Oktober 2008 H. J. Jager, Oldeberkoop Ph. J. Zeinstra, Ter Idzard



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina1/7
Datum03.10.2016
Grootte0.77 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7
Vegetatieonderzoek aan proefvlakken in

door Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf beheerde bermen:

een vergelijking tussen 2008 en 2002





1 Muizenoor

Oktober 2008

H.J. Jager, Oldeberkoop

Ph. J. Zeinstra, Ter Idzard

Inhoudsopgave


1 Inleiding 5

1.1 Aanleiding 5

1.2 Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf 6

2 Methode 7

3 Mogelijke kwaliteiten 8

3.1 Mogelijke effecten van maaien- en afvoeren 8

3.2 Mogelijke vegetatie-elementen 9

4 Resultaten per proefvlak 12

4.1 Proefvlak 1 12

4.2 Proefvlak 2 14

4.3 Proefvlak 3 16

4.4 Proefvlak 4 18

4.5 Proefvlak 5 20

4.6 Proefvlak 6 22

4.7 Proefvlak 7 24

4.8 Proefvlak 8 26

4.9 Proefvlak 9 28

4.10 Proefvlak 10 30

4.11 Proefvlak 11 32

5 Conclusies en aanbevelingen 34

5.1 Conclusies 34

5.2 Aanbevelingen 35

6 Planten met een Stellingwerver naam 36

7 Literatuurlijst 38

FOTO’S: KLAAS VAN DER VEEN, MEPPEL

1 Muizenoor 1

2 Echte koekoeksbloem 7

3 Ridderzuring 11

4 Kweek 11

5 Kropaar 11

6 Paardenbloem 11

7 Hondsdraf 13

8 Engels raaigras 15

9 Echte valeriaan 17

10 Vogelwikke 23

11 Scherpe boterbloem 27

KAARTEN (NIET BIJGEVOEGD)

Kaart 1: Proefvlakken aan de Kooiweg, Stadburen en Ontginningsweg 39

Kaart 2: Proefvlakken aan de Molenburen en Vinkegavaartweg 40

1 Inleiding
1.1 Aanleiding

In bermen is sowieso een maaibeheer nodig aangezien deze anders dichtgroeien met houtopslag. Een reeds veel toegepaste vorm van maaibeheer is het zogenaamde klepelen. Hierbij wordt het gewas verhakseld en direct in de berm teruggestort. Aan deze manier van bermbeheer kleven de volgende nadelen:




  1. Er vindt geen afvoer van plantenvoedingsstoffen plaats. De gewenste verschraling blijft dus uit. Sterker nog: er doet zich verrijking voor. Vaak is de berm ook al op allerlei manieren vermest geraakt.1




  1. Er ontstaat een extra productieve vegetatie. Dus zal de berm vaker gemaaid moeten worden.




  1. De voor agrariërs en/of hobbyboeren lastige soorten gaan steeds meer op de voorgrond treden, zoals Kweek, Fluitenkruid, Ridderzuring, Akkerdistel en Grote brandnetel. In droge, matig voedselrijke bermen kan klepelen tevens tot een toename van Jacobskruiskruid leiden. 2




  1. Veel soorten worden weggeconcurreerd door de meest krachtigst groeiende gewassen. Uiteindelijk verarmt de bermflora tot een handjevol zeer algemene soorten.




  1. In de nog aanwezige schrale restjes bermvegetatie krijgen grassen de overhand. Hierdoor verdwijnen de populaties van zeldzame paddenstoelen en plantensoorten. Tot begin jaren negentig kwam bijvoorbeeld bij Zandhuizen een bermpopulatie Gevlekte orchis (Rode Lijst: kwetsbaar) voor die door herhaaldelijk klepelen is verdwenen.


1.2 Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf

Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf probeert de op bladzijde 5 genoemde negatieve ontwikkelingen terug te draaien. In Weststellingwerf beheert deze groep agrariërs al ongeveer tien jaar een aantal bermen. Dit houdt in dat het bermgewas wordt gemaaid en ook wordt afgevoerd. Dit is meer dan onderhoud alleen. Met het gewas worden namelijk voortdurend plantenvoedingsstoffen afgevoerd. Daardoor verarmt de bodem. Dit heeft veel voordelen, namelijk:




  1. De hoeveelheid bermgewas wordt er kleiner door. Daardoor daalt de maai- en afvoerfrequentie van twee á drie naar slechts éénmaal per jaar. Dat betekent dus een aanzienlijke kostenbesparing op het onderhoud.




  1. De voor de agrarische sector en hobbyboeren lastige soorten gaan er door achteruit, zoals Ridderzuring, Akkerdistel Fluitenkruid en Grote brandnetel.




  1. De botanische samenstelling wordt er waardevoller door. Dat geldt vooral als er bij aanvang veel Fluitenkruid, Kropaar en/of Grote brandnetel in de berm staat. Deze flora, die zich kan handhaven dankzij een hoog voedselaanbod verandert langzamerhand in een vegetatie met soorten, die gebonden zijn aan schrale omstandigheden, zoals Schapengras, Tandjesgras, Blauwe knoop, Tormentil en Muizenoor.3




  1. De nog aanwezige schrale restjes bermvegetatie met bijzondere planten en paddenstoelen blijven zo goed bewaard.

Ook laat Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf de desbetreffende bermsloten opschonen. Om vermesting van de wegberm te voorkomen wordt de slootbagger direct afgevoerd. Hierbij worden de steile sloottaluds wel geklepeld. Hier is dat minder schadelijk, aangezien veel van het verhakselde maaisel naar beneden valt en/of bij stortbuien van het sloottalud afspoelt. Onderaan het talud profiteren sommige bloemrijke ruigtekruiden juist van enige toevoer van plantaardige materiaal, waaronder Moerasspirea en Echte valeriaan.4


Het is bovendien van belang, dat een groep agrariërs en hobbyboeren zich met bermbeheer bezighoudt. Dit vergroot namelijk de betrokkenheid van boeren bij de streek/gemeente en het doel van het project. Ook verbetert het de onderlinge communicatie. Als zodanig zorgt het voor meer locale samenhang. Vaak hebben boeren sowieso al veel met de achtergrond van hun leefgebied. Dit versterkt dus ook nog eens het streekeigene. Om maar wat te noemen: bij de onderlinge communicatie over het bermbeheer spelen onder meer de streekeigen Stellingwerver plantennamen een rol.5

Nog een groot voordeel is dat het maaisel als veevoer dient. Zo wordt dit dichtbij gebruikt en hoeft het niet als afval te worden afgevoerd.



2 Methode
Om de effecten van het door Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf uitgevoerde bermbeheer te monitoren vond in de voorzomer van 2002 een vegetatiekundig onderzoek plaats. Er werden een elftal proefvlakken uitgezet, verdeeld over alle bermen die op dat moment werden beheerd door Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf, te weten: Kooiweg, Stadburen, Ontginningsweg, Vinkegavaartweg en Molenburen. Per proefvlak werd iedere aanwezige plantensoort (vaatplanten, mossen) volgens de onderstaande schaal van Tansley geschat. Het betrof echter geen nulmeting, want de bermen waren al vier jaar bij Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf in beheer. In januari 2004 verscheen hierover een rapport.6 Om de effecten van het bermbeheer vast te leggen zijn de proefvlakken in mei 2008 opnieuw opgenomen. Dat maakt een vergelijking mogelijk tussen de situatie van 2002 en 2008. Aldus worden de eventuele veranderingen in de vegetatie zichtbaar. Voor de beschrijving van de ontwikkelingsmogelijkheden zijn diverse publicaties nageslagen. Ook kon uit de jarenlange veldervaring van de beide auteurs worden geput.



d

dominant

soort overheerst

c

co-dominant

soort overheerst samen met andere soorten

a

abundant

soort is veel aanwezig maar nooit co-dominant

f

frequent

soort is talrijk

o

occasional

soort is verspreid aanwezig

r

rare

soort is zeldzaam

s

sporadic

soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig

l

local

soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied (te combineren met d t/m/o)



2 Echte koekoeksbloem

3 Mogelijke kwaliteiten
3.1 Mogelijke effecten maaien- en afvoeren

Bij de verschraling van een vermeste berm verandert de vegetatie. Hieronder wordt dit theoretisch per fase besproken.




  1. Bermvegetatie van uitgesproken voedselrijke omstandigheden

In veel bermen komen hoogproductieve vegetaties voor met soorten als Kropaar, Kweek, Akkerdistel, Boerenwormkruid, Ridderzuring, Fluitenkruid en/of Grote brandnetel. Deze soorten profiteren vooral van klepelen. Vooral Fluitenkruid is sterk toegenomen. De door deze voorjaarsbloeier gedomineerde bermen bloeien kort en intensief. Kweek, Akkerdistel en Boerenwormkruid hebben tevens baat bij grondverzet.

  1. Ontwikkeling tot een bermvegetatie van matig voedselrijke omstandigheden

Door voortdurend maaien en afvoeren worden plantenvoedingsstoffen afgevoerd. Hierdoor wordt een vermeste berm minder productief en groeien bovengenoemde storingsindicatoren minder weelderig. Dat vergroot de groeiruimte voor graslandplanten van matig voedselrijke omstandigheden, zoals Gestreepte witbol, Veldzuring, Smalle weegbree en Scherpe boterbloem.

  1. Ontwikkeling tot een bermvegetatie van droge, schrale omstandigheden

Na een bepaalde tijd nemen ook de Fase 1-soorten af, waaronder Gestreepte witbol. Eerst breiden Gewoon reukgras, Rood zwenkgras en Gewoon struisgras zich sterk uit. Daarna komt er steeds meer Gewoon biggenkruid en Gewone veldbies in. Nog weer later vestigen zich Muizenoor, Vogelpootje en Klein tasjeskruid.7 Vaak blijft de vegetatieontwikkeling echter lang in een door Gewoon struisgras gedomineerd stadium steken. Dit is namelijk een schraal gewas. Daardoor worden er met het maaisel ook weinig plantenvoedingsstoffen weggehaald. Onder oude bomen treedt echter eerder verschraling op. De boomgroei onttrekt namelijk veel voedingsstoffen. In zandige, vaak leemhoudende bermen met oude boombeplantingen vestigen zich tevens zoomplanten, zoals Hengel, Stijf havikskruid en Dicht havikskruid.8

  1. Ontwikkeling tot een bermvegetatie van heischrale omstandigheden

Na lange tijd kan leefruimte ontstaan voor planten van extra voedselarme omstandigheden, zoals Blauwe knoop, Hondsviooltje, Liggend walstro, Struikhei, Tormentil, Tandjesgras, Pijpenstrootje en Fijn schapengras.9 Vaak bloeit deze zogenaamde heischrale berm minder uitbundig dan een voedselrijke. De bloei gaat echter langer door. Bovendien komen daarbij steeds andere soorten tot bloei. In bermen met rijen oude bomen houden tevens de bij Fase 2 genoemde zoomplanten stand. Ook kan het Grasklokje groeien. Hoewel deze fraaie plant is beschermd, is deze aanzienlijk achteruitgegaan.
Vermoedelijk zijn echter lang niet overal heischrale omstandigheden haalbaar. Ook verschraald een op de zon gerichte berm sneller dan één die naar het noorden afhelt. Ook treedt plaatselijk verstoring en/of verrijking op, zoals bijvoorbeeld bij het kabelleggen. Aldus ontstaat een mozaïek van heischrale bermvegetaties en bermvegetaties van de wat minder schrale omstandigheden, hetgeen wel weer tot veel extra variatie leidt.
Dieren

Verscheidene soorten dieren en paddenstoelen trekken eveneens profijt uit het maai- en afvoerbeheer. Met het aantal plantensoorten neemt bijvoorbeeld ook het aantal soorten insecten toe, waaronder dagvlinders, nachtvlinders, wilde bijen, hommels, kevers, sprinkhanen etc.


3.2 Mogelijke vegetatie-elementen

In wegbermen in Weststellingwerf komen soms nog (potentieel) waardevolle vegetatie-elementen voor, ook in bermen die niet door Agrarisch Natuurbeheer Weststellingwerf worden beheerd. Hieronder volgt een korte bespreking.


In sommige zandige wegbermen komen droge, schrale begroeiingen met onder meer Vogelpootje en Klein tasjeskruid voor. Deze behoren tot de Vogelpootje-associatie10 Jaren geleden is deze in meerdere wegbermen gezien, waaronder die van de Madenweg (Zandhuizen) en de Meenthe (Noordwolde). Het is echter onbekend in hoeverre dit vegetatietype hier nog aanwezig is.
In bermen met rijen oude bomen komen soms nog door havikskruiden gekenmerkte begroeiingen voor, waaronder Stijf havikskruid, soms Dicht havikskruid en zelden Schermhavikskruid. Soms komt hierin ook Grasklokje voor. De meest voorkomende grassen zijn Gladde witbol, Gewoon struisgras en Rood zwenkgras. Ook bevat de grasmat dikwijls Veldbeemdgras, Pijpenstrootje en Gewone veldbies. Naast deze voedselarmoede verdragende gewassen komt meestal ook Kropaar voor. De echte kruiden worden vertegenwoordigd door een aantal gewone graslandplanten. Hieronder bevinden zich niet alleen kruiden van droge/schrale omstandigheden, zoals Gewoon duizendblad, Gewoon biggenkruid en Grasmuur, maar ook die van matig voedselrijke omstandigheden zoals Paardenbloem, Veldzuring, Smalle weegbree en Gewone hoornbloem. Ook gedijen in dit vegetatietype zwammen die ondergronds in verbinding staan met bomen. Vooral uit deze groep zijn verscheidene soorten achteruitgegaan, zoals Kaneelboleet (Rode Lijst: bedreigd), Parelamaniet, Kruidige melkzwam (RL: bedreigd), Zwavelmelkzwam (RL: bedreigd), Zwartgroene melkzwam en Cantharel (RL: bedreigd).11 Bij een inventarisatie van de Vinkegavaartweg is hiervan bijvoorbeeld de Kaneelboleet aangetroffen. De genoemde zwammen profiteren dus eveneens van een maai- en afvoerbeheer. Het in deze alinea beschreven vegetatietype is onder meer bekend van de Westvierdeparten en de Nieuwe weg onder Noordwolde.12 Het betreft de Associatie van Boshavikskruid en Gladde witbol. Deze plantengemeenschap is landelijk gezien zowel kwantitatief als kwalitatief achteruitgegaan.13
In een aantal wegbermen komen heischrale fragmenten voor. Langs de Hoeveweg gedijt bijvoorbeeld her en der een pol Struikhei. Ook staat hier regelmatig Blauwe knoop (Rode Lijst: gevoelig). Deze soort komt tevens langs de Vinkegavaartweg op een uitgestrekte standplaats voor. Hij komt over een lengte van paar honderd meter talrijk voor. Tot begin jaren negentig was bij Zandhuizen nog een bermpopulatie Gevlekte orchis (Rode Lijst: kwetsbaar) aanwezig. Deze verdween na herhaaldelijk klepelen. Vermoedelijk kwamen in de bermen vroeger meer heischrale vegetatie-elementen voor dan vandaag de dag. Bij vermesting verdwijnen deze namelijk als eerste.

Mogelijk komen in sommige droge, schrale bermen/bermsloottaluds nog de Associatie van Liggend walstro en Fijn schapengras voor.14 Het gaat dan om begroeiingen van onder meer Liggend walstro, Pilzegge, Tandjesgras en Fijn schapengras.


Vaak is langs de wegrand een bandenspoor met een duidelijk afwijkende vegetatie te herkenen. Hier is de bodem stijf samengeperst. Daardoor blijft hier bij een dikke bui regenwater op staan. Meestal is dit strookje slechts minder dan een halve meter breed. Vaak komen hier algemene aan bodemverdichting gebonden soorten voor. Hier heeft het maaibeheer maar weinig invloed op. Het dichtst tegen de wegrand gedijt vaak veel Schijfkamille en Varkensgras. Deze lintbegroeiing behoort dan tot de Associatie van Varkensgras en Schijfkamille. In een aangrenzende smalle zone bepalen meestal Engels raaigras en Grote weegbree het aspect. In dit geval gaat het om de uiterst algemene Associatie van Engels raaigras en Grote weegbree. Ook komt in deze beide plantengemeenschappen dikwijls Straatgras en Witte klaver voor.15
Op bermsloottaluds in beekdalen en verveningsgebieden is vooral een vegetatie van bloemrijke ruigtekruiden gewenst, zoals Echte valeriaan, Grote kattenstaart, Grote wederik, Moerasspirea en Poelruit. Deze soorten kunnen hier lange kleurrijke bloemenlinten vormen. Deze zijn in trek bij tal van bloembezoekende insecten. De genoemde planten hebben juist baat bij het (deels) achterblijven van maaisel of vegetatiestrooisel. Deze begroeiingen zijn tot de Associatie van Moerasspirea en Valeriaan te rekenen.16
Ook treedt onderaan het sloottalud vanuit het zandige weglichaam mineraalrijk grondwater uit. Aldus komt in bermsloten vrij schoon water vrij. Daardoor komen hier beter ontwikkelde watervegetaties voor dan in sloten tussen agrarische percelen in. In de bermsloot van de Kooiweg komt bijvoorbeeld vegetatievorming door Glanzig fonteinkruid voor.

Soms komen op en bovenlangs leemrijke bermsloottaluds nog waardevolle vegetatie-elementen voor. Als zodanig treden plaatselijk nog grote hoeveelheden Grote muur op. Ook staan in bermen bij Zandhuizen nog kleine hoeveelheden Bosanemoon. In Friesland komen deze soorten buiten de Stellingwerven niet (Bosanemoon) of weinig (Grote muur) in het wild voor.


In goed gedraineerde bermen komt soms nog Hemelsleutel en/of Gewone vogelmelk voor. Hemelsleutel staat vooral in droge, tamelijk schrale bermen. Gewone vogelmelk is een beschermd bolgewas dat in de wat voedselrijkere substraten voorkomt. De beide soorten zijn in Weststellingwerf zichtbaar achteruitgegaan.




3 Ridderzuring




4 Kweek



5 Kropaar





6 Paardenbloem

4 Resultaten per proefvlak
4.1 Proefvlak 1

Ligging: Oldeholtwolde, Stadburen, coördinaten: 194,919-545,163, noordkant van weg vanaf dam in westelijke richting.

Situatie 2002: het beeld werd bepaald door Kweek, Gestreepte witbol, Fluitenkruid en Grote brandnetel. Deze samenstelling duidde op uitgesproken voedselrijke omstandigheden. Op het bermsloottalud kwamen geen noemenswaardige soorten voor.

Situatie 2008: de bermvegetatie wordt min of meer gedomineerd door Gestreepte witbol. Dit wijst op matig voedselrijke omstandigheden. Her en der gedijen nog soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals Kropaar, Glanshaver en Fluitenkruid. Het bermsloottalud is oninteressant.

Vergelijking tussen 2008 en 2002: de hoeveelheden Kweek, Ridderzuring, Fluitenkruid en Grote brandnetel zijn aanzienlijk verminderd, terwijl die van Gewoon reukgras en Smalle weegbree juist zijn toegenomen. Ook is de gemiddelde vegetatiehoogte afgenomen. Een en ander duidt op het voedselarmer worden van de bodem. Toch komen hier ook nog steeds voedselrijke plekjes voor. Dat laten bijvoorbeeld de toenames van Kropaar en Glanshaver zien. Het bermsloottalud is oninteressant gebleven.


Opnamenummer

1-1

1-2




Jaar

2002

2008




Maand

05

05




Dag

24

12




Lengte proefvlak (m)

25.00

25.00




Breedte proefvlak (m)

6.00

6.00




Opp. Proefvlak (m2)

150.00

150.00




Bedekking totaal (%)

99

100




Bedekking kruidlaag (%)

99

100




Gem. hoogte (hoge) kruidl (cm)

75

50




Maximale hoogte kruidlaag (cm)

125

100




Aantal soorten

31

36
















GRASACHTIGE PLANTEN










Gestreepte witbol

c

d

Holcus lanatus

Kweek

c

ld

Elytrigia repens

Ruw beemdgras

a

a

Poa trivialis

Straatgras

la

la

Poa annua

Veldbeemdgras

la

s

Poa pratensis

Rietgras

f

la

Phalaris arundinacea

Kropaar

o

f

Dactylis glomerata

Gewoon reukgras

r

o

Anthoxanthum odoratum

Engels raaigras

r

la

Lolium perenne

Rood zwenkgras s.s.

s

o

Festuca rubra

Pitrus

s

r

Juncus effusus

Geknikte vossenstaart

s

s

Alopecurus geniculatus

Beemdlangbloem

s

.

Festuca pratensis

Glanshaver

.

la

Arrhenatherum elatius

Zachte dravik

.

o

Bromus hordeaceus













ECHTE KRUIDEN










Fluitenkruid

c

f

Anthriscus sylvestris

Grote brandnetel

a

o

Urtica dioica

Veldzuring

f

o

Rumex acetosa

Paardenbloem

la

lo

Taraxacum officinale

Grote weegbree s.s.

la

lo

Plantago major s. major

Hondsdraf

o

o

Glechoma hederacea

Kruipende boterbloem

o

o

Ranunculus repens

Scherpe boterbloem

o

r

Ranunculus acris

Ridderzuring

o

r

Rumex obtusifolius

Gewoon varkensgras

lo

.

Polygonum aviculare

Smalle weegbree

r

o

Plantago lanceolata

Witte dovenetel

r

r

Lamium album

Veenwortel

s

o

Persicaria amphibia

Gewoon speenkruid

s

r

Ranunculus ficaria s. bulbilifer

Kleefkruid

s

s

Galium aparine

Witte klaver

s

.

Trifolium repens

Zachte ooievaarsbek

s

.

Geranium molle

Kleine veldkers

.

a

Cardamine hirsuta

Vogelmuur

.

r

Stellaria media

Zandraket

.

r

Arabidopsis thaliana

Gele lis

.

r

Iris pseudacorus

Kleine ooievaarsbek

.

s

Geranium pusillum

Gewone hoornbloem

.

s

Cerastium fontanum s. vulgare

Moerasmuur

.

s

Stellaria uliginosa













HOUTGEWASSEN










Wilde lijsterbes-kruidlaag

s

.

Sorbus aucuparia













MOSSEN










Gewoon dikkopmos

.

r

Brachythecium rutabulum




7 Hondsdraf


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina