Nr. 3 december 2000



Dovnload 429.36 Kb.
Pagina1/2
Datum22.12.2017
Grootte429.36 Kb.
  1   2


H

et Ringersbulletin

Nieuwsbrief voor Ringers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen





Nr. 3 december 2000



Verantwoordelijke uitgever: Walter Roggeman, KBIN, Vautierstraat 29, 1000 Brussel

Redacteurs:

Lyndon Kearsley, Kloetstraat 48, B-9120 Melsele

kearsley@village.uunet.be

Georges Robert

Chaussée de Marche, 352

B-5100 Jambes 081/301367



grobert@belgacom.net





De homologatieprocedure bij vangsten van zeldzame vogelsoorten
Gunter De Smet (KBIN)
Wat is het nut van homologatie ?
De documentatie en de opvolging van de status van schaars voorkomende soorten en dwaalgasten is onlosmakelijk verbonden met de studie van de avifauna van elke regio.
Gegevens over zeldzame soorten zijn niet noodzakelijk ecologisch onbeduidend, denk maar aan invasies, de uitbreiding of inkrimping van broedarealen, wijzigingen in trekroutes of de verlegging van overwinteringsgebieden. De laatste decennia wordt ook de invloed van de mens op vogelpopulaties steeds ingrijpender, zodat waakzaamheid geboden is.
Zeldzaamheid kan een stadium zijn in de cyclus van een soort. Sommige soorten die we tegenwoordig als gewoon beschouwen, waren ooit zeldzaamheden. Het verhaal van de eerste Turkse Tortel Streptopelia decaocto voor België in een kippenhok te Molenbeersel in 1952 is bekend. Minder bekend is misschien dat de Grote Lijster Turdus viscivorus tijdens de eerste helft van de 19e eeuw niet tot de Belgische broedvogels gerekend werd. Een broedgeval in 1849 in Antwerpen werd destijds als zeer uitzonderlijk beschouwd.
Dankzij nieuwe vangsttechnieken en systematisch ringwerk worden steeds meer vogels geringd. Hierdoor verhoogt de kans op de vangst van een zeldzame soort. Bovendien is de kennis van de ringers erop vooruitgegaan, en zijn er steeds meer en betere determinatiewerken beschikbaar. Hierdoor is ook de opmerkzaamheid van de ringers vergroot.
De wetgeving inzake natuurbehoud is gebaseerd op “officiële” lijsten. Het is dus van groot belang dat deze gestandaardiseerd, wetenschappelijk betrouwbaar en compleet zijn. De beslissingen van homologatiecommissies hebben ook een impact op de beschermingsstatus van sommige soorten.
Een homologatiecommissie is een filter, die op basis van documentatie en volgens een internationaal overeengekomen standaardmethode oordeelt of een gegeven voldoende gedocumenteerd is om in de vakliteratuur geciteerd te worden. De standaardmethode verhoogt de vergelijkbaarheid van gegevens op internationaal vlak.
De werking van beide zeldzaamhedencommissies in België
In België zijn er twee zeldzaamhedencommissies : de Commission d’Homologation (CH) en het Belgisch Avifaunistisch Homologatiecomité (BAHC). Geografisch hebben deze commissies hetzelfde werkingsgebied : heel België. De taal waarin een formulier werd opgesteld bepaalt door welke commissie de documentatie behandeld wordt. Franstalige homologatieformulieren worden bij voorkeur naar de CH gestuurd, Nederlandstalige naar het BAHC. Als een Franstalig ringer een zeldzame soort vangt in Vlaanderen, kan hij in de eerste plaats bij de CH terecht, waar men hem in het Frans te woord zal staan. Er is een nauwe samenwerking en een vlotte uitwisseling van gegevens tussen beide commissies.
Bij meer dan twee tegenstemmen kan een geval niet aanvaard worden. Bij zeldzame soorten is dit zinvol. Als een soort slechts drie keer in België is waargenomen, betekent één ten onrechte aanvaard geval immers dat 33 % van de gegevens verkeerd zijn. Op Europees vlak - gegevens over zeldzame soorten krijgen pas betekenis in een ruimere context - kunnen dergelijke onnauwkeurigheden het ware voorkomen van een soort vertekenen.
Het BAHC is ook een documentatiecentrum waar Belgische avifaunistische gegevens up-to-date gehouden worden.
Ringwerk en homologatie
Het invullen van een BAHC-formulier voor elke gevangen beoordeelsoort behoort tot de administratieve taken van elke ernstige ringer sinds het BAHC in 1967 vanuit het KBIN werd opgericht.
Als een zeldzame vogel geringd wordt, is de kans op een terugmelding gering. De nadruk ligt dan ook eerder bij het gegeven op zich. Het is onverantwoord om een zeldzame soort van een ring te voorzien, en het gegeven verloren te laten gaan door het niet te documenteren bij het BAHC.
Een zeldzame vangst kan voor menig ringer gelijkgesteld worden aan het zout op de patatten. Het is een welkome afwisseling, een van de vele aspecten die bijdragen tot het plezier van het ringen. Door een zeldzame vangst te documenteren leveren ringers een avifaunistische bijdrage.
Voorkomen en verspreiding :

Een aantal soorten wordt aanzienlijk meer waargenomen in de hand, dan in het veld. De eerste Sperwergrasmus Sylvia nisoria in België werd pas opgemerkt in 1964 door ringers. De statuswijziging van Waterrietzanger Acrocephalus paludicola is eveneens aan ringers te danken : toen nachtvangsten vanaf 1987 opkwamen, steeg het aantal ringvangsten spectaculair, tot maximaal 287 exemplaren in 1990. Ringers voegen nog regelmatig nieuwe soorten toe aan onze avifauna. Zo werd in 1999 een Brilgrasmus Sylvia conspicillata geringd in Limburg (aanvaard door het BAHC). Bovendien zijn de 400 Belgische ringers vrijwel over het hele land verspreid. Hun waarnemingsdruk is dus veel homogener dan die van veldwaarnemers, die hun inspanningen meer concentreren op een aantal plaatsen langs de kust.


Gegevens die eigen zijn aan het ringwerk :

Nauwkeurige studie van een vogel in de hand kan een aantal gegevens opleveren die bij veldwaarnemingen niet verzameld kunnen worden, zoals gewicht, ruiscore, vleugeldiagram, morphometrie, … Zo kunnen ervaren ringers op basis van hun aantekeningen een beter inzicht geven in leeftijds- en geslachtsverhoudingen van soorten.


Meerdere zeldzame Phylloscopus-soorten kunnen bijvoorbeeld op basis van biometrie op geslacht gebracht worden. De doortrek van Roodsterblauwborst Luscinia svecica svecica is nog steeds onvoldoende onderzocht in België, en een minutieuze biometrische studie van Blauwborsten op doortrek zou de status van Roodsterblauwborst wellicht ophelderen. Als geslacht en leeftijd bekend zijn, kunnen de allergrootste exemplaren (ook in het najaar) in de hand onderscheiden worden. Dit geldt ook voor het voorkomen van IJslandse Grutto’s Limosa limosa islandica in niet-broedkleed (snavel korter dan 84 mm bij mannetjes of 101 mm bij vrouwtjes, of tarsus korter dan 71 mm bij mannetjes of 101 mm bij vrouwtjes). Het is nog steeds niet geweten tot welke ondersoort(en) Veldrietzangers Acrocephalus agricola in België behoren ( septima of capistrata ? ). Hiervoor zijn volledige vleugeldiagrammen en gestandaardiseerde kleurbeschrijvingen wenselijk. Misschien kan hier uitzonderlijk ook een bloedstaaltje of een veertje helpen : deze ondersoorten verschillen immers genetisch sterk en zijn mogelijk cryptische soorten.
Wees steeds bedacht als u een vogel met een buitenlandse ring in de hand heeft. Kijk eens na of in het land waar de vogel geringd werd, geen ondersoort voorkomt die zelden of nooit in België vastgesteld wordt. Ondermeer de Britse Eilanden huisvesten meerdere moeilijk herkenbare ondersoorten. Er zijn op basis van ringterugmeldingen aanwijzingen dat die ondersoorten hier af en toe voorkomen. Wie het geluk heeft een Roodborst, Staartmees of een Goudvink met een Britse ring te vangen, kan beter de ondersoortbeschrijvingen in A Guide to European Passerines (Svensson,1992) raadplegen of standaardwerken consulteren. Misschien gaat het wel om een nieuwe ondersoort voor België (Erithacus rubecula melophilus, Aegithalos caudatus rosaceus, Pyrrhula pyrrhula pileata) .
Historische gegevens en archivering :

Hoewel er reeds veel geweten is over vogels, mag onze huidige kennis zeker niet als een eindpunt gezien worden. Degelijk gedocumenteerde gevallen kunnen iets leren over het voorkomen en areaalwijzigingen van bepaalde (onder)soorten. Kwam de Pontische Meeuw Larus cachinnans cachinnans ook vroeger in België voor, of is het werkelijk een nieuwkomer ? Het antwoord ligt mogelijk in foto’s door meeuwenringers. Het vermoeden is groot dat Pontische Meeuwen ook vroeger voorkwamen, maar bewijsfoto’s blijven vooralsnog uit. Op basis van een aantal goed gedocumenteerde vangsten van “Bladkoningen” is achteraf aan het licht gekomen dat het af en toe Humes Bladkoningen Phylloscopus inornatus humei betrof. Onderzoek van ringformulieren in het BAHC-archief wees uit dat Taigavliegenvanger Ficedula parva albicilla (de “kleine vliegenvangers” die vanaf het Oeralgebergte oostwaarts broeden) niet voorkomt tussen de goed gedocumenteerde Kleine Vliegenvangers Ficedula parva; ook konden geen Balkanbergfluiters Phylloscopus bonelli orientalis (de “bergfluiters” uit het oostelijke Middellandse Zee-gebied) tussen de Bergfluiters Phylloscopus b. bonelli ontdekt worden.



Enkele tips bij het opstellen van een homologatierapport
Het BAHC vraagt om ten minste de vier basismaten van een beoordeelsoort te nemen: snavel (tot best meetbare punt), vleugel, tarsus en staart.
Het BAHC ontvangt nogal wat formulieren, waarop één of meer van deze maten ontbreken.
Als de conditie van de vogel het toelaat kan de rest van de biometrie volgen, naast een beschrijving van verenkleed en naakte delen. Hiervoor kunt u het best de aanwijzingen op het homologatieformulier volgen. Het BAHC stelt het op prijs om zo volledig mogelijk ingevulde homologatieformulieren te ontvangen. Enkel dan kan op lange termijn zinvolle informatie over schaarse soorten verzameld worden, en kunnen overzichtstabellen samengesteld worden met biometrische gegevens van in België geringde schaarse soorten. Met Svensson (1992) op de ringplaats kunnen essentiële kenmerken voor bepaalde soorten systematisch en vlot overlopen worden. De determinatierichtlijnen onder het hoofdstuk “species” maken in de meeste gevallen een sluitende determinatie mogelijk.
Daarna kunnen enkele goede foto’s genomen worden, waardoor de “handling time” beperkt blijft, wat dan weer in het belang van de vogel is. Wie zelf niet over een fototoestel beschikt of geen begenadigd fotograaf is, kan een beoordeelsoort door een collega-ringer of een kennis laten fotograferen. Fotografie heeft de objectiviteit van documentatie verhoogd, en de drempel om documentatie in te dienen verlaagd.
BAHC-rapporten voor ringvangsten worden verwacht bij Walter Roggeman, Ringdienst, K.B.I.N., Vautierstraat 29, B-1000 Brussel,
Een kopie kan eventueel naar het BAHC-secretariaat p/a Marnix Vandegehuchte, Willem de Zwijgerstraat 8, B-8020 Oostkamp bahc@yucom.be (of marnix.vandegehuchte@yucom.be) gestuurd worden.
Een BAHC-formulieren is hier bijgesloten. Kopieën kunnen aangevraagd worden bij de ringdienst of het BAHC-secretariaat. Het is ook mogelijk om formulieren via internet in te vullen en door te mailen of formulieren te downloaden via de website van het BAHC: http://www.birding.yucom.be/bahc/index.htm (of http://bahc.mypage.org). Het is aanbevolen om langere beschrijvingen in attachment door te mailen. Ook via de Wielewaal-vogellijn 03 4880194 kunnen BAHC-formulieren aangevraagd worden. Er zal ook voor gezorgd worden dat BAHC-formulieren op de jaarlijkse ringersvergadering te verkrijgen zijn.

Welke soorten/ondersoorten zijn aan homologatie onderworpen ?
Het BAHC verzamelt gegevens over de meeste soorten/ondersoorten waarvan de afgelopen 200 jaar minder dan 1000 exemplaren zijn gemeld. Voor soorten waarvan minder dan 100 exemplaren zijn gemeld is in ieder geval documentatie vereist. Een aantal soorten waarvan meer dan 100 exemplaren werden vastgesteld, wordt nog opgevolgd, bijvoorbeeld omdat er determinatieproblemen blijven, of om het overzicht op de totaliteit van de gegevens niet te verliezen. Het aantal exemplaren op zich is een onvoldoende basis om een soort van de homologatielijst te halen. Zo bereikten ons tijdens invasiejaren in de 19e eeuw een paar honderd Steppehoenders Syrrhaptes paradoxus, wat zelfs tot broedpogingen heeft geleid. In de 20e eeuw werd deze soort een extreme zeldzaamheid. Het BAHC onderzoekt ook alle nieuwe (onder)soorten voor België. Recent heeft het BAHC beslist om ook alle nieuwe broedvogelsoorten voor België te onderzoeken : een eerste broedgeval weegt avifaunistisch zwaarder dan een eerste melding, en verdient dan ook onderzocht te worden. Op Europees vlak worden nieuwe broedvogelsoorten voor een land helaas niet systematisch onderzocht, wat een al te variabele kwaliteit en betrouwbaarheid van literatuurgegevens tot gevolg heeft.
Exoten

Het BAHC registreert ook het voorkomen van exoten. Beschrijvingen zijn niet noodzakelijk. Het gaat hier niet om exoten die reeds een zelfstandige broedpopulatie opgebouwd hebben, maar wel om de overige soorten. Zo werden dit voorjaar in Jette 9 nesten van Alexanderparkiet Psittacula eupatria gevonden. Het is gebleken dat sommige vogelsoorten waarvan aanvankelijk slechts enkele ontsnapte exemplaren in de vrije natuur werden waargenomen, zich uiteindelijk bij ons vestigden. Het is niet altijd vooraf voorspelbaar welke soorten hierin zullen slagen. Om wijzigingen in de status van exoten op te volgen, houden de Europese zeldzaamhedencommissies lijsten bij van alle exoten die in de vrije natuur werden waargenomen. Zo wenst het BAHC ook de invloed van de vogelhandel op onze avifauna te onderzoeken. Bovendien kunnen patronen van ontsnapte vogelsoorten vergeleken worden met die van mogelijke dwaalgasten, om zo een beter gefundeerde uitspraak over de herkomst van vermeende dwaalgasten te kunnen doen. Ook gegevens over ontsnapte Kanaries kunnen een beter inzicht geven in typische ontsnappingspatronen versus dwaalgastpatronen. Wie een ontsnapte soort vangt, kan dit altijd melden aan het BAHC. Mocht u niet weten om welke exoot het gaat, wil het BAHC dit graag voor u opzoeken. Een volledige lijst met alle gekende exoten die tot nu bij ons in de vrije natuur zijn vastgesteld, bevindt zich op onze website. Toevoegingen zijn welkom!


Afwijkende exemplaren van gewone soorten, kleurafwijkingen en hybriden

Wie bijzondere exemplaren van gewone soorten vangt, die kunnen bijdragen tot een betere determinatiekennis van een soort, mag ook altijd gegevens aan het BAHC verstrekken (bijvoorbeeld een Tjiftjaf Phylloscopus collybita die zo geel is als een Fitis P. trochilus, een kruising Ringmus x Huismus Passer montanus x P domesticus, een Graspieper Anthus pratensis met meerdere kenmerken van Roodkeelpieper A. cervinus, een Kruisbek Loxia curvirostra met lichte vleugelstrepen, ...)


Gunter De Smet (voorzitter BAHC) Edmond Blockstraat 9, B-9050 Gentbrugge, België
Homologatiecategorieën
I Te homologeren in heel België.

II Enkel te homologeren in Wallonië

III Enkel vangsten en vondsten worden onderzocht/

IV Enkel te homologeren buiten het gekende broedgebied/

V Enkel ten oosten van de Maasvallei te homologeren/
OPGELET : Dit is een sterk verkorte lijst met beoordeeltaxa, speciaal opgesteld voor ringers. De volledige lijst met beoordeeltaxa treft u aan op de website van het BAHC. Deze verkorte lijst bevat in de eerste plaats zeldzame taxa die meer kans maken dan andere om geringd te worden. Gelieve bij twijfel de volledige lijst te consulteren. Nieuwe soorten voor België en nieuwe broedvogelsoorten zijn altijd aan homologatie onderworpen.
IV Grijskopspecht Picus canus

III Noordse Grote Bonte Specht Dendrocopos major pinetorum

IV Middelste Bonte Specht Dendrocopos medius

I Kalanderleeuwerik Melanocorypha calandra

I Kortteenleeuwerik Calandrella brachydactyla

II Strandleeuwerik Eremophila alpestris

I Roodstuitzwaluw Hirundo daurica

I Grote Pieper Anthus richardi

I Mongoolse Pieper Anthus godlewskii

I Siberische Boompieper Anthus hodgsoni

I Roodkeelpieper Anthus cervinus

II Oeverpieper Anthus spinoletta petrosus

V Engelse Kwikstaart Motacilla flava flavissima

I Balkankwikstaart Motacilla flava feldegg

I Citroenkwikstaart Motacilla citreola

V Rouwkwikstaart Motacilla alba yarrellii

I Waterspreeuw Cinclus cinclus aquaticus

IV Cinclus cinclus cinclus

I Alpenheggenmus Prunella collaris

I Noordse Nachtegaal Luscinia luscinia

I Roodsterblauwborst Luscinia svecica svecica

I Oostelijke Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros phoenicuroides

I Aziatische Roodborsttapuit Saxicola torquata maura

I Goudlijster Zoothera aurea

I Siberische Lijster Zoothera sibirica

I Vale Lijster Turdus obscurus

I Naumanns Lijster Turdus naumanni naumanni

I Bruine Lijster Turdus naumanni eunomus

I Zwartkeellijster Turdus ruficollis atrogularis

III Ijslandse Koperwiek Turdus iliacus coburni

I Roodborstlijster Turdus migratorius

I Graszanger Cisticola juncidis

I Siberische Sprinkhaanzanger Locustella certhiola

I Kleine Sprinkhaanzanger Locustella lanceolata

I Krekelzanger Locustella fluviatilis

IV Orpheusspotvogel Hippolais polyglotta

I Veldrietzanger Acrocephalus agricola

I Struikrietzanger Acrocephalus dumetorum

II Waterrietzanger Acrocephalus paludicola

I Kleine Spotvogel Hippolais caligata

I Sardijnse Grasmus Sylvia sarda

I Provençaalse Grasmus Sylvia undata

I Brilgrasmus Sylvia conspicillata

I Baardgrasmus Sylvia cantillans

I Kleine Zwartkop Sylvia melanocephala

I Orpheusgrasmus Sylvia hortensis

I Sperwergrasmus Sylvia nisoria

I Grauwe Fitis Phylloscopus trochiloides

I Noordse Boszanger Phylloscopus borealis

I Pallas' Boszanger Phylloscopus proregulus

II Bladkoning Phylloscopus inornatus

I Humes Bladkoning Phylloscopus inornatus humei

I Raddes Boszanger Phylloscopus schwarzi

I Bruine Boszanger Phylloscopus fuscatus

I Bergfluiter Phylloscopus bonelli bonelli

I Balkanbergfluiter Phylloscopus bonelli orientalis

I Iberische Tjiftjaf Phylloscopus collybita brehmii

III Siberische Tjiftjaf Phylloscopus collybita tristis

I Kleine Vliegenvanger Ficedula parva

I Withalsvliegenvanger Ficedula albicollis

I Taigaboomkruiper Certhia familiaris familiaris

IV Kortsnavelboomkruiper Certhia familiaris macrodactyla

I Kleine Klapekster Lanius minor

I Bleke Klapekster Lanius excubitor homeyeri

I Siberische Klapekster Lanius excubitor sibiricus

I Steppeklapekster Lanius excubitor pallidirostris

I Roodkopklauwier Lanius senator

IV Notenkraker Nucifraga caryocatactes caryocatactes

III Nucifraga.caryocatactes macrorhynchos

I Roze Spreeuw Sturnus roseus

I Rotsmus Petronia petronia

I Citroenkanarie Serinus citrinella

III Groenlandse Barmsijs Carduelis flammea rostrata

I Witstuitbarmsijs Carduelis hornemanni

I Witbandkruisbek Loxia leucoptera

I Grote Kruisbek Loxia pytyopsittacus

I Roodmus Carpodacus erythrinus

V Ijsgors Calcarius lapponicus

I Witkopgors Emberiza leucocephalos

I Cirlgors Emberiza cirlus

I Grijze Gors Emberiza cia

I Bosgors Emberiza rustica

I Dwerggors Emberiza pusilla

Criteria om een pullus te determineren


Didier Vangeluwe (KBIN)

Het feit dat een vogel als pullus wordt geringd, geeft belangrijke informatie. Het bewijst namelijk dat de soort in het betrokken gebied broedt en dat de geringde vogel ter plaatse geboren is. Bij een latere terugmelding kent men exact de leeftijd van de vogel, men weet vanwaar hij afkomstig is en men beschikt over gegevens over de jaarcyclus van een populatie van gekende herkomst. M.a.w. deze informatie is van bijzonder belang.


In de structuur van de ringgegevens van het KBIN, is de eenheid waarmee gewerkt wordt, een administratieve eenheid: deze van de gemeente vóór de fusie van 1976. Naast het ringen van nestjongen sensu stricto (b.v. in een nestkast), kan de term pullus echter ook in andere gevallen gebruikt worden, zelfs als de betrokken vogel zich niet meer in het nest bevindt: als de handpennen of staartpennen nog niet volledig volgroeid zijn. Het is dan inderdaad duidelijk dat de jonge vogel in de onmiddellijke omgeving, en dus op het grondgebied van de betreffende gemeente, geboren is.
Als er dus nog schachten zichtbaar zijn aan de basis van de handpennen of staartpennen van een jonge merel of heggemus die u in een mistnet vangt, kunnen deze vogels als pullus worden ingeschreven. Ook de jongen van een familie Canadese ganzen die reeds volledig in de veren zitten maar waarvan de handpennen nog niet volledig uitgegroeid zijn, worden als pullus genoteerd.
Natuurlijk betekent dit niet dat alle juveniele vogels die vroeg in het broedseizoen worden gevangen, als pullus kunnen beschouwd worden. Het groeistadium van de pennen dient nauwkeurig nagegaan te worden en natuurlijk is elke verwarring met ruiende adulten uit te sluiten. Vergeet ook niet dat alle eenden, waterhoenders, enz. hun pennen tegelijk ruien op het einde van de broedtijd. Hier helpen uiteraard de kenmerken van het juveniel kleed.




  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina