Novo millennio ineunte



Dovnload 155.35 Kb.
Pagina1/5
Datum26.08.2016
Grootte155.35 Kb.
  1   2   3   4   5

StuCom0020

Johannes Paulus II
Apostolische Brief

Novo millennio ineunte


aan de bisschoppen, de geestelijkheid en de gelovige leken

bij de sluiting van het grote Jubileum van het jaar 2000

Aan mijn broeders in het episcopaat, aan de priesters en diakens, de mannelijke en vrouwelijke religieuzen en alle gelovige leken
1. Bij de aanvang van het nieuwe millennium en de sluiting van het grote Jubileum waarin wij de tweeduizend jaar hebben gevierd die sinds de geboorte van Jezus zijn verstreken, en er een nieuwe fase in het leven van de Kerk begint, klinken in ons hart de woorden na waarmee Jezus, na vanuit Petrus’ scheepje de menigte te hebben toegesproken, de apostel vroeg “het meer op te varen naar diep water” om daar de netten uit te werpen: “Duc in altum” (Lc 5,4). Petrus en zijn eerste gezellen vertrouwden op Christus’ woord en wierpen de netten uit. “Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden” (Lc 5,6).
Duc in altum! Deze woorden klinken thans tot ons, en nodigen ons uit dankbaar aan het verleden te denken, het heden geestdriftig te beleven, en vertrouwvol de toekomst tegemoet te zien. “Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid” (Heb 13,8).

Groot was dit jaar de vreugde van de Kerk die met grote toewijding het gelaat beschouwde van haar Bruidegom en Heer. Meer dan ooit werd zij een pelgrimerend volk, geleid door de “grote herder van de schapen” (Heb 13,20). Met de buitengewone dynamiek die zovelen van haar leden bezielde, trok het volk van God, hier in Rome zowel als in Jeruzalem en in al de plaatselijke kerken, door de ‘Heilige Deur’ die Christus is. Tot Hem die doel van de geschiedenis en enige Heiland van de wereld is riepen Kerk en Geest: “Marana tha - Kom, Heer Jezus” (vgl. Apk 22,17.20; 1Kor 16,22).

De betekenis van dit genadevol gebeuren, dat in de loop van het jaar de harten van de mensen heeft geraakt, valt niet te schatten. Maar zeer zeker is over de Kerk een “rivier van water dat leven geeft” uitgestort, het water dat voortdurend ontspringt “aan de troon van God en van het Lam” (vgl. Apk 22,1). Dit is het water van de Geest dat de dorst lest en nieuw leven schenkt (vgl. Joh 4,14). Dit is de barmhartige liefde van de Vader die ons opnieuw in Christus wordt geopenbaard en geschonken. Aan het eind van dit jaar herhalen wij met nieuwe jubel het oude danklied: “Dank de Heer, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen” (Ps 118,1).
2. Om al deze redenen voel ik mij gedrongen u te schrijven, mijne dierbaren, om samen met u dit loflied aan te heffen. Vanaf het begin van mijn pontificaat gingen mijn gedachten uit naar dit Heilig Jaar 2000 als een belangrijk keerpunt. Ik zag de viering ervan als een door de Voorzienigheid beschikte gelegenheid waarbij de Kerk, 35 jaar na het Tweede Vaticaans Concilie, zou nagaan in hoeverre zij zich had vernieuwd, opdat ze met nieuw elan haar opdracht tot verkondiging van het evangelie op zich zou kunnen nemen.

Heeft het Jubileum aan deze doelstelling beantwoord? Het is aan God om onze inzet met zijn edelmoedig streven en onvermijdelijke tekortkomingen te beoordelen. Maar we kunnen ons niet onttrekken aan de plicht dank te zeggen voor de ‘wondere daden’ die de Heer voor ons heeft verricht: “Misericordias Domini in aeternum cantabo” (Ps 89,2).

Tegelijk dient hetgeen we hebben zien gebeuren opnieuw overdacht en als het ware ‘ontcijferd’ te worden, opdat we luisteren naar hetgeen de Geest tot de Kerk heeft gezegd (vgl. Apk 2,7.11.17, enzovoorts) in de loop van dit zo rijke jaar.
3. Dierbare broeders en zusters, in het bijzonder moeten wij onze gedachten richten op de voor ons liggende toekomst. Gedurende deze maanden hebben we vaak uitgezien naar het nieuwe millennium dat aanbreekt; zo beleefden we dit Jubileum niet alleen als een gedachtenis van het verleden maar ook als een vooruitschouwen op de toekomst. Nu moeten we van de ontvangen genade profiteren door haar om te zetten in vaste voornemens en praktische gedragsregels. Tot deze opdracht wil ik alle plaatselijke Kerken uitnodigen. Wanneer zij, verzameld rond hun bisschop, luisteren naar het woord, en het “brood broederlijk met elkaar delen” (vgl. Hnd 2,42) is in elk daarvan “de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus waarlijk aanwezig en werkt zich uit”.1 Meer dan waar ook krijgt het mysterie van het ene volk van God in de concrete situatie van de lokale Kerk de vorm die past bij ieders eigen context en cultuur.

Uiteindelijk is het geworteld zijn van de Kerk in tijd en ruimte een weerspiegeling van de beweging van de Menswording zelf. Door zich te bezinnen op hetgeen de Geest in dit speciale genadejaar, ja in de langere tijdspanne vanaf het Tweede Vaticaans Concilie tot het grote Jubileum, aan het volk van God heeft gezegd, dient thans iedere plaatselijke Kerk na te gaan hoe het met haar ijver staat, en een nieuw elan te vinden voor haar geestelijke en pastorale opdracht. Met dit doel voor ogen wil ik bij de sluiting van het Jubileumjaar door middel van deze brief de bijdrage van mijn Pe-trusambt aanbieden opdat de Kerk in de verscheidenheid van haar gaven en in de eenheid van haar weg steeds helderder moge stralen.



I De ontmoeting met Christus, erfenis van het grote Jubileum
4. “Wij danken u, Heer, God, Albeheerser” (Apk 11,17). In de Bul tot afkondiging van het Jubileumjaar sprak ik de hoop uit dat de tweeduizendjaren-viering van het mysterie van de Menswording zou worden beleefd als “een ononderbroken lofzang tot de allerhoogste Drie-eenheid”,2 en ook als “een weg tot verzoening en als een teken van authentieke hoop voor hen die opzien naar Christus en de Kerk”.3 In dit Jubileumjaar hebben we deze wezenlijke aspecten ervaren; bij momenten waren ze zo intens dat wij als het ware met onze handen de barmhartige aanwezigheid konden aanraken van God, van wie “elke goede gave, elk volmaakt geschenk neerdaalt van boven” (Jak 1,17).

Allereerst denk ik aan de dimensie van lofprijzing. Dit is het uitgangspunt voor ieder die oprecht en gelovig wil ingaan op Gods openbaring in Christus. Christen-zijn is genade, is de verbazing over een God die niet alleen de wereld en de mens heeft willen scheppen, maar die gelijk heeft willen worden aan de door Hem gemaakte mens en, na bij verschillende gelegenheden en op verschillende wijzen door zijn profeten te hebben gesproken, “nu op het einde van de dagen tot ons heeft gesproken door de Zoon” (Heb 1,1-2).



In deze dagen! Ja, het Jubileum heeft ons doen beseffen dat tweeduizend jaren van de geschiedenis voorbij zijn gegaan zonder het volkomen nieuwe aan te tasten van dat ‘heden’, toen de engelen aan de herders het wonderbaar gebeuren aankondigden van Jezus’ geboorte te Betlehem: “Vandaag is in de stad van David uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer” (Lc 2,11). Sindsdien zijn tweeduizend jaar voorbijgegaan, maar Jezus’ verkondiging van zijn zending, door voor zijn verbaasde dorpsgenoten in de synagoge van Nazaret de profetie van Jesaja op zichzelf toe te passen, is actueler dan ooit. “Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan” (Lc 4,21). Tweeduizend jaar zijn voorbijgegaan, maar nog steeds ervaren zondaars die naar barmhartigheid verlangen – en voor wie geldt dit niet? – het troostrijke van dat ‘heden nog’ van het heil dat op het kruis de poorten van het Koninkrijk van God opende voor de goede moordenaar: “Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs” (Lc 23,43).
De volheid der tijden
5. Vanwege het samenvallen van dit Jubileum met het begin van een nieuw millen-nium hebben de mensen ongetwijfeld meer besef gekregen van het mysterie van Christus binnen het grote perspectief van de heilsgeschiedenis, zonder zich over te geven aan chiliastische dromerijen. Het christendom is een godsdienst die geworteld staat in de geschiedenis! Op de bodem der geschiedenis wilde God een verbond sluiten met Israël en zo de geboorte van de Zoon voorbereiden uit de schoot van Maria, “toen de volheid van de tijd gekomen was” (Gal 4,4). In zijn goddelijk en menselijk mysterie beschouwd is Christus grondslag en kern van de geschiedenis, geeft Hij haar betekenis en is haar uiteindelijk doel. In feite is door Hem, het Woord en het beeld van de Vader, “alles ontstaan” (Joh 1,3; vgl. Kol 1,15). Zijn menswording, die haar hoogtepunt vond in het Paasgeheim en de gave van de Geest, is het kloppend hart van de tijd, het mysterievol uur waarop het Koninkrijk van God onder ons kwam (vgl. Mc 1,15), en inderdaad wortel schoot in onze geschiedenis als het zaad dat was voorbestemd om een grote boom te worden (vgl. Mc 4,30-32).

“Lof zij U, Jezus Christus, want U heerst nu en in eeuwigheid.” Met dit duizenden malen herhaalde lied hebben wij dit jaar Christus beschouwd zoals het boek van de Openbaring Hem tekent: “de alfa en de omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde” (Apk 22,13). En terwijl wij opzagen naar Christus, aanbaden we ook de Vader en de Geest, de ene en onverdeelde Drievuldigheid, het onuitsprekelijk mysterie waarin alles zijn oorsprong en voltooiing vindt.


De zuivering van het geheugen
6. Om met een zuivere blik naar het mysterie te kunnen opzien heeft dit Jubileumjaar sterk in het teken gestaan van het vragen om vergiffenis. Dit geldt niet alleen voor de individuele personen die hun leven aan een gewetensonderzoek onderwierpen om barmhartigheid af te smeken en de speciale aflaat te verdienen, maar voor de gehele Kerk, die wilde herinneren aan de trouweloosheden van velen van haar kinderen, trouweloosheden die in de loop van de geschiedenis een schaduw hebben geworpen op haar gelaat als de bruid van Christus.

Op dit gewetensonderzoek hebben wij ons langdurig voorbereid, ons ervan bewust dat de Kerk, met ook zondaars in haar schoot, “terzelfder tijd heilig en altijd tot uitzuivering geroepen is”.4 Studiecongressen hebben ons duidelijk gemaakt in welke opzichten in de loop van de eerste twee millennia de geest van het evangelie niet altijd zichtbaar was. Onvergetelijk blijft de ontroerende liturgische viering van 12 maart 2000 in de basiliek van Sint Petrus, waaronder ik, opziende naar de gekruisigde Heer, in naam van de Kerk vergiffenis vroeg voor de zonden van al haar kinderen. Dankzij deze “zuivering van het geheugen” kunnen wij met vaster tred voortgaan op de weg naar de toekomst, en zijn wij nederiger geworden en waakzamer om trouw te blijven aan het evangelie.


Geloofsgetuigen
7. Dit levendig gevoel van berouw heeft ons echter niet belet de Heer te loven voor hetgeen Hij door de eeuwen heen, en met name tijdens de thans achter ons liggende honderd jaar, heeft gedaan, doordat Hij aan zijn Kerk een grote schare van heiligen en martelaren schonk. Sommigen van hen zijn tijdens dit Jubileumjaar zalig of heilig verklaard. Onverschillig of het hierbij om uit de geschiedenis bekende pausen gaat of om eenvoudige leken en religieuzen uit alle delen van de wereld: gebleken is dat heiligheid het beste het mysterie van de Kerk tot uitdrukking kan brengen. Heiligheid overtuigt zonder omhaal van woorden, en is de levende weerspiegeling van Christus’ gelaat.

Bij gelegenheid van het Heilig Jaar is er ook veel werk verricht om allerlei vormen van aandenken aan de geloofsgetuigen uit de twintigste eeuw te verzamelen. Samen met de vertegenwoordigers van de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen hebben wij hen op 7 maart 2000 herdacht in de indrukwekkende omlijsting van het Colosseum, symbool van de geloofsvervolgingen in de oudheid. Dit erfgoed mag niet verloren gaan; wij dienen er steeds dankbaar voor te zijn en ons opnieuw voornemen het na te volgen.


Een Kerk op pelgrimstocht
8. Als volgden zij het spoor van de heiligen, zo zijn talloze zonen en dochters van de Kerk in grote groepen naar Rome getogen, naar de graven van de apostelen, verlangend hun geloof te belijden, hun zonden te biechten en de barmhartigheid te ontvangen die redt. Ik was dit jaar diep onder de indruk van de menigten die zich bij de vele vieringen op het Pietersplein verdrongen. Vaak ben ik blijven staan om te kijken naar de lange rijen pelgrims die geduldig hun beurt afwachtten om door de Heilige Deur te gaan. Bij ieder van hen trachtte ik mij het verhaal van hun leven voor te stellen met zijn vreugden, zorgen en leed; het verhaal van iemand die Christus had ontmoet en die in gesprek met Hem weer zijn of haar weg vol hoop hernam.

Bij het kijken naar die ononderbroken stroom van pelgrims zag ik in hen een soort concreet beeld van de Kerk op haar pelgrimstocht, die Kerk die naar het zeggen van Augustinus “staat temidden van de vervolgingen van de wereld en de vertroostingen van God”.5 We hebben alleen de buitenkant kunnen waarnemen van dit unieke gebeuren. Wie zou de wonderen van genade kunnen meten die zich in het hart van de mensen hebben voltrokken? Het is beter zwijgend te aanbidden, met een eenvoudig vertrouwen op het mysterievol werken van God terwijl we zijn mateloze liefde bezingen: “Misericordias Domini in aeternum cantabo!”.


De jeugd
9. De vele Jubileumbijeenkomsten brachten de meest uiteenlopende groepen mensen bijeen, en de betrokkenheid was werkelijk indrukwekkend – waarbij soms de toewijding van de kerkelijke en burgerlijke organisatoren en hun medewerkers zwaar op de proef werd gesteld. In deze brief wil ik iedereen mijn oprechte dank uitspreken. Maar de aantallen daargelaten, werd ik vaak geroerd bij het zien van de aandrang waarmee werd gebeden, van de bezinning en geest van onderlinge verbondenheid die deze bijeenkomsten in het algemeen vertoonden.

Hoe zouden we niet met name terugdenken aan de blijde en inspirerende bijeenkomst van de jeugd? Als er een beeld is van het Jubileum van het jaar 2000 dat meer dan welk ander ook in de herinnering zal blijven voortleven, dan is het wel dat van die golven van jonge mensen met wie ik een soort zeer speciale dialoog mocht aangaan, vol wederzijdse genegenheid en begrip. Zo ging het vanaf het moment dat ik hen welkom heette op het plein van Sint Jan van Lateranen en op het Pietersplein. Daarna zag ik hen door de stad uitzwermen, vrolijk zoals jonge mensen dienen te zijn, maar tegelijk nadenkend, verlangend om te bidden, op zoek naar ‘zingeving’ en ware vriendschap. Zij noch degenen die hen zagen zullen gemakkelijk deze week vergeten waaronder Rome ‘jeugdig werd met de jeugd’. Onvergetelijk was de eucharistieviering bij Tor Vergata.

Opnieuw bleken de jonge mensen voor Rome en voor de Kerk een speciale gave te zijn van Gods Geest. Soms, als we naar de jeugd kijken met de voor hen in de huidige maatschappij kenmerkende problemen en zwakheden, zijn we tot pessimisme geneigd. Het Jubileum van de jeugd heeft daarin verandering gebracht, doordat het ons vertelde dat, met al hun eventuele onevenwichtigheden, jonge mensen diep in hun hart verlangen naar die waarachtige waarden die in Christus in volheid aanwezig zijn. Is Christus niet het geheim van ware vrijheid en diepe inwendige vreugde? Is Christus niet de vriend bij uitstek en de leraar van alle ware vriendschap? Als Christus aan jonge mensen wordt voorgehouden zoals Hij werkelijk is, ervaren zij Hem als een overtuigend antwoord en kunnen zij zijn boodschap aanvaarden, ook al is deze veeleisend en draagt ze het teken van het kruis. Daarom heb ik in reactie op hun geestdrift niet geaarzeld aan hen te vragen een radicale keuze van geloof en leven te maken, en hun te wijzen op een schitterende opdracht: te worden tot “wachters in de morgen” (vgl. Js 21,11-12) bij de dageraad van het nieuwe millennium.
Allerlei soorten pelgrims
10. Natuurlijk kan ik niet in detail op elke apart Jubileumonderdeel ingaan. Elk daarvan had een eigen karakter en liet een boodschap na, niet alleen voor hen die er direct aan deelnamen, maar ook voor hen die erover hoorden spreken of door middel van de media er van verre aan deelnamen. Maar hoe zouden we de feestelijke sfeer kunnen vergeten van de eerste grote bijeenkomst die aan de kinderen was gewijd? Door met hen te beginnen hebben we in zekere zin aan Christus’ oproep gehoor gegeven: “Laat die kinderen bij Me komen” (Mc 10,14). Misschien betekende het meer nog, dat we deden wat Hij deed toen Hij midden onder de leerlingen een kind plaatste en het maakte tot het eigen symbool van de houding die van ons gevraagd wordt om het Koninkrijk van God binnen te gaan (vgl. Mt 18,2-4).

Het was zo in zekere zin in het spoor van de kinderen dat de meest uiteenlopende groepen van volwassenen naar Rome zijn gekomen om de in het Jubeljaar werkzame genade van God af te smeken: bejaarden, zieken, gehandicapten, fabrieks- en landarbeiders, sportlieden, kunstenaars, hoogleraren, bisschoppen en priesters, kloosterlingen, politici en journalisten, militairen die kwamen bevestigen dat de zin van hun dienst in het leger was de vrede te dienen.

Een van de belangrijkste evenementen was de bijeenkomst van de arbeiders op 1 mei, de traditionele dag van de arbeid. Ik vroeg hun Jozef en Jezus zelf na te volgen en zo de spiritualiteit van de arbeid te beleven. Van deze Jubileumbijeenkomst maakte ik gebruik om een krachtige oproep te doen tot verbetering van de economische en maatschappelijke wanverhoudingen in de wereld van de arbeid, en tot het vastberaden streven om bij het proces van economische globalisering de noodzakelijke aandacht te besteden aan de solidariteit en de eerbied waarop iedere mens recht heeft.

Met hun ontembare levenslust waren de kinderen opnieuw aanwezig bij het Jubileum van de gezinnen waarbij ik hen aan de wereld voorhield als “de lente van gezin en samenleving”. Het was een indrukwekkende bijeenkomst: talloze uit alle delen van de wereld afkomstige gezinnen waren bijeengekomen om nieuw enthousiasme te putten uit het licht dat Christus laat schijnen over Gods oorspronkelijke bedoeling met hen (vgl. Mc 10,6-8; Mt 19,4-6); ze namen op zich dat licht uit te dragen in een cultuur die steeds beangstigender het zicht dreigt te verliezen op de eigen betekenis van huwelijk en gezin als instituut.

Een van de aangrijpendste momenten was voor mij de bijeenkomst met de gevangenen in Regina Coeli. In hun ogen zag ik pijn, maar ook berouw en hoop. Op speciale wijze was het Jubileum voor hen een ‘jaar van barmhartigheid’.

In de laatste dagen van het jaar, tot slot, was er de sympathieke ontmoeting met de theater- en filmwereld, die zo een grote invloed heeft op de mensen. Ik wees alle daarbij betrokkenen erop dat zij niet alleen voor prettige ontspanning moesten zorgen maar ook een positieve en moreel gezonde boodschap dienden te bieden die vertrouwen en liefde voor het leven kan wekken.


Het Internationaal Eucharistisch Congres
11. In de geest van het Jubileum zou het Internationaal Eucharistisch Congres bijzonder belangrijk zijn. En dat was ook zo! De eucharistie is het onder ons tegenwoordig gestelde offer van Christus; zou dan de werkelijke aanwezigheid van Christus niet centraal staan in het Heilig Jaar dat gewijd was aan de Menswording in de wereld? Juist om die reden was het de bedoeling dat het jaar een “intens eucharistisch karakter” zou hebben,6 en zo hebben we het ook trachten te beleven. En zou, naast de gedachtenis aan de geboorte van de Zoon, de gedachtenis mogen ontbreken aan de Moeder? Maria was in de Jubileumviering niet alleen aanwezig als onderwerp van bespreking in zeer diepzinnige academische bijeenkomsten, maar bovenal in de grote Akte van Toewijding waarmee ik, in tegenwoordigheid van een groot deel van het wereldepiscopaat, aan haar moederlijke zorg het leven toevertrouwde van de mannen en vrouwen in het nieuwe millennium.
De oecumenische dimensie
12. U zult begrijpen dat ik spontaan meer geneigd ben vanuit het perspectief van de Stoel van Petrus te spreken over het Jubileumjaar. Toch vergeet ik niet dat ikzelf wilde dat het Jubileum ook in de particuliere Kerken gevierd zou worden, en het was daar dat de meerderheid van de gelovigen de speciale genaden van dit Jubileumjaar en in het bijzonder de ermee verbonden aflaat kon verdienen. Toch was het opmerkelijk dat veel diocesen ook hier in Rome met grote groepen gelovigen aanwezig wilden zijn. De Eeuwige Stad heeft zo opnieuw getoond dat zij door de Voorzienigheid bestemd is de plaats te zijn waar de rijkdommen en gaven van iedere afzonderlijke kerk, ja van iedere afzonderlijke natie en cultuur, in ‘catholiciteit’ samenklinken, zodat de éne Kerk van Christus steeds duidelijker haar geheim kan tonen als “sacrament van de eenheid”.7

Ik had ook gevraagd dat in het programma van het Jubileumjaar speciale aandacht zou worden besteed aan het oecumenisch aspect. Zou er wel een meer geschikte gelegenheid zijn om de vooruitgang te stimuleren op het pad naar de volledige communio dan de gezamenlijke viering van Christus’ geboorte? Met dit voor ogen werd veel werk verzet, en een van de hoogtepunten was de oecumenische samenkomst in de basiliek van de heilige Paulus op 18 januari 2000, toen voor het eerst in de geschiedenis de Heilige Deur gezamenlijk werd geopend door Petrus’ opvolger, door de anglicaanse primaat en door een metropoliet van het oecumenisch patriarchaat van Constantinopel, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van kerken en kerkelijke gemeenschappen uit de gehele wereld. Er waren ook andere belangrijke ontmoetingen met orthodoxe patriarchen en leiders van andere christelijke belijdenissen. Ik herinner met name aan het recente bezoek van zijne heiligheid Karekin II, opperste patriarch en Catholicos van alle Armeniërs. Bovendien namen zeer veel leden van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen deel aan verschillende soorten Jubileumbijeenkomsten. De weg naar de oecumene is ongetwijfeld nog moeilijk en zal misschien nog veel tijd vragen, maar we blijven bezield door de hoop dat wij geleid worden door de aanwezigheid van Hem die Verrezen is en door de onuitputtelijke kracht van zijn Geest die tot steeds nieuwe verrassingen in staat is.


Bedevaart naar het Heilige Land
13. En zou ik niet terugdenken aan mijn persoonlijk Jubileum langs de wegen van het Heilig Land? Ik zou deze tocht graag hebben willen beginnen in Ur van de Chaldeeën om als het ware concreet in de voetstappen te treden van Abraham “onze vader in het geloof” (vgl. Rom 4,11-16). Ik moest echter genoegen nemen met een pelgrimstocht in de geest, bij gelegenheid van de indringende Liturgie van het Woord die op 23 februa-ri gevierd werd in de Paulus VI Audience Hall. De eigenlijke pelgrimstocht begon bijna meteen daarna; ik volgde daarbij de etappes van de heilsgeschiedenis. Zo mocht ik tot mijn vreugde de berg Sinaï bezoeken waar de Tien Geboden van het Eerste Verbond werden geschonken. Een maand later ging ik opnieuw op weg, bereikte de berg Nebo en bezocht daarna de door de Verlosser bewoonde en geheiligde plaatsen. Ik kan moeilijk beschrijven hoe geroerd ik was Betlehem en Nazaret te mogen bezoeken, de plaatsen waar Hij werd geboren en opgroeide, de eucharistie te kunnen vieren in de Bovenzaal, de plaats zelf waar deze werd ingesteld, opnieuw te mediteren over het geheim van het kruis op Golgota, waar Hij zijn leven voor ons gaf. Op deze roerige en kortgeleden nog door geweld geteisterde plaatsen werd ik bijzonder hartelijk welkom geheten, niet alleen door leden van de Kerk, maar ook door de gemeenschappen van Israëli’s en Palestijnen. Groot was ook mijn ontroering toen ik bad bij de Klaagmuur en een bezoek bracht aan het mausoleum Yad Vashem, een huiveringwekkende gedachtenis aan de slachtoffers uit de vernietigingskampen van de nazi’s. Mijn pelgrimstocht was een moment van broederschap en vrede, en graag denk ik eraan terug als een van de mooiste gaven van het gehele Jubileumgebeuren. Als ik denk aan de sfeer van die dagen kan ik alleen maar zeggen hoe intens ik verlang naar een snelle en rechtvaardige oplossing voor de nog onopgeloste problemen betreffende de heilige plaatsen die joden, christenen en moslims even dierbaar zijn.
Internationale schuld
14. Het Jubileum was ook – en het kon ook niet anders – een groots gebeuren van naastenliefde. Reeds in de jaren van voorbereiding had ik opgeroepen tot een groter en doortastender aandacht voor de problemen van de armoede waaronder de wereld nog steeds gebukt gaat. In verband hiermee kreeg het vraagstuk van de internationale schulden van arme landen een bijzondere betekenis. Een edelmoedig gebaar naar deze landen was geheel volgens de geest van het Jubileum; in de oorspronkelijke bijbelse opzet was het Jubeljaar immers juist de tijd waarin de gemeenschap zich verplichtte tot het herstellen van gerechtigheid en solidariteit in de onderlinge betrekkingen tussen de mensen, en ook tot teruggave van hetgeen aan anderen had toebehoord. Tot mijn vreugde heb ik gezien dat onlangs in vele krediet verlenende staten het parlement besloten heeft de vorderingen op de armste en het meest onder schulden gebukt gaande landen aanzienlijk te verminderen. Ik hoop dat de betreffende regeringen deze parlementaire beslissingen spoedig ten uitvoer zullen leggen. Een groter probleem is de kwestie gebleken van de multilaterale schulden die arme landen hebben bij internationale financiële organisaties. Het is te hopen dat de lidstaten van deze organisaties, met name de meest invloedrijke, tot de noodzakelijke overeenstemming zullen weten te komen zodat men een snelle oplossing kan bereiken voor dit vraagstuk waarvan de vooruitgang van vele landen afhankelijk is, en dat ernstige gevolgen heeft voor de economie en de leefomstandigheden van zo talrijke volken.



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina