Ondertitel: Onderzoeksrapport Instituut/uitgever



Dovnload 2.04 Mb.
Pagina10/26
Datum20.08.2016
Grootte2.04 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   26

6.2 Kobalt

Anaerobe pensbacteriën hebben kobalt (Co) nodig voor hun groei en vermenigvuldiging; zij maken verschillende cobalamines. Eén daarvan is het voor herkauwers essentiële vitamine B12. De andere cobalamines (vitamine B12-analogen)zijn niet bruikbaar voor het dier. Een Co-tekort leidt dan ook tot een verminderde pensfermentatie en een tekort aan vitamine B12. Dit vitamine wordt uit de dunne darm geabsorbeerd en is ondermeer als co-enzym in methylmalonyl-CoA-mustase nodig voor de omzetting van propionzuur naar succinyl-Coa, een tussenstap in de voor de melkkoe zo belangrijke glucosevorming in de lever. Verder is dit vitamine nodig voor de normale bloedvorming en voor het normaal functioneren van het zenuwstelsel.


De vitamine B12-aanmaak in de pens is gering bij zeer lage Co-gehalten in het voer (lager dan ca 0,05 mg Co/kg DS), maar neemt sterk toe wanneer meer Co beschikbaar is. De mate waarin Co door pensbacteiën wordt ingebouwd in vitamine B12 dan wel in analoge (aanduiding voor een bepaald type signaal en de daarmee samenhangende technologie) cobalmines varieert en is o.a. afhankelijk van de Co-status status van het dier en de samenstelling van het rantsoen. De uiteindelijke werkelijke absorptie van vitamine B12 dat in de pens wordt gevormd, is onbekend. Een grove schatting geeft een waarde van 3 tot 5 procent. Competentie om absorptieplaatsen tussen vitamine B12 en de bij herkauwers biologisch inactieve cobalmines draagt bij tot de inefficiënte benutting van dit vitamine. In de lever wordt een kleine hoeveelheid vitamine B12 opgeslagen, maar deze voorraad is snel verbruikt wanneer de Co-voorzieningen onvoldoende worden. Tijdens de dracht wordt maar weinig vitamine B12 doorgegeven aan de vrucht.

6.2.1 Kobalttekort

De verschijnselen van een rund zijn niet specifiek. Vaak is het meest op de voorgrond tredend dat de dieren minder goed gedijen. Als verschijnselen die kunnen optreden, al of niet in combinatie van elkaar, zijn te noemen: vermindering van eetlust, onvoldoende afgrazen van de percelen, slechte pensontwikkeling, achterblijven van de groei, conditie en productie, verdorven eetlust, lusteloos en dromerig staan i.p.v. te staan grazen, dof en ruig haar (bij roodbonte dieren kan het haar een gele tint krijgen), overgevoeligheid voor licht (door aantasting van de lever, “ovine white liver disease”) ontstaan van bloedarmoede en het voortbrengen van zwakke of dode kalveren. Ook de vruchtbaarheid en de weerstand kunnen verminderen. Bij jonge dieren ziet men vooral het achterblijven in ontwikkeling. Als de genoemde verschijnselen optreden bevatte het rantsoen reeds verscheidende weken of maanden onvoldoende Co, en zijn de lichaamsreserves aan vitamine B12 uitgeput. Een vitamine B12-tekort kan zelfs voorkomen bij een Co-gehalte hoger dan 0,11 mg/kg DS, hoewel deze op zich voldoende zouden moeten zijn. Er wordt wel eens verondersteld dat in dergelijke gevallen gifstoffen geproduceerd door schimmels op het gras mede van invloed zouden zijn bij de ontwikkeling van het ziektebeeld.



6.2.2 Kobaltovermaat

Kobalt is niet erg giftig. Kobaltovermaat is dan ook zeldzaam. De verschijnselen lijken sterk op een Co-tekort. Een gehalte van 30 mg Co/kg DS in het voer wordt als maximumwaarde aangehouden. Er zijn geen specifieke maatregelen bekend die bij een Co-vergiftiging genomen kunnen worden.


6.3 Jodium

Jodium (I) is een onmisbaar bestanddeel van de schildklierhormonen T3 (tri-jodothyronine) en T4 (thytroxine), die de intensiteit van de stofwisselingsprocessen van het dier regelen. De schildklier van het kalf moet reeds voor de geboorte beginnen te functioneren. Tijdens de dracht word I actief naar de ongeboren vrucht getransporteerd, waardoor de foetale weefsels acht keer zoveel I kunnen bevatten als die van het moederdier. Bij het jonge dier is voor de snelle groei extra I nodig. Bij het volwassen dier stellen verder de dracht en de daarop volgende melkproductie bijzondere eisen aan de I-voorziening. De hoogte van de hormoonspiegel is een belangrijke factor voor de melkproductie; het is dus van belang te zorgen dat de hormoonspiegel niet door I-gebrek gebruikt wordt. Biest bevat zeer veel I, maar het gehalte in de melk daalt daarna snel. Jodium dringt gemakkelijk tot de melk in de uier door, en kan van daaruit ook weer opgenomen worden in het lichaam. De opname van I uit het maag-darmkanaal is zeer efficiënt (werkelijke absorptie meer dan 80 procent) en vindt met name plaats in de pens en de boekmaag. Een belangrijk deel van via de voeding verstrekt I wordt door de schildklier opgenomen, die het vervolgens onder invloed van het hormoon TRH (thyroid releasing hormone) weer afgeeft in de vorm van de hormonen T3 en T4. De schildklier van een volwassen rund bevat ongeveer 80% van al het in het lichaam aanwezige I; bij vaarzen bedraagt de totale hoeveelheid I in de schildklier 11-22 mg. De uitscheiding van I verloopt met name via de urine.



6.3.1 Jodiumtekort

Bij een tijdelijk tekort in de I-voorziening zijn er veelal nauwelijks gevolgen waarneembaar. Dit is enerzijds een gevolg van de aanwezige reserve, anderzijds van een efficiënter gebruik van I. Een licht tot matig tekort uit zich gewoonlijk niet in specifieke klinische verschijnselen. Toch zal in een dergelijke situatie een kleine I-verstrekking reeds de groei en melkproductie verbeteren. Een I-tekort van langere duur uit zich in duidelijke structuurveranderingen aan de schildklier met uiteindelijk verminderde hormoonproductie. De jonge dieren ontwikkelen zich onvoldoende, o.a. doordat de botgroei achterblijft. Bovendien is dan schade aan de vrucht (zwakke of doodgeboren kalveren, haarloze kalveren, abortus) en vermindering van vlees en melkproductie onvermijdelijk. In streken in ons land met niet-optimale I-voorziening van de mens is waargenomen dat de schildklier van pasgeboren kalveren afwijkingen vertoont. Ernstige gevallen van I-gebrek worden in Nederland echter slechts sporadisch gemeld. De nabijheid van de zee draagt hier waarschijnlijk aan bij, aangezien hierdoor de I gehalten in ruwvoer iets verhoogd worden.



6.3.2 Jodiumovermaat

Een I-vergiftiging uit zich in slechte eetlust, neusvloeiingen, overmatige traan- en speekselproductie en een snelle ademhaling en hoesten ten gevolge van gedeeltelijke verstopping van de luchtwegen. Verder hebben dergelijke dieren een slechte eetlust, verminderde melkproductie en groei, haaruitval, huidontstekingen en kunnen ze verwerpen. Oorzaken van I-overmaat kunnen zijn het onoordeelkundig toepassen van behandelingen met I-verbindingen of extreem hoge gehalten aan I in sporenelementenmengsels. Door tepelbehandeling ter voorkoming van uierontsteking, door tepeldip of spray met een sterke oplossing van jodoforen, kan gemakkelijk een relatief grote hoeveelheid I door het melkvee worden opgenomen. Naast hetgeen door verontreiniging rechtstreeks in de melk terecht komt zal een ander deel daarin worden uitgescheiden na circulatie in het dier. Indien minder zorgvuldig met jodoforen wordt omgegaan (o.a. als niet goed wordt voor- en nagewassen) zou op deze wijze veel I in de voedselketen kunnen binnendringen. Als maximaal toelaatbare I gehalte in het rantsoen voor melkvee is 5 mg/kg DS aangegeven. Tot slot zij erop gewezen dat melk met een I-gehalte boven 0,5 mg/kg niet toegelaten is voor menselijke consumptie (risico voor zuigelingenvoeding).




1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   26


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina