Nl samenvatting periode 3 woorden



Dovnload 244.67 Kb.
Pagina1/3
Datum26.08.2016
Grootte244.67 Kb.
  1   2   3
NL samenvatting periode 3 woorden
Blok 2
Woord oef 1


  1. adagium – gezegde

  2. cliëntelisme – politieke klantenbinding

  3. diffuus - vaag

  4. diversiteit – verscheidenheid, variatie

  5. etniciteit – ras

  6. familievete – langdurige vijandschap tussen families of leden van een familie

  7. impliceren – bovendien inhouden

  8. lobby – propaganda, steeds herhaald leidooi

  9. metropool – wereldstad

  10. multicultureel – uit verschillende culturen samengesteld

  11. mythe – fabeltje

  12. parochiaal – van een gemeenschap

  13. populistisch – populair, de mensen tot ontevredenheid aanzettend

  14. pregnant – scherp, duidelijk

  15. reflex – directe, onwillekeurige reactie op een zenuwprikkel

  16. repressie – onderdrukking van vrijheid van meningsuiting en handelen

  17. retoriek – hoogdravende, niets zeggende taal

  18. uniformiteit – eenvormigheid, gelijkvormigheid

Opdracht 2.




  1. bananenrepubliek – corrupt en achtergebleven land met steeds wisselende militaire dictatuur

  2. bevoogding – macht uitoefenen over een volk of individu zonder inspraak of zelfbeschikking te accepteren

  3. big-brothermaatschappij – samenleving waarin de almachtige staat het doen en laten van alle burgers in de gaten houdt

  4. censuur - controle door overheid op de media

  5. collectivisme – het vooropstellen van de gemeenschap in plaats van het individu

  6. hegemonie – overheersing

  7. imperialisme – politiek streven naar de wereldmacht

  8. kastenstelsel – stelsel waarbij de maatschappij is ingedeeld in streng van elkaar afgescheiden bevolkingsgroepen (kasten)

  9. liberalisme – politieke leer die ervan uitgaat dat de overheid zich zo weinig mogelijk moet bemoeien met het maatschappelijk leven en de economie

  10. neokolonialisme – de politieke, economische en culturele afhankelijkheidsrelatie van vroegere koloniën ten opzichte van geïndustrialiseerde staten

  11. oligarchie – regering van een klein aantal voorname families

  12. parlementaire democratie – staat met een volksvertegenwoordiging waarbij de meeste macht berust.

  13. regentenmentaliteit – autoritaire, rechtse manier van denken

  14. repressieve tolerantie – meegaandheid van degenen die de macht hebben, met de bedoeling dat het verzet erdoor zal afnemen

  15. soevereiniteit – de situatie dat een staatsmacht van geen ander gezag afhankelijk is

  16. totalitaire staat – een staat waarin alles (ook het individu) volledig ondergeschikt is aan de opvattingen van de staat

  17. trias politica – de drie staatsmachten: de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht

hoofgedachte = uitspraak/mening van de schrijver over een tekst


Lezen blz 105t/m108 inforboek
Structuurschema= schema met info over de alinea’s
Eisen samenvatting:

- hoofdzaken

- strekking(bedoel en de hoofdgedachte)

- goed NL


Mening: ik ben van mening dat
Standpunt: Ik sta op het standpunt dat
Stelling: Mijn stelling is
Bewering: Ik beweer nu juist
Opvatting: Ik deel deze opvatting niet.
Meningen verkondigen
Mondeling: debat(formuleren hun mening- verdedigen het- en proberen de andere standpunten minder aannemelijk te maken
discussie(vergelijken van standpunten)

Schriftelijk:

-beschouwing( verschillende standpunten vergelijken en argumenten die daar bij horen)

-betoog (formuleert zijn mening en publiek overhalen zijn standpunt te delen)


Objectieve argumenten( feiten) zijn controleerbaar

Subjectieve argumenten op basis van geloof of intuïte

Blok 3
woord oef 1


  1. (behoud van) biodiversiteit – biologische verscheidenheid

  2. compenseren – goedmaken

  3. (iets) correleert (met iets anders) – vertoont onderlinge samenhang

  4. corruptie – omkoping

  5. effectiviteit – doeltreffendheid

  6. hedonist – genotzoeker

  7. in de marge – aan de rand

  8. incidentele (onderzoeken) – af en toe plaatsvindend

  9. in de internationale context – internationaal gezien

  10. (kritische) zelfreflectie – nadenken over je eigen gedrag

  11. (landbouw) areaal – gebied

  12. preciseren – precies omschrijven

  13. preventie – voorkoming

  14. psychosomatische – door geestelijke factoren veroorzaakt in het lichaam

  15. realistische visie – nuchtere kijk

  16. relativeringsvermogen – het vermogen het betrekkelijk van iets in te zien

  17. van repliek dienen – een raak antwoord geven

  18. scala (aan argumenten) – reeks

  19. seculariserend (Nederland) – zich ontwikkelend van geestelijk (kerkelijk) naar wereldlijk

  20. secundaire – (arbeidsvoorwaarden) – op de tweede plaats komend

  21. stereotiep – onveranderlijk

  22. (een) synthetisch (product) – kunstmatig vervaardigd

  23. transparantie – doorzichtigheid

  24. zelfreguleringcode – (het) zelf opstellen van regels

opdracht 2






  1. verlies van spraakvermogen

afasie 




2.

ziekelijk gebrek aan eetlust

anorexia nervosa

 

3.

toestand waarbij alleen innerlijke ervaringen zodanig beleefd worden

autisme

 

4.

aandoening waarbij het afweersysteem zich keert tegen het eigen lichaam

auto-immuunziekte

 

5.

vraatzucht

boulimie

 

6.

gevoel van uitgeput zijn als gevolg van stress

burn-out

 

7.

chronische, aspecifieke, respiratoire aandoeningen

cara

 

8.

geneeskundige behandeling met chemische stoffen

chemotherapie

 

9.

ademhalingsziekte

emfyseem

 

10.

oogziekte door te hoge druk in de oogbol

glaucoom

 

11.

door een langdurige verzorging in een ziekenhuis vervreemd raken van je eigen milieu

hospitaliseren

 

12.

griep

influenza

 

13.

verlammingsziekte

multiple sclerose

 

14.

nepmedicijn

placebo

 

15.

huidziekte waarbij huidschilfers gevormd worden

psoriasis

 

16.

ziekteverwekkende bacteriesoort in o.a. kippenvlees

salmonella

 

17.

mongolisme

syndroom van Down

 

18.

begeleiding bij het sterven

terminale zorg

 

19.

vorming van bloedproppen in de bloedvaten

trombose

 

20.

plotselinge longaandoening

veteranenziekte

 

21.

letsel van de nekwervel(s) als gevolg van een botsing

whiplash




Theorie blok 3


Zakelijke tekst drie delen
- inleiding (belangstelling wekken)

- middelstuk (onderwerp bespreken)

- slot (korte samenvatting geven)
Verband geven tussen alinea’s
Herhaling/overlappers: woorden/woordgroepen herhalen in de alinea

Overgangszinnen: samenvattende zinnen aan het begin of eind van een alinea

Aankondigende zinnen: dingen die nog kunt verwachten vertellen in de zin

Signaalwoorden: woorden/woordgroepen die alinea’s verbinden


Lezen infoboek blz. 93t/m95

Blok 4
Woord oef 1




  1. accountmanager – medewerker van een bedrijf of bank die adviseert over o.a. geldbeleggingen

  2. cybervandaal – iemand die via de computer zaken vernielt

  3. decoderen – ontcijferen

  4. domein - geestelijk terrein

  5. duaal omroepbestel – tweeledig omroepbestel (publiceren en commerciële omroepen)

  6. duiding – achtergrondinformatie

  7. imago – indruk naar buiten

  8. ingeboet hebben – aan betekenis verloren hebben

  9. instantie – overheidsinstelling

  10. ombudsman – ambtenaar bij wie je als burger een klacht over de overheid kunt indienen

  11. personaliseren – een persoonlijk karakter geven

  12. populatie – verzameling, groep

  13. stabiliseren – hetzelfde blijven

  14. (redactie)statuur – geheel van voorschriften waaraan men zich moet houden

  15. survey – geregeld onderzoek

  16. technologie – toepassing van de wetenschap in de techniek

  17. traceren – opsporen

  18. universeel – algemeen

opdracht 2




  1. animatiefilm – film die gemaakt word van een reeks net iets verschillinde foto opnamen waardoor het bij het afdraaien bewegende beelden lijk

  2. cartoontekenaar – tekenaar van spotprenten

  3. radiocolumn – kort stukje dat iemand regelmatig en op een vaste tijd uitspreekt op de radio

  4. perscommuniqué – officiële mededeling aan de pers

  5. coverstory – omslagverhaal (verhaal dat al op de omslag word aangekondigd)

  6. digibeet – iemand die niets weet van computers

  7. televisiedocumentaire – tv film over staande(niet verzonnen) gebeurtenissen

  8. edutainment – opvoedkundig vermaak

  9. glossy magazine – op glanzen papier gedrukt tijdschrift met veel foto’s

  10. horizontale programmering – het brengen van het hetzelfde soort programma’s op de dezelfde tijd

  11. infotainment – informatief amusement op radio en tv

  12. journaille – persmuskieten

  13. komkommertijd – vakantietijd waarin er weinig nieuws is

  14. nasynchroniseren – gesproken tekst in een film vertalen en zo inspreken dat het lijkt alsof de spreker de tekst zelf zegt

  15. opinieweekblad – weekblad met artikelen waarin de schrijvers meningen naar voren brengen

  16. paparazzo – opdringerige footgraaf van sensatiepers

  17. primetime- tijd dat de kijk- of luisterdichtheid het hoogst is

  18. realiti-tv – tv-uitzendingen met waar gebeurde, sensationele gebeurtenissen bvb rampen

  19. tabloidformaat – klein, handzaam formaat

  20. verschoningrecht – recht om je informatiebron te verzwijgen

WTSI
Woordenschat 1


Woorden met Griekse of Latijnse elementen
Opdracht 1

1 astroloog [--] sterrenwichelaar

2 cardioloog [--] hartspecialist

3 dermatoloog [--] huidarts

8 ideoloog [--] kenner van de ideeën van een politieke, maatschappelijke of levensbeschouwelijke stroming

10 oenoloog [--] wijnkenner

12 ornitholoog [--] vogelkundige

15 reumatoloog [--] kenner van aandoeningen aan het bewegingsapparaat

17 toxicoloog [[--] gifkundige

18 uroloog [--] kenner van ziekten van de nieren en urinewegen

20 zoöloog [--] dierkundige

Opdracht 2

4 ecoloog [--] milieukundige

5 futuroloog [--] wetenschapper die zich bezighoudt met de toekomst

6 gerontoloog [--] arts die gespecialiseerd is in ouderdomsverschijnselen

7 gynaecoloog [--] vrouwenarts

9 neuroloog [--] zenuwarts

11 oncoloog [--] kankerspecialist

13 patholoog [--] ziektekundige

14 politicoloog [--] kenner van de van de werking van het partijpolitiek en van de werking van het openbaar bestuur

16 seksuoloog [--] kenner van de problematiek van het seksuele leven de mens

19 viroloog [--] kenner van virussen en virusziekten

Opdracht 3 Woordkennisspel met woorden uit de media

1 adequaat [--] C passend

2 antiseptisch [--] D ontsteking voorkomend

3 authentiek [--] B oorspronkelijk

4 autonomie [--] D zelfbeschikking

5 biometrisch [--] D met meetbare lichamelijke kernmerken

6 bureaucratie [--] C situatie waarin alles wordt geregeld door ambtenaren, d.w.z. met papieren rompslomp

7 compressor [--] C apparaat dat lucht samenperst

8 concessies doen [--] A op een aantal punten toegeven

9 condoleren [--] D medeleven betuigen

10 coöperatie [--] B vereniging tot samenwerking

11 curieus [--] C merkwaardig

12 demagogie [--] C volksmisleiding

13 derailleren [--] C ontsporen

14 expansie [--] A uitbreiding

15 irreëel [--] C onwerkelijk

16 irrelevant [--] C niet ter zake doende

17 monopolie [--] C alleenrecht

18 reclassering [--] B instel­ling die gestraften weer ge­schikt maakt voor de maatschappij

19 reanimeren [--] C weer tot leven wekken

20 hypothese [--] D vooronderstelling (veronderstelling)

Opdracht 4 Woordkennisspel

1 ad interim [--] A tussentijds

2 antiautoritair [--] B tegen het dwingend opleggen van gezag

3 calamiteit [--] C grote ramp

4 elementair [--] A de basis betreffend

5 hautain [--] A hooghartig

6 ideologie [--] A geheel van opvattingen

7 impasse [--] B probleem waarvoor men geen oplossing ziet

8 impliceren [--] C inhouden

9 plaquette [--] B gedenkplaat

10 plenair [--] B voltallig

11 pluriform [--] C veelvormig

12 receptief [--] D passief

13 retoucheren [--] A bijwerken

14 retrospectief [--] A terugblik

15 stringent [--] A drastisch

16 traceren [--] C op het spoor komen

17 traineren [--] C op de lange baan schuiven

18 indicatie [--] C aanwijzing

19 incapabel [--] A onbekwaam

20 immens [--] C ontzaglijk groot
Taalverzorging 1

Opdracht 1 Verkeerd woord/verkeerde uitdrukking

1 vraagtekens bij kunt plaatsen --> een vraagteken bij kunt plaatsen / zetten

2 goedkoopste --> laagste

3 diegene --> de gepeste (jongen of meisje) / het slachtoffer

4 een streep zetten --> een punt zetten

5 je nek in het zand steken --> je kop in het zand steken

6 geschept --> geschapen

7 roergebakken --> geroerbakt

8 vermoorden --> doden

9 jongen --> man

10 bemaald --> bemalen

11 overtreders --> automobilisten zonder parkeerkaart / foutparkeerders

12 geen blaffende honden wakker maken --> geen slapende honden wakker maken

13 kappers en schoenmakers --> haarverzorging (haarknippen) en schoenenreparatie



Opdracht 2 Verkeerd woord/verkeerde uitdrukking

Correcte woorden zijn niet schuin gedrukt.

1 twijfelen --> weifelen

2 tenzij --> mits

3 zodoende --> daardoor

4 geweifeld

5 als

6 rede --> reden



7 onderschatten --> overschatten

8 met de hulp van --> met behulp van

9 te wijten --> te danken

10 doordat

11 hun

12 niet het minst = niet in ‘t minst






    Opdracht 3 Verkeerde spreekwoorden en uitdrukkingen

Let op: Soms is de foute uitdrukking het gevolg van het met elkaar verwarren (door elkaar halen) van twee uitdrukkingen met (ongeveer) dezelfde betekenis (contaminatie).


De apen rapen zijn gaar!
De apen rapen zijn gaar! Ik heb het helemaal zat gehad (ben het helemaal zat). Ik gooi nú mijn kont in tegen de krib!

Ieder kent momenten in zijn leven dat hij door de rotte zure appel heen moet bijten. Bij mij is dat moment nu gekomen. Ik moet tegenover u mijn gal kwijt spuien over al die over het paard gevallen getilde radio- en tv-presentatoren.

Ze verdienen een vijg veeg uit de pan, omdat ze niet in staat zijn goed Nederlands te spreken. Ze blijken er geen sjoege kaas van gegeten te hebben (geen sjoege van hebben). Ze weten van toeten noch ballen blazen. Je kunt als luisteraar wel denken: ’Och, dat geeft maakt niets uit’ (geeft niets) of ‘Dat slaat nergens over op’ (gaat nergens over), maar door dat gesjochten Nederlands weet ik vaak niet hoe de steel ervoor staat vork aan de steel zit (het ervoor staat) in het nieuws.

De meeste kijkers denken er niet bij stil na (staan er niet bij stil). Maar ik heb er mijn sik buik van vol. Ik durf er mijn kop hand voor in het vuur te steken dat die omroepmensen vaak zélf niet eens in de gaten hebben wat ze fout doen.

Ik geef een paar voorbeelden van wat ik onlangs op de radio hoorde. In een actualiteitenprogramma meldde een verslaggever dat ‘de onderste steen boven water moest komen’. Een halfuur later kwam de volgende zinsnede langs: ‘Ik kan er geen touw op trekken aan vast knopen’ (peil op trekken). En weer iets later: ‘We springen uit de pas band’ (lopen uit de pas).

Heel geestig vond ik de passage (ook op de radio) ’iemand een koekje sigaar uit eigen doos geven (koekje van eigen deeg geven)’. Aanvankelijk had ik dan ook niet in de gaten dat er iets fout zat. Het drong pas later door. ‘Een koekje van eigen deeg’ en ‘een sigaar uit eigen doos’ zijn samen in de verhakselaar hakselaar terechtgekomen (verhaspeld).

We moeten als kijker of luisteraar kritisch blijven ten aanzien van de het Nederlands op radio en tv, want als we niet uitkijken laten we ons zó een loer oor aannaaien (een loer draaien). Je denkt staat er vaak niet bij stil (denkt er niet bij na), maar soms ben ik helemaal infuus confuus van de taalkundige stommiteiten. Anderzijds geef ik een foutloze spreker in gedachten wel eens een staande ovaluatie ovatie. (…)
Naar: Huib Boogert, Het penariepietje. Vrolijkheid en frustratie over het Nederlands.




Opdracht 4 Moeilijk woord/moeilijke uitdrukking, vakterm, abstract woord, vreemd woord, barbarisme, belgicisme

1 overleed  verdronk

2 in-vitrofertilisatie --> reageerbuisbevruchting

3 carwash --> wasstraat

4 meest populaire --> populairste

5 gadgets --> hebbedingetjes

6 panikeren --> in paniek raken

7 vroeger of later --> vroeg of laat

8 koudgesteld --> uitgeschakeld

9 rust een zware hypotheek --> er hangt veel van af

10 opmerkzaam --> aandachtig

11 abdiceren --> afstand doen van de troon

12 beïndrukt --> onder de indruk

Opdracht 5 Modewoord of –uitdrukking, vaag woord, plat of grof woord, archaïsme

1 best wel  best / wel [--] mode-uitdrukking

2 moet kunnen  mogelijk moet zijn [--] modewoord

3 ‘Is goed.’ ‘Dat is goed.’ [--] woord te weinig / mode-uitdrukking

4 verkeerde dingen heeft gedaan  een misdrijf heeft begaan [--] vage woorden

5 naar toe  aan [--] mode-uitdrukking

6 het brood  de broodafdeling [--] vaag woord

5 mitsgaders  alsook / én [--] archaïsme

6 hoge inkomens  mensen met een hoog inkomen [--] vaag woord

7 pleurde  smeet / gooide [--] plat woord

8 richting  voor / in de richting van [--] modewoord

9 lage  goedkope [--] verkeerd woord

10 maken  verantwoorden [--] modewoord

11 Het  De zaak; alles  bijvoorbeeld: de samenwerking / de afspraken / … [--] vage woorden

12 dermate  zo zeer [--] archaïsme

13 een leuk vak  een fijn vak; wat ook leuk is  wat ook prettig is

14 kan me geen zak schelen  kan me totaal niet schelen / interesseert me niks [--] platte of grove woorden




    Opdracht 6 Storende woordherhaling, foutieve tautologie, foutief pleonasme

1 Het tweede woord gewoon: weglaten [--] storende woordherhaling

2 want … namelijk: namelijk weglaten [--] foutieve tautologie

3 witte schimmel  schimmel / witte paard [--] foutief pleonasme

4 dringt erop aan …. moet terugkeren  dringt erop aan … terugkeert [--] foutieve tautologie

5 op maandag 6 en dinsdag 7 mei a.s.  op maandag 6 en dinsdag 7 juni [--] foutief pleonasme (overbodig woord) (zie ook zin 8)

6 … dan raden wij u aan deze niet te gebruiken maar ze terug te brengen bij de winkel waar u ze gekocht heeft. [--] storende woordherhaling

7 onderlinge samenwerking  samenwerking [--] foutief pleonasme

8 heel veel succes in de toekomst  heel veel succes [--] foutief pleonasme (overbodige woorden) (zie ook zin 5)

9 kan er soms toe leiden  leidt er soms toe / kan ertoe leiden [--] foutief pleonasme

10 een extra energieboost  energie-impuls [--] dubbel pleonasme (+ vreemd woord)

11 gluurde nieuwsgierig  gluurde / keek nieuwsgierig [--] foutief pleonasme

12 mondeling sollicitatiegesprek  sollicitatiegesprek [--] foutief pleonasme

13 Zo kun je bijvoorbeeld beter …  Je kunt bijvoorbeeld beter … / Zo kun je beter … [--] foutieve tautologie

14 daglicht van buiten  daglicht / licht van buiten [--] foutieve tautologie

15 ronde cirkel  cirkel [--] foutief pleonasme



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina