Officieuze coordination officieuse



Dovnload 302.58 Kb.
Pagina3/5
Datum20.08.2016
Grootte302.58 Kb.
1   2   3   4   5
§ 2. Lorsque le demandeur continue l’activité professionnelle de travailleur indépendant de son conjoint décédé, les revenus acquis par ce dernier au cours de l’année de référence retenue pour l’établissement des revenus, sont censés être acquis par ledit demandeur.

Sous-section 2. — Les biens immeubles



Art. 25. § 1er. Si le demandeur a la pleine propriété ou l’usufruit d’un bien immeuble, il est tenu compte :

1° en ce qui concerne les biens immeubles bâtis : de la partie du revenu cadastral global qui dépasse le montant exonéré, multiplié par 3.




Onder vrijgesteld bedrag wordt verstaan : een bedrag van 750,00 EUR, verhoogd met 125,00 EUR voor elk kind waarvoor de aanvrager wat betreft de kinderbijslag de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is;

{De verhoging met 125,00 EUR geldt ook voor elk kind voor wie de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager voor wat betreft de kinderbijslag de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3° van de wet. .}

(aangevuld- KB 5/12/2004– BS 13/12/2004 ed.2)- (1)

2° wat de onbebouwde onroerende goederen betreft : met het gedeelte van het globaal kadastraal inkomen dat het vrijgesteld bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met 3.

Onder vrijgesteld bedrag wordt verstaan : een bedrag van 30,00 EUR, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.

§ 2. Het kadastraal inkomen van de onroerende goederen waarvan de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten, in volle eigendom of in vruchtgebruik, van de aanvrager op deze goederen, vooraleer het bepaalde in § 1 wordt toegepast.

§ 3. De in het buitenland gelegen onroerende goederen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de in België gelegen onroerende goederen.

Voor de toepassing van het eerste lid moet onder kadastraal inkomen verstaan worden, elke gelijkaardige grondslag van belasting waarin bij de fiscale wetgeving van de plaats waar de goederen gelegen zijn, is voorzien.

§ 4. Wanneer het onroerend goed met hypotheek bezwaard is, wordt het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, verminderd met het jaarlijks bedrag van de hypothecaire intresten, op voorwaarde :

1° dat de schuld door de aanvrager werd aangegaan voor eigen behoeften en de aanvrager de aan het ontleend kapitaal gegeven bestemming bewijst;

2° dat de aanvrager bewijst dat de hypothecaire intresten eisbaar waren en werkelijk werden betaald voor het jaar dat datgene van de ingangsdatum van de beslissing voorafgaat.

Het bedrag van de vermindering mag evenwel niet hoger zijn dan de helft van het in aanmerking te nemen bedrag.

Het bedrag van de hypothecaire intresten wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.

§ 5. Wanneer het onroerend goed werd verworven mits betaling van een lijfrente, wordt het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, verminderd met het bedrag van de lijfrente dat door de aanvrager werkelijk wordt betaald. Het tweede lid van paragraaf 4 is van toepassing op deze vermindering.


Par montant exonéré on entend : un montant de 750,00 EUR, majoré de 125,00 EUR pour chaque enfant pour lequel le demandeur a la qualité d’allocataire pour les allocations familiales, multiplié par la fraction exprimant l’importance du droit du demandeur à ce bien lorsqu’il est propriétaire ou usufruitier en indivision;

{La majoration de 125,00 EUR est également applicable à chaque enfant pour lequel le conjoint ou partenaire de vie du demandeur a la qualité d'allocataire en ce qui concerne les allocations familiales si le demandeur a droit à un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi. .}

(complété- AR 5/12/2004 – MB 13/12/2004 ed.2)-(1)

2° en ce qui concerne les biens immeubles non bâtis : de la partie du revenu cadastral global qui dépasse le montant exonéré, multiplié´ par 3.

Par montant exonéré on entend : un montant de 30,00 EUR multiplié par la fraction exprimant l’importance du droit du demandeur à ce bien lorsqu’il est propriétaire ou usufruitier en indivision.

§ 2. Le revenu cadastral des biens immeubles dont le demandeur est propriétaire ou usufruitier en indivision est multiplié par la fraction exprimant l’importance des droits, en pleine propriété ou en usufruit, du demandeur à ces biens, avant que la disposition du § 1er ne soit appliquée.

§ 3. Les biens immeubles situés à l’étranger sont pris en considération conformément aux dispositions applicables aux biens immeubles situés en Belgique.

Pour l’application de l’alinéa 1er, il faut entendre par revenu cadastral toute base d’imposition analogue prévue par la législation fiscale du lieu de situation des biens.

§ 4. Lorsque le bien immeuble est grevé d’hypothèque, le montant pris en considération pour l’établissement des ressources est diminué du montant annuel des intérêts hypothécaires pour autant :

1° que la dette ait été contractée par le demandeur pour des besoins propres et que le demandeur prouve la destination donnée au capital emprunté;

2° que le demandeur prouve que les intérêts hypothécaires étaient exigibles et ont été réellement acquittés pour l’année précédant celle de la prise de cours de la décision.

Toutefois, le montant de la réduction ne peut être supérieur à la moitié du montant à prendre en considération.

Le montant des intérêts hypothécaires est multiplié par la fraction exprimant l’importance du droit du demandeur à ce bien lorsqu’il est propriétaire ou usufruitier en indivision.


§ 5. Lorsque le bien immeuble a été acquis par le paiement d’une rente viagère, le montant pris en considération pour la fixation des ressources est réduit du montant de la rente viagère effectivement payé par le demandeur. L’alinéa 2 du paragraphe 4 est applicable à cette réduction.




Het bedrag van de lijfrente wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.

{ § 6. Indien de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt het kadastraal inkomen, het vrijgesteld bedrag, het bedrag van de hypothecaire intresten en het bedrag van de lijfrente vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Art. 26. In afwijking van artikel 25 wordt rekening gehouden met het bedrag van de huur wanneer de aanvrager een onroerend goed verhuurt dat hij in volle eigendom of vruchtgebruik bezit, voorzover dit huurbedrag hoger is dan het resultaat van de berekening overeenkomstig artikel 25 met betrekking tot dit goed.

Het bedrag van de huur wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.



{ Indien de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt het bedrag van de huur vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Onderafdeling 3. — De roerende kapitalen




Le montant de la rente viagère est multiplié par la fraction exprimant l’importance du droit du demandeur à ce bien lorsqu’il est propriétaire ou usufruitier en indivision.

{§ 6. Si le demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi est propriétaire ou usufruitier en indivision, le revenu cadastral, le montant exonéré, le montant des intérêts hypothécaires et le montant de la rente viagère est multiplié par la fraction exprimant l'importance du droit du demandeur et de son conjoint ou partenaire de vie à ce bien.}

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)



Art. 26. En dérogation à l’article 25, il est tenu compte du montant du loyer lorsque le demandeur loue un bien immeuble qu’il a en pleine propriété ou en usufruit, pour autant que ce montant du loyer soit supérieur au résultat du calcul concernant ce bien conformément à l’article 25.

Le montant du loyer est multiplié par la fraction exprimant l’importance du droit du demandeur à ce bien lorsqu’il est propriétaire ou usufruitier en indivision.



{Lorsque le demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi est propriétaire ou usufruitier en indivision, le montant du loyer est multiplié par la fraction exprimant l'importance du droit du demandeur et de son conjoint ou partenaire de vie à ce bien.}

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)
Sous-section 3. — Les capitaux mobiliers

Art. 27. Voor de al dan niet belegde roerende kapitalen wordt rekening gehouden met 6 % van de schijf gelegen tussen 6.200 EUR en 12.500 EUR, en met 10 % van de boven die schijf gelegen bedragen.

In geval van gemeenschappelijke rekening worden de kapitalen en de in het eerste lid vermelde bedragen van 6.200 EUR en 12.500 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarbij de teller gelijk is aan 1 en de noemer gelijk is aan het aantal personen die houder van de rekening zijn.



{ In geval van gemeenschappelijke rekening van de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner worden de kapitalen en de in het eerste lid vermelde bedragen van 6.200 EUR en 12.500 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 2 en de noemer gelijk is aan het aantal personen die houder van de rekening zijn.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Onderafdeling 4. — De afstand van goederen



Art. 28. § 1.Wanneer de aanvrager roerende of onroerende goederen om niet of ten bezwarende titel heeft afgestaan in de loop van de tien jaar voor de datum waarop de aanvraag om het leefloon uitwerking heeft, wordt, onverminderd de toepassing van artikel 29, een forfaitair inkomen in aanmerking genomen dat overeenstemt met de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand.

Het in het eerste lid bedoelde forfaitaire bedrag wordt vastgesteld door op de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand de bij artikel 27 beoogde berekeningsmodaliteiten toe te passen.

§ 2. De verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen waarvan de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was, wordt vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager in de onverdeeldheid uitdrukt.

§ 3. Bij afstand van vruchtgebruik wordt de waarde daarvan vastgesteld op 40 % van de waarde in volle eigendom.



{ § 4. De verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen waarvan de aanvrager op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was met zijn echtgenoot of levenspartner, wordt vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner in de onverdeeldheid uitdrukt.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Art. 29. In geval van afstand ten bezwarende titel van :

1° hetzij het woonhuis van de aanvrager, op voorwaarde dat hij geen ander bebouwd onroerend goed bezit,

2° hetzij het enige onbebouwd onroerend goed van de aanvrager, op voorwaarde dat hij geen ander bebouwd of onbebouwd onroerend goed bezit, wordt de eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde vrijgesteld.

{ De vrijgestelde eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde van een in het eerste lid bedoelde goed wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten op het goed bij afstand ten bezwarende titel wanneer de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was.

In geval van afstand ten bezwarende titel door de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner van een in het eerste lid bedoelde goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar of vruchtgebruiker waren, wordt de vrijgestelde eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.}



(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Voor de toepassing van het { eerste } lid wordt eveneens als woonhuis van de aanvrager beschouwd, het enige binnenschip als bedoeld in artikel 271, eerste lid, van Boek II, Titel X, van het Wetboek van Koophandel dat hem toebehoort en hem op duurzame wijze tot woning dient.



(vervangen-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Art. 30. In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen worden de persoonlijke schulden van de aanvrager afgetrokken van de verkoopwaarde van de afgestane goederen op het ogenblik van de afstand op voorwaarde dat :

1° het persoonlijke schulden van de aanvrager betreft;

2° de schulden werden aangegaan voor de afstand;

3° de schulden werden afgelost of gedeeltelijk terugbetaald met de opbrengst van de afstand.



{ In geval van afstand ten bezwarende titel door de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner van een in het eerste lid bedoelde goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren, worden de persoonlijke schulden van beiden afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed indien voldaan is aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)


Art. 27. Pour les capitaux mobiliers placés ou non, il est tenu compte d’une somme égale à 6 p.c. de la tranche entre 6.200 EUR et 12.500 EUR et à 10 p.c. des montants supérieurs à cette tranche.

En cas de compte commun, les capitaux et les montants de 6.200 EUR et de 12.500 EUR mentionnés à l’alinéa 1er sont multipliés par une fraction dont le numérateur est égal à 1 et le dénominateur est égal au nombre de personnes qui sont titulaires du compte.



{ En cas de compte commun du demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi et de son conjoint ou partenaire de vie, les capitaux et les montants de 6.200 EUR et 12.500 EUR mentionnés à l'alinéa 1er sont multipliés par une fraction dont le numérateur est égal à 2 et le dénominateur est égal au nombre de personnes qui sont titulaires du compte .}

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

Sous-section 4. — La cession de biens



Art. 28. § 1er. Lorsque le demandeur a cédé à titre onéreux ou à titre gratuit des biens meubles ou immeubles au cours des dix années précédant la date a` laquelle la demande du revenu d’intégration produit ses effets, un montant forfaitaire qui correspond à la valeur vénale des biens au moment de la cession est porté en compte, sans préjudice de l’application de l’article 29.

Le montant forfaitaire visé à l’alinéa 1er est établi en appliquant à la valeur vénale des biens au moment de la cession les modalités de calcul visées à l’article 27.

§ 2. La valeur vénale des biens meubles ou immeubles cédés, dont le demandeur est propriétaire ou usufruitier en indivision, est multipliée par une fraction exprimant la part du demandeur dans l’indivision.

§ 3. En cas de cession de l’usufruit, sa valeur est évaluée à raison de 40 % de la valeur en pleine propriété.



{ § 4. La valeur vénale des biens mobiliers ou immobiliers cédés dont le demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi était propriétaire ou usufruitier en indivision avec son conjoint ou partenaire de vie est multipliée par la fraction exprimant la part du demandeur et de son conjoint ou partenaire de vie dans l'indivision.}

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

Art. 29. En cas de cession àtitre onéreux :

1° soit de la maison d’habitation du demandeur, à condition qu’il ne possède pas un autre bien immeuble bâti,

2° soit du seul bien immeuble non bâti du demandeur, à condition qu’il ne possède pas un autre bien immeuble bâti ou non bâti, une première tranche de 37.200 EUR de la valeur vénale est immunisée.

{ La première tranche immunisée de 37.200 EUR de la valeur vénale d'un bien immeuble visé à l'alinéa 1er est multipliée par une fraction exprimant l'importance des droits au bien en cas de cession à titre onéreux lorsque le demandeur était propriétaire ou usufruitier en indivision.

En cas de cession à titre onéreux par le demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi et son conjoint ou partenaire de vie d'un bien visé à l'alinéa 1er, dont ils étaient tous deux propriétaires ou usufruitiers en indivision, la première tranche immunisée de 37.200 EUR de la valeur vénale est multipliée par la fraction exprimant l'importance du droit de demandeur et de son conjoint ou partenaire de vie à ce bien.}



(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

Pour l’application de l’alinéa { 1er }, est considérée également comme maison d’habitation du demandeur, le seul bateau de navigation intérieure visé à l’article 271, alinéa 1er, du Livre II, Titre X, du Code de Commerce, qui lui appartient et lui sert d’habitation d’une manière durable.



(remplacé- AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

Art. 30. En cas de cession à titre onéreux de biens meubles ou immeubles, les dettes personnelles du demandeur sont déduites de la valeur vénale des biens cédés au moment de la cession, à condition :

1° qu’il s’agisse de dettes personnelles du demandeur;

2° que les dettes aient été contractées avant la cession;

3° que les dettes aient été acquittées en tout ou en partie à l’aide du produit de la cession.


{ En cas de cession à titre onéreux par le demandeur d'un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi et son conjoint ou partenaire de vie d'un bien visé à l'alinéa 1er, dont ils étaient tous deux propriétaires en indivision, leurs dettes personnelles sont déduites de la valeur vénale du bien si les conditions fixées à l'alinéa 1er sont remplies.}

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)


Art. 31. § 1. In geval van afstand onder bezwarende titel van een onroerend goed en onverminderd de bepalingen van het vorige artikel, wordt, voorzover het een in artikel 29 bedoeld onroerend goed betreft, een jaarbedrag van 1.250 EUR, van 2.000 EUR, {…} of van 2.500 EUR van de verkoopwaarde afgetrokken naargelang aan de aanvrager een leefloon categorie 1°, 2°, ou 3° {…}wordt toegekend.

(vervangen-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Het aftrekbaar bedrag wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van het leefloon.

§ 2. De verkoopwaarde wordt uitsluitend van ambtswege, eenmaal op de verjaardag van de ingangsdatum van het recht op een leefloon met één van de in § 1 bedoelde bedragen verminderd.

Art. 32. Het centrum kan om reden van billijkheid afzien van de berekeningsmodaliteiten voorzien in de artikelen 28 tot en met 31. Deze beslissing dient gemotiveerd te worden. Op de gebeurlijke opbrengst van de afstand zijn de bij artikel 27 bepaalde berekeningsmodaliteiten van toepassing.

Onderafdeling 5. — De voordelen in natura



Art. 33. De kosten verbonden aan de huisvesting die de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is, worden in acht genomen als inkomen van de aanvrager als ze ten laste worden genomen door een derde met wie hij niet samenwoont.

Onderafdeling 6. — Aanrekening in geval van samenwoning



Art. 34. § 1. In geval de aanvrager gehuwd is en onder hetzelfde dak woont, of een feitelijk gezin vormt, met een persoon die geen aanspraak maakt op het genot van de wet, moet het gedeelte van de bestaansmiddelen van die persoon in aanmerking genomen worden, dat het bedrag overschrijdt van het leefloon bepaald voor de categorie van begunstigden bedoeld bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet.

Twee personen die als koppel samenleven vormen een feitelijk gezin.

§ 2. In geval de aanvrager samenwoont met één of meer meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad, kan het gedeelte van de bestaansmiddelen van ieder van die personen dat het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag te boven gaat, geheel of gedeeltelijk in aanmerking genomen worden; bij de toepassing van deze bepaling moet aan de aanvrager en zijn meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad fictief het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag toegekend worden.

§ 3. In de andere gevallen van samenwonen met personen die geen aanspraak maken op het genot van de wet worden de bestaansmiddelen van die personen niet in aanmerking genomen.



{ § 4. Indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet worden alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking genomen. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet. }

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Afdeling 3. — Specifiek vrijgestelde bestaansmiddelen van de begunstigde

Art. 35. § 1. Teneinde de sociaal-professionele integratie van de leefloonbegunstigde die begint te werken of die een beroepsopleiding aanvat of voortzet te bevorderen, worden de hieruit verworven netto-inkomsten in aanmerking genomen onder aftrek van een bedrag van 177,76 EUR per maand ingaande op de eerste dag waarvoor hij de vrijstelling geniet en eindigend drie jaar later.

In afwijking van het eerste lid, wanneer de inkomsten worden opgeleverd door een artistieke activiteit waarvan de prestaties onregelmatig zijn, bedraagt het vrijgesteld bedrag 2133,12 EUR per jaar. In dat geval begint de berekening van de vrijstellingsperiode van drie jaar te lopen op de eerste dag waarop de persoon een inkomen krijgt van zijn artistieke activiteit.Wordt als artistieke activiteit beschouwd : de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie.

De betrokkene kan het centrum vragen de toepassing van de in het eerste en het tweede lid voorziene bepalingen uit te stellen.

§ 2. Teneinde het opdoen van beroepservaring van de jongeren bedoeld in artikel 11, § 2, a), van de wet te bevorderen en om hun zelfstandigheid te stimuleren, worden de netto-inkomsten verworven door tewerkstelling in aanmerking genomen onder aftrek van een bedrag van 49,58 EUR per maand voor de jongeren die genieten van een studiebeurs en van een bedrag van 177,76 EUR per maand voor de jongeren die hiervan niet genieten. Deze aftrek geldt gedurende de periode dat een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie is afgesloten.

§ 3. De bedragen vastgesteld in §§ 1 en 2 zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen.

Zij schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.



{§4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemerr wordt uitbetaald en dat het bedrag, voorzien in artikel 22, § 1, d), te boven gaat. }

Aangevuld door : K.B. van 1/04/03(in werking op 1/10/02)

{ § 5. De in §§ 1 en 2 bepaalde vrijstelling geldt ook voor de echtgenoot of de levenspartner van de gerechtigde op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet indien hij aan de in dit artikel gestelde voorwaarden voldoet.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

HOOFDSTUK VI. — Betalingsmodaliteiten



Art. 36. De uitbetaling van de toegewezen som als leefloon gebeurt op een vaste datum of dag, hetzij door middel van een postassignatie waarvan het bedrag betaalbaar is ten huize en in handen van de gerechtigde, hetzij door een circulaire cheque, hetzij door een overschrijving.

In het belang van de gerechtigde, behoorlijk gemotiveerd in de beslissing, kan het centrum evenwel de betaling rechtstreeks aan de betrokkene doen.



{ Indien de begunstigde gerechtigd is op een leefloon als bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet, en samenwoont met een echtgenoot of levenspartner te zijnen laste, wordt het leefloon voor de helft uitbetaald aan de begunstigde en voor de andere helft aan de echtgenoot of levenspartner. Om redenen van billijkheid mag een andere verdeling worden toegepast.}

(aanvulling-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

Art. 37. Geen enkele som voor administratie- of onderzoekskosten mag worden afgehouden van de als leefloon toegekende bedragen.

Art. 38. Iedere gerechtigde moet voor zijn vertrek het bevoegd centrum ervan inlichten dat hij langer dan één maand in het buitenland zal vertoeven; hij geeft de duur en de reden hiervan op.

De betaling van het leefloon wordt geschorst indien de gerechtigde langer dan één maand in het buitenland verblijft, tenzij het centrum anders beslist wegens uitzonderlijke omstandigheden die dit verblijf wettigen.



Art. 39. De betaling van het leefloon wordt opgeschort tijdens de periode waarin een persoon wordt geplaatst, ten laste van de overheid, in een instelling van om het even welke aard, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing en tijdens de periode waarin een persoon een vrijheidsstraf ondergaat en ingeschreven blijft op de rol van een strafinrichting.

De betaling van het leefloon wordt voor de toekomst hersteld aan het einde van de uitvoering van de gerechtelijke beslissing alsook ingeval van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De gerechtigde mag evenwel aanspraak maken op het leefloon dat betrekking heeft op de periode van zijn voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat hij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werd vrijgesproken en dat hij geen aanspraak kan maken op een schadeloosstelling door de Minister van Justitie. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.

Art. 40. In geval van overlijden van de gerechtigde op het leefloon, worden de vervallen en niet uitgekeerde termijnen slechts uitbetaald aan de natuurlijke personen in de hierna bepaalde volgorde :

1° aan de echtgenoot met wie de gerechtigde leefde of aan de persoon met dewelke hij een feitelijk gezin in de zin van artikel 34, § 1, tweede lid { of § 4 } , uitmaakte, op het ogenblik van zijn overlijden;



(vervangen-KB5/12/2004-BS 13/12/2004-ed2 (1)

2° aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

3° aan iedere andere persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;

4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide is gekomen;

5° aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald.


Art. 31. § 1er. En cas de cession à titre onéreux d’un bien immeuble et sans préjudice des dispositions de l’article précédent, il est déduit de la valeur vénale du bien, pour autant qu’il s’agisse d’un bien immeuble visé à l’article 29, un abattement annuel de 1.250 EUR, de 2.000 EUR, {…} ou de 2.500 EUR selon que le demandeur obtient un revenu d’intégration de la catégorie 1°, 2° ou 3° {…}

(remplacé- AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

L’abattement déductible est calculé proportionnellement au nombre de mois compris entre le premier du mois qui suit la date de la cession et la date de prise de cours du revenu d’inte´gration.

§ 2. Une fois par an, à la date anniversaire de la prise de cours du droit au revenu d’intégration, la valeur vénale est diminuée d’office exclusivement d’un des montants visés au § 1er.

Art. 32. Le centre peut décider pour des raisons d’équité de ne pas appliquer les modalités de calcul prévues aux articles 28 à 31 inclus. Cette décision doit être motivée. Les modalités de calcul fixées à l’article 27 sont applicables au produit éventuel de la cession.

Sous-section 5. — Les avantages en nature



Art. 33. Les frais liés au logement qui constitue la résidence principale du demandeur sont pris en considération comme étant des revenus du demandeur lorsqu’ils sont pris en charge par un tiers avec lequel il ne cohabite pas.

Sous-section 6. — Prise en considération en cas de cohabitation




Art. 34. § 1er. Lorsque le demandeur est marié et vit sous le même toit ou constitue un ménage de fait avec une personne qui ne sollicite pas le bénéfice de la loi, la partie des ressources de cette personne qui dépasse le montant du revenu d’intégration prévu pour la catégorie de bénéficiaires visés à l’article 14, § 1er, 1° de la loi doit être prise en considération.

Deux personnes qui vivent ensemble en couple constituent un ménage de fait.

§ 2. En cas de cohabitation du demandeur avec un ou plusieurs ascendants et/ou descendants majeurs du premier degré, la partie des ressources de chacune de ces personnes qui dépasse le montant prévu à l’article 14, § 1er, 1° de la loi peut être prise totalement ou partiellement en considération; en cas d’application de cette disposition, le montant prévu à l’article 14, § 1er, 1° de la loi doit être octroyé fictivement au demandeur et à ses ascendants et/ou descendants majeurs du premier degré.

§ 3. Dans les autres cas de cohabitation avec des personnes qui ne sollicitent pas le bénéfice de la loi, les ressources de ces personnes ne sont pas prises en considération.



{ § 4. Lorsque le demandeur a droit à un revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 3°, de la loi, toutes les ressources du conjoint ou partenaire de vie sont prises en considération. Ces revenus sont calculés conformément aux dispositions du titre II, chapitre II, de la loi. }

(complété-AR 5/12/2004- MB 13/12/2004-ed2 –(1)

Section 3. — Ressources du bénéficiaire spécifiquement exonérées

Art. 35. § 1er. En vue de favoriser l’intégration socioprofessionnelle du bénéficiaire du revenu d’intégration qui commence à travailler ou qui entame ou poursuit une formation professionnelle, les revenus nets qui en résultent sont pris en considération sous déduction d’un montant de 177,76 EUR par mois prenant cours le premier jour pour lequel il bénéficie de l’immunisation et se terminant trois ans plus tard.

Par dérogation à l’alinéa 1er, lorsque les revenus proviennent d’une activité artistique dont les prestations sont irrégulières, le montant immunisé est de 2133,12 EUR par an. Dans ce cas, le calcul de la période d’immunisation de trois ans commence à courir le premier jour où la personne perçoit un revenu découlant de son activité artistique. Est considérée comme activité artistique : la création et l’interprétation d’œuvres artistiques, notamment dans les domaines des arts audiovisuels et plastiques, de la musique, de l’écriture littéraire, du spectacle, de la scénographie et de la chorégraphie.

L’intéressé peut demander au centre de postposer dans le temps l’application des dispositions prévues aux alinéas 1er et 2.



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina