaliteit. Het Belgische sociale bijstandssysteem organiseerde de bijstand aan immigranten in drie lagen: hoe meer men juridisch gebonden was aan het territorium op basis van zijn migratiestatus en respectabiliteit in de sociale orde, hoe sterker de bescherming waarop men aanspraak kon maken in geval van behoeftigheid. De opeenvolgende Belgische wetgeving op de onderstandswoonst van 1845, 1878, 1891 en 1965 schreef telkens expliciet voor dat vreemdelingen bijstand konden ontvangen, en dit op basis van twee verschillende regelingen, gekoppeld aan verschillende migratiestatussen.

Zo bepaalde de eerste Belgische wet8 op de onderstandswoonst van 18459 bijvoorbeeld dat de onderstandswoonst de geboorteplaats was. Met andere woorden, de geboortegemeente of – stad was als enige verantwoordelijk voor een persoon in geval van behoeftigheid. De wet bepaalde echter dat de onderstandswoonst veranderd kon worden na acht jaar verblijf in een nieuwe gemeente. Voor immigranten hing de sociale bijstand af van hun immigratiestatus: voorlopig kwam het alleen aan domiciliés (de beste migratiestatus)10 toe om een 'onderstandswoonst' te verkrijgen, en dit na acht jaar onafgebroken verblijf (art. 8). Deze status van domicilié werd slechts heel zelden toegekend, het was dan ook de meest bevoorrechte status die een immigrant kon genieten.11 Ook al konden alleen domiciliés een ‘onderstandswoonst’ verwerven, toch konden andere immigranten op een meer ‘residuele’ regeling terugvallen. Met name bepaalde artikel twaalf dat elke behoeftige zou bijgestaan worden in geval van nood door de gemeente waar hij zich bevond als de nood zich voordeed. De wet voerde nog een andere garantie toe door te bepalen dat elke gemeente sociale bijstand kon toekennen ‘om redenen van rechtvaardigheid en menselijkheid’ ook al was de betrokkene niet gerechtigd op basis van de wet (art. 19). Dit betekende dat indien de immigrant enige migratietitel had, hij aanspraak kon maken op bijstand. Deze tweede bijstandsvoorziening werd betaald door de nationale autoriteiten. De gemeente diende aan het ministerie van justitie te laten weten dat bijstand was verleend aan behoeftige immigranten die nog geen officiële onderstandswoonst verworven hadden. De staat zou dan die bijstandskosten terugbetalen aan de gemeente.

De volgende wijziging van de bijstandswetgeving van 1878 versoepelde de situatie. De wet reduceerde de vereiste periode om te veranderen van onderstandswoonst of om er één te verwerven naar vijf jaar, en dat voor iedereen (art. 5). Immigranten, alsook mensen geboren van een Belg in het buitenland, werden geassimileerd met nationale burgers, zonder dat het nodig was eerst de status van ‘domicilié’ te verwerven. Enkel verblijf in een gemeente voor vijf jaar zou volstaan. Zodus werd elke (respectabele) immigrant die legaal verbleef en bijdroeg in een gemeente geassimileerd met de Belg. Bovendien, indien immigranten nog geen ‘onderstandswoonst’ hadden verworven, konden zij toch steeds aanspraak maken op sociale bijstand. De staat zou deze laatste kosten terugbetalen aan de bijstaande gemeente.

Waar geleidelijk aan in opeenvolgende wetswijzigingen de voorwaarden om een onderstandswoonst te verwerven soepeler werden, was dit ook voor immigranten het geval.

Reeds in de 19e eeuw – en tot op vandaag – werd de sociale bijstand dus territoriaal georganiseerd: wie zich op het territorium bevond en behoeftig was, kon aanspraak maken op hulp. We zien dus dat ook in de sociale bijstand de aanwezigheid van immigranten een cruciale rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het territoriaal personeel toepassingsgebied.

De expliciete integratie van immigranten in de Belgische sociale bijstand was echter enkel gereserveerd voor de immigranten die behoorden tot de respectabele sociale orde. Immigranten die als landloper of bedelaar werden aanzien, werden ofwel niet toegelaten in België, ofwel repressiever behandeld dan de Belgen: voor hen gold immers ook de dreiging om het land uitgezet te worden. Vreemdelingen die in de 19e eeuw in België aankwamen en niet in staat waren om het bezit van voldoende bestaansmiddelen te bewijzen, werden terug naar de grens gestuurd (art. 3 – arrêté-loi du 6 octobre 1830). Bovendien bepaalde de wet op de bedelaarsgestichten en verbeteringsscholen van 184812 dat vreemde behoeftigen die nog geen onderstandswoonst hadden verworven en die veroordeeld waren voor bedelarij of landloperij en in een bedelaarsgesticht waren gestopt, konden uitgewezen worden naar de Belgische grens, indien geen verdrag voorhanden was met het land van oorsprong van de behoeftige.





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina