Ntk I: Praktijk van de zinsontleding



Dovnload 88.05 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte88.05 Kb.



NTK I: Praktijk van de zinsontleding




0 Inleiding

De zinsdelen worden in principe in deze volgorde gezocht en benoemd:


1 Het gezegde

2 Het onderwerp

3 Het lijdend voorwerp

4 De bepaling van de handelende persoon

5 Het oorzakelijk voorwerp

6 Het meewerkend voorwerp

7 De bepaling van gesteldheid

8 Het voorzetselvoorwerp

9 De bijwoordelijke bepaling

10 De geïsoleerde constituenten

11 Vanaf niveau 2: de bijvoeglijke bepaling en de bijstelling
Afhankelijk van het soort gezegde kunnen bepaalde zinsdelen wel, en andere weer niet voorkomen:


Werkwoordelijk actief

Werkwoordelijk passief

Naamwoordelijk

1

2

3

6

7

8



9

10

11



1

2

4

6

7

8



9

10

11



1

2

5

6

7

8



9

10

11


In deze samenvatting worden de belangrijkste kenmerken van en methoden tot het bepalen van deze zinsdelen in deze volgorde behandeld. Hierbij werd vooral gebruik gemaakt van de gelijknamige syllabus van prof.dr. Jos Creten, maar ook van het Taalboek Nederlands (prof.dr. Willy Smedts en prof.dr. William Van Belle), en van aantekeningen uit de colleges van laatstgenoemde professor.



1 Het gezegde




1.0 Opmerkingen vooraf





  • ‘zin’ (semantisch): onderwerp-predicaatsverbinding

  • ‘onderwerp’ (syntactisch): bepaalt vorm vervoegde ww.

  • ‘predicaat’: wwdl. geheel

  • elliptische zin

  • valentie ‘combinatiemogelijkheden van het gezegde’



1.1 Soorten werkwoorden





Hoofdwerkwoorden

Hulpwerkwoorden

Zelfstandige ww.

Koppelww.

van tijd, passief, aspect, modaliteit




  • Koppelww. (gesloten categorie: zijn, worden, blijven) vereisen een aanvulling.

  • Zelfstandige ww.: open categorie

  • Hulpwerkww.: gesloten categorie

  • Verwarring tss. deze drie: zie schema ‘NTK I: Hulpwerkwoord, zelfstandig werkwoord of koppelwerkwoord?’ en Creten pp. 84-102.

  • Bepaling van het hoofdwerkwoord:




er is enkel een PV

PV is hoofdwerkwoord

er is een VD (voltooid deelwoord)

VD is hoofdwerkwoord

er is geen VD, maar er zijn infinitieven

laatste infinitief is hoofdwerkwoord



1.2 Soorten gezegde





Naamwoordelijk gezegde

Werkwoordelijk gezegde

kern = koppelww.

kern = zelfstandig ww.

(+ hulpww.)

+ naamwoordelijk deel



(+ hulpww.)

(+ aanvulling ww. gez.)






  • Mogelijke naamwoordelijke delen:

1 adjectivische

2 substantivische

3 prepositionele (bv. in de war, zonder enig effect)

4 adverbiale (bv. nu of nooit)

5 pronominale

6 verbale (bv. te doen, om gek van te worden, lopende) constituenten




  • Mogelijke aanvullingen bij het ww. gez.:

a Niet weglaatbaar en onveranderlijk

1 gescheiden deel scheidb. samengest. ww.

2 verplicht reflexief pronomen (<> hij wast zich/de auto)

3 nominale groep in vaste uitdrukking (bv. een hekel hebben; incl. loos LV: ik heb het te warm)

4 voorzetselgroep in vaste uitdrukking (bv. tot ridder slaan <> tot ... benoemen: resultatieve werkwoordsbepaling)

b Niet weglaatbaar en veranderlijk

5 als-aanvulling (bv. als bondgenoot zien)

6 andere constituent (bv. leuk vinden, tennis spelen)

c Weglaatbaar

7 inwendig LV (bv. pijpestelen regenen, bittere tranen wenen, de honderd meter lopen)



2 Het onderwerp




2.1 Bepalen van het onderwerp

Merk op: O kan ook wel eens geen NC of BZ zijn, bv. Thuis is beter.


1 Congruentietest

persoons- en getalscongruentie met PV (PV: getal, persoon, tijd)

2 Wie/wat-vraag

wie/wat + PV (+ evt. ww. rest + evt. aanv.)

3 Nominalisering van het werkwoord

O wordt door-bepaling bij transitief ww., O wordt van-constituent bij intransitief ww. (Het veroveren van Gallië door de Romeinen; het wachten van Jan op Piet)

4 Conventie i.v.m. identiteitsgezegdes

(i.e. nwdl. gez. die gelijkheid vaststellen of voorspellen): deel van de ‘gelijkheid’ dat op O-plaats staat, is O



2.2 Speciale onderwerpen

1 Loos onderwerp ‘het’

het regent, het spookt: natuurverschijnsel of werking met onbekende uitvoerder

<> Het (het kind) zegt niets: echt O.

2 Plaatsonderwerp ‘er’

alleen ‘er’ kan plaatsO zijn, en dan wel enkel als het op de plaats van het O staat

Merk op:

- alleen plaatsO bij intransitief ww. in passief: INTR(P): enkel ER (er werd veel gelachen)

- er + van-constituent als eig. O (er worden van die gekke dingen verkocht)

3 Voorlopig, herhaald en eigenlijk onderwerp

m.b.v. voornaamwoorden

Merk op:

bijwoordelijke bijzin van voorwaarde als eig. O (het zou erg zijn als hij weer mislukte)



2.3 Opmerking: samengestelde zinnen

1 Nevengeschikte hoofdzinnen

en, maar, of ‘ofwel’, ofwel, doch, noch, want, dus
2 Bijzinnen
RZ+BZ = HZ
2.1 Voorwerpszinnen

2.2 Beknopte bijzinnen

kern = een of meer infinitieven en/of deelwoorden (geen PV)

meestal geen O

uitzondering: LV-zinnen bij verba sentiendi (zien, horen, voelen, ruiken,...: Ik hoorde het hondje(N2)10 naderen; Hij voelde mij(N2)10 wegglijden: objectsvorm vnw.!)

opgepast: gesubstantiveerde inf. is NC; geen beknopte BZ!

2.3 BZ en voegwoorden

let op voor verwarring voegwoord-bijwoord (bv. Wanneer je ziek bent, blijf je beter thuis <> Hij vroeg wanneer je nog ziek geweest bent)



2.4 Bijzinnen in bijzinnen

bv. (Dat (te veel sigaretten roken) ongezond is), werd bewezen.



2.5 Nevenschikking tussen BZ
3 Samentrekking en ellips

bv. Karel speelde tennis24, maar nooit voetbal24.



3 Het lijdend voorwerp




3.1 Bepalen van het lijdend voorwerp

LV = NC die de handeling, aangeduid door gez., ondergaat



Merk op:

- van-constituent: Hij heeft (van die zuurstokken)30 gekocht.

- adverbiale constituent: Ze veronderstelde morgen30.

1 Valentietest en A/P-omzetting



LV enkel bij WERKWOORDELIJKE, (pseudo-)TRANSITIEVE gezegdes in het ACTIEF: De gieren verslonden het kreng; Hij schoor zich (toevallig wederkerend); Walter schrijft graag (romans) (pseudo-transitief)

dus nooit bij naamwoordelijke, intransitieve of passief-werkwoordelijke gezegdes!



Test: omzetting in passief: LV wordt O

2 Wie/wat-vraag

O + PV (+ evt. wwdl. rest + evt. aanv.) +wie/wat?

3 Nominalisering van het werkwoord

LV wordt van-constituent (het slaan van zijn paard door hem)

3.2 Speciale lijdende voorwerpen

1 Loos LV = aanvulling

(cf. supra) ‘het’ (onvervangbaar): deel vh gez., bv. het te warm hebben

2 Voorlopig, herhaald en eigenlijk LV



Merk op:

bijwoordelijke bijzin van voorwaarde als eig. LV (Ik zou het betreuren als je wegbleef)

3 Maatvoorwerp

wegen, meten, kosten: hoeveel?



Merk op:

- maatvoorwerpszin: Kunst kost (wat de gek ervoor geeft).

- Dat kost drieduizend frank (maatvw.) <> Het kostte hem zijn huwelijk (gewoon LV)

- Die plankjes meten dertig centimeter (maatvw.) <> Ik zal de tafel eens meten (gewoon LV)



3.3 Mogelijke verwarring

1 Aanvulling werkw. gez.

aanvulling: inwendig LV bij intransitief ww. of constituent in vaste uitdrukking

2 Bijwoordelijke bepaling van richting

- De kinderen zijn (het bos)62 ingelopen: ‘achterzetsel’ (in) als deel van een scheidbaar samengest. ww. (het bos in = in het bos).

- De kapitein is (de haven)62 binnengevaren: de kapitein heeft (het schip)30 (binnen de haven)62 gevaren

- Hou dus de betekenis in de gaten. Vuistregel: als het als BwB gelezen kan worden, is het BwB

3 Meewerkend voorwerp

zie 6.3 Mogelijke verwarring LV-MV


4 De bepaling van de handelende persoon




4.1 Bepalen van de bepaling van de handelende persoon



enkel bij WERKWOORDELIJKE gezegdes in het PASSIEF
O van de actieve zin wordt bep. handelende persoon (door-bepaling): O(A) wordt HP(P)
Merk op:

- ook bij sommige intransitieve ww. (er werd veel gelachen door hen)

- vaak niet uitgedrukt

- benaming:

a bepaling of voorwerp

bepaling: weglaatbaar uit gez.; voorwerpen behoren tot de valentie vh gez. (grensgeval: niet alle ww. kn ih passief gezet worden... dus toch handelend ‘voorwerp’?)

b ‘persoon’

kan natuurlijk ook dier, zaak, abstractum zijn



4.2 Bijzin als bep. HP

R-zin met ingesloten antecedent: Hij werd geprezen (door wie hetzelfde dacht).



4.3 Mogelijke verwarring

BwB, VzV,...<> Test: P/A-omzetting



5 Het oorzakelijk voorwerp




5.1 Bepalen van het oorzakelijk voorwerp

LV” bij NAAMWOORDELIJKE gezegdes

>O + PV + wie/wat + naamw. deel (+ evt. wwdl. rest)?


iets kwijt zijn

iets meester zijn

iets beu zijn

iets gewend zijn

iets aan iem. schuldig zijn

iets van plan zijn

iets moe zijn/worden

iets of iem. indachtig zijn

iets waard zijn


Merk op:


zich bewust zijn/worden (van)

gewoon zijn/worden (van)

gewend zijn (aan)


twee mogelijke constructies:

- VzV (ik ben gewend aan haar stilzwijgen)

- O.V. (ik ben haar stilzwijgen gewend




5.2 Speciale oorzakelijke voorwerpen

1 Voorlopig, herhaald en eigenlijk OV

bv. Jan is het57 gewoon, (dat gevit)56.

Merk op:

bijwoordelijke bijzin van voorwaarde als eig. OV (Ik zou het beu worden als hij weer wegbleef)

2 OV-zin

- OV-zin als eigenlijk OV (Wat hij precies gezegd heeft, dat zijn we kwijt)

- OV-zin als (enig) OV (Dat hij altijd ziek is, zijn we nu toch wel beu)

6 Het meewerkend voorwerp




6.1 Bepalen van het meewerkend voorwerp: soorten I.O.

1 Meewerkend voorwerp

VzC met ‘aan’ of NC waar ‘aan’ voor geplaatst kan worden; ‘aan’ is weglaatbaar

> vaak (talige of niet-talige) intermenselijke relaties, dus vaak personen (<> Geef jij morgen de planten water?)



Merk op:

1. Soms is de constructie mét ‘aan’ niet mogelijk of minder wenselijk:

- geen fysieke overdracht (hij gaf het mooie meisje een knipoogje/een hand)

- geen personen (zij gaf het paard de sporen)

2. Het voorzetsel is ‘van’ bij een aantal scheidbaar samengest. ww. met het voorvoegsel ‘af’ (iets afsmeken/afkijken/afzetten/afpakken/afpersen van iem.)

2 Belanghebbend voorwerp

VzC met ‘voor’ in de betekenis van ten bate van, ten behoeve van, ten gunste van, ten ongunste van

>‘voor’ is meestal niet weglaatbaar, maar wel altijd vervangbaar door ten (...) van



Merk op:

‘Voor’ is wel weglaatbaar bij gezegdes die drank- of voedselverschaffing noemen (Ik schonk Piet een borrel in, Hij bereidde zijn vrouw een stevige maaltijd)

3 Ondervindend voorwerp

Het onderv. vw. is normaal een NC die niet omschreven kan worden met een VzC.

Het komt voor bij:

1 Zelfstandige ww. die alleen een gebeuren aangeven: lukken, mislukken, overkomen, gebeuren, ontgaan, ontglippen, ontvallen

2 Zelfstandige ww. en naamwoordelijke gez. die een ervaring (+ gevoelens) uitdrukken: spijten, berouwen, bevallen, passen, betamen, waard zijn, zwaar vallen, dwarszitten, behagen, mishagen, hinderen, tegenvallen

3 Gez. met graadbepaling: veel waard zijn, duidelijk zijn, te veel moeite zijn, lang genoeg geduurd hebben. Omschrijving: O(=onderv. vw.) vind(en) dat (Die hele kwestie is mij nu duidelijk > Ik vind dat die hele kwestie nu duidelijk is).

4 Ethische datief

Pers. vnw. (me, je) in objectsvorm: emotionele betrokkenheid/belangstelling (dat is me wat moois!)

> weglaatbaar (behoort niet tot de valentie)

5 Possessieve datief

De poss. datief noemt de bezitter van een in een ander zinsdeel vermeld lichaamsdeel of kledingstuk (De wind blies ons in het gezicht, Ze rukten hem al de knopen van de jas).

6.2 Bijzin als MV

R-zin met ingesloten antecedent (Hij vertelde het aan wie hij maar tegenkwam).



6.3 Mogelijke verwarring LV-MV





Hij onderwees Nederlands30 aan migranten40.

Hij schreef zijn vriend40 een smeekbrief30.

Hij onderwees Nederlands30.

Hij schreef een smeekbrief30.

Hij onderwees migranten30.

Hij schreef zijn vriend40.

Nominaliseringstest


(transitieve ww.) LV wordt van-constituent, MV wordt aan-constituent


het onderwijzen van Nederlands aan migranten

het schrijven van een smeekbrief aan zijn vriend

het onderwijzen van Nederlands

het schrijven van een smeekbrief

het onderwijzen van migranten

het schrijven aan zijn vriend

7 De bepaling van gesteldheid




7.1 Bepalen van de bepaling van gesteldheid

De bep. v. gesteldheid bepaalt tegelijkertijd het gezegde én een ander zinsdeel (O of LV) van dezelfde zin: Hij reed zat91 tegen een boom <> Hij reed snel70: wijze tegen een boom.



7.2 De predicatieve toevoeging

De predicatieve toevoeging is een bep. v. gesteldh. tijdens de handeling zelf: Fluitend wandelde hij door de straten.



Merk op:

zelf, beide(n), alle(n), samen, allemaal, alleen

als bepaling bij predicaat zijn predicatieve toevoegingen (zelf geloofde hij dat niet, ze gingen allemaal vissen)



7.3 De resultatieve werkwoordsbepaling

De resultatieve werkwoordsbepaling is een bep. v. gesteldh. als gevolg van de handeling: zijn huis wit schilderen, tot gouverneur benoemen, de uien bruin bakken



Merk op:

Het is een bepaling, dus het is weglaatbaar: iem. een aardig meisje vinden, iem. een verrader noemen, een pot aan scherven slaan, iem. tot ridder slaan, iem. ergens voor aansprakelijk stellen, iem. als één van de beste auteurs beschouwen, zijn schoenen scheef lopen, zijn trui vuil maken: niet-werkwoordelijk deel, aanvulling ww. gez.



8 Het voorzetselvoorwerp




8.1 Bepalen van het voorzetselvoorwerp

VzV wordt ingeleid door een vz. dat met het gez. een vaste verbinding vormt: een vast voorzetsel.



Test: gekloofde zinnen (Op wie ze wachtte, was haar broer <> *Waarop ze wachtte, was het perron)

Merk op:

(cf. infra) als bij een VzV-zin het voorlopig VzV wordt weggelaten, is er de facto geen vz. meer te zien: We zorgden (dat hij zou komen)50.




8.2 Speciale VZV’s

1 Voorlopig, herhaald en eigenlijk VzV

m.b.v. voornaamwoordelijke bijwoorden (= bw + vz). De voornw. bw. kunnen gesplitst voorkomen: Computers51, daar53 heb ik een verschrikkelijke hekel aan53.

2 Bijzin als VzV

- R-zin met ingesloten antecedent: Je houdt best rekening (met wat men je gezegd heeft)50.

- Bijzinnen als eigenlijk VzV

Vast vz. blijft in RZ en vormt er met ‘er’ of ‘daar’ een voornaamwoordelijk bijwoord als voorlopig of herhaald VzV. Het vast vz wordt niet herhaald in het eigenlijk VzV: Hij rekende er52 vast op52 (haar ooit terug te zien)51.
Het voorlopig VzV kan soms ook weggelaten worden, waardoor meteen het vast vz verdwijnt: We zorgden (dat hij zou komen)50.

> Test: vervang de BZ door een NC: We zorgden (voor zijn komst)50.



8.3 Mogelijke verwarring

‘vast vz.’: bv. spreken van/over/tot maar niet spreken met (dialoog: Ik spreek hem erover).


1 Met de BwB

VzV: vz. hoort vast bij het gez. als verbindingselement; kan niet vervangen worden door een ander vz <> Hij wacht op/achter/voorbij de hoek van de straat.

2 Met de aanvulling bij ww. gez.

Aanvulling: de gehele VzC is vast onderdeel vh gez (‘tot ridder’ slaan)

3 Met het MV

MV: ‘aan’ kan weggelaten worden <> VzV: niet weglaatbaar

4 Met het belangh. vw.

Belangh. vw.: betekenis ten behoeve van, ten gunste van, ten ongunste van, ten nadele van, ten voordele van,... (en dus hierdoor vervangbaar)

5 Met de bep. vd HP

Test: P/A-omzetting.

6 Met de resultatieve ww.bep.

Hij werd gisteren tot burgemeester benoemd: bepaling bij gez. en bij ander zinsdeel (i.c. bij O) <> De directie dwong haar werknemers tot leugens: voorwerp bij gez.



9 De bijwoordelijke bepaling




9.1 Bepalen van de bijwoordelijke bepaling

BwB bepaalt (alleen) het gez. en is doorgaans weglaatbaar (maar: plaats- en richtingsobject: voorwerp: niet weglaatbaar, cf. infra). Constituenten: VzC, AdvC, NC, BZ.


9.2 Soorten bijwoordelijke bepaling

1 Plaats


  • Waar?

  • Vereist: plaatsobject of plaatsvoorwerp: Hij is thuis

  • BZ: R-zin met ingesloten antecedent: (Waar je Petra ziet,)61 daar61 zie je ook Jeroen.

  • Waarop? Waarin? cf. infra

2 Richting

  • Waarheen? Waarvandaan? Waaruit? Vanwaar?

  • Let op achterzetsels: De genodigden stroomden (de zaal in)62.

  • Vereist: richtingsobject: Ze begaven zich naar huis.

  • BZ: R-zin met ingesloten antecedent: Ze reisden (naar waar de sinaasappelen groeien)62.

  • Waarop? Waarin? > onderscheid met BwB plaats:




BwB plaats

BwB richting

statische betekenis

ww. van beweging

Het pakje zit in de tas.

Ze steekt het pakje in de tas.




  • Verwarring met LV (cf. supra):

- De kinderen zijn (het bos)62 ingelopen: ‘achterzetsel’ (in) als deel van een scheidbaar samengest. ww. (het bos in = in het bos).

- De kapitein is (de haven)62 binnengevaren: de kapitein heeft (het schip)30 (binnen de haven)62 gevaren

- Hou dus de betekenis in de gaten. Vuistregel: als het als BwB gelezen kan worden, is het BwB

3 Tijd, duur, herhaling



  • Wanneer? Hoelang?

4 Reden, oorzaak

  • Waarom? Waardoor?

  • Verwarring met doel: cf. infra

5 Doel

  • Waarom? Waarvoor? Waartoe?

  • Waarom? > reden of doel?




BwB reden

BwB doel

reden gaat vooraf aan gebeuren vh gez.

doel volgt op gebeuren vh gez.

Ze gaat weg omdat ze het feest saai vindt.

Ze gaat weg om haar vliegtuig te halen.

6 Voorwaarde



  • Voorwaarde, veronderstelling, hypothese: onder welke voorwaarde, binnen welke veronderstelling?

  • Merk op: BwBZ van voorwaarde kan eig. O , eig. OV of eig. LV zijn! Op N2 wordt dit eig. O of LV dan eerst als BwB voorwaarde benoemd, en pas op het derde verder ontleed.

Het12 zou erg zijn (als hij weer mislukte)(N1)11 (N2)66.

Ik zou het32 betreuren (als je wegbleef)(N1)31 (N2)66.



  • Merk op: BwBZ voorwaarde met woordvolgorde van vragende HZ: (Wordt de weg verbreed,) dan zal hier nog harder gereden worden.

7 Toegeving

  • Ondanks wat? Niettegenstaande wat?

  • 3 soorten BwBZ toegeving met woordvolgorde HZ (dus bij vooropplaatsing geen inversie in de RZ):

1 BZ ingeleid door (ook) al

Ook al ben je zwaar, je loopt toch snel. (geen nevenschikkend voegwoord tss. de zinnen mogelijk <> Je bent wel zwaar, maar je loopt toch snel: nevenschikking)



2 BZ met volgorde van vragende HZ (zonder inleidend woord)

Was Mitterrand dan al zeventig, hij ging toch nog regelmatig golfen.



3 BZ met hulpww. van modaliteit ‘mogen’ (zonder inleidend woord)

Je mag dan nog zwaar zijn, je loopt toch snel.



  • Merk op: ook BwBZ toegeving ingeleid door een vragend vnw. of bw., veroorzaken bij vooropplaatsing geen inversie in de RZ:

Hoe oud hij ook was, hij versloeg ze allemaal.

8 Modaliteit, ontkenning



  • nuancering; betrokkenheid + ontkenning

  • conventie: in genen dele, niet meer, niet eens, nou niet: één BwB ontkenning

  • andere vben: Volgens de overheid, ook, Naar we vernomen hebben

9 Andere

  • bv. Voor een dommerik als hij: beperking; Naarmate de reis vorderde: verhouding, In plaats van ons te helpen: omstandigheid



10 De geïsoleerde constituenten

Geïsoleerde constituenten hebben geen zinsdeelfunctie in de subject-predicaatsverbinding.



10.1 De aangesproken persoon

NC verwijzend naar de aangesprokene: door komma(‘s) gescheiden



10.2 De interjectie

zelfstandige uiting t.o.v. de zin waarmee de interjectie verbonden is: geluid nabootsen, emotie uitdrukken, informatie over de communicatieve situatie; gescheiden door komma(’s)



10.3 De tussenzin

een constituent of zin die in een andere zin ingeschoven wordt zonder er een duidelijke syntactische functie in te vervullen: gedachtestreepjes, komma’s, ronde haakjes



11 Vanaf niveau 2: de bijvoeglijke bepaling en de bijstelling

Wat niet noodzakelijk is voor de zinsontleding in het examen, wordt met een kleinere letter afgedrukt.

Opgepast voor gesplitste zinsdelen: De door zijn vrouw getergde man heeft jarenlang (op de hulp) gewacht (die hem beloofd was).

Kern = woord(en) dat (die) minimaal moet(en) blijven staan om een zinsdeel(stuk) niet te laten verdwijnen



11.1 Volledige of beknopte bijzinnen

De kern is een subject-predicaatsverbinding of een werkwoordsvorm: werkwijze zoals op N1.



11.2 Adjectivische of adverbiale constituent

De kern is een adjectief, een bijwoord of een voorzetselconstituent: bijwoordelijke bepalingen (61 tot 70) bij de kern.



11.3 Nominale constituent

De kern is een zelfstandig naamwoord (incl. gesubstantiveerde woorden) of een zelfstandig gebruikt voornaamwoord: bijvoeglijke bepalingen bij de kern.



11.3.1 Definitie en soorten van bijvoeglijke bepaling

Bijvoeglijke bepaling: zinsdeelstuk dat fungeert als bepaling bij naamwoordelijke kern: voor- en nabepalingen (uiteraard nooit op N1).


1 Voorbepalingen
a Kwalitatieve (primaire) voorbepalingen
1 adjectivische constituenten

2 tegenwoordige en voltooide deelwoorden

3 te + infinitief
b Kwantitatieve (secundaire) voorbepalingen
4 telwoorden
c Verwijzende (tertiaire) voorbepalingen
5 genitieven

6 bijvoeglijk gebruikte voornaamwoorden


2 Nabepalingen
VORM
- substantivische (een hapje kaviaar), adverbiale (jij daar), prepositionele constituenten

- genitieven

- te + infinitief

- bijzinnen


BETEKENIS
a nabepalingen van specificatie
maat, gewicht, hoeveelheid,...: liters water
b nabepalingen van identificatie
eigennaam bij een ‘soortnaam’-kern: keizer Karel
c bijstelling
NC die tussen twee komma’s rechts van de kern staat en die de plaats van de kern zou kunnen innemen: In Leuven, een Mekka voor studenten, voelen we ons thuis.

De bijstelling en de uitbreidende betrekkelijke bijzin hebben een gelijksoortige betekenis.


d de uitbreidende betrekkelijke bijzin
cf. infra
e gewone nabepaling
de rest: VzC, AdvC, genitieven, bijvoeglijke BZ behalve uitbreidende R-zin


11.3.2 De bijvoeglijke bijzin

Bijvoeglijke BZ: nabepaling bij nominale kern.


1 Bijvoeglijke BZ ingeleid door de onderschikkende voegwoorden ‘of’ en ‘dat’

‘dat’ en ‘of’: grammaticaal verbindende voegwoorden: geen betekenis; geen ontledingscode; geen functie in de BZ. Louter verbinding dus!

Voorbeeld: De vraag (of hij(N3) 10 gewonnen(N3) 23 heeft(N3) 22)(N2) 80, is niet relevant.
2 Bijvoeglijke BZ ingeleid door een vragend woord

Het vragend woord heeft een functie in de BZ en krijgt dus een code.

Voorbeeld:

Hij brak zijn hoofd (over de vraag (wie(N3) 10 dat(N3) 30 verklapt(N3) 23 had(N3) 22)(N2) 80)(N1) 50.


3 Beknopte bijvoeglijke BZ

Voorbeeld: Zijn ambitie (de top te bereiken), verteerde hem.


4 Bijvoeglijke BZ in de vorm van een directe rede

Voorbeeld: De bijbelse woorden “Ga en vermenigvuldig u!”, nam hij wel erg ter harte.


5 De betrekkelijke BZ
BZ ingeleid door - (vz +) betrekkelijk voornaamwoord

- betrekkelijk bijwoord

- betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord

Betrekkelijk woord heeft functie binnen de zin en krijgt dus een code.


Er wordt een onderscheid gemaakt tussen
- uitbreidende betr. BZ: bijkomende informatie, niet noodzakelijk om antecedent te kunnen identificeren; gescheiden van antecedent door komma

Voorbeeld: Monica Seles, die een aanslag op haar leven overleefde, was op dat ogenblik de beste tennisster ter wereld.


- beperkende betr. BZ: geeft informatie, noodzakelijk om antecedent te kunnen identificeren; haalt de bedoelde instantie uit een klasse van elementen

Voorbeeld: Jongens die zich als macho’s gedragen, kan Heleen niet uitstaan.


Een speciale soort van betr. BZ wordt gevormd door de betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent. Hierbij is het antecedent in het betrekkelijk woord van de BZ ingesloten.

Voorbeeld: Hij gaf geld aan wie (i.e. aan hij die, aan degene die) er maar om vroeg.



11.4 Opmerkingen

1. Als bij een elliptische zin/constituent, van een NC enkel de bijvoeglijke bep. blijft staan, krijgt deze bijvoegl. bep. de code die de NC normaal zou krijgen:

Zij hebben (de oude huizen)30 afgebroken en (de nieuwe)30 verkocht.

Op het volgende niveau wordt de bijvoegl. bep. in het elliptisch stuk niet meer benoemd.

2. Eigennaam + bijvoeglijke bepaling:

- bijvoegl. bep. is deel vd eigennaam: geen verdere benoeming als bijvoegl. bep. (Karel de Grote)

- bijvoegl. bep. geen deel vd eigennaam: wel verdere benoeming (Karel, de grote staatsman,)

3. Opgepast voor het verschil in benadering van bijvoeglijke en bijwoordelijke bepalingen: bijvoeglijke bepalingen worden niet verder onderverdeeld op semantische gronden - al zou dat wel mogelijk zijn.

4. Als een werkwoordelijk gez. met een VzV genominaliseerd wordt, wordt het VzV bijvoeglijke bepaling:

Dat hij smeekt om vergiffenis is aandoenlijk.

> Zijn smeken om vergiffenis is aandoenlijk.

Als in een naamwoordelijk gez. met een VzV het koppelww. wegblijft echter, blijft het VzV zijn functie behouden:

Omdat hij teleurgesteld is in zijn verwachtingen, verlaat hij de zaal.

> Teleurgesteld in zijn verwachtingen verlaat hij de zaal.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina