Nummer 10. 0431 mk/jk datum 08-03-2010



Dovnload 101.21 Kb.
Pagina1/3
Datum23.08.2016
Grootte101.21 Kb.
  1   2   3





Nummer 10.0431 MK/JK

Datum 08-03-2010

Aan Leden en plaatsvervangend leden AV, leden HB, voorzitters en

secretarissen afdelingen, groepen en sectoren

CC Interne verspreiding

Van Martin Knoop

Onderwerp Koers pensioenbeleid

Status Informatief


Hierbij ontvangt u een aantal stukken met betrekking tot de pensioendiscussie.

Het Hoofdbestuur stelt voor hiervoor met u in discussie te gaan en op grond daarvan voor een volgende Algemene Vergadering een inhoudelijke notitie te presenteren aan de leden van de Algemene Vergadering

Martin Knoop,

Algemeen secretaris AOb

Bijlagen:




  1. Rapport commissie Don

  2. Rapport commissie Frijns

  3. Rapport commissie Goudswaard

  4. Alternatief vakcentrales


Bijlage 1: rapport commissie Don
Samenvatting

Rekening houdend met de financieel-economische ontwikkelingen in het verleden benadrukt de Commissie het belang van de vaststelling van nieuwe parameters voor de pensioenfondsen op basis van realistische toekomstverwachtingen. Pensioenfondsen kunnen op basis daarvan zelf besluiten in welke mate ze prudentie in de financiële opzet willen betrachten. De Commissie is van mening dat pensioenfondsen bij hun beleidontwikkeling (dus vooraf) rekening moeten houden met de mogelijkheid van, soms forse, afwijkingen in de realisaties ten opzichte van aanvankelijke verwachtingen. Ten aanzien van de minimum verwachtingswaarden voor de loon- en prijsinflatie ziet de Commissie geen aanleiding om de huidige parameters van 3 respectievelijk 2% te wijzigen. Dat geldt ook voor de maximum verwachtingswaarde voor het rendement op vastrentende waarden dat thans 4,5% bedraagt. Verder stelt de Commissie voor de huidige categorieën aandelen ontwikkelde markten en aandelen opkomende markten samen te voegen tot één categorie beursgenoteerde aandelen, en daarnaast om de categorie niet-beursgenoteerde aandelen te vervangen door een categorie overige zakelijke waarden. Over het belang van realistische rendementsparameters bestaat binnen de Commissie geen verschil van mening. De Commissie is echter verdeeld over de vraag hoe er gefundeerde realistische inschattingen kunnen worden gemaakt voor het toekomstige aandelenrendement. Dit leidt tot een verdeeld advies aangaande het niveau van een aantal parameters.


Op basis van literatuuronderzoek is een deel van de Commissie, bestaande uit de vertegenwoordigers van De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau en de voorzitter, van mening dat met betrekking tot de in de toekomst te verwachten aandelenrendementen een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen (gerealiseerd) verleden en (verwachte) toekomst. Rendementen uit het verleden zijn deels veroorzaakt door meevallers die niet representatief zijn voor de toekomst, zoals de integratie van financiële markten, technologische ontwikkelingen en een ongekende stijging van de productiviteit. Er mag daarom in de modellering van toekomstige rendementen niet vertrouwd worden op een terugkeer van de relatief hoge rendementen die beleggingen in aandelen in de tweede helft van de vorige eeuw te zien hebben gegeven. In lijn met literatuur over dit onderwerp verwacht dit deel van de Commissie een wereldwijd reëel aandelenrendement dat circa 1% lager ligt dan het historische gemiddelde over 1900-2008. Dit leidt tot een advies van een maximum verwachtingswaarde voor het rendement op beursgenoteerde aandelen van nominaal 7,5% rekenkundig en 6% meetkundig en voor de overige zakelijke waarden van 8% rekenkundig en 6,5% meetkundig. Tabel 1 laat zien dat deze geadviseerde maxima circa 1,5%-punt lager uitkomen dan (het gemiddelde van) de huidige parameterwaarden.1 Ook voor direct vastgoed en beleggingen in grondstoffen adviseert dit deel van de Commissie uit te gaan van lagere maximale rendementsverwachtingen dan de huidige waarden.

TABEL 1 rendementsparameters DNB, CPB en vz

Categorie

Advies

Huidige waarden

Verandering













Rek.k meetk. Rek.k. meetk.

Max. verwachtingswaarden1)

Beursgenoteerde aandelen

7,5%

6%

(9, 1%)

(geschat)



(7,6%)

(geschat)



-1,6%

Overige zakelijke waarden

8%

6,5%

9,5%

8%

-1,5%

Direct vastgoed

6,5%

5%

8%

6,5%

-1,5%

Grondstoffen

6,5%

5%

8%

6,5%

-1,5%

Met het oog op een evenwichtige behandeling van beleggingsportefeuilles die meer of minder risicovol zijn dan gemiddeld adviseert dit deel om de pensioenfondsen te binden aan zowel de rekenkundige als aan de meetkundige maximum verwachtingswaarden. De begrenzing in rekenkundige termen is voor toezichtdoeleinden van groot belang. Zonder deze begrenzing stellen de parameters effectief geen bovengrens aan het verwachte (portefeuille)rendement2.

Het andere deel van de Commissie, bestaande uit de vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid (StvdA), neemt als basis de gemiddelde risicopremie op aandelen over een lange periode (1900-2008), het gemiddelde van “goede en slechte tijden”. Voorts blijkt uit veel empirische overzichten dat de feitelijke risicopremie op aandelen gedurende lange perioden fors kan afwijken van dit historische gemiddelde. Daarom moeten pensioenfondsen – als complement van het kiezen van een historische risicopremie als basis – meer dan tot nu toe vooral rekening houden met deze mogelijkheid van, som forse, afwijkingen. Pensioenfondsen moeten prudent omgaan met realistische parameterwaarden.

1 Omdat in de huidige regeling de categorie beursgenoteerde aandelen niet als één categorie bestaat, maar als twee separate categorieën aandelen ontwikkelde markten (inclusief indirect vastgoed) en aandelen emerging markets, is een schatting gemaakt op basis van de parameters voor de huidige onderliggende categorieën en de waargenomen verhouding tussen beleggingen in beide categorieën. Per ultimo 2008 was de verhouding tussen beursgenoteerd en niet-beursgenoteerd 9 staat tot 1. Bron: DNB Toezichtgegevens pensioenfondsen, Tabel 8.9 Belegd pensioenvermogen voor risico pensioenfondsen, exclusief derivaten.

2 DNB heeft bij de beoordeling van de herstelplannen het daarin opgenomen meetkundig portefeuillerendement getoetst door aanvullende aannames te maken over volatiliteit en correlaties.

De gemiddelde risicopremie op aandelen (het rendement uitgaande boven risicovrije staatsobligaties) bedroeg in de periode 1900-2005 4%. Als gevolg van de daarop volgende slechte jaren is dit gemiddelde voor de periode 1900-2008 gedaald tot 3,4%. Dit deel van de Commissie vindt redeneringen in literatuur om voor de toekomst van dit laatste langjarige gemiddelde af te wijken (naar beneden of naar boven) niet overtuigend. Dit deel van de Commissie stelt daarom voor om voor de komende vijftien jaar uit te gaan van de gemiddelde risicopremie op aandelen van 3,4%. Het totale rendement op aandelen komt dan uit op 7¼% (4% rendement op staatsobligaties plus 3,4% risicopremie op aandelen)1. Voor een dergelijke risicopremie op aandelen is ruimschoots steun te vinden in de literatuur.

Dit deel van de Commissie stelt per saldo de volgende parameters voor.


(meetkundig2) Categorie

Advies

Huidige waarden

Verandering

Maximum verwachtingswaarden

Beursgenoteerde aandelen

7,25%

(7,6%)

(geschat)



-0.35%

Overige zakelijke waarden

7,75%

8%

-0,25%

Direct vastgoed

6,5%

6,5%

0

Grondstoffen

6,25%

6,5%

-0,25%

Uit dit overzicht blijkt dat dit deel van de Commissie adviseert om voor direct vastgoed de huidige parameter ongewijzigd laten en die voor grondstoffen in geringe mate neerwaarts aan te passen.

Voorts adviseren deze leden om alleen meetkundige parameters te hanteren. Deze parameters sluiten goed aan bij de feitelijke aangroei van beleggingen en de centrale kengetallen van de stochastische analyses die door pensioenfondsen worden gemaakt. Door uit te gaan van volatiliteits- en correlatieaannames legt het meetkundig gemiddelde het verwacht portefeuillerendement eenduidig vast. Wanneer rekenkundige gemiddelden het vertrekpunt zijn, zijn voor de vertaling van de rekenkundige verwachting op portefeuilleniveau naar het meetkundige rendement overigens dezelfde aannames vereist.

Consequenties en bestuurlijke inpassing

Op basis van de huidige parameterwaarden mag gemiddeld genomen over de sector uit worden gegaan van een maximaal verwacht portefeuillerendement van jaarlijks 6,9% rekenkundig. Dit percentage daalt met circa een procentpunt indien de parameterwaarden gelden van het eerstgenoemde deel van de Commissie en met 30 basispunten onder die van het andere deel. De nieuwe parameters impliceren andere randvoorwaarden voor de beleidsruimte van pensioenfondsen, in het bijzonder voor nieuw op te stellen continuïteitsanalyses, herstelplannen en gedempte kostendekkende premies. Dit kan leiden tot aanpassingen in de premiehoogte en/of in het ambitieniveau van de pensioenregeling. Als indicatie van de omvang van deze effecten is berekend wat de gevolgen van de nieuwe parameters zouden zijn indien de gehele aanpassingslast in de premies wordt opgevangen. Vanuit de gedempte kostendekkende premie zorgen de nieuwe parameterwaarden voor een premiestijging die kan oplopen tot 1,9 respectievelijk 0,6 miljard euro. Toekomstige continuïteitsanalyses (met een horizon van 15 jaar) zullen ook een lager pad voor de dekkingsgraad laten zien, waarop fondsen een beleidsreactie zullen moeten formuleren. De impact op eventuele nieuwe herstelplannen is zeer fondsspecifiek en kan niet naar sectorniveau worden berekend.

De Commissie geeft in overweging om, gelet op de huidige tijdsplanning van de evaluatie van het FTK, uitstel tot herziening van herstelplannen te verlenen aan de pensioenfondsen die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op 31 december 2009, te maken krijgen met zodanige tegenvallers in de uitvoering van de lopende herstelplannen dat aan extra maatregelen niet valt te ontkomen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de (gedempte) kostendekkende premie voor 2011 voor het eerst op basis van de nieuwe parameters bepaald zal moeten worden. Voorts is de Commissie unaniem van mening dat de samenhang tussen de regels rond risico en rendement nadere aandacht verdient in de evaluatie van het Financieel toetsingkader (FTK). Dit geldt ook voor de consistentie tussen het gemaximeerde rendement voor vastrentende waarde en de rentetermijnstructuur die wordt gebruikt voor het disconteren van de verplichtingen van pensioenfondsen.

Bijlage 2: rapport commissie Frijns
De commissie heeft op verzoek van Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek gedaan naar de wijze waarop het beleggingsbeleid, het risicobeheer, de uitvoering en governance van pensioenfondsen zich sinds 1990 heeft ontwikkeld in relatie tot de doelstelling en het risicodraagvlak van pensioenfondsen.

Op basis van dit onderzoek, waarbij vooral naar de structurele ontwikkelingen is gekeken, heeft de commissie aanbevelingen geformuleerd, met name voor het bestuur van pensioenfondsen.


1. Analyse

Pensioenfondssector is kwetsbaar en die kwetsbaarheid neemt toe.

Door een combinatie van ontwikkelingen is de kwetsbaarheid van pensioenfondsen toegenomen.

- De ontgroening en vergrijzing van de bevolking stellen pensioenfondsen voor grote uitdagingen. Een langere levensduur bij gelijkblijvende leeftijd van pensionering maakt pensioen duurder. De vergrijzing maakt pensioenfondsen kwetsbaarder en tast het herstelvermogen aan. Het aandeel van de premie-inkomsten neemt af ten opzichte van de pensioenverplichtingen en de looptijd (duration) van de pensioenverplichtingen loopt terug. De pensioenpremies kunnen steeds minder worden ingezet als sturingsmiddel.

- Pensioenfondsen zijn “ageing giants”: meer dan 60% van het totale pensioenvermogen is bestemd voor pensioenen, die al zijn ingegaan of die binnen 10 jaar zullen ingaan. Dit betekent dat hun beleggingshorizon korter wordt en daarmee ook hun vermogen om te herstellen van negatieve beleggingsresultaten. Bij grote schokken op financiële markten kunnen ageing giants veranderen in “sinking giants”: instellingen die niet meer in staat zijn hun verplichtingen na te

komen.

- Pensioenfondsen zijn afhankelijker geworden van financiële markten. Zij zijn steeds meer gaan beleggen in zakelijke waarden als aandelen, vastgoed en alternatieve beleggingen. Dit is deels voortgekomen uit de noodzaak om een hoger rendement te behalen, om de pensioenkosten laag te houden. Daardoor is ook het risicoprofiel van pensioenfondsen (aanzienlijk) toegenomen. Tegelijkertijd wordt verwacht dat pensioenfondsen de opgebouwde pensioenrechten beschermen en de nominale dekkingsgraad op peil houden. In tijden van crisis kan het toegenomen risicoprofiel leiden tot forse dalingen van de dekkingsgraad van pensioenfondsen, zoals ook in 2008 is gebeurd. Crises zullen blijven voorkomen en het is dus van belang om daarmee rekening te houden.



- Een belangrijke oorzaak van de gedaalde dekkingsgraden van pensioenfondsen is de daling van de rente waarmee zij de toekomstige pensioenuitkeringen contant maken naar het heden.

Sinds de introductie van het Financiële toetsingskader (FTK) in 2007 zijn pensioenfondsen verplicht hun (nominale) verplichtingen te waarderen op basis van de marktrente (de rentetermijnstructuur). Daardoor is hun (nominale) dekkingsgraad gevoelig geworden voor veranderingen van de marktrente. Bij extreme dalingen van de marktrente, zoals in 2008, leidt dit ook tot extreme stijgingen van de waarde van de verplichtingen.

Er is sprake van grote heterogeniteit in de pensioensector. Pensioenfondsen verschillen sterk in omvang, achtergrond van de aangeslotenen, de mate van vergrijzing, de dekkingsgraad, de pensioenregelingen die ze uitvoeren en de governance.


Structureel te weinig aandacht voor risicobeleid en uitvoering beleggingsbeleid

De toegenomen kwetsbaarheid van pensioenfondsen betekent dat risicobeleid steeds belangrijker wordt. De meeste pensioenfondsen hebben echter nog te weinig aandacht voor structureel risicobeleid en uitvoering van beleggingsbeleid; de commissie constateert tevens dat het beleggingsbeleid veelal rendementsgedreven is.

Pensioenfondsen richten zich bij hun beleggingsbeleid vooral op de strategische en tactische besluiten. Dit betekent dat keuzes worden gemaakt ten aanzien van de categorieën waarin wordt belegd, hoe de beleggingen over verschillende regio’s worden verdeeld en welke risico’s eventueel worden afgedekt. De uitvoering van het vermogensbeheer is massaal uitbesteed. De risico’s van en de ‘grip’ op uitbesteding krijgen te weinig aandacht. Echter, in de implementatie van het beleggingsbeleid, zeker wanneer dit wordt uitbesteed, schuilen veel risico’s, doordat sprake is asymmetrische informatie en verschil in belangen van uitbesteder en uitvoerder. Bij de implementatie van het beleggingsbeleid kunnen substantiële verliezen worden geleden, die worden aangeduid als ‘implementation shortfall’.
Reëel kader moet leidend zijn

Pensioenfonds heeft reële doelstelling

Pensioenfondsen voeren in de meeste gevallen een pensioenregeling uit waarin de opgebouwde nominale pensioenaanspraken onvoorwaardelijk worden toegezegd en de toekomstige indexaties voorwaardelijk. Deelnemers verwachten echter dat hun pensioenaanspraken min of meer gelijke tred zullen houden met de prijsontwikkeling. Vanuit het perspectief van de deelnemer is alleen een geïndexeerd pensioen in economische zin waardevol. Het opgebouwde nominale pensioen van deelnemers tot 40 jaar heeft op de ingangsdatum naar verwachting circa de helft van de koopkracht verloren als er tussentijds niet wordt geïndexeerd. Ook pensioenfondsen vinden dat koopkrachtbehoud de norm is en dat onvolledige indexatie de uitzondering zou moeten zijn.


Nominale dekkingsgraad krijgt teveel nadruk

De wettelijke dekkings- en financieringseisen voor pensioenfondsen hebben alleen betrekking op onvoorwaardelijke verplichtingen. De Nederlandsche Bank (DNB) toetst, op grond van het FTK, de financiële positie van pensioenfondsen vanuit een nominale invalshoek. Voorwaardelijke pensioenaanspraken, zoals toekomstige indexaties, blijven dan buiten beeld.

Een gevolg van dit nominale toetsingskader is dat pensioenfondsen relatief eenzijdig zijn gericht op het nominale risico en zullen trachten het nominale dekkingsgraadrisico te beheersen. Hierdoor kunnen de ontwikkeling van de reële dekkingsgraad en van het reële dekkingsgraadrisico negatief beïnvloed worden. Het in 2007 ingevoerde FTK, dat op zichzelf een positieve en disciplinerende werking heeft gehad, is op dit punt te eenzijdig en dient verder ontwikkeld te worden. De commissie is van mening dat, gezien het grote maatschappelijke belang van indexatie, het reële kader leidend moet zijn bij het risicomanagement en het beleggingsbeleid van het pensioenfonds.

Met andere woorden het fonds heeft een reële doelstelling en de nominale dekkingsgraad is slechts een randvoorwaarde waaraan op basis van externe regelgeving moet worden voldaan.

Het meten en beheersen van het tussentijds solvabiliteitsrisico is zeer belangrijk. Immers, de tussentijdse solvabiliteit geeft belangrijke informatie over de kansverdeling van het uiteindelijk te behalen pensioenresultaat. Dit is vooral van belang voor vergrijzende pensioenfondsen. Hun afnemende tijdshorizon vergt tijdig bijsturen.
Specifieke karakteristieken pensioenfondsen nog onvoldoende vertaald in beleggingsbeleid

Pensioenfondsen hebben op de lange termijn te maken met een reële doelstelling ten aanzien van de te verstrekken pensioenuitkeringen en tussentijds met het nominale dekkingsgraadrisico. Veel pensioenfondsen baseren hun beleggingsbeleid op ofwel het lange termijn rendement of op het tussentijdse dekkingsgraadrisico. De commissie heeft evenwel geen statistisch significant verband kunnen vinden tussen het beleggingsbeleid en de kenmerken van het pensioenfonds, zoals de mate van vergrijzing en hoogte van de dekkingsgraad. Uit gesprekken met experts en andere betrokkenen is de commissie gebleken dat een aantal pensioenfondsen in deze geen bestendige gedragslijn volgt en op basis van tussentijdse ontwikkelingen de richting van het beleggingsbeleid verlegt.


Maatschappelijk verantwoord handelen nog geen geïntegreerd onderdeel van risicobeleid en beleggingsbeleid

Met het toenemen van het belegd vermogen van pensioenfondsen is ook de aandacht voor de maatschappelijke rol van het pensioenfonds als belegger toegenomen. De wettelijke opdracht van het pensioenfonds houdt in dat het pensioenvermogen wordt aangewend voor het zorg dragen voor een goed en veilig pensioen. Daarom ontkomt het pensioenfonds er niet aan zich rekenschap te geven van de bredere maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Samenleving en politiek verwachten van ondernemingen maar net zo goed van pensioenfondsen expliciete aandacht voor duurzaamheid, zowel op het gebied van milieu en klimaat als op het gebied van mensenrechten en sociale verhoudingen. Naast deze externe legitimering van maatschappelijk verantwoord beleggen zijn er interne redenen. In de eerste plaats gaat het daarbij om de preferenties van de deelnemers; deze dienen verankerd te worden in het beleid van het pensioenfonds, ook op het gebied van beleggingen.

Daarnaast heeft het fonds als lange termijn belegger direct te maken met de consequenties van nietduurzame ecologische, economische of sociale ontwikkelingen op de toekomstige waarde van de beleggingen. Duurzaamheidbeleid moet daarom onderdeel uitmaken van het risico- en

beleggingsbeleid.


Governancemodel behoeft verbetering

De uitdagingen waar pensioenfondsen zich voor gesteld zien hebben forse bestuurlijke consequenties. De toenemende complexiteit legt de bestuurlijke lat steeds hoger. In het rapport zijn de uitdagingen voor het pensioenfonds en de bijbehorende ‘common practices’ op systematische wijze in kaart gebracht. De vraag is hoe daar bestuurlijk mee om te gaan.

Besturen moeten zelfstandig de afweging maken tussen verwacht rendement en de bepaling wat een acceptabel risico is, gegeven het pensioencontract, het risicodraagvlak en de risicobereidheid van de deelnemers en overige belanghebbenden van het pensioenfonds. Zij moeten zelfstandig de richting kunnen bepalen en tijdig de nodige initiatieven nemen om het beleid bij te sturen. De bestuurlijke rol is de afgelopen jaren gewijzigd van een paternalistisch trustee model naar een democratisch trustee model waarin deskundigheid, transparantie van en verantwoording over bestuurlijk handelen centraal staan. Niet de samenstelling maar de positie en rolinvulling van het bestuur zijn bepalend. Kernpunten daarvan zijn daadwerkelijke onafhankelijkheid en deskundigheid. De complexiteit en de omvang van de bestuurlijke taken vergt een adequate en professionele ondersteuning. Voor kleine pensioenfondsen wordt dat al snel een dure zaak. Pensioenfondsen zullen regelmatig het bestuurlijke functioneren moeten evalueren, met name op de hierboven genoemde kernpunten. Communicatie en verantwoording via website en jaarverslag behoren eveneens tot kerntaak van het bestuur.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina