Nr fam naam (na ps.) voorn van geb jr overl j



Dovnload 126.81 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte126.81 Kb.
A
nr fam.naam (na ps.) voorn. van geb.jr. overl.jr. 1954

1 aafjes bertus 1914 1993 40

2 besten ad den 1923 31

3 bourbon louis de 1908 1975 46

4 brabander (jofriet) gerard den 1900 1968 54

5 campert remco 1929 25

6 donker (donkersloot) anthonie 1902 1965 52

7 duinkerken anton van 1903 1968 51

8 elburg jan 1919 1992 35

9 elemans jan 1924 30

10 elsschot willem 1882 1960 72

11 engelman jan 1900 1972 54

12 hattum jac. van 1900 1981 54

13 hoornik ed 1910 1970 44

14 kemp mathias 1890 1964 64

15 kemp pierre 1886 1967 68

16 laurey harriët 1924 2004 30

17 leopold (kloostra) martin 1908 2001 46

18 minderaa p. 1893 1968 61

19 plas (brinkel) michel van der 1927 27

20 roland-holst adriaan 1888 1976 66

21 schreurs jaques 1893 1966 61

22 verhoeven bernard 1897 1965 57

23 verhoeven nicolaas 1925 1974 29

24 voeten bert 1918 1992 36

25 [zonder naam]



uteurs van de Sinterklaas-gedichten

in De Tijd van (4 of 6) december 1954

De auteurslijst is alfabetisch geordend op familienaam (resp. pseudoniem, gevolgd door de familienaam). In de laatste kolom staat de leeftijd die werd bereikt in 1954.
De rest van dit Word-bestand bevat gegevens over deze auteurs, in dezelfde volgorde, ontleend aan het internet, m.n. Wikepedia. Een klik op een hyperlink brengt u ter plekke.

De secties zijn, zoals hierboven, genummerd per auteur (b.v. 01-aafjes). Dan volgt een internet-adres en daaronder hetgeen aan die plaats werd ontleend (wat meestal slechts een deel is van hetgeen daar te vinden is). De opmaak is niet strikt, maar de vindplaatsen zijn een rijke bron van informatie.
Dit is gewoon een document voor eigen gebruik, en geen publicatie op het internet, en alle bronnen zijn vermeld, zodat dit niet in strijd is met de regels van het copyright. Dat het hier staat als Word-bestand en niet als pdf-bestand is omdat in de eerste vorm de hyperlinks gebruikt kunnen worden.
27 november 2007



01—aafjes

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bertus_Aafjes


Bertus Aafjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Lambertus Jacobus Johannes (Bertus) Aafjes pseudoniem Jan Oranje (Amsterdam, 12 mei 1914Swolgen, 22 april 1993), Nederlands schrijver en dichter.

Aafjes begon eerst aan een priesteropleiding, studeerde daarna een tijdje archeologie in Rome en wijdde zich daarna aan literair en journalistiek werk. Hij debuteerde in 1940 als dichter met "Het gevecht met de muze".

In 1946 schreef hij Een voetreis naar Rome, een romantisch-poëtisch reisverslag, waarmee hij nationale bekendheid verwierf. In 1953 verscheen De karavaan, voorlopig zijn laatste dichtbundel, omdat het literaire klimaat onder invloed van de Vijftigers inmiddels erg was veranderd en Aafjes zich daartegen hevig verzette, wat tot een ernstig conflict leidde.

Hierna legde hij zich toe op reisbeschrijvingen, voornamelijk van de Middellandse Zeegebied. Onder andere schreef hij Capricio Italiano, een autobiografisch verslag geschreven tijden zijn korte archeologische studie in Rome, en Goden en Eilanden. Hierin wordt een reis door Griekenland beschreven aan de hand van Homerus' Odyssee.

In 1980 verscheen toch nog een dichtbundel van zijn hand Deus sive natura, met erotische poëzie.


02—besten

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ad_den_Besten


Ad den Besten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Adriaan Cornelis (Ad) den Besten, (Utrecht, 11 maart 1923) is een Nederlands dichter, essayist en uitgever van poëzie. Hij is vooral bekend geworden als medewerker aan het Liedboek voor de Kerken en een nieuwe psalmberijming.

Zijn literaire debuut had Ad den Besten op 17-jarige leeftijd in het tijdschrift Opwaartsche Wegen (Uitgeverij Holland). Korte tijd studeerde hij theologie; in die tijd werd hij beïnvloed door de ideeën van de protestantse theoloog Karl Barth. Daarna studeerde hij Duits. Door zijn bloemlezing Deutsche Lyrik auf der anderen Seite speelde hij een belangijke rol in de acceptatie van de Oost-Duitse poëzie in het westen, vooral in de Bondsrepubliek. Ook was hij acquirerend redacteur van de Poëziereeks De Windroos, onder andere een springplank voor de vernieuwende Beweging van Vijftig in de Nederlandse poëzie.

Den Besten promoveerde in 1983 met een proefschrift over achtergrond en auteurschap van het Wilhelmus (Wilhelmus van Nassouwe: het gedicht en zijn dichter). In 1989 kreeg hij de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaling van gedichten van Friedrich Hölderlin (1988). Zijn bundel Poëzie om te zingen, met eigen liederen en vertalingen van (vooral Duitse) liederen, verscheen in 1998.


03—bourbon

http://nl.wikipedia.org/wiki/Louis_de_Bourbon_%28dichter%29


Louis de Bourbon (dichter)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Louis Jean Henri Charles Adelberth de Bourbon (Renkum, 27 december 1908Arnhem, 8 januari 1975) was een Nederlands dichter en prozaschrijver.

De Bourbon was een achterkleinzoon van de in 1845 te Delft overleden Franse troonpretendent Karl Wilhelm Naundorff, wiens nazaten onterecht zou later blijken gerechtigd waren de naam Bourbon te voeren.

Louis de Bourbon studeerde rechten te Nijmegen en behaalde daar in 1933 de meestertitel. Daarna was hij werkzaam in de journalistiek (o.a. in Nederlands Oost-Indië) en van 1938 tot 1943 was hij burgemeester van Oss; tijdens de Duitse bezetting was De Bourbon ook leider van verzetsgroepen. Na de Tweede Wereldoorlog wijdde hij zich vooral aan de letteren.

Door de Leuvense professor Jean-Jacques Cassiman werd aangetoond dat Naundorffs DNA niet verwant was met dat van de Bourbon familie. Aldus is Louis de Bourbon geen nazaat van Lodewijk XVI.




04—brabander

http://www.schrijversinfo.nl/brabanderdengerard.html
Pseudoniem(en): Gerard den Brabander is het pseudoniem van Jan Gerardus Jofriet. (Op zijn grafsteen staat niet zijn echte naam, maar zijn pseudoniem).

Voornaam: Gerard

Geboren: 03-07-1900

Te: Den Haag

Overleden: 04-02-1968

En nu terwijl de straat geen einde heeft.
En tussen stenen de muziek herleeft.
Staat onder een lantaarn de oude dichter
en zingt zijn lied.... en het wordt licht en lichter
(tekst grafsteen Gerard den Brabander)


05—campert

http://nl.wikipedia.org/wiki/Remco_Campert


Beknopte biografie


Zijn vader was de dichter Jan Campert, auteur van het beroemde gedicht Het lied der achttien doden. Zijn moeder is actrice Joeki Broedelet, onder andere bekend van de gastrollen die ze op latere leeftijd speelde bij Van Kooten en De Bie. Zij gaan uit elkaar als Campert 3 jaar is, waarna hij afwisselend bij een van hen en bij zijn grootouders woont tot hij in 1942 wordt ondergebracht bij een pleeggezin. Wanneer de wijk waarin ze wonen door de Duitsers wordt afgebroken, vertrekt het gezin naar Epe, waar Campert de Mulo bezoekt. Het is ook in Epe, waar hij in 1943 hoort dat zijn vader op 42-jarige leeftijd in het concentratiekamp Neuengamme is overleden. Na de oorlog gaat hij met zijn moeder in Amsterdam wonen en volgt het gymnasium aan het Amsterdams Lyceum. Hij verlaat de school voortijdig, nadat hij het besluit heeft genomen schrijver te worden.

In 1949 trouwt hij met Freddie Rutgers. Ze wonen enige tijd in Parijs. Terug in Nederland gaat Freddie Rutgers in 1954 samenwonen met Gerrit Kouwenaar en trouwt Campert met Fritzi ten Harmsen van der Beek. Hun woning in Blaricum wordt een ontmoetingsplek voor schrijvers en dichters.

In 1957 gaat het tweetal uit elkaar en keert Campert terug naar Amsterdam. Nadat hij in 1960 met Lucia van de Berg zijn eerste kind, dochter Emanuela krijgt, trouwt hij in 1961 met haar en krijgt in 1963 zijn tweede kind, dochter Cleo Campert. In 1964 verhuizen ze naar Antwerpen, waaruit hij in 1966 alleen terugkeert. Hier leert hij galeriehoudster Deborah Wolf kennen, met wie hij tot 1980 samenleeft.

Werk


Nadat Campert het lyceum verlaat voorziet hij de eerste jaren in zijn levensonderhoud met het schrijven van reclameteksten en vertalingen. In 1950 probeert hij in Parijs op straat zijn bundeltje Ten lessons with Timothy te slijten, gebaseerd op het gelijknamige album van Dizzy Gillespie (oplage 25 stuks).

Voorjaar 1950 richt hij met Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op. In juli van hetzelfde jaar wordt de redactie uitgebreid met Lucebert en Bert Schierbeek. Net als het door Simon Vinkenoog opgerichte blad Blurb fungeert Braak als platform voor experimentele dichters. Na het verschijnen van de bloemlezing Atonaal in 1951, onder redactie van Vinkenoog, worden de deelnemende dichters waaronder ook Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg en Hugo Claus, aangeduid als de Vijftigers. Hoewel ze zichzelf niet zozeer als groep zien en geen manifest of gelijke literatuuropvatting hebben, delen zij het verzet tegen de literaire traditie en het besef dat een nieuwe poëzie ontstaat. Campert is de minst experimentele dichter en geldt als 'de meest verstaanbare Vijftiger'.

Begonnen als dichter, begint hij in de jaren vijftig uit geldgebrek cursiefjes te schrijven voor tijdschriften als Podium, Vrij Nederland, Tirade en Het Parool. In de jaren zestig worden zijn verhalen steeds langer en publiceert hij ook romans. Zijn werk bevat veel autobiografische elementen en is vaak cynisch of ironisch. In de jaren zeventig voelt hij een fysieke afkeer tegen het schrijven en publiceert hij vrijwel niets nieuws. Er komt pas in 1979 een einde aan dit writer's block, hetzelfde jaar waarin hij de P.C. Hooftprijs krijgt voor zijn poëzie. In het juryrapport staat hierover: 'Het hele poëtische oeuvre van Remco Campert overziend, is de jury onder de indruk gekomen van de persoonlijke kroniek van de jaren 1950-1970 die erin is neergeschreven. De hachelijke en belachelijke feiten van deze levensperiode zijn door de dichter onvergetelijk geboekstaafd.'

Zijn prozawerk is bij een groot publiek populair, dankzij de grote toegankelijkheid van zijn werk. Met name Het leven is vurrukkulluk en Tjeempie! of Liesje in Luiletterland, een persiflage op de pornografische roman, waarin karikaturen van Nederlandse auteurs zijn verwerkt, komen veel voor op eindexamenlijsten van scholieren.

Zijn werk Het gangstermeisje wordt in 1966 verfilmd door Frans Weisz. In 1976 verschijnt de film Alle dagen feest, een vierluik geregisseerd door Ate de Jong, Otto Jongerius, Paul de Lussanet en Orlow Seunke, gebaseerd op de verhalen Alle dagen feest, Een ellendige nietsnut, Hoe ik mijn verjaardag vierde en Op reis.

Van 1989 tot 1995 leest Campert met Jan Mulder en Bart Chabot in theaters voor uit eigen werk. Bart Chabot doet mee tot en met 1991. Van 1996 tot 2006 schrijft Campert samen met Mulder een gezamenlijke column op de voorpagina van De Volkskrant, CaMu geheten, waaraan zij om beurten een bijdrage leveren.

zie ook: http://www.debezigebij.nl/boekboek/show/id=33896/dbid=8905/typeofpage=30185
zie ook: http://www.geocities.com/athens/ithaca/2249/campertremco.html

Achternaam: Campert

Voornaam: Remco

Doopnamen: Remco Wouter

Geboren: 28-07-1929

Te: Den Haag




06—donker

http://nl.wikipedia.org/wiki/Anthonie_Donker


Anthonie Donker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Anthonie Donker, pseudoniem van Nicolaas Anthonie Donkersloot (Rotterdam, 8 september 1902Amsterdam, 26 december 1965) was hoogleraar in de Nederlandse Taal- en Letterkunde te Amsterdam, dichter en essayist. In de oorlogsjaren schreef hij ook onder het pseudoniem Maarten de Rijk.

In 1930 richtte hij het tijdschrift Critisch Bulletin op. Na de oorlog was hij van 1946-1957 opnieuw redacteur van dat tijdschrift. Van zijn poëziebundels kunnen genoemd worden Acheron (1926), Gebroken licht (1934) en Tralievenster (1946); ze werden verzameld in De einder (1947). De essays Fausten en faunen (1930), De vrijheid van de dichter en de dichterlijke vrijheid (1948) en Ben ik mijn broeders hoeder? (1960) zijn bekend geworden. Hij bezocht Suriname en de Antilliaanse eilanden in 1955 op uitnodiging van de Sticusa om lezingen te houden. Zijn persoonlijke relaas van dat bezoek, Westwaarts (1956) bevat poëzie en proza van de twee landen die hij bezocht.





07—duinkerken

http://nl.wikipedia.org/wiki/Anton_van_Duinkerken


Anton van Duinkerken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs beter bekend onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken, (2 januari 1903, Bergen op Zoom - 27 juli 1968, Nijmegen) was een Nederlands dichter, essayist, redenaar en literair-historicus.

Brabander van inborst en Bourgondiër van levensstijl, verhuisde hij, na zich uit een priesteropleiding teruggetrokken te hebben, in 1929 naar Amsterdam, als redacteur van het dagblad De Tijd. Hij werd daar tevens de aanvoerder van de katholieke jongeren die zich verenigd hadden rond het letterkundig tijdschrift De Gemeenschap. Van Duinkerken werd in die tijd ook bekend door zijn pennestrijd met Menno ter Braak over geloof en rede, alsmede door zijn radicale afwijzing van het nationaal-socialisme ('Ballade van den katholiek'). Evenals Simon Vestdijk en andere vooraanstaande Nederlanders die door de Duitse bezetter wegens hun invloed als gevaarlijk werden beschouwd, was hij in 1942 bijna acht maanden geïnterneerd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Na de oorlog hervatte hij zijn letterkundige en journalistieke arbeid. Vanaf 1952 tot aan zijn dood was hij hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. De manier waarop Van Duinkerken zijn laatste ziekbed verdroeg heeft volgens Michel van der Plas ('In de kou') op velen die hem bezochten indruk gemaakt, deels door zijn mildheid en religieus gefundeerd optimisme, deels ook door de afschuwelijke pijn die hij welbewust doorstond, o.a. ten overstaan van Jan Engelman.

Van Duinkerkens poëzie heeft een traditionele vorm, een soms vertellende, soms betogende, altijd inhoudelijk gedachtenrijke zo niet overladen stijl, met daaronder een sterke, warme, soms wat melancholische gevoelstoon. Zijn proza, dikwijls essayistisch van aard, kenmerkt zich door een krachtige retorische stijl, een zekere breedvoerigheid en buitengewone eruditie.


08—elburg

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Elburg


Jan Elburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Joannes Gommert Elburg (Wemeldinge, 30 november 1919Amsterdam, 13 augustus 1992) ook bekend als Jan G. Elburg was een Nederlands dichter die tot de Vijftigers wordt gerekend.

zie ook:


http://www.dbnl.nl/auteurs/auteur.php?id=elbu001 (nb plus mooie foto)


09—elemans

http://www.cubra.nl/speciaalwinter/03janelemans.htm

http://www.cubra.nl/bestegedichten/04elemans.htm

http://www.rijksbinnenhaven.nl/elemans/index.htm (plus mooie foto)

http://www.derderijksbinnenhaven.nl/elemans/elemans.htm

http://www.cubra.nl/poezie/jacelemans/welcome.htm


Jan Elemans werd in 1924 geboren in Ravenstein; momenteel woont hij in Huissen (Gelderland).

10—elsschot

http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Elsschot


Willem Elsschot (Antwerpen, 7 mei 1882 – aldaar, 31 mei 1960) was een Vlaams romanschrijver en dichter (pseudoniem van Alfons Jozef de Ridder). Hij produceerde slechts 750 pagina's proza, maar heeft een grote invloed gehad.
Volledige naam Alfons Jozef de Ridder Pseudoniem Willem Elsschot Geboren 7 mei 1882 Overleden 31 mei 1960 Land België Jaren actief Genre(s) romans Bekende werken Lijmen
Kaas
Het been

11—engelman

http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Engelman


Jan Engelman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie)


Johannes Aloysius Antonius Engelman (Utrecht, 7 juni 1900 - Amsterdam, 20 maart 1972) was een Nederlands dichter, die voornamelijk bekend is geworden vanwege zijn gedicht Vera Janacopoulos, dat volgens sommigen een typisch voorbeeld is van poésie pure.

De schrijver, dichter en essayist Simon Vestdijk heeft in zijn studies over poëzie, De glanzende kiemcel (1942) aannemelijk gemaakt dat dit gedicht niet alleen gebaseerd is op klanken (een essentieel onderdeel van poésie pure), maar dat de betekenissen van de afzonderlijke woorden wel degelijk bijdraagt aan de poëtische sfeer van het gedicht. Het gedicht werd na verschijnen in een tijdschrift meteen beroemd, en door sommigen wat belachelijk gevonden, of zelfs het "einde der poëzie" (Anthonie Donker).




12—hattum

http://www.geocities.com/athens/ithaca/2249/hattumvanjac.html

http://www.schrijversinfo.nl/ !!!!
Achternaam: van Hattum

Voornaam: Jac. (Jaap)

Doopnamen: Jacobus

Geboren: 10-02-1900

Te: Wommels (Hennaarderadeel)

Overleden: 19-08-1981

Te: Amstelveen
http://www.ned.univie.ac.at/lic/autor.asp?paras=/lg;1/aut_id;558/

Jac. van Hattum


Nederlands dichter en prozaschrijver (Wommels 10.2.1900 - Amstelveen 19.8.1981).

Van Hattum was leraar van beroep en behoorde tot de redactie van Werk en Criterium. Hij was bevriend met E. Hoornik en G. den Brabander met wie hij de bundel Drie op één perron publiceerde. Alledrie waren ze namelijk grote bewonderaars van Du Perron naar wie de titel ook verwijst.


Bronnen


Brackmann, Christine & Friesendorp, Marijke (reds.). 1996. Oosthoek Lexicon Nederlandse en Vlaamse literatuur. Utrecht/Antwerpen: Kosmos-Z&K Uitgevers.

Minderaa, P. 1985. ‘Jacob van Hattum’. In: De Nederlandse en Vlaamse auteurs. Van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Ed. G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse. Weesp: De Haan.




13—hoornik

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ed._Hoornik



Ed. Hoornik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Eduard Jozef Antonie Marie Hoornik (Den Haag, 9 maart 1910 - Amsterdam, 1 maart1970) was een Nederlands dichter, behorend tot de Amsterdamse school. Aanvankelijk was zijn werk sociaal-kritisch. Zijn latere werk is sterk getekend door zijn ervaring als overlevende van concentratiekamp Dachau, en heeft daarom vooral de confrontatie met de dood als thema. Naast gedichten schreef hij ook toneelstukken, romans en essays.

Leven en werk


In 1929 begon Ed Hoornik zijn journalistieke carrière bij "De Tijd", vanaf 1933 was hij redacteur bij het Algemeen Handelsblad. In 1934 trouwde hij met Elisabeth Nussbaum. Uit dit huwelijk kreeg hij drie dochters, het paar scheidde in 1957. Vanaf 1929 publiceerde Hoornik gedichten en verhalen; in 1936 verscheen zijn eerste gedichtenbundel Het Keerpunt. Reeds voor de oorlog waarschuwde Hoornik tegen het Nazisme, onder meer met het gedicht Pogrom, met de slotregel het is maar tien uur sporen naar Berlijn (1939; Steenen). Hoornik weigerde als literatuur-recensent van het Algemeen Handelsblad in bezettingstijd rekening te houden met de censuur (hij werkte en schreef onder de directe leiding van de nationaalsocialistische letterkundige en journalist Chris de Graaff), maar had een gezin met kinderen, waardoor het hem moeilijk viel ontslag te nemen. In de loop van 1942 dook hij toch onder. Zijn werk werd verboden. Op 19 augustus 1943 werd Hoornik samen met zijn vrouw, uitgever Bert Bakker en vrienden gearresteerd op een feest ter gelegenheid van de verschijning van de illegale dichtbundel Tweespalt. Hoornik werd overgebracht naar Kamp Vught en vandaar op 26 mei 1944 naar het concentratiekamp Dachau, waar hij 29 april1945 door de Amerikanen bevrijd werd. Dachau heeft een blijvend stempel op hem gedrukt: Banger word ik voor mijn eigen wezen, Dachau schoof een raster voor mijn ziel (Ex Tenebris). Na de oorlog was Hoornik redacteur kunst van Vrij Nederland. Vanaf 1954 was hij ook redacteur van het politiek-literaire blad De Gids. Na zijn scheiding trouwde hij in 1957 met Mies Bouhuys, die over haar leven met hem het boek Het is maar tien uur sporen naar Berlijn schreef. Ed Hoornik was bevriend met Gerrit Achterberg.


14—kempmath

http://nl.wikipedia.org/wiki/Mathias_Kemp



Mathias Kemp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Mathias Kemp (Maastricht, 31 december 1890 - aldaar, 7 augustus 1964) was een Nederlandse dichter en schrijver. In het dagelijkse leven was hij werkzaam op Ceramiek in Maastricht, daarna was hij bibliothecaris en freelance journalist. Hij was een broer van schrijver-dichter Pierre Kemp.

Sinds 1958 wordt aan een een literaire schrijver of dichter afkomstig uit Belgisch Limburg en/of Nederlands Limburg de Mathias-Kempprijs uitgereikt.


Stijl


De poëzie van Kemp is zijn eigelijke levenswerk, zij maakt ook het beste deel uit van zijn hele oeuvre. Er zijn dertien bundels gepubliceerd. In ieder deel is de dichter minstens interessant door het visionaire element. Na de eerste delen met romantische schilderingen van superaardse schoonheid is ook de actualiteit in zijn gedichten gekomen. Hij bleef die kritisch bekijken en beschouwen: de menselijke glorie, de evolutie, de modieuze uitingen van intellectuelen en de misdragingen van machthebbers.

15—kemppierre

http://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Kemp



Pierre Kemp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Pierre Kemp (1 december 1886, Maastricht - 21 juli 1967, Maastricht) was een Nederlands dichter.

Na zijn lagere school was Kemp als plateelschilder werkzaam bij de Société Céramique en daarna tot aan zijn pensioen, als loonadministrateur, bij de steenkoolmijn "Laura en Vereeniging" te Eygelshoven. Pierre Kemp debuteerde als dichter met een sonnet in De Limburger Koerier van 23 maart 1910. In 1914 verscheen, onder aanmoediging van de Jezuïetenpater J. van Well, zijn eerste dichtbundel. Tussen 1915 en 1916 werkte hij als leerling-journalist bij De Tijd in Amsterdam, maar door heimwee keerde hij gauw terug naar Maastricht. In 1918 huwde Kemp Hubertina Catharine Mommers, die hem drie zonen schonk. In 1934 verscheen Stabielen en passanten, de bundel die 'Kemps tweede debuut' wordt genoemd, vanwege de lichtere toon en de speelse, bescheiden verzen.

Een bijzonder werk verscheen in 1960 toen hij samen met de kunstschilder Willem Hofhuizen Les Folies Maestrichtoises vervaardigde, een gedichtenbundel gebaseerd op de coupletten van François Couperin, Les Folies Françaises, ter ere van de 50e verjaardag van Fernand Lodewick, een bekend neerlandicus die in die tijd de Nederlandse lycea voorzag van leerboeken. Het was een uitgave door Willem Veltman in honderd exemplaren gedrukt, waarvan de eerste dertig werden "getooid" met een handtekening van beide kunstenaars en waar Willem Hofhuizen de gedrukte tekeningen nog eens handmatig inkleurde.

Pierre Kemp was naast dichter ook een verdienstelijk kunstschilder. In 1975 vond postuum een expositie plaats in het Bonnefantenmuseum in Maastricht.

Zijn jongere broer, Mathias Kemp, was ook dichter en schrijver.

Wiel Kusters werkt aan een biografie over Pierre Kemp.


16—laurey

http://www.cubra.nl/dodenakker/laurey.htm


In memoriam Harriet Laurey

Op zondag 25 juli 2004 is in haar woonplaats Lage Mierde de schrijfster Harriet Laurey overleden. Ze is 79 jaar geworden. 

Laurey publiceerde haar eerste gedichten vanaf 1945 in literaire tijdschriften als De Nieuwe Eeuw en Roeping (waarvan ze enige tijd redacteur is geweest). In 1951 was ze een van de auteurs van de dichtbundel 'Triple alliantie', met Lou Vleugelhof en Frans Babylon. Een jaar later verscheen haar eerste eigen bundel, 'Loreley', die meteen een groot publiek vond. Voor een uitgebreide beschouwing van leven en werk van Harriet Laurey op CuBra KLIK HIER 

Het dichterschap van Harriet Laurey heeft kort geduurd. Vanaf 1955 schreef ze geen poëzie meer (of publiceerde die althans niet), maar legde ze zich toe op het schrijven van kinderboeken. In dat genre werd ze een van de meest succesvolle auteurs van de tweede helft van de vorige eeuw. Meer dan tachtig titels heeft ze op haar naam staan, en tweemaal kreeg ze de prijs voor het Kinderboek van het Jaar (tegenwoordig de Gouden Griffel): in 1959 en 1970.

De poëzieliefhebbers zijn de dichteres Laurey echter niet vergeten, al heeft ze zelf aan die voortdurende reputatie van haar dichtwerk nooit willen bijdragen. In zijn boek 'In de schaduw van de Parnassus' (2002) schrijft Joris van Casteren: 'Sommigen schoten zo ver door in hun publiciteitsvrees dat ze ook mij niet wilden ontvangen. Hoe graag zou ik gesproken hebben met Harriet Laurey, die na de oorlog met Hanny Michaelis als een van de talentvolste dichteressen gold.'

Wie Laurey zegt, zegt 'Sonnet voor Brabant', het gedicht dat haar in deze provincie onsterfelijk heeft gemaakt, en waarvan de liefhebbers nog steeds de eerste regel koesteren: 'Op weg naar Brabant wordt de wereld warmer.' Voor de volledige tekst op CuBra: KLIK HIER. De dag waarop haar overlijden in de pers bekend werd gemaakt, verscheen over dit gedicht in het weblog van voske.nl de bekentenis: 'Dit gedicht is het liefste wat ik ooit over Brabant heb gelezen.'

Deze waardering werd in 2003 echter niet gedeeld door de Provincie Noord-Brabant. De Stichting Poëzie op Straat (uit Den Bosch, KLIK HIER om het werk van deze stichting op CuBra te zien) stelde toen voor om de beginregel van het sonnet op borden te zetten langs alle snelwegen die toegang geven tot Noord-Brabant. Het initiatief werd schampertjes weggewuifd door de toenmalige commissaris van de koningin, F. Houben. Hoewel Houben in het personeelsblad van de provincie de regel volkomen verkeerd citeerde, vond hij het maar een gevaarlijk plan, zo'n beginregel. Immers, voor je het wist zouden leukerds en andere vandalen de W wegverven zodat er geen 'warmer' maar 'armer' zou staan. Tot een hogere vorm van cultureel bewustzijn is Houben noch de Provincie sindsdien niet meer gekomen.
http://www.dbnl.org/tekst/bork001nede01/laur005.htm

Laurey, Harriët


Eig. Henriëtte Maria Sophia Neelissen-Laury, Nederlandse dichteres en prozaschrijfster (Eindhoven 20.12.1924). Debuteerde met gedichten in Triple Alliantie (samen met Lou Vleugelhof en Frans Babylon, 1951). Publiceerde verder in De Gids, Roeping en De Maand. Sindsdien schreef ze kinderboeken. Haar Sinterklaas en de struikrovers (1958) werd in 1959 bekroond met de cpnb-prijs. Tien jaar later werd Verhalen van de spinnende kater uitgeroepen tot kinderboek van het jaar.

Werken:


Loreley (1952), p.; Oorbellen (1954), p.; Cirque d'amour (1954), p.; Drie dieren (1954), p.;

[p. 346]



Onder de roos (1955), p., samen met T. Neelissen; Hopla, het feestvarken (1956), kinderb.; De dichter en de geboorte (1958), essay; Ongeveertje (1961); Boekenboek (1971); Kinderverhalen (1971); Poezeversjes (1982).

17—leopold

http://www.poeziemarathon.nl/dichters/leopold.html


Martin Leopold

Martin Leopold kwam ter wereld in de Oude Kijk in 't Jatstraat 23, te Groningen op 21 februari 1908, en heette eigenlijk Marten Kloostra. Hij werkte als rijksambtenaar aan Kadaster en Hypotheken te Amsterdam. Van origine protestants liet hij zich na het verschijnen van zijn debuut tot rooms-katholiek dopen (in 1934). Misschien zou hij als prozaïst bekendheid hebben genoten als hij zijn romanmanuscript De afreis niet aan Herman Poort  ter lezing gegeven had. Twee weken later stierf Poort en ongelukkigerwijs zat dat manuscript in de jas die Poort aangetrokken was voor zijn ter aarde bestelling. Poort werd in zijn jas begraven omdat hij dacht: "In de aarde zal het wel koud zijn". 


Marten Kloostra deed als journalist verslag van de Spaanse Burgeroorlog. In Spanje werd hij verliefd op Maria de los Milagros Garcia Lopez, waarmee hij trouwde. Samen kregen ze 9 kinderen. Hij was medewerker aan o.a. 'Roeping/Raam', 'Ontmoeting' en 'Kentering' (in 1974).
Hij overleed op 27 november 1982. Zijn weduwe overleed op 1 november 2001.
Het is heel frappant dat Martin Leopold/Marten Kloostra ooit schreef: "Voor de doden begint het voorjaar in november...".

18—minderaa

Minderaa, Prof. Dr. Pieter


http://www.zeist.nl/content.jsp?objectid=20009

Geboren te Amsterdam op 3 december 1893, overleden te Leiden op 27 mei 1968, leraar, zoon van Johannes Minderaa en van Catharina Wilhelmina Johanna Oudenaarde, trouwde 1e Clara Suzanna Reijnvaan, trouwde 2e Hendrika Wilhelmina Wrede.

Vestiging te Zeist op 6 september 1918; adressen: (1) Boslaan 18, (2) Bergweg 79, (3) Verlengde Slotlaan 121, (4) Verlengde Slotlaan 135. Vertrokken op 21 juli 1949.

Literatuur:



  • Querido’s letterkundige reisgids van Nederland, redactie Willem van Toorn, Amsterdam 1982, p. 206

  • www.dbnl.org/auteurs/auteur.php3?id=mindoos - uitdraai 30 maart 2005

Biografie(ën):

  • K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid (1941)

  • G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs. (1985)

Werken vermeld in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Werken opgenomen in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek.

Werken elders gevonden: Saestum (co-auteur J. Fernhout) (1923)

http://www.dbnl.org/tekst/laan005lett01/laan005lett01_4884.htm

[Dr. P. Minderaa]


Minderaa, Dr. P. -, geb. 1893 te Amsterdam, schreef zijn proefschrift over Karel v.d. Woestijne, 1942. In 1949 benoemd tot hoogleraar te Leiden, gaf hij zijn intreerede uit als Lyriek en Leven. Dichter van Klarende Luchten onder ps. Peter van Maarn, 1919.
Minderaa, P.,

'De Knipzang'. In: P. Minderaa, Opstellen en voordrachten uit mijn hoogleraarstijd (1948-1964). Zwolle 1964, p. 118-145.


http://www.schrijversinfo.nl/marsmanh.html

"H. Marsman deed in 1922 staatsexamen. Op dit examen werd hij voorbereid door de - ook in Zeist wonende - dichter P. Minderaa."



19—plas

http://nl.wikipedia.org/wiki/Michel_van_der_Plas


Michel van der Plas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Michel van der Plas, pseudoniem van Bernardus Gerardus Franciscus Brinkel (Den Haag, 23 oktober 1927) is een Nederlands schrijver, dichter en journalist.

Van der Plas werkte vanaf 1949 vele jaren als journalist bij Elseviers Weekblad. Daarnaast is hij bekend en belangrijk als tekstschrijver voor cabaret (o.a. voor Wim Sonneveld, Frans Halsema en Wim Kan), en schreef hij biografieën over katholieke kopstukken als Guido Gezelle, Joseph Alberdingk Thijm en Anton van Duinkerken. Zijn letterkundige werk kenmerkt zich door een brede belezenheid in de Westerse literatuur en een overvloed aan katholieke thema’s; dit laatste is terug te voeren op zijn sterke, zij het niet onkritische katholieke levensovertuiging en de priesteropleiding die hij in zijn jeugd een aantal jaren volgde.

Van der Plas staat in de traditie van de katholieke jongeren, die vóór WO II onder aanvoering van Anton van Duinkerken een belangrijke rol speelden in de Nederlandse letterkunde. De themathiek van Van der Plas komt niet toevallig overeen met die van Godfried Bomans; deze twee mannen zijn jarenlang goede vrienden geweest en ook over Bomans schreef Van der Plas een biografie.

Zijn verzamelde gedichten werden uitgegeven in 1974 en in 1979 ontving hij voor zijn gehele toenmalige oeuvre de Tollensprijs. In 1949 was hem, voor zijn gedichtenbundel Going my way al de Jan Campertprijs toegekend. In oktober 1998 werd hem een eredoctoraat verleend aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Op 3 december 2004 is Van der Plas voor zijn biografieën en zijn religieuze poëzie benoemd tot Commandeur in de (pauselijke) orde van de H. Gregorius de Grote.




20—roland-holst

http://nl.wikipedia.org/wiki/Adriaan_Roland_Holst



Adriaan Roland Holst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie


Ga naar: navigatie, zoeken

Adriaan Roland Holst (Amsterdam, 23 mei 1888 - Bergen, 5 augustus 1976) was een Nederlands dichter, bijgenaamd de "Prins der Nederlandse dichters". Zijn omvangrijke oeuvre wordt gekenmerkt door een zeer eigen, plechtige stijl en rijke symboliek. Hij woonde in Bergen, alwaar zijn woonhuis thans bij toerbeurt wordt bewoond door verschillende schrijvers en dichters.

Enkele van zijn bundels:



  • De wilde kim (1925)

  • Een winter aan zee (1937)

  • Omtrent de grens (1960)

  • Onderhuids (1963)

De beeldende kunstenaar Richard Roland Holst was de oom (oom Rik) van Adriaan Roland Holst (neef Jany) en zijn echtgenote Henriette Roland Holst - van der Schalk, de dichteres, schrijfster en socialiste, dus een tante van hem (tante Jet).
De drie hebben hun hele leven veel contact gehad. Dat moge bijvoorbeeld blijken uit:

  • A. Roland Holst: Briefwisseling met Richard en Henriette Roland Holst; uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1990.

  • A. Roland Holst: In den verleden tijd, herinneringen aan Lodewijk van Deyssel e.a.; uitg. Boelen, Amsterdam 1975.
    Hierin bijv. p. 22-24, 37-39 (waar hij tante Henriette Roland Holst aanduidt als de dichteres), 40-44.

  • H. Roland Holst - van der Schalk : Het vuur brandde voort, levensherinneringen; uitg. Van Ditmar 1949; Derde en vierde, uit nalatenschap van de auteur verbeterde druk: uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1979.
    Hierin p. 77, 115, 208.

  • E. Etty: Liefde is heel het leven niet, Henriette Roland Holst 1869 - 1952; uitg. Balans, Amsterdam 1996.


21—schreurs

http://www.kdc.kun.nl/trajecta/99-4-12.html


T
heo Schouw, Jacques Schreurs msc (1893-1966). Reflecties bij het leven en werk van een (be)lijdend priester-dichter.
[8(1999), 393-406]
De priesterdichter Jacques Schreurs msc (1893-1966) is een 'minor poet', met overigens eens omvangrijk oeuvre: 12 dichtbundels, 31 toneelstukken, 6 romans, 4 biografieën, 2 reisboeken. Zijn romans, waaronder Kroniek eener parochie, bieden en passant de sociale geschiedenis van Limburg, de mijndorpen in het bijzonder, gunnen een blik in de pastorieën van toen en laten veel van de priester-dichter Schreurs zelf zien. Ze zijn sterk autobiografisch. Schreurs werken verraden een diepe melancholie, een lijden aan het leven en een fascinatie voor de dood (Kleine liederen van dood en leven). Vooral het nagelaten werk is vol van dood, weemoed, verlangen naar jeugd en verdriet over het menselijk tekort. Nochtans is Schreurs vooral bekend gebleven als de dichter van zangerige, lichtvoetige verzen als Landjuweel Viaticum.
http://www.dbnl.org/tekst/bork001nede01/schr014.htm

Schreurs, Jacobus Hubertus


Nederlands dichter en romanschrijver (Sittard 9.2.1893-Weert 31.1.1966). Studeerde filosofie en theologie in Arnhem; priesterwijding in 1919 te Utrecht; 1919-1920 leraar in Tilburg; 1920-1922 missiewerk van de msc; 1922-1923 rector te Ughelen en van 1923 tot 1946 was hij vrijgesteld voor letterkundig werk in het theologicum te Stein. Bekleedde na 1946 versch. rectoraten, maar kreeg veel gelegenheid tot schrijven. In 1958 ontving hij de Culturele prijs van Limburg.

Aanvankelijk werkte Schreurs mee aan versch. tijdschriften, zoals Van Onzen Tijd, De Beiaard, Roeping en De Gemeenschap. De medewerkers van De Gemeenschap stimuleerden hem tot schrijven en er verschenen tal van bundels en lekespelen van zijn hand. Zijn ervaringen als kapelaan in de Limburgse mijnstreek beschreef hij in de Kroniek eener parochie (3 dln., 1941-1948), die door W. van Hemert voor tv werd bewerkt tot Dagboek van een herdershond (1977). Als dichter van blijmoedig-religieuze poëzie maakte hij naam met de bundels Voorjaar (1920) en Sterren en dauw (1955). Ook schreef hij biografieën, zoals Franciscus, de kleine arme van Assisië (1955) en De man met de rozenkrans (1957), over deken Thijssen van Sittard. Na zijn dood verschenen nog de bundels De oude boom (1978) en Nieuwe gedichten (1979, bloeml.).




22—verhoevenbernard

http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=verh038 (plus foto)



Bernard Verhoeven
1897-1965


geboren: 29 april 1897 te Arnhem
overleden: 4 juni 1965 te Arnhem

Biografie(ën)


K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid (1941)

G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs (1985)


Werken


Van schijn en schemer (1917)

De voorhof (1919)

Verzen (1922)

De pelgrim (1924)

De zielegang van Henriette Roland Holst (1925)

Guido Gezelle (1930)

De zilveren spiegel (1931)

Maskers (1937)

Karel van de Woestijne (1940)

Cultuur en overheid (1970)

http://www.dbnl.org/tekst/laan005lett01/laan005lett01_7769.htm

Bernard Verhoeven]


Verhoeven, Bernard -, geb. 1897 te Arnhem; R.K. journalist en letterkundige, dichter en criticus. Zielegang van Henr. Roland Holst, 1925; Guido Gezelle, 1930; F. v. Eeden, 1924; K. v.d. Woestijne, 1940; De Katholieken in de Ned. cultuur, 1946. Hij gaf zelf een bloemlezing uit zijn gedichten uit, De Pelgrim, 1924.



23—verhoevennicolaas

http://www.farsk.nl/temas/reve/06eerbiediggewag.htm


Abe de Vries

‘IK HEB EERBIEDIG GEWAG VAN HEM GEMAAKT’


Notities over de dichter Nico Verhoeven in het werk van Gerard Reve

Zonder Nico Verhoeven was de Nederlandse literatuur een van de mooist beschreven drankgelagen misgelopen. In Nader tot U schrijft Gerard Reve, toen nog Gerard Kornelis van het Reve, over een avond, begin oktober 1964 ten huize van ‘de dichter Nico V.’ in Greonterp, in het gezelschap van de ‘oude bard Gerard d. B.’ (Gerard den Brabander). De stevig drinkende, ‘bij vuur of open vlam vermoedelijk ontploffende dichtervorst’ was door Verhoeven uit Amsterdam meegevoerd om hem droog te leggen in zijn weekendhuisje op het Friese platteland.

De volgende dag konden bezoekers van Nico zijn zomerwoning de oude, moegeklonken zanger, rafelig als een zelfs voor de slacht te oud geworden hoen, in een leunstoel in de woonkamer zien zitten, waar hij afwisselend probeerde ons plaatselijk advertentieblad te ontcijferen en een sigaret te rollen, wat geen van beide lukte, want hij zag veel te dubbel, of soms zelfs alles op zijn kop, en zijn handen waren te gezwollen om verfijnde bewegingen mogelijk te maken. Zo was de eerste droge dag verlopen. Na vijf dagen op sap en melk kon hij al enigszins duidelijk zien, zich door het huis bewegen en samenhangende mededelingen doen, terwijl zijn oogleden al veel minder etterden. Zijn voeten echter waren nog steeds lelijk opgezet. (Nader tot U, p.42)

Reve prijst Verhoeven, die Den Brabander al vaker ‘uit de woestenij van staal en beton die grote stad heet’ had opgehaald om hem een kuur te laten ondergaan. De nu bijna vergeten dichter en de toen al wereldberoemde (in Nederland) schrijver houden zwaarmoedige betogen. Verhoeven vertelt dat hij op school zijn eigen vader als onderwijzer had gehad, en hoe hij in het laatste oorlogsjaar achter de linies gesneuvelde geallieerde soldaten begroef, jongens die hij ‘altijd met een afgesneden manlijkheid’ aantrof.


  Het is ook de avond dat Reve voor het eerst piekert over de Schone en Meedogenloze Jongen, die in zijn latere werk nog vaak zal terugkeren.

MATIGE RESPONS


Wie was Nicolaas Adrianus Verhoeven? In de jongste editie van de ‘Dikke Komrij’ komt hij niet voor. Niettemin heeft het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in de uitgave 1973-1974, na zijn dood, een lemma aan hem gewijd.
  Verhoeven werd op 20 augustus 1925 geboren in Vught in een rooms-katholieke onderwijzersfamilie. Na de oorlog verhuist hij met zijn vriendin, de schrijfster en beeldend kunstenares Truus Hagman (pseudoniem: Toyke de Wilde), naar Amsterdam en later naar Epe, waar hij op 8 oktober 1949 met haar in het huwelijk treedt. Dan al is hij toegetreden tot de redactie van het literaire tijdschrift Het Woord in Amsterdam, waarvan onder anderen Koos Schuur en Gerard Diels deel uitmaken. ‘Met de auteurs van dit tijdschrift deelde hij de associatieve en anti-intellectualistische tendens in zijn poëzie,’ schrijft G.J. van Bork op www.dbnl.org. Zijn eerste dichtbundel, Voorbijgang, verschijnt in 1946 bij De Bezige Bij. ‘Het zijn hermetische gedichten, waarvan de duisterheid niet in de laatste plaats wordt veroorzaakt door de onverwachte en zwaar geladen beeldspraak.’
  Verhoeven dicht over erotiek, verval, dood, religie. Een tijd lang krijgt hij een zekere erkenning. In 1955 wint hij de Literatuurprijs van de gemeente Hilvarenbeek, met Anton van Duinkerken in de jury. In 1962 publiceert hij nog een bundel samen met Hans Andreus en Simon Vinkenoog (Drie staat tot één). Maar begin jaren zestig raakt hij teleurgesteld door de uiteindelijk matige respons op zijn zware, symbolistische poëzie. Hij is dan gescheiden van zijn vrouw Toyke. Toch komt er nog een dichterlijke opleving, als hij in 1966 Judith Boer ontmoet, een beeldend kunstenares met wie hij in die jaren zogenoemde ‘printoezieën’ maakt: gedichten gecombineerd met tekeningen. In 1967 is er in Galerie Mokum in Amsterdam een tentoonstelling. Ook in dat jaar begint hij in Het Financieel Dagblad met een column over kunst in sociaal perspectief.
  Nico Verhoeven overlijdt op 3 februari 1974 in het ziekenhuis van Sneek aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij ligt in Bolsward begraven. De Bezige Bij geeft zijn Verzamelde gedichten uit in 1975; het jaar dat zijn ex-vrouw Toyke eenmalig een Nico Verhoeven-prijs uitschrijft. Later heeft de componist Rolf Knap nog gewerkt aan muziek op zijn gedichten. Nu, dertig jaar later, roert zich nog slechts een enkele bewonderaar, zoals de docent Mark Mastenbroek op diens internetsite: ‘Als je me vraagt wie de belangrijkste Nederlandse dichter van na de Tweede Wereldoorlog is, dan luidt het prompte antwoord: Verhoeven. Wat mij betreft is er geen twijfel mogelijk.’ Volgens Mastenbroek is Verhoeven vergeten omdat hij een religieus dichter was; vergeten vanwege ‘het feit dat hij in weerwil van zijn experimentele taalgebruik toch een spiritueel mensbeeld uitdroeg en vertegenwoordigde’.

ONDOENLIJKE MOEITE


Na Nader tot U komt Verhoeven in het werk van Reve nog maar sporadisch voor. Correspondentie met Verhoeven, zo die bestaat, is niet gepubliceerd. Maar Reve had zeker sympathie voor hem. In 1965, toen een ‘Comité Vrienden Gerard den Brabander Amsterdam’ iets wilde organiseren voor de verjaardag van Den Brabander en onder andere Reve had aangeschreven voor een bijdrage, reageerde deze woedend:

Ik ben geen vriend van Den Brabander, en ken hem slechts oppervlakkig, maar als men iets zou ondernemen om hem, op een of andere wijze, te helpen, dan zou men niet tevergeefs bij mij aankomen. Ik pas er echter voor, iets bij te dragen tot het welslagen van de gebruikelijke ‘heugelijke dag’, waarop zij, die de jubilaris in zijn eigen vuil laten verrekken, zich gratis kunnen bezatten en zichzelf weer eens een keer in het weldadige zonnetje van de blitslamp kunnen zetten.


De enige die zich aan Den Brabander zijn lot iets gelegen laat liggen, wel eens naar hem gaat kijken, van zijn eigen armoede eten voor hem koopt en toebereidt en soms de bijna ondoenlijke moeite op zich neemt om hem hierheen te slepen om hem weer enigszins op krachten te brengen - Nico Verhoeven - diens naam staat niet onder Uw missive, waarschijnlijk omdat hij niet artistiek genoeg en niet belangrijk genoeg is. Wel die van Theun de Vries, die inderdaad de moeite heeft genomen hem, tijdens zijn jongste verblijf in Nico zijn huis alhier, een in sierschrift geschreven ansichtkaart te sturen met onsmakelijke toespelingen op mijn woonachtigheid in dit dorp en op mijn seksuele geaardheid, zulks terwijl ik hem nimmer enig kwaad heb berokkend.
(Archief Reve 1961-1980, p. 175)

In Lieve jongens (1974) is er dan nog een scène waarin Reve vertelt hoe hij in het huis van Verhoeven in Greonterp, op een dag met uitzonderlijk hoog water, diens meubels in de woonkamer probeert te redden. Verhoeven was zeker 4,5 maand niet in Greonterp geweest, schrijft Reve. Hij drinkt van de ‘grafinkt’ uit een aangebroken fles wijn en krijgt een ondergangsvisioen: ‘hoe ik (..) uit het raam gekeken had naar de knotwilgen aan de rand van Nico zijn tuintje in het water in de late zon en één ogenblik gedacht had dat het misschien nu wel menens was geworden, en dat het water zou blijven stijgen tot boven de daken, bomen, torens en gebergten der hele aarde..’


  De nu op Farsk gepubliceerde prentbriefkaart bewijst eens te meer Reves zorg voor het zomerhuisje van Verhoeven wanneer deze in Amsterdam verbleef. (De prent van een Surinaams dorp met blote negerjongetjes lijkt al vooruit te wijzen naar latere ironische opmerkingen van de schrijver over het terugzenden van Surinaamse medelanders.) 
  Ook in Het Boek van Violet en Dood (1996) herinnert Reve zich Verhoeven als hij aan Greonterp terugdenkt. ‘Vlakbij, om de hoek dus, aan de doorlopende landweg, had de dichter Nico V. een soortgelijk huisje als ik. Hij is al vele jaren dood, maar ik heb eerbiedig gewag van hem gemaakt in mijn tweedelige romancyclus Op Weg Naar Het Einde / Nader Tot U, waar ik nog steeds achter sta.’
  De ‘Sarah’ die Reve zich vervolgens voor de geest roept – ‘een jonge vrouw die ik graag mocht’ - is in werkelijkheid Verhoevens toenmalige vriendin Judith Boer, tegenwoordig galeriehoudster in het Friese dorpje Huins, gelegen langs de weg van Leeuwarden naar Bolsward. Op een zomeravond in 1967 komt zij bij de volksschrijver langs, met haar drie zoontjes. Reve voelt zich een moment sterk tot haar aangetrokken:

Ze had fraaie, harde borstjes, en ik werd het atoom van een zeer bescheiden parfum gewaar, waardoor ik opeens moest denken aan het gruwelijk lot van mens en dier, van de gehele schepping zelfs, ja, van alles wat adem had. En opeens sloeg ik mijn armen om haar heen, trok haar tegen mij aan en kuste haar op haar wangen, haar ogen, haar oortjes en ook enige malen in haar hals. Neen, niet op haar mond, want dat vond ik tegenover de jongetjes ongepast, God weet waarom. Ik liet mijn hoofd even op haar schouders rusten. ‘God ontferme Zich over ons allen,’ stamelde ik hees.


(Het Boek van Violet en Dood, p. 116)

Wat volgt, is een ontroerende beschrijving van Reves fantasieën over de volgens hem aantrekkelijkste van de drie zoons, de middelste, en over de ontmoeting, veel later, die hij met Sarah had op het Damrak in Amsterdam, op een ‘winterdag van uitzonderlijk slecht, guur weder, vroeg invallende duisternis en zwiepende regenvlagen’, als Sarah hem vertelt van de zelfmoord van haar middelste zoon in Israël.

AAN DE NAGEDACHTENIS

In de brief van Reve aan Toyke en Judith Boer die hier is gepubliceerd, vraagt de schrijver om toestemming zijn boek Het lieve leven te mogen opdragen aan Verhoeven. Die werd gegeven; in 1974 kwam het uit met de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van de dichter Nico Verhoeven † 3 februari 1974’.


  Over het feest dat op de kaart uit december 1964 wordt aangekondigd, vernemen wij elders dat het zeer geslaagd was. Op 20 december 1964 schrijft Reve aan Ludo Pieters dat ook hij welkom is: ‘Na Kerstmis, op Zondag de 27ste, ontvangen we smiddags het hele dorp plus de bewoners van een 15 tal omliggende hoeven, in totaal omtrent 80 man. Van elders uit het land komen misschien ook nog een man of tien. (Jullie zijn natuurlijk in onbeperkte gelederen welkom - ik zeg dat nog even voor alle zekerheid.)’.
  Als de dag achter de rug is, doet Reve op 10 januari 1965 verslag aan Josine Meijer. Hij geeft een compleet overzicht van al het genuttigde: ‘Het feest hier (ontvangst, op Zondag 27 december, van alle inwoners van Greonterp-dorp + omliggende hoeven, in totaal 108 mensen) is een groot sukses geworden. Er zijn 95 sigaren opgerookt, 150 sigaretten, en 5 kruiken oude jenever, 1 kruik citroenjenever, 2 kruiken brandewijn, 1 kruik konjak, 30 flessen bier, 60 flessen frisdranken (voor de kinderen), 15 flessen wijn, 2 flessen port, 2 flessen sherry, en 1 fles advokaat opgedronken. Ik denk dat er zoiets als 225 gulden is verteerd tussen 2 uur smiddags & middernacht. We kregen een grote taart van het hele dorp, & zijn toegesproken, namens het dorp door buurman Hofmeyer, & namens de parochie door één van de vijf aanwezige pastoors. Op het laatst gingen vele boeren, stijf en verlegen als ze zijn, na een paar glaasjes, dansen en zingen. Er is geen onplezierig woord gevallen, en er zijn maar 3 glazen gebroken’.
  Ter nagedachtenis aan Nico Verhoeven, deze februarimaand dertig jaar dood, volgen hier twee van zijn gedichten die een toekomstig bloemlezer van Nederlandse poëzie met een gerust hart kan opnemen. Het zijn ‘Het eiland’ en ‘Ik ging een dag uit vissen’ uit de alleen nog antiquarisch te verkrijgen Verzamelde gedichten (De Bezige Bij, Amsterdam 1974):

Het eiland



Terschelling

Het eiland is zich als een ei te moede,


de ruimte staat er als een schaal omheen;
er is geen doelwit om naar toe te spoeden,
men is er heel en moederziel alleen;

men is er kind en die het kind moet voeden,


bebroeden en bevroeden zijn er een;
wie neerhurkt aan het strand van liefdewoeden,
als speleman, vindt spelevrouw en speen.

Dit huwelijk, zo vaderlijk volzwegen,


wat draagt men op de thuisreis er van mee?
Een licht achter een voorhoofd in de regen,
een melodie vol heimelijke wegen,
ontglipt aan de omarming van de zee.
Ontglipt? Een vogel aan het ei ontstegen.

*

'Ik ging een dag uit vissen'



De riemslag in het riet. Opvliegend lover,
vermoedens aan een tijd, een ander voorjaar.
Twee bakens neergezet in grijs gebied,
dat aanrolt met de kracht van het verleden
water.
Het onbegrensde tussen zand en zee.
Nu eens een vijver, dan weer een poel. Een deel
dat stilstaat. Woelen doet alleen het kleine
terloopse sterrelicht eronder. Droesem.
Men houdt het water in een glas. Men slaat
het gade. Of men drinkt de wijn,
en kruist de armen en beraamt een moord.

Uit zeven woorden droeg ik honger aan


voor een goed leven tussen stervelingen.
Uit zeven woorden werden mij gesneden
de smalle wapens voor elk vergezicht.
Uit zeven woorden smeedden wij tezamen
een tafeltaal van brood en vruchtbaar raden
naar wat verborgen bleef in elke dag.
Uit hoeveel lijnen moet ik nu bepalen
de hand, verankerd, aan de hand die roeit?

De bakens van het licht staan zonder gronden.


En wij daartussen zien de meerpaal niet.
Het is een dag waarop het water uitrust
van de gevallen krijgers op haar vlakten.
Een rookpluim van het lipperood der daken
waait langzaam over het verdronken landschap
en dekt het helder dal waarin zij slapen,
- die ingekeerde roepers door de nevel -,
met vlagen toe. Van onbetreden oevers.

*

Abe de Vries,


25 februari 2004

24—voeten

http://www.schrijversinfo.nl/voetenbert.html


Achternaam: Voeten

Voornaam: Bert

Doopnamen: Lambertus Hendrikus

Geboren: 06-07-1918

Te: Breda

Overleden: 26-12-1992

Te: Amsterdam

Pseudoniem(en): Bert Voeten gebruikte de pseudoniemen B. van Beenen, Hans van den Bosch en Leo H. van der Mark.




http://www.debezigebij.nl/boekboek/show?id=33896&dbid=9432&framenoid=33668&typeofpage=30185
Bert Voeten

Bert Voeten werd geboren in 1918 te Breda, hij overleed in 1992 te Amsterdam. Vanaf 1947 was hij met o.m. Gerard Diels, Koos Schuur en Bert Schierbeek redacteur van het literair tijdschrift 'Het Woord', tevens behoorde hij van 1950-1962 tot de redactie van 'De Gids'. Bij De Bezige Bij publiceerde hij in 1946 de dichtbundel Odysseus' terugkeer. De jaren daarop volgend verschenen verscheidene bundels waaronder 'Met het oog op morgen', waarvoor hem de Jan Campert-prijs werd toegekend, en 'De zon op mijn hand'.J. Bernlef noemde zijn poëzie 'een révérence aan de werkelijkheid'.Naast zijn poëtisch werk kreeg Bert Voeten veel waardering voor zijn vertalingen van de toneelstukken van William Shakespeare. Voor het vertalen van Engels, Frans en Duits toneel kreeg hij in 1959 de Martinus Nijhoff-prijs.In 1994 verscheen bij De Bezige Bij een selectie van de brieven die Bert Voeten tussen 1954 en 1969 schreef aan Bert Bakker senior: 'Neem je bed op en wandel'. Aangezien de een redacteur was bij 'De Gids', en de ander bij 'Maatstaf', geven deze brieven een schitterend literair tijdsbeeld. Ook lezen we in deze brieven over de zakelijke beslommeringen die Voeten op zich nam voor Marga Minco, zijn vrouw. Met de uitgave van de 'Gedichten 1938 - 1991' wordt een substantiële bijdrage geleverd aan de plaatsing van Bert Voeten in de twintigste-eeuwse literatuurgeschiedenis. Bert Voetens poëzie is van grote invloed geweest op de generaties dichters na hem, en de toegankelijkheid van dit werk, dat zo lang niet herdrukt is geweest, is daarom essentieel.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina