Omgaan met overmaat. De vermogens van de woningcorporaties als sturingsopgave



Dovnload 345.02 Kb.
Pagina1/22
Datum23.08.2016
Grootte345.02 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22



Omgaan met overmaat.

De vermogens van de woningcorporaties als sturingsopgave

Advies 038

4 september 2003
INHOUDSOPGAVE



Literatuur 4

Bijlagen 4

1 Inleiding 5

2 Sturing en matching in het wonen 7

3 Matching, instituties en arrangementen 13

3.1 Instituties 13

3.2 Arrangementen van matching 15

3.2.1 Woon Investerings Fonds (WIF) 15

3.2.2 Participatiemaatschappij (CV/BV) 15

3.2.3 Landelijke Verkoop Toegelaten Instelling (LVTI) 16

3.2.4 Garantiefonds Stedelijke Vernieuwing (GSV) 16

3.2.5 Slot 17

4 Naar een nieuw arrangement 19

5 De Investerings Maatschappij als oplossing? 21

5.1 Vier maal focus 21

5.2 Inrichting van de Investerings Maatschappij 23

5.2.1 Wensbeeld 24

5.2.2 Twee stappen 27

6 Conclusies en aanbevelingen 30

6.1 Conclusies 30

6.2 Aanbevelingen 33

1 Inleiding 39

1.1 Voorgeschiedenis 39

1.2 Opzet rapportage 39

1.3 Tot slot 40

2 Achtergrond 41

2.1 Inleiding 41

2.2 De 50 prioriteitswijken 41

2.3 De discussie over het sluitend stelsel 41

2.4 Het conceptuele kader 42

3 Het huidige bouwwerk 44

3.1 Inleiding 44

3.2 De financiële positie van de woningcorporaties 44

3.3 De financiële continuïteit 45

3.4 De toegang tot de kapitaalmarkt 47

3.5 De naadloze aansluiting 48

3.6 Het College Sluitend Stelsel en projectsteun 49

3.7 Tot slot 50

4 De activering van het latente vermogen 53

4.1 Inleiding 53

4.2 Relatie met normering WSW 54

4.3 Verkoop in verhuurde staat 54

4.3.1 Binnen de sociale huursector 54

4.3.2 Buiten de sociale huursector 56

4.4 Tot slot 57

5 Vrijwillige matching 59

5.1Inleiding 59

5.2 Matchingsinitiatieven 59

5.2.1 Woon Investerings Fonds (WIF) 59

5.2.2 Onderlinge participatie 60

5.2.3 Matchingsmarkt 60

5.3 Tot slot 61

6Garantiefonds voor de Stedelijke Vernieuwing 63

6.1 Voorgeschiedenis 63

6.2 De opzet van het GSV 63

6.3 Kanttekeningen 64

6.4 Tot slot 65

7 De Investerings Maatschappij Stedelijke Vernieuwing 67

7.1 Inleiding 67

7.2 De IMSV als nieuw sluitend stelsel 67

7.3 Juridisch kader 68

7.4 Verschillende opties voor een IMSV 69

7.4.1 Status IMSV 69

7.4.2 Financiële voeding 69

7.4.3 Werkwijze 70

7.5 Tot slot 71

8 Bouwstenen voor een sluitend stelsel 73

8.1 Inleiding 73

8.2 Bevindingen 73

8.2.1 Naadloze aansluiting niet afdoende 73

8.2.2 Bestaand sluitend stelsel in de praktijk niet effectief, in potentie adequaat 74

8.2.3 Vrijwillige initiatieven bieden onvoldoende waarborg 75

8.2.4 Een verplichtend arrangement op publiekrechtelijke basis 75

8.2.5 Randvoorwaarden in het financiële gedrag van woningcorporaties 76

8.2.6 Discussie over heffing en projectsteun onnodig gepolariseerd 77

8.3 Tot slot 78

Bijlage 79

Literatuur

Bijlagen


Bijlage 1: Rapport: Het vermogen om te financieren - dr. J.B.S. Conijn (RIGO Research en Advies BV

Bijlage 2: Samenstelling van de VROM-raad



1 Inleiding

De belangstelling voor de vermogenspositie van de woningcorporaties neemt snel toe. Dit geldt te meer voor dat deel van het vermogen dat uitgaat boven het minimaal noodzake­lijke weerstandsvermogen van de woningcorporaties. Deze zogeheten ‘overmaat’ is door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) vastgesteld op € 10 miljard in 2002. Inmiddels is dit bedrag al één van de kengetallen in de discussie over het woonbeleid.


Deze overmaat leidt tot allerlei vragen. Zijn deze miljarden wel echt beschikbaar en, indien dit niet het geval is, zijn ze wel beschikbaar te maken? Wie gaat er over deze miljarden? Hoe worden ze besteed?

Los hiervan vraagt ook de verdeling van de vermogens over de woningcorporaties om aandacht. Sommige corporaties kennen een hoge overmaat, andere kennen geen overmaat. Mogelijk is de overmaat zodanig verdeeld dat sommige corporaties te arm zijn om de opgave waar zij voor staan, uit te voeren. Mogelijk kunnen alle corporaties de eigen opgave wel financieren. Hoe het ook zij, in beide gevallen ligt de vraag voor hoe met corporatievermogens om te gaan in relatie tot de opgave waarvoor zij staan.


De belangstelling voor de vermogenspositie van de woningcorporaties neemt ook toe omdat de middelen van de rijksoverheid beperkt zijn en naar het zich laat aanzien, ook in de komende jaren zeer beperkt zullen blijven. Het is dan niet meer dan logisch dat bij optredende stagnatie bij een belangrijk beleidsonderdeel als de stedelijke herstructurering gezocht wordt naar nieuwe wegen om meer voortgang te maken.
Over de stedelijke herstructurering heeft de VROM-raad in 2002 geadviseerd. In het advies ‘Haasten en onthaasten in de stedelijke herstructurering’ gaat de raad in op de stagnatie in de stedelijke herstructurering. De raad relateert deze aan de hoog afgestem­de ambities in de nota Wonen, aan de gespannen woningmarkt en aan het sturings­perspectief. In ditzelfde advies gaat de raad ook kort in op het vraagstuk van matching van taken en middelen in de corporatiesector. De raad stelt voor een Investerings Maatschappij Stedelijke Vernieuwing (IMSV) op te richten, waardoor de potentie van de opgebouwde vermogens van de corporaties in Nederland benut wordt voor voortgang in de herstructurerings­opgave.
Bij de behandeling van de begroting van VROM heeft de Tweede Kamer in november 2002 de Minister gevraagd verdere stappen te zetten in de matching van taken en mid­delen. De Kamer nam een motie aan (Van Gent e.a.) waarin de regering ”verzocht wordt de corporatiesector op te roepen om binnen zes maanden met ambitieuze en sluitende voorstellen te komen om de vermogens­over­schotten via verevening te activeren zodat de middelen van relatief rijke corporaties kunnen worden ingezet voor de volkshuisvestings­opgave van corporaties in het bestaand stedelijk gebied”. In de motie wordt de regering ook verzocht hierover uiterlijk in juni 2003 aan de Kamer te rapporteren. Deze rapportage moet gepaard gaan met een voorstel tot wijziging van het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting waarin een regeling wordt voorgesteld om bedoelde overschotten te verevenen.
In 2003 heeft de corporatiesector gewerkt aan een voorstel om aan de vraag van de Tweede Kamer tegemoet te komen. Behalve een matchingsmarkt is vooral inzet geleverd op een te vormen Garantiefonds Stedelijke Vernieuwing (GSV), een fonds waarmee de leen­capaciteit van individuele corporaties versterkt wordt door steun van andere corporaties.
De reacties die de raad op het voorstel voor een Investerings Maatschappij ontving alsmede de discussies in Tweede Kamer en sector hebben de raad er toe gebracht een vervolgadvies op te stellen, waarin de gedachten van de raad over het vraagstuk van matching nader worden uitgewerkt. Het betreft een ongevraagd advies. Op verzoek van de raad heeft dr. J.B.S. Conijn (RIGO Research en Advies BV) een analyse gemaakt van initiatieven van matching. Deze analyse is als bijlage bij het advies gevoegd.

In het advies worden in hoofdstuk 2 enkele algemene gedachten over sturing en matching in het woonbeleid geformuleerd. Hierna volgt in hoofdstuk 3 een verkenning van de rol van instituties en de kracht van de diverse arrangementen van matching. Vervolgens formuleert de raad in hoofdstuk 4 enkele criteria om voortgang te bereiken en wordt in hoofdstuk 5 het voorstel van de Investerings Maatschappij opnieuw bezien. In hoofdstuk 6 volgen de conclusies en de aanbevelingen.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina