Officieuze coördinatie van het provinciedecreet



Dovnload 1.9 Mb.
Pagina1/33
Datum16.08.2016
Grootte1.9 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   33


Officieuze coördinatie van het provinciedecreet
Hierbij de officieuze gecoördineerde versie van het provinciedecreet op basis van het provinciedecreet van 9 december 2005 (BS 29 december 2005) en de wijzigingen aan het provinciedecreet van 2 juni 2006 (BS 30 juni 2006), 22 december 2006 (BS 29 december 2006), 20 juni 2008 (23 juli 2008) , decreet tot wijziging regeling van de provincieraadsverkiezingen en Gemeentekieswet van 30 april 2009 (BS 22 mei 2009) , 30 april 2009 (BS 19 juni 2009), decreet tot wijziging van het decreet ruimtelijke ordening (BS 15 mei 2009), art. 57, §1, 2de lid van het PD en het erratum gepubliceerd in het BS van 5 december 2008 bij het art. 99 PD, decreet houdende aanstelling van erkende landmeters van 10 december 2010 (BS 21 december 2010) , het decreet houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen van 8 juli 2011 (BS 25 augustus 2011) en 6 juli 2012 (BS 3 augustus 2012).

TITEL I – ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1: materie

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Commentaar:

Overeenkomstig artikel 19, §1, tweede lid van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen

van 8 augustus 1980 (hierna “BWHI) dient het ontwerp van decreet te vermelden of het een gewest of

een gemeenschapsaangelegenheid betreft. Huidig ontwerp betreft hoofdzakelijk

gewestaangelegenheden, waarbij het Vlaamse Gewest bevoegd is op grond van artikel 6, §1, VIII

van de BWHI, zoals gewijzigd bij bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse

bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.

Aangezien sommige bepalingen van het ontwerp evenwel ook gemeenschapsaangelegenheden

betreffen, wordt hiernaar ook verwezen in dit artikel.

__________________________________________________________________________________________

Artikel 2: missie

Tot 31 december 2013

De provincies zijn het intermediair beleidsniveau tussen het Vlaamse en het gemeentelijke

niveau. De provincies beogen om op het provinciale niveau bij te dragen tot het welzijn van

de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het provinciale gebied.

Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet zijn ze bevoegd voor de regeling

van de provinciale belangen. Tot die provinciale belangen behoren met name :

1° de bovenlokale taakbehartiging. Een taakbehartiging is bovenlokaal als ze

aangelegenheden van lokaal gemeentelijk belang overstijgt, voorzover ze streekgericht

blijft en gericht is op realisaties binnen de grenzen van het grondgebied van de

provincie;

2° ondersteunende taken op verzoek van andere overheden;

3° het nemen van initiatieven met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen

besturen in een regio, met inbegrip van samenwerkingsverbanden met of zonder

rechtspersoonlijkheid, binnen de grenzen vastgelegd door de Vlaamse Regering, zonder

afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke

samenwerking.

Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980

tot hervorming der instellingen en artikel 46 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot

hervorming der instellingen, oefenen de provincies ook de bevoegdheden uit die hen door of

krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.

Enkel als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.

Vanaf 1 januari 2014

[§1. De provincies zijn het intermediair beleidsniveau tussen het Vlaamse en het gemeentelijke niveau. De provincies beogen om op het provinciale niveau bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van het provinciale gebied.

§2. Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet zijn de provincies bevoegd voor de regeling van de provinciale belangen. Tot die provinciale belangen behoren met name:

1° de bovenlokale taakbehartiging. Een taakbehartiging is bovenlokaal als ze aangelegen- heden van lokaal gemeentelijk belang overstijgt, voor zover ze streekgericht blijft en gericht is op realisaties binnen de grenzen van het grondgebied van de provincie;

2° ondersteunende taken op verzoek van andere overheden;

3° het nemen van initiatieven met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio, met inbegrip van samenwerkingsverbanden met of zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de grenzen, vastgelegd door de Vlaamse Regering, zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.

Alleen als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.

§3. Inzake de aangelegenheden vermeld in de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen oefenen de provincies slechts de bevoegdheden en taken uit indien en voor zover hen die door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.

Voor zover dit bij decreet is bepaald, oefenen de provincies deze bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen opgenomen in een bestuursakkoord afgesloten tussen de Vlaamse Regering en de provincies. De Vlaamse Regering sluit hiertoe een bestuursakkoord met elk

van de vijf provincies. Deze bestuursakkoorden bevatten zowel een algemeen luik, identiek in de vijf bestuursakkoorden, als een specifiek luik, afgestemd op de betrokken provincie.

De bestuursakkoorden worden gesloten voor een periode van zes jaar. Ze starten op 1 januari van het tweede jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en lopen af op 31 december van het jaar na de volgende provincieraadsverkiezingen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de inhoud en de procedure voor de opmaak, het afsluiten en de evaluatie van de bestuursakkoorden.] (Gewijzigd bij decreet 6 juli 2012; B.S. 3 augustus 2012)

Commentaar:

In het eerste lid van het artikel wordt nader omschreven wat de algemene doelstelling is van het

provinciaal belang. In de volgende leden wordt omschreven hoe deze algemene doelstelling wordt

vertaald in specifieke taken en wordt de relatie tussen het provinciaal bestuursniveau met de andere Vlaamse overheden geduid.

De provincies kunnen zelf oordelen over wat zij van provinciaal belang achten, op voorwaarde dat

die materies hen niet door of krachtens de Grondwet, wetten of decreten zijn onttrokken. De notie

van provinciaal belang zoals voorzien in de artikelen 41 en 162 van de Grondwet berust niet zozeer op het administratief territorium van een provincie maar op de bovenlokale taakbehartiging en belangenafweging.

In het bestuursakkoord van 25 april 2003 punt 4.3. worden de taken van het provinciaal

bestuursniveau als volgt geduid de begrippen bovenlokale taakbehartiging, ondersteunende taken en gebiedsgerichte samenwerking

Bovenlokale taakbehartiging

Het begrip bovenlokaal moet duidelijk worden gedefinieerd en onderscheiden van

intergemeentelijke samenwerking én van gedeconcentreerde, al dan niet verzelfstandigde, Vlaamse diensten. Deze zijn hulpstructuren respectievelijk van de gemeenten en van de Vlaamse overheid.

Deze hulpstructuren kunnen niet dienen om verdelings- of keuzevraagstukken van bovenlokale aard te beslechten. Zij worden opgericht voor de doelmatige uitoefening van welomschreven taken van gemeentelijk of Vlaams belang. De rechtstreekse band met de gemeenten of de Vlaamse overheid moet hierbij gevrijwaard blijven. Van zodra enkele gemeenten iets samen doen, betekent dit niet dat het bovenlokaal is. In eerste instantie moet worden uitgemaakt of een bevoegdheid een lokale aangelegenheid is. In dat geval kan deze bevoegdheid ook intergemeentelijk worden uitgeoefend: dit is dus duidelijk niet bovenlokaal. Enkele criteria om het bovenlokale karakter te bepalen (niet noodzakelijk cumulatief te gebruiken):

- het moet gaan om een taak of bevoegdheid die niet lokaal is

- het moet gaan om een beleidsmaterie die effecten heeft op meerdere gemeenten uit de provincie.

Het moet gaan om een beleidsmaterie waar de belangentegenstelling tussen de gemeenten onderling groot is en waarover een beslissing moet worden genomen die een verdelingsvraagstuk inhoudt het moet gaan om een beslissingsbevoegdheid als beroepsinstantie

Ondersteunende taken

Dit kan enkel onder de voorwaarde dat lokale besturen dat echt vragen. Hierbij kan ook een

onderscheid worden gemaakt naargelang de grootte van de gemeente: zo zullen kleinere gemeenten gemakkelijker een beroep doen op provinciale ondersteuning wat op zich positief is. Wel moet deze provinciale ondersteuning aan een aantal criteria voldoen:

- de lokale besturen zijn vragende partij waarbij de provincies een aanbod kunnen doen

ondersteuning gericht op maatwerk voor het lokaal bestuur én op versterking van de bestuurskracht van gemeente/OCMW, dus geen afhankelijkheid creëren;

- tijdelijk van aard: juist gericht op het feit dat de bestuurskracht van het lokaal bestuur versterkt

wordt zodat men na een tijd de verantwoordelijkheid ten volle zelf kan nemen.

Gebiedsgerichte samenwerking

Een apart aandachtspunt vormt de gebiedsgerichte samenwerking. Naast de eigenheid van de drie

verkozen bestuursniveaus is het samenwerken tussen de besturen een belangrijke noodzakelijkheid.

De laatste jaren wordt hierbij meer en meer aandacht besteed aan de methode van de

gebiedsgerichte samenwerking.

Relevante partners (verkozen besturen, derden) worden afhankelijk van een maatschappelijk

(complex) probleem op een georganiseerde wijze procesmatig ingezet en samengebracht om te

komen tot een gepaste oplossing. Hierbij wordt op basis van concrete afspraken (wie doet wat?, wie betaalt wat?) integrerend samengewerkt binnen het afgebakend gebied waar het probleem zich voor doet. Afspraken krijgen hun neerslag in een beheersovereenkomst. De verschillende partners staan enerzijds in voor de uitvoering van de door hun opgenomen engagementen en anderzijds voor de terugkoppeling van hun verantwoordelijkheden naar de respectievelijke raden.

Omwille van deze gebiedsgerichte benadering dienen de provinciebesturen vanuit hun profiel

bijzondere aandacht te hebben voor deze gezamenlijke methodiek. Zij kunnen daarbij, evenmin als de andere partners, het alléénrecht op het project opeisen.’

Artikel 2, tweede lid, 3°, bepaalt dat de provincies de mogelijkheid hebben initiatieven te

ontwikkelen met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio. Het artikel bepaalt echter uitdrukkelijk dat de hierin beschreven samenwerkingsverbanden moeten kaderen binnen de grenzen vastgelegd door de Vlaamse Regering. Het besluit dat hier wordt bedoeld mag echter geen afbreuk doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking.

De Vlaamse Regering zou er echter kunnen voor opteren de grenzen, waarvan sprake in dit artikel,

te laten vastleggen in een decreet op de interbestuurlijke samenwerking dat wordt aangekondigd in

het bestuursakkoord van 25 april 2003. Hierover zegt dit bestuursakkoord: “de Vlaamse Regering

zal werk maken van de opmaak van een decreet op de interbestuurlijke samenwerking die bepaalde verhoudingen en afspraken tussen de bestuuursniveaus generiek (over de beleidsdomeinen heen) zal vastleggen; In dit decreet op de interbestuurlijke samenwerking zullen in elk geval de afspraken met betrekking tot de beheersovereenkomsten, zoals bepaald in dit bestuursakkoord, opgenomen worden. Bij de redactie van het decreet zal nagegaan worden of er al dan niet nood is aan een generiek juridisch kader. Dit eventuele kader mag geenszins de principes zoals voorzien in het decreet op de intergemeentelijke samenwerking uithollen. Een werkgroep wordt opgericht om een basistekst uit te werken”.

Net zoals voor de gemeentelijke overheid is ook het subsidiariteitprincipe zoals uitgewerkt in het

Europees Handvest inzake lokale autonomie van toepassing op het provinciaal bestuursniveau. Wat niet omwille van doelmatigheid en/of kostenbesparing op gemeentelijk niveau gestalte kan krijgen dient verder afgetoetst en eventueel toegewezen te worden op provinciaal niveau.

De provincies kunnen daarnaast bij wet of decreet ingeschakeld worden voor het verlenen van hun

medewerking aan taken van algemeen belang.

De provincies kunnen de medewerking van de gemeenten enkel regelen wanneer dit bij decreet

uitdrukkelijk is bepaald. Aan elke concrete uitvoeringsopdracht vanwege de provincie aan de

gemeente moet dus een specifiek decreet ten grondslag liggen. Deze bepaling doet echter geen

afbreuk aan de mogelijkheid voor de gemeente om, in het kader van het aangaan van

interbestuurlijke relaties, met de provincie overeenkomsten te sluiten.

_________________________________________________________________________________________

Artikel 3: participatie van de burger

De provincies verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige

uitoefening van de provinciale bevoegdheden.

Ze betrekken de inwoners zo veel mogelijk bij het beleid en zorgen voor openheid van

bestuur.

Commentaar:

Dit artikel geeft een aantal belangrijke principes weer die de provincies bij de uitoefening van hun

bevoegdheden verzekeren. Ook hier betreft het een opdracht- of intentieverklaring, waarbij

evenwel geenszins subjectieve rechten worden gecreëerd in hoofde van de rechtsonderhorigen



___________________________________________________________________________________________Artikel_4:_toepassingsgebied'>__________________________________________________________________________________________

Artikel 4: toepassingsgebied

Dit decreet is van toepassing op alle provincies van het Vlaamse Gewest.

Commentaar:

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.



TITEL II – HET PROVINCIEBSTUUR

HOOFDSTUK I - De provincieraad

AFDELING I - De organisatie van de provincieraad

Artikel 5: aantal provincieraadsleden



Tot 2 december 2012

§1. De provincieraad vertegenwoordigt de hele bevolking van de provincie. Hij bestaat, met



inbegrip van de leden van de deputatie van de provincieraad die als provincieraadslid werden

verkozen, uit :

1° 75 leden in provincies met minder dan 1 000 000 inwoners;

2° 84 leden in provincies met 1 000 000 of meer inwoners.

§2. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de provincieraadsverkiezingen zullen plaatsvinden,

stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen provincieraadsleden per

provincie op basis van de bevolkingsaantallen van de provincies die, overeenkomstig artikel

1bis, vierde lid, van de Provinciewet, door de minister van Binnenlandse Zaken [ zijn vastgesteld en ] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009) in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt en wordt opdracht gegeven tot bekendmaking van de lijst in het Belgisch Staatsblad. Het inwonertal dat in aanmerking moet worden genomen, is

het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op

1 januari van het jaar van de provincieraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de

gemeenten van de desbetreffende provincies hadden.

[Het bevolkingsaantal op 1 januari, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt, met behoud van de toepassing van het eerste lid, vanaf 1 januari volgend op de bekendmaking ervan, in aanmerking genomen als bevolkingscijfer in dit decreet.] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009)



Vanaf 3 december 2012

§ 1. De Provincieraad vertegenwoordigt de hele bevolking van de provincie. Hij bestaat, met inbegrip van de leden van de deputatie van de provincieraad die als provincieraadslid werden verkozen, uit :

1° 63 leden in provincies met minder dan 1 000 000 inwoners;

2° 72 leden in provincies met 1 000 000 of meer inwoners.

§ 2. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de provincieraadsverkiezingen zullen plaatsvinden, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen provincieraadsleden per provincie op basis van de bevolkingsaantallen van de provincies. Het inwonertal dat in aanmerking moet worden genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de provincieraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de gemeenten van de desbetreffende provincies hadden.

Het bevolkingsaantal op 1 januari, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt, met behoud van de toepassing van het eerste lid, vanaf 1 januari volgend op de bekendmaking ervan, in aanmerking genomen als bevolkingscijfer in dit decreet.



Commentaar:

§1. De provincieraad wordt geacht niet enkel degenen te vertegenwoordigen die hem hebben

verkozen, maar wel de gehele bevolking van de provincie. Het aantal provincieraadsleden wordt niet gewijzigd.

§2. Het vaststellen van het aantal te verkiezen provincieraadsleden is een bevoegdheid van het

Vlaamse Gewest. Het vaststellen van de bevolkingsaantallen is een federale bevoegdheid. Artikel

1bis van de Provinciewet wordt voor het Vlaamse Gewest dan ook worden opgeheven behalve voor wat betreft het vaststellen van de bevolkingsaantallen van de provincies en de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Overeenkomstig artikel 1bis, 4de lid van de Provinciewet moeten de bevolkingsaantallen van de provincies door de minister van binnenlandse zaken ten laatste op 1 mei van het verkiezingsjaar moeten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering dient overeenkomstig artikel 5 van dit decreet op haar beurt uiterlijk op 1 juni de lijst van het aantal te verkiezen provincieraadsleden per provincie op te stellen en opdracht te geven tot bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.



Hersteldecreet 30 april 2009

Wat betreft de toevoeging van een tweede lid in de tweede paragraaf is het aangewezen behoudens voor het bepalen van het aantal leden van de provincieraden, het bevolkingscijfer te steunen op de jaarlijkse bekendmaking van het bevolkingsaantal in het Belgisch Staatsblad.



__________________________________________________________________________________________

Artikel 6: provincieraadsverkiezingen

§1. De provincieraad wordt om de zes jaar volledig vernieuwd. De leden worden rechtstreeks

verkozen. Zij zijn herverkiesbaar. De verkiezingen geschieden per district. Een district bevat

één of meer kieskantons […].

(Gewijzigd bij decr. 2.6.2006 - art. 2 - B.S. 30.6.2006 - datum inwerkingtreding 2.6.2006)

Ieder district telt zoveel keer een raadslid als de provinciale deler in zijn bevolkingscijfer

begrepen is. Die deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van de provincie te delen

door het totaal van de toe te kennen zetels. De overblijvende zetels worden toegewezen aan de

districten met het grootste nog niet vertegenwoordigde bevolkingsoverschot.

[De lijst van de districten en de aanwijzing van de districthoofdplaats wordt vastgesteld in de

tabel die als bijlage bij dit decreet is gevoegd. De verdeling van de raadsleden over de

kiesdistricten wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Vlaamse

Regering voor elk kiesdistrict in overeenstemming gebracht met de bevolking op basis van de

bevolkingscijfers, vastgesteld overeenkomstig artikel 5.]



(Derde lid vervangen bij decr. 2.6.2006 - art. 2 - B.S. 30.6.2006 - datum inwerkingtreding 2.6.2006)

Die lijst wordt uiterlijk vijf maanden voor de volledige vernieuwing van de provincieraden in

het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

§2. Na een volledige vernieuwing van de provincieraad blijven de uittredende

provincieraadsleden in functie tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen

provincieraadsleden onderzocht zijn en [tot de installatie van de meerderheid van de provincieraadsleden] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009) heeft plaatsgehad.



Commentaar:

§1. De rechtstreekse verkiezing van de leden van de provincieraden wordt gewaarborgd in artikel 162, tweede lid, 1° GW. Wie provincieraadskiezer is, d.w.z. wie beschikt over het actief stemrecht voor de provincieraad, wordt bepaald in de provinciekieswet.

§2. De uittredende provincieraadsleden blijven dus in functie totdat de nieuw verkozen provincieraadsleden de eed hebben afgelegd. De provincieraadsverkiezingen impliceren een volledige vernieuwing van de provincieraad. Er is sprake van een gedeeltelijke vernieuwing van de provincieraad bv. in geval van ontslag van een provincieraadslid.

Aanvullende memorie van toelichting artikel 6 (decreet 2 juni 2006, BS 30 juni 2006)

Met deze wijziging wordt in het provinciedecreet de rechtsbasis opgenomen inzake de vaststelling van de kiesdistricten ter gelegenheid van de volledige vernieuwing

van de provincieraden. Dit gebeurt door de tabel die de lijst van de kiesdistricten en de districthoofdplaats vaststelt als bijlage bij het decreet te voegen.

Om de transparantie te bevorderen, wordt ook de verwijzing in artikel 6, §1, naar het Kieswetboek

geschrapt en wordt in de tabel ook aangegeven welke gemeenten tot een kieskanton behoren. De tabel met de indeling van de districten werd tot nu toe vastgesteld

in artikel 2 van de provinciewet.

De verdeling van de raadsleden over de kiesdistricten wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Vlaamse Regering voor elk kiesdistrict in overeenstemming gebracht met de bevolking op basis van de bevolkingscijfers die ook van toepassing

zijn voor het bepalen van het aantal provincieraadsleden, vastgesteld in artikel 5 van het provinciedecreet.

Hersteldecreet 30 april 2009

De wijziging opgenomen in artikel 6, §2, van het provinciedecreet betreft een precisering van de tekst. Nu wordt bepaald dat de uittredende provincieraadsleden in hun functie blijven tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen provincieraadsleden onderzocht zijn en de meerderheid ervan geïnstalleerd is.

Met installatie van de provincieraadsleden wordt bedoeld dat deze leden hun eed hebben afgelegd. De provincieraad wordt dan ook geacht bij haar algehele vernieuwing geïnstalleerd te zijn zodra de op de installatievergadering aanwezige nieuw verkozen provincieraadsleden in de mogelijkheid gesteld zijn om de eed af te leggen en de meerderheid van de provincieraadsleden de eed heeft afgelegd.

Commentaar uit omzendbrief hersteldecreet

de installatievergadering:

- Uittredende provincieraadsleden blijven in functie tot enerzijds de geloofsbrieven van de nieuw verkozenen zijn onderzocht en anderzijds, en dit betreft een vernieuwing, tot de meerderheid van de provincieraadsleden is geïnstalleerd. Dit betreft een precisering tegenover vroeger. De raad is geïnstalleerd zodra de geloofsbrieven zijn onderzocht en de aanwezige nieuw verkozen provincieraadsleden in de mogelijkheid gesteld zijn om de eed af te leggen en de meerderheid dan ook de eed heeft afgelegd.

(artikel 6, §2, van het Provinciedecreet, gewijzigd door artikel 3 van het wijzigingsdecreet)



Artikel 7: organisatie eerste zitting

§1. [De verkozen provincieraadsleden worden, voor de goede orde, door de provinciegriffier ten minste acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering.

De installatievergadering van de provincieraad vindt van rechtswege plaats in het provinciehuis, om 10 uur, op de eerste werkdag van de maand december.

Elke dag van de week, behalve zaterdag, zondag en wettelijke en decretale feestdagen, is een werkdag.] ( decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009)

Ingeval bezwaar werd ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig werd

verklaard, worden de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de

provincieraad bijeengeroepen op de installatievergadering binnen tien dagen na de dag

waarop de uitslag van de verkiezing definitief is.

[Als bezwaar werd ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig

werd verklaard en er een nieuwe verkiezing gehouden moet worden, worden de nieuw

verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de provincieraad bijeengeroepen op de

installatievergadering binnen tien dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe

verkiezing definitief is.]

(Derde lid ingevoegd bij decr. van 2.6.2006 - art. 3 - B.S. 30.6.2006 - datum inwerkingtreding 5.9.2006 cf. Besl. Vl. Reg.1.9.2006 - art. 1, 1° en art. 3 - B.S. 5.9.2006)

[Als de nieuw verkozen raadsleden niet zijn bijeengeroepen overeenkomstig de voormelde bepalingen, gebeurt de bijeenroeping door een uittredend lid van de deputatie volgens hun rangorde.] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009)

[Als de installatie van de provincieraad ten gevolge van een wijziging van de zetelverdeling

niet van rechtswege kan plaatsvinden overeenkomstig het eerste lid, worden de nieuw

verkozen raadsleden bijeengeroepen overeenkomstig het [vierde en het zesde lid] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009) nadat de zetelverdeling definitief is.]

(Vierde lid ingevoegd bij decr. van 2.6.2006 - art. 3 - B.S. 30.6.2006 - datum inwerkingtreding 5.9.2006 cf. Besl. Vl. Reg.1.9.2006 - art. 1, 1° en art. 3 - B.S. 5.9.2006)

§2. De uittredende voorzitter van de provincieraad zit de installatievergadering voor. Hij blijft

voorzitter van de provincieraad tot een nieuwe voorzitter verkozen is. Indien de uittredende

voorzitter van de provincieraad de installatievergadering niet kan voorzitten, wordt ze

voorgezeten door een uittredend lid van de provincieraad dat opnieuw verkozen werd, en dat

de hoogste anciënniteit als provincieraadslid bezit of, bij gelijke anciënniteit, door de oudste

van hen.

§3. De provincieraad onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen provincieraadsleden. De

verkozen provincieraadsleden van wie de geloofsbrieven werden goedgekeurd, leggen, vóór

ze het mandaat aanvaarden, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de

voorzitter van de installatievergadering : « Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat

trouw na te komen. De uittredende voorzitter van de installatievergadering legt, indien hij

herkozen is als provincieraadslid, de eed af in handen van het provincieraadslid dat de meeste

anciënniteit bezit of bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen.

[…] (Opgeheven bij decreet 6 juli 2012; BS 3 augustus 2012)

§4. De verkozen provincieraadsleden worden geacht afstand te hebben gedaan van hun

mandaat indien zij :

1° aanwezig zijn op de installatievergadering en weigeren de eed vermeld in § 3, af te

leggen;

2° afwezig zijn op de installatievergadering en, na een uitdrukkelijke oproep, zonder



geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering.

§5. [Als de voorzitter van de provincieraad, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de voorzitter, nalaat de eed af te nemen van de verkozen provincieraadsleden op de installatievergadering of, bij vervanging van een lid, na de installatievergadering uiterlijk op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, wordt de eed afgenomen door een gedeputeerde volgens hun rangorde.] (decreet 30 april 2009, BS 19 juni 2009)





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   33


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina