Ondertitel: Onderzoeksrapport Instituut/uitgever



Dovnload 2.04 Mb.
Pagina11/26
Datum20.08.2016
Grootte2.04 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   26

6.4 Mangaan

Als bestanddeel van een aantal enzymen is mangaan (Mn)in het dierlijk lichaam betrokken bij de vorming van kraakbeen en beenderen, bij het functioneren van de geslachtsorganen, bij bloedstollingen en bij de koolhydraat- en vetstofwisseling. De opname van Mn uit het maagdarm kanaal begint al in de pens. Het grootste deel wordt echter opgenomen uit de dunne darm. In het bloed is Mn gebonden aan transferrine (een transport eiwit in het bloed). Een overmaat wordt uitgescheiden via gal en de mest. Hoewel niet veel Mn in het lichaam wordt opgeslagen, hebben herkauwers met meerdere voormagen in de darmwand enige reserve aan Mn (ca. 40 procent van al het in het lichaam aanwezige Mn), waaruit bij een tekort in de voorziening enkele maanden kan worden geput. Ook het Mn uit de lever en hartspier kan in dat geval worden aangesproken. Mangaan kan de placenta vrij goed passeren; hierbij treedt enige ophoping van Mn in de ongeboren vrucht op.



6.4.1 Mangaantekort

In Nederland is Mn-tekort bij herkauwers vrij zeldzaam. In ruwvoeders zijn de gehalten dan ook gemiddeld (ruim) voldoende (gras 95, voordroogkuil 98, gehele plant silage (GPS) 64 mg/kg DS). Alleen het Mn-gehalte in snijmaïs (29 mg Mn/kg Ds) zou voor melkvee misschien aan de krappe kant kunnen zijn. Snijmaïs moet echter altijd aangevuld worden met mengvoer en/of sporenelementenmengsels, waardoor de Mn-voorziening weer ruimer wordt. Het komt bij een Mn tekort meer dan eens voor dat er meer manlijke dan vrouwelijke dieren worden geboren. De kalveren kunnen geboren worden met kromme of zwakke voorpoten. Verder zijn bij deze kalveren verschillende zenuwstoornissen (zwakte, spiertrillingen en dergelijke) en verhoogde prikkelbaarheid vastgesteld. Tot slot worden een slechte vruchtbaarheid en veelvoudig tongrollen aan Mn- tekort toegeschreven.



6.4.2 Mangaanovermaat

Mangaanovermaat komt in Nederland eigenlijk niet voor. Alleen forse overdosering van mineralenmengsel zouden mogelijk tot een Mn-overmaat kunnen leiden. Herkauwers verdragen overigens hoge Mn-doseringen. Zelf bij zeer hoge Mn-gehalten in het voer zijn de verschijnselen vaak mild: de dieren zijn lusteloos en eten en groeien slecht. Er wordt ook een verband vermoed tussen een Mn-overmaat en en een Cu-tekort en het ontstaan van BSE. Hiervoor is echter nauwelijks bewijs voorhanden. Voor melkdrinkende dieren wordt maximaal toelaatbaar gehalte van 500 mg/kg DS aangehouden, terwijl herkauwende dieren 1000 mg/kg DS zouden kunnen verdragen. Overigens kunnen vaak nog veel hogere gehalten verdragen worden. Behalve het onmiddellijk verstrekken van Mn-arm voer is geen specifieke behandeling van Mn-overmaat mogelijk.


6.5 IJzer

IJzer (Fe) is in het lichaam met name van belang als onderdeel van heem. Deze stof is weer een onmisbare bouwsteen van hemoglobine (Hb) en myoglobine (Mb), zuurstofbindende eiwitten in respectievelijk rode bloedlichaampjes en spieren. Doordat Mb zuurstof sterker bindt dan Hb, is een efficiënt zuurstoftransport van bloed naar spieren gewaarborgd. Ongeveer 60 procent van het Fe in het lichaam is Hb. Naast deze functies is Fe ook noodzakelijk voor een aantal andere eiwitten die voor de energiehuishouding van het dier onmisbaar zijn (oxidatieve fosforylering). IJzer wordt met name in de dunne darm opgenomen,waarbij Fe2+ makkelijker wordt opgenomen dan Fe3+ (Fe3+ moet eerst omgezet worden in Fe2+ voordat het opgenomen kan worden). Bij een ruim aanbod aan Fe wordt die in de darmcellen voor een groot deel gebonden aan ferritine (een eiwit dat zorgt voor de binding van ijzer bij de opslag in de lever en het beenmerg). Hierdoor wordt het Fe niet opgenomen, maar verdwijnt het met de mest uit het lichaam als de darmcellen na enkele dagen worden afgestoten. Door de hoeveelheid ferritine in de darmcellen te verhogen of te verlagen kan het lichaam dus zeer efficiënt de Fe-opname regelen. IJzer dat wel opgenomen is,wordt in het bloed gebonden aan transferrine.



6.5.1 IJzertekort

Het meest opvallende verschijnsel van Fe-tekort is bloedarmoede. Hierbij zijn de rode bloedcellen te klein en bevatten te weinig Hb (hypochroom, microcytair). Klinisch valt op dat de dieren niet gedijen, slecht eten en groeien en gevoelig zijn voor allerlei infectieziekten en de slijmvliezen zijn bleek. Een rantsoen voor herkauwende dieren bevat relatief meer Fe door het hogere gehalte aan grond. Bij vleeskalveren en rosé-kalveren wordt door een beperkt Fe-aanbod via de voeding een voldoende lichte vleeskleur behouden. De bijgevoegde snijmaïs mag dan ook niet meer dan 90 mg Fe/kg bevatten.



6.5.2 IJzerovermaat

IJzerovermaat lijkt in Nederland weinig problemen te geven. De verschijnselen van Fe-overmaat zijn bovendien meestal mild. Slechte voeropname en groei zijn de belangrijkste verschijnselen. IJzerovermaat veroorzaakt een toename van de hoeveelheid zuurstofradicalen in het lichaam, waardoor diverse weefsels aangetast kunnen worden. De mate waarin Fe-overmaat schade kan aanrichten hangt dan ook af van de voorziening met anti-oxidanten (vitamine A en E, caroteen, Se, Cu en Zn). Ook een hoog aanbod aan onverzadigde vetzuren (bijvoorbeeld uit voorjaarsgras) samen met een hoog Fe-aanbod via het voer (Fe-rijke grond) kan in principe een gevaar opleveren. Bij een laag Mo-gehalte van het rantsoen kan een hoog Fe-gehalte waarschijnlijk ook een negatief effect hebben op de Cu-voorziening.

Als maximaal toelaatbare gehalte wordt 1000 mg/kg DS voor rundvee aangehouden. Overigens komen in de praktijk door verontreinigingen van ruwvoer met grond geregeld veel hogere gehalten voor (2000-4000 mg/kg DS). Daarnaast moet het Fe-gehalte van drinkwater in de gaten gehouden worden. Dit geldt met name voor oppervlaktewater. Een specifieke behandeling voor Fe-overmaat is niet bekend; wel verdient de voorziening van anti-oxidanten en vooral Cu-voorziening in dit geval speciale aandacht.

6.6 Seleen

Seleen (Se) maakt in het dierlijk organisme met name deel uit van het enzym glutathionperoidase (GSH-Px). Glutathionperoidase komt voor in bloed (rode bloedlichaampjes), organen en weefsels en is betrokken bij het onschadelijk maken van peroxiden. Deze peroxiden ontstaan bij normale (vet)stofwisselingsprocessen (lipidenperoxiden)maar ook, tezamen met superperoxiden, door de activiteit van witte bloedlichaampjes tijdens infecties. Peroxiden hebben een negatieve invloed op de kwaliteit van celmembranen. Bij een Se-tekort kan daardoor gemakkelijk schade aan weefsels ontstaan (peroxidatie). In veel onderzoek naar de effecten van Se blijkt ook de vitamine E voorziening van belang te zijn. Bij het voorkomen van schade door peroxiden en vrije radicalen kunnen Se en vitamine E elkaar ten dele vervangen.

Het Se-gehalte van de plant is in sterke mate afhankelijk van het gehalte in de bodem. Per streek kan het Se-gehalte van de grond variëren. In het buitenland zijn bepaalde gronden zo rijk aan Se dat de planten die erop groeien giftig zijn voor de dieren. Bovendien hoopt een aantal plantensoorten Se op. De planten-soorten die dit het meest uitgesproken doen (obligate accumulatoren) komen echter niet in Nederland voor. Seleniumvergiftiging ten gevolge van eten van planten met een zeer hoog Se-gehalte is in Nederland ook nooit beschreven. Anderzijds kunnen bepaalde gronden aanleidingen geven tot Se-tekorten bij dieren die erop grazen. Bepaling van het Se-gehalte van de grond ter beoordeling van de Se-voorziening van de dieren is echter onvoldoende betrouwbaar. In Nederland komen geen ernstige Se-arme gronden voor. Bij rundvee op de zand- en veengronden wordt de laagste se-voorziening geconstateerd; met name bij pinken zijn verlaagde gehalten aan se en GSH-Px in het bloed aangetroffen. Een hoog S-gehalte in de bodem vermindert de Se opname door planten. Seleen wordt door het dier met name opgenomen in de dunne darm. De uitscheiding verloopt voornamelijk via de mest, hoewel ook via de urine aanzienlijke hoeveelheden kunnen worden uitgescheiden. Tijdens de dracht kan Se de placenta goed passeren waardoor de Se-voorzieningen in de droogstand de Se-status van het kalf bij de geboorte goed beïnvloedden. Hoewel enerzijds geregeld Se-tekorten voorkomen, is Se anderzijds bij hogere gehalten in het voer ook snel giftig. Oplettendheid bij het verstrekken van Se-bevattende voedermiddelen en supplementen is dan ook geboden.

6.6.1 Seleentekort

Herkauwers met een Se-tekort vertonen slapte (ze lopen met gebogen poten, liggen veel en kunnen moeilijk overeind komen), stijfheid, spiertrillingen en een snelle, oppervlakkige ademhaling. Incidenteel kunnen spieren scheuren, waardoor bijvoorbeeld de romp tussen de schouders zakt. Bij onderzoek van het hart valt een onregelmatige en te snelle hartslag op. De dieren kunnen sterven ten gevolge van hartfalen. Bij sectie kunnen de spieren gestreept (nutritionele musculaire dystrofie, “white muscle disease”) wasachtig en verkalkt zijn. Kalveren uit een koppel met een Se-tekort, kunnen gedurende het eerste levensjaar white muscle disease ontwikkelen. De meeste gevallen doen zich echter voor in de eerste levensmaanden. In een koppel koeien met een Se-tekort kan uierontsteking hardnekkiger zijn, terwijl in een aantal gevallen een verhoogd percentage dieren aan de nageboorte blijft staan.


Een goede Se-voorziening tijdens de dracht kan hierop een gunstige invloed uitoefenen. Ook aan de vitamine E-voorziening moet in dergelijke gevallen aandacht besteed worden.

Dieren die alleen op ruwvoer, speciaal snijmaïskuil, lopen in Nederland het grootste risico op een Se-tekort. bij Se-gehalten in het voer van 0,08 mg/kg DS of lager treden al snel klinische verschijnleen van Se-tekort op.



6.6.2 Seleenovermaat

Een Se-vergiftging kan acuut of chronisch verlopen, afhankelijk van de opgenomen hoeveelheid. Acute Se-vergiftiging kenmerk zich door blindheid (“bind staggers”), speekselen, ademhalingsmoeilijkheden en dood door hartfalen. Bij sectie kunnen longstuwingen en degeneratieve veranderingen aan hart, lever en nieren gevonden worden. Dieren met een chronische Se-vergiftiging zijn sloom en vermageren. Ze hebben een ruige vacht en worden kaal, zijn vaak kreupel en stijf; uiteindelijk kan zelf ontschoening optreden. Ze kunnen plotseling ineenstorten en sterven.

Als algemene bovengrens voor herkauwers wordt 3 mg/kg DS van het totale rantsoen aangehouden. Voor alle herkauwers bedraagt de dosis anorganische Se-verbindingen die tot 50 procent uitval leidt (LD50) bij verstrekking via het voer 1,9 8,3 mg Se/kg lichaamsgewicht en bij injectie 0,15-1,9 mg Se/kg lichaamsgewicht. Er bestaat geen therapie tegen Se-vergiftiging.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   26


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina