Omkering van rijkdom en armoede 30 september zesentwintigste zondag



Dovnload 10.39 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte10.39 Kb.
Omkering van rijkdom en armoede

30 september - zesentwintigste zondag (Amos 6,1a.4-7 - Lucas 16,19-31)

-------------------



Rijkdom en armoede vormen reeds van oudsher een probleem.
Rijkdom op zichzelf is al een probleem, zo ook armoede, en de verhouding tussen beide vormt nog het grootste probleem. Mensen weten niet hoe omgaan met rijkdom en armoede. Ze doen onzinnige dingen, sluiten zich op in zichzelf, in hun eigen wereldje.
Rijkdom en armoede jaagt mensen uit elkaar, zet mensen tegen elkaar op, richt muren op tussen mensen en gemeenschappen. Iedere dag bijna wordt ons dit probleem voor de voeten geworpen, langs diverse media; vaak worden we er ook persoonlijk mee geconfronteerd.
Die schrijnende kloof tussen rijk en arm, arm en rijk, lokt allerlei reacties uit.
Bij de een leidt het tot ontgoocheling, ontmoediging, verbittering;
bij de ander roept het heel wat frustraties op.


---------------------

De woorddienst van deze zondagsviering gaat eveneens over rijken en armen.

In de eerste lezing trekt de profeet Amos radicaal partij voor de armen. Hij geeft er de rijken duchtig van langs. We horen hem donderen: Wee diegenen die zelfingenomen luieren op hun ivoren bedden en zich niet bekommeren om anderen. Wacht maar, zegt Amos, straks is het gedaan met feesten en ga je als eersten de ballingschap in. Amos geeft die welgestelden op hun donder, niet omdat ze rijk zijn, maar omdat ze geen oog hebben voor de ellende van anderen. Rijken zijn vaak blind voor de anderen en bovendien nog doof ook. Ze zijn doof voor de waarschuwing van de profeet. Want Amos komt uit het zuiden, maar treedt op in het noorden, en de mensen uit het noorden keken met minachting neer op die van het zuiden. Waar moeit die man zich mee? Zeggen ze. Amos, go home! Zet daar de boel op stelten. Rijken zijn blind voor anderen en doof voor een ander geluid dan dat van henzelf.

In het evangelie weerklinkt een zelfde boodschap, zij het op een andere manier gebracht. Lucas vertelt de overbekende parabel van Jezus over de rijke vrek en de arme Lazarus. Het is een parabel vol tegenstellingen en omkeringen, zoals we die vaak in het evangelie aantreffen:

- laatsten zullen eersten zijn en eersten laatsten;

- wie zich verheft zal vernederd worden en wie zich vernedert zal verheven worden;

- wie zijn leven redt, zal het verliezen en wie zijn leven verliest, zal het vinden.

Meer speciaal is deze parabel een illustratie van de tegenstelling tussen rijk en arm zoals die wordt verwoord in de zaligsprekingen: ‘Zalig die nu arm zijt…, en wee u die rijk zijn…’ (Lucas 6,20.24). Een illustratie ook van de omkering die in de lofzang van Maria wordt aangekondigd: ‘Wie honger heeft, overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen’ (Lucas 1,53). Meer dan de andere evangelisten samen neemt Lucas het op voor de armen. Zijn oproep is dat wij de armen een geen enkel geval aan hun lot mogen overlaten.


Zoals meestal het geval is in de parabels, bestaat ook deze parabel uit twee taferelen. Enerzijds wordt de zichtbare, concrete wereld geschetst, de wereld zoals wij die zien, voelen, tasten, ervaren, meemaken en waartoe wij behoren. In concreto gaat het om de wereld waarin de rijken alsmaar rijker worden en de armen alsmaar armer, waar de rijken zich zelfgenoegzaam verlustigen in hun rijkdom en de armen worden uitgebuit en onderdrukt; ze zinken al maar verder weg in de afgrond. Anderzijds wordt een wereld voorgesteld zoals God die droomt en zoals Jezus die heeft gepropageerd. Hij noemt die wereld het rijk van God. Jezus stelt het in de parabel zo voor dat in die wereld de afstand tussen de rijke en de arme blijft, maar dat de rollen zijn omgekeerd. De armen zullen aan hun trekken komen en het goed hebben, de rijken niet.
Ik zou deze parabel ietwat willen verduidelijken aan de hand van twee verhalen.

Misschien kent u het beroemde schilderij van Bruegel: De val van Icarus. Op de voorgrond ziet men een boer die op het veld, een beetje boven de zee, met zijn paard aan het ploegen is. Beneden zit een lijnvisser die natuurlijk alle aandacht heeft voor zijn dobber. Verder is er nog een herder met schapen en op zee een mooi zeilschip. Rechts onderaan: twee benen en een hand die in zee verdwijnen. Het is Ikaros die gaat verdrinken. Geen van drie genoemde mensen schijnt op hem te letten. Ze zijn in de buurt, maar Ikaros gaat eenzaam dood. Natuurlijk, ieder heeft zijn eigen leven, zijn eigen werk, heeft zijn eigen zorg en kommer; ook die visser, ook die herder en die boer. Toch zag men graag dat hij even zijn ploeg liet staan om zijn naaste ter hulp te snellen.



De val van Ikaros geeft het beeld weer van ’s mensen eenzaamheid, niet zozeer door egoïsme, maar door onverschilligheid die de mensen van elkaar verwijdert. De stervende Ikaros is niet in de steek gelaten. Hij bleef ongemerkt. Het is een prachtige tekening van het eerste tafereel van deze parabel.
Het tweede tafereel vinden we terug in het verhaal van de heilige Dimitri. Van hem wordt verteld dat hij een afspraak had met God in de woestijn. Die wou hij zeker niet missen en hij spoedde zich naar de plaats waar God hem zou opwachten. Onderweg ontmoette hij een arme boer die met zijn kar was vast gereden in de modder. Hij kpn toch zomaar niet voorbij hollen. Hij begon samen met die arme man aan die kar te trekken en te sleuren om haar uit de modder te bevrijden. Dat kostte echter veel inspanning, veel zweet en veel tijd. Toen de boer geholpen was en verder kon, rende ook Dimitri voort naar de plaats van afspraak. Maar hij kwam te laat. God was er niet meer, God was weg. Of liever: God was hem tegemoet gekomen in de gestalte van die arme boer. In de parabel wordt niet die rijke maar enkel de arme bij naam genoemd: Lazarus. Lazarus betekent: God helpt je. De heilige Dimitri komt overeen met Lazarus: God helpt je.
Door deze parabel wil Jezus een brok leven schetsen. Telkens als we ons huis uitgaan stappen we langs veel onbekend leed, wanhoop, eenzaamheid, ellende, lijden naar geest en lichaam. Vaak zijn we als die rijke die door onze onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid de anderen niet zien, niet horen, … Jezus roept ons op onze zelfgenoegzaamheid af te leggen en oog te hebben voor elk medemens in nood, waarin wij misschien God zelf ontmoeten. Zijn oproep is: Wees als Lazarus, als God die helpt.
Jan Arnouts o.p.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina