Officieuze coordination officieuse



Dovnload 302.58 Kb.
Pagina2/5
Datum20.08.2016
Grootte302.58 Kb.
1   2   3   4   5

Art. 16. Het contract maakt melding van het personeelslid (de personeelsleden) dat (die) de maatschappelijk werker vervangt (vervangen) in de gevallen dat deze tijdelijk verhinderd is. Wordt de maatschappelijk werker definitief van het dossier ontlast, dan deelt het centrum dit schriftelijk aan de betrokkene mede met vermelding van de naam van diens vervanger.

Art. 17. Het contract eindigt van rechtswege op de dag dat het centrum, wegens de wijziging van de verblijfplaats van de rechthebbende, niet langer bevoegd is om het leefloon te verstrekken.

Op verzoek van de betrokkene en met de instemming van de betrokken centra, wordt het contract niettemin voortgezet volgens de in onderlinge overeenstemming bepaalde modaliteiten.

Ofwel op verzoek ofwel van de rechthebbende, ofwel op initiatief van het centrum en met de instemming van de betrokkene, wordt het contract bezorgd aan het centrum dat bevoegd is geworden om het leefloon te verstrekken.

Art. 18. Op initiatief van de verantwoordelijke van de sociale dienst, maakt het centrum ten minste eens per jaar een globale evaluatie van de resultaten van de contracten houdende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.

De voorzitter van het centrum zorgt ervoor dat een samenvatting van de evaluatie van de integratiecontracten en van de resultaten inzake tewerkstelling wordt gegeven in het jaarverslag voorgeschreven bij artikel 89 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.



Afdeling 2. Specifieke voorwaarden voor een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst.

Art. 19. Over het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6 van de wet moet onderhandeld zijn binnen de drie maanden na de indiening van de aanvraag. Dit project beschrijft de verschillende stappen en fazen die de persoon moeten voorbereiden op een beroepsactiviteit.

Art. 16. Le contrat mentionne le ou les membre(s) du personnel qui remplace(nt) le travailleur social en cas d’empêchement temporaire de celui-ci. Si le travailleur social est définitivement dessaisi du dossier, le centre en informe par écrit l’intéressé et lui communique le nom de son remplaçant.


Art. 17. Le contrat prend fin de plein droit le jour où le centre, en raison du changement de résidence du bénéficiaire, cesse d’être compétent pour accorder le revenu d’intégration.

Néanmoins, à la demande de l’intéressé et en accord avec les centres concernés, le contrat est poursuivi selon les modalités définies de commun accord.

Soit à la demande du bénéficiaire, soit à l’initiative du centre et en accord avec le bénéficiaire, le contrat est communiqué au centre qui est devenu compétent pour accorder le revenu d’intégration.

Art. 18. Le centre procède à une évaluation globale, et ce au moins une fois par an, des résultats des contrats contenant un projet individualisé d’intégration sociale.

Le président du centre veille à ce qu’une synthèse de l’évaluation des contrats d’intégration et des résultats en matière de mise à l’emploi figure dans le rapport annuel prescrit par l’article 89 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d’aide sociale.




Section 2. — Conditions spécifiques pour un projet individualisé d’intégration sociale menant, dans une période déterminée, à un contrat de travail.
Art. 19. Le projet individualise´ d’intégration sociale qui mène dans une période déterminée à un contrat de travail, tel que visé à l’article 6 de la loi, doit être négocié dans les trois mois suivant l’introduction la demande. Ce projet décrit les différentes démarches et étapes devant permettre de préparer la personne à une activité professionnelle.

Naargelang van de in artikel 15 bedoelde regelmatige evaluatie kan het project in onderlinge overeenstemming worden aangepast. De wijzigingen worden aan het oorspronkelijk project toegevoegd.

Na afloop van het project voor maatschappelijke integratie evalueert het centrum samen met de betrokkene diens bekwaamheid om arbeid aan te vatten onder de oorspronkelijk voorziene voorwaarden.

Wanneer uit de evaluatie blijkt dat de persoon de nodige vaardigheden heeft verworven om arbeid aan te vatten, bezorgt het centrum hem een passende betrekking binnen een redelijke termijn.

Afdeling 3. — Specifieke voorwaarden voor een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gericht op vorming.


En fonction de l’évaluation régulière visée à l’article 15, le projet peut être adapté de commun accord. Les modifications sont ajoutées au projet initial.

Au terme du projet d’intégration sociale, le centre évalue avec l’intéressé l’aptitude de celui-ci à commencer à travailler dans les conditions prévues initialement.

Lorsqu’il apparâit, à la suite de l’évaluation, que la personne a acquis les aptitudes nécessaires pour commencer à travailler, le centre lui procure un emploi adapté dans un délai raisonnable.
Section 3. — Conditions spécifiques pour un projet individualisé d’intégration sociale de formation.


Art. 20. Wanneer het project voorziet in het volgen van een beroepsvorming en/of het opdoen van werkervaring, ziet het centrum er op toe dat de betrokkene blijk geeft van de daartoe vereiste geschiktheid, kwalificaties en motivering.

Het contract bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden het centrum in voorkomend geval een aanvullende maatschappelijke hulp als aanmoedigingspremie toekent aan de betrokken persoon en voorziet op zijn minst dat de inschrijvingskosten, de eventuele verzekeringen, de kosten van aangepaste werkkledij en de verplaatsingsonkosten inherent aan het volgen van een beroepsvorming en/of het opdoen van werkervaring gedekt zijn door het centrum, tenzij zij ten laste genomen worden door een derde.



Afdeling 4.Specifieke voorwaarden voor een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie inzake studies met een voltijds leerplan.

Art. 21. § 1. Het contract dat tot stand komt ter uitvoering van een project van maatschappelijke integratie voor een jongere die studies met een voltijds leerplan volgt, zoals voorzien in artikel 11, § 2, a), van de wet, moet voor de ganse duur van de studies gelden en de specifieke voorwaarden waaronder het leefloon kan worden behouden verduidelijken.

Art. 20. Lorsque le projet porte sur une formation professionnelle et/ou une formation par le travail, le centre veille à ce que l’intéressé fasse preuve des aptitudes, de la qualification et de la motivation requises à cet effet.

Le contrat détermine la mesure et les conditions dans lesquelles le centre octroie, le cas échéant, une prime d’encouragement comme aide sociale complémentaire à l’intéressé et prévoit qu’au moins les frais d’inscription, les assurances éventuelles, les frais de vêtements de travail adaptés et les frais de déplacement propres à une formation et/ou à l’acquisition d’une expérience professionnelle soient couverts par le centre, sauf s’ils sont pris en charge par un tiers.



Section 4. — Conditions spécifiques pour un projet individualisé d’intégration sociale en matière d’études de plein exercice.

Art. 21. § 1er. Le contrat établi en exécution d’un projet d’intégration sociale pour un jeune qui suit des études de plein exercice, prévu à l’article 11, § 2, a), de la loi, couvre la durée des études et précise les conditions spécifiques dans lesquelles le revenu d’intégration est maintenu.

§ 2. In toepassing van de artikelen 3, 5° en 6°, en 4 van de wet moet het contract voorzien dat de jongere tegelijkertijd :

a) zijn rechten laat gelden op studietoelagen;

b) alle nodige stappen doet om te bekomen dat zijn eventuele kinderbijslag en/of onderhoudsgeld hem rechtstreeks wordt gestort wanneer er een relatiebreuk met de ouders is;

c) werkbereid is tijdens periodes die met zijn studies verenigbaar zijn tenzij gezondheids- of billijkheidsredenen dit verhinderen.

§ 3. Melding moet worden gemaakt van de te volgen vorming en van de instelling waar de vorming wordt gevolgd. In dit verband moet de student een bewijs leveren van zijn inschrijving.

§ 4. Afspraken moeten worden gemaakt over :

a) de wijze waarop het volgen van studies wordt verzekerd. Het contract moet bepalen dat de jongere de lessen regelmatig volgt, dat hij deelneemt aan de examenzittijden en alle noodzakelijke inspanningen doet om te slagen. Enkel om gezondheids- en billijkheidsredenen kan hiervan worden afgeweken;

b) de wijze waarop het centrum ondersteuning biedt op het vlak van de studies, gebeurlijk in samenwerking met de onderwijsinstelling;

c) de wijze waarop het centrum begeleiding biedt aan de jongere in geval van relatiebreuk met de ouders. In overleg met de student bepaalt het contract op welke wijze het centrum een bemiddelende rol kan opnemen;

d) de wijze waarop het centrum het voorbije studiejaar zal evalueren nadat de jongere zijn examenresultaten binnen de zeven werkdagen heeft bekendgemaakt aan het centrum. Het centrum kan professionele derden bij deze evaluatie betrekken wanneer de geschiktheid voor de studies niet vaststaat.

HOOFDSTUK V. — De berekening van de bestaansmiddelen.



§ 2. En application des articles 3, 5° et 6°, et 4 de la loi, le contrat doit prévoir que le jeune, simultanément :

a) fasse valoir ses droits aux allocations d’études;

b) entreprenne toutes les démarches nécessaires en vue d’obtenir que ses éventuelles allocations familiales et/ou pensions alimentaires lui soient versées directement lorsqu’il y a rupture des relations avec les parents;

c) soit disposé à travailler pendant les périodes compatibles avec ses études à moins que des raisons de santé ou d’équité l’en empêchent.

§ 3. La formation a` suivre et l’établissement où la formation est suivie doivent être mentionnés. A ce sujet, l’étudiant doit fournir une preuve de son inscription.

§ 4. Il doit être convenu :

a) de la manière dont le suivi des études est assuré. Le contrat doit prévoir que l’étudiant suive régulièrement les cours, qu’il participe aux sessions d’examens et qu’il fasse tous les efforts nécessaires pour réussir. Une dérogation n’est possible que pour des raisons de santé et d’équite´;

b) de la manière dont le centre apporte un soutien en matière d’études, éventuellement en collaboration avec l’établissement d’enseignement;

c) de la manière dont le centre offre un accompagnement au jeune en cas de rupture des relations avec les parents. En concertation avec l’étudiant, le contrat détermine la manière dont le centre peut avoir un rôle de médiateur;

d) de la manière dont le centre évaluera l’année d’études écoulée, après que le jeune ait communiqué ses résultats d’examens au centre dans les sept jours ouvrables. Le centre peut demander la participation de tiers professionnels à cette évaluation lorsque l’aptitude aux études n’est pas établie.

CHAPITRE V. — Le calcul des ressources




Afdeling 1. — Vrijgestelde bestaansmiddelen

Art. 22. § 1. Bij het berekenen van de bestaansmiddelen wordt geen rekening gehouden met :

a) de hulp verleend door de centra;

b) de gezinsbijslag waarvoor de betrokkene de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit ten voordele van kinderen krachtens de Belgische of een buitenlandse sociale wetgeving voor zover hij deze opvoedt en volledig of gedeeltelijk ten zijnen laste heeft;

c) het onderhoudsgeld of het voorschot op de termijn van onderhoudsgeld ontvangen ten gunste van de ongehuwde kinderen ten laste van betrokkene voor zover deze laatste hen opvoedt;

d) het gedeelte van het loon dat door de uitgever van de PWAcheques ten laste wordt genomen en overeenstemt met {4,10 EUR} per niet-ontwaarde PWA-cheque en dat aan de betrokkene wordt uitbetaald voor werkzaamheden, verricht in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst overeenkomstig de terzake geldende reglementering, evenals de eventuele eruit voortvloeiende vergoedingen;

gewijzigd door :K.B. van 1/04/03 (inwerking.op 1/03/03)

e) de productiviteits- of aanmoedigingspremies voorzien en betaald door de verschillende bevoegde overheden in het kader van de individuele beroepsopleidingen in ondernemingen, tijdens een periode van maximum zes maanden;

f) de premies en toelagen van de Gewesten voor verhuizing, installatie en huur die aan de betrokkene worden toegekend;

g) het bedrag van de studietoelagen die de specifieke studiekosten dekken en die door de Gemeenschappen aan de betrokkene zijn toegekend te zijnen gunste of ten gunste van de kinderen die hij ten laste heeft. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen wat moet verstaan worden onder specifieke studiekosten voor de toepassing van onderhavig besluit;

h) de toelagen, uitkeringen en bijslagen van de Gemeenschappen voor het onderbrengen van jongeren in een opvanggezin;

i) de presentiegelden die de betrokkene ontvangt als lid van de provincieraad, de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn;

j) de niet- regelmatige giften afkomstig van om het even welke instelling of van personen die niet met de betrokkene samenwonen en jegens hen niet tot de onderhoudsplicht gehouden zijn;

k) de frontstrepen- en gevangenschapsrenten;

l) de renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;

m) de ten laste neming voorzien door de deelgebieden van de kosten voor de niet- medische hulp- en dienstverlening verleend door derden aan een persoon met een verminderd vermogen tot zelfzorg, alsook de door de niet-beroepsmatige zorgverlener ontvangen vergoeding van de zorgbehoevende in het kader van de verstrekte niet-medische hulp- en dienstverlening;

n) de vergoedingen die door de Duitse overheid bij wijze van schadeloosstelling worden betaald voor de gevangenhouding tijdens de tweede wereldoorlog.

{o) het terugbetaalbaar belastingkrediet zoals bepaald bij artikel 134, § 3, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.}

(nieuw- KB 5/12/2004 – BS 13/12/2004 ed.2)- (1)

{ p) de forfaitaire vergoeding, bedoeld bij artikel 6, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tiot uitvoering van titel XII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002, voor zover de voogdij beperkt blijft tot het equivalent van twee voltijdse voogdijschappen per jaar.}

(nieuw- KB 5/12/2004 – BS 13/12/2004 ed.2) – (2)

[ q) de vergoedingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, vanr voornoemde wet van 3 juli 2005, die worden ontvangen als vrijwilliger. ]

( aangevuld – KB 15/02/2007 – BS 7/03/2007 – ed.2)

[ (r) de maandelijkse vergoeding betaald door de stageverstrekker aan de jonge werkzoekende stagiair in het kader van de instapstages inzake werkloosheid ]

( aangevuld – KB 17/02/2013 – BS 6.03.2013)

Voor de toepassing van b) en c) van het vorig lid wordt de ouder die de gezinsbijslag of het onderhoudsgeld ontvangt beschouwd als degene die het kind opvoedt ingeval het kind tijdelijk wordt geplaatst.

§ 2. { Wanneer het in aanmerking te nemen bedrag van de bestaansmiddelen lager is dan het bedrag van het leefloon voorzien in artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet, heeft betrokkene recht op een bijkomende vrijstelling van respectievelijk 155 EUR, 250 EUR, 310 EUR op jaarbasis, naargelang hij respectievelijk behoort tot de categorie 1, 2 of 3 van de begunstigden bedoeld bij artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet. }

(vervangen - KB 5/12/2004– BS 13/12/2004 ed.2)- (1)

{De bepaling in het voorgaande lid, is niet van toepassing op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemer wordt uitbetaald en dat het bedrag voorzien in artikel 22, § 1, d), te boven gaat.}

Aangevuld door : K.B. van 1/04/03 ( inwerking op 1/10/02)

Afdeling 2. — Bijzondere berekeningswijzen

Onderafdeling 1. — Het beroepsinkomen



Art. 23. Wanneer de aanvrager een beroepsarbeid verricht wordt rekening gehouden met zijn loon of met zijn beroepsinkomen.

Art. 24. § 1. Het inkomen dat voortkomt uit een bedrijfsafstand wordt niet beschouwd als beroepsinkomen, zelfs indien het als dusdanig door de fiscale wetgeving wordt belast; het valt onder toepassing van de artikelen 28 tot en met 32.

§ 2. Wanneer de aanvrager de beroepsarbeid als zelfstandige van zijn overleden echtgenoot voortzet, wordt het inkomen, dat deze laatste heeft verworven in de loop van het refertejaar dat voor de vaststelling van het inkomen in aanmerking wordt genomen, geacht door de aanvrager verworven te zijn.

Onderafdeling 2. — De onroerende goederen

Art. 25. § 1. Ingeval de aanvrager een onroerend goed in volle eigendom of vruchtgebruik bezit, wordt er rekening gehouden :

1° wat de bebouwde onroerende goederen betreft : met het gedeelte van het globaal kadastraal inkomen dat het vrijgesteld bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met 3.



Section 1re. — Ressources exonérées

Art. 22. § 1er Pour le calcul des ressources, il n’est pas tenu compte :

a) de l’aide accordée par les centres publics d’aide sociale;

b) des prestations familiales pour lesquelles l’intéressé a la qualité d’allocataire en faveur d’enfants en application de la législation sociale belge ou d’une législation sociale étrangère pour autant que l’intéressé les élève et en ait la charge totalement ou partiellement;

c) de la pension alimentaire ou de l’avance sur le terme de la pension alimentaire perçue au profit des enfants célibataires a` charge de l’intéressé pour autant que ce dernier les élève;

d) de la partie de la rémunération prise en charge par l’éditeur des chèques ALE correspondant à {4,10 EUR} par chèque ALE non invalidé, et payée à l’intéressé pour des prestations exercées en vertu d’un contrat de travail ALE conformément à la réglementation applicable en la matière, ainsi que des éventuelles indemnités y afférentes;

Modifié par : A.R. du 1/04/03( en vigueur le 1/03/03)

e) des primes de productivité ou d’encouragement prévues et payées par les différentes autorités compétentes dans le cadre des formations professionnelles individuelles en entreprise, pendant une période maximale de six mois;

f) des primes et allocations régionales de déménagement, d’installation et de loyer accordées à l’intéressé;

g) du montant des allocations d’eéudes qui couvre les frais spécifiques d’études et qui sont octroyées par les Communautés a` l’intéressé à son profit ou au profit des enfants qu’il a à sa charge. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu’il y a lieu d’entendre par les frais specifiques d’études pour l’application de cet arrêté;

h) des subventions, indemnités et allocations communautaires pour l’hébergement de jeunes en famille d’accueil;

i) des jetons de présence que l’intéressé perçoit en tant que membre du conseil provincial, du conseil communal ou du conseil de l’aide sociale;

j) des dons non réguliers de quelque institution que ce soit ou des personnes qui ne vivent pas sous le même toit que l’intéressé et qui n’ont pas d’obligation alimentaire à son égard;

k) des rentes de chevrons de front et de captivité;

l) des rentes attachées à un ordre national pour fait de guerre;

m) de la prise en charge des frais prévue par les entités fédéreés pour l’aide et les services non médicaux prestés par des tiers pour une personne ayant une autonomie réduite, ainsi que de l’indemnisation reçue par le prestataire de service non professionnel, payée par la personne nécessitant des soins dans le cadre de l’aide et de services non médicaux;

n) des indemnités payées par l’Etat allemand en dédommagement de la détention durant la deuxième guerre mondiale.

{o) du crédit d'impôt remboursable fixé à l'article 134, § 3, du Code des impôts sur les revenus 1992.}

(nouveau – AR 5/12/2004 – MB 13/12/2004 ed.2)-(1)

{ p) de l’idemnité forfaitaire, visée à l’article 6, § 2, alinéa 2, de l’arrêté royal du 22 décembre 2003 portant exécution du titre XII, châpitre 6 « Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés » de la loi-programme du 24 décembre 2002, pour autant aue la tutelle reste limitée à l’équivalent de deux tutelles à temps plein par an. }

(nouveau – AR 5/12/2004 – MB 13/12/2004 ed.2)- (2)

[ (q) des indemités, visées à l’article 1er, de la loi du 3 juillet 2005 précitée, qui sont perçues en tant que travailleur bénévole. ]

( complété – AR 15/02/2007 – MB 7/03/2007 – ed.2)

[ (r) de l’indemnité mensuelle payée par le fournisseur de stage au jeune demandeur d’emploi stagiaire dans le cadre des stages de transition en matière de chômage ]

( complété – AR 17/02/2013 – MB 6.03.2013)

Pour l’application du b) et c) de l’alinéa précédent, le parent qui perçoit la prestation familiale ou la pension alimentaire est considéré comme élevant l’enfant en cas de placement temporaire de ce dernier.

§ 2. { Lorsque le montant des ressources à prendre en considération est inférieur au montant du revenu d'intégration prévu à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi, l'intéressé a droit à une exonération supplémentaire de respectivement 155 EUR, 250 EUR, 310 EUR sur une base annuelle, selon qu'il appartient à la catégorie 1, 2 ou 3 des bénéficiaires visés à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi. }

(remplacé- AR 5/12/2004 – MB 13/12/2004 ed.2)-(1)



{La disposition prévue à l’alinéa précédent n’est pas applicable à la partie de la rémunération qui est payée au travailleur ALE et qui dépasse le montant prévu à l’article 22, § 1er, d).}

Complété par : A.R. du 1/04/03 ( en vigueur le 1/10/02)

Section 2. — Modes particuliers de calcul

Sous-section 1re. — Le revenu professionnel



Art. 23. Lorsque le demandeur exerce une activité professionnelle, il est tenu compte de sa rémunération ou de son revenu professionnel.
Art. 24. § 1. Les revenus provenant d’une cession d’entreprise ne sont pas considérés comme des revenus professionnels, même s’ils sont imposés comme tels en vertu de la législation fiscale; ils tombent sous l’application des articles 28 à 32 y compris.


1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina