Onderwerp: bezwaarschrift van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate inzake bodemsanering Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert



Dovnload 45.61 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte45.61 Kb.



NOTA voor burgemeester en wethouders
Onderwerp: bezwaarschrift van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate inzake bodemsanering Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert
Notanr: 2004.07026

BB/JZ


16-03-2004

Portefeuillehouder: Adema


Akkoordstukken

30-03-2004


Besluit:

1. het bezwaarschrift van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate inzake bodemsanering Kanaaldijk Oost / Vliegend Hert onder overneming van het advies, nummer 2003.030, van Kamer 1 van de Algemene Bezwaarschriftencommissie ongegrond te verklaren;

2. betrokkene hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen en daarbij te wijzen op de beroepsmogelijkheid bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

3. dit besluit openbaar te maken nadat betrokkenen daarover schriftelijk zijn geïnformeerd.


OPENBAARMAKING:

Dit besluit openbaar te maken nadat betrokkenen daarover schriftelijk zijn geïnformeerd


COMMUNICATIE:


FINANCIELE ASPECTEN:

Financiële gevolgen voor de gemeente:


toelichting/overwegingen:


Bijgevoegd treft u aan het advies dat Kamer 1 van de Algemene Bezwaarschriftencommissie op 2 maart 2004, onder nr. 03.030, heeft uitgebracht over het bezwaarschrift van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate inzake bodemsanering Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert.
De commissie adviseert uw college dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Dit standpunt wordt met name uiteengezet op pagina 2 en 3 van bovengenoemd advies.
Ik stel u voor dit advies over te nemen en zoals is voorgesteld te besluiten.

ALGEMENE BEZWAARSCHRIFTENCOMMISSIE DEVENTER
Betreft: bezwaarschrift van

de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate

inzake bodemsanering Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert


Aan burgemeester en wethouders

van DEVENTER.

No. 03.030 Deventer, 2 maart 2004
Kamer 1 van de Algemene Bezwaarschriftencommissie heeft behandeld een op 27 november 1998 door de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate (hierna: reclamanten) ingediend bezwaarschrift inzake het besluit van 26 september 2002 waarbij Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben vastgesteld, voorzover hier van belang, dat sprake is van drie gevallen van ernstige bodemverontreiniging aan de Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert te Deventer; dat met de sanering moet worden aangevangen voor 1 augustus 2006 en waarbij is ingestemd met de aanpak van de sanering.

Het bevoegd gezag is per 1 januari 2003 overgegaan naar de gemeente Deventer, zodat thans uw college bevoegd is te beslissen op het ingediende bezwaarschrift.


Aanwezig waren ter hoorzitting d.d; 11 juli 2003: de heren A.H. Jeurnink; G.A. Caneel en mr. F. Scheffer, namens reclamanten; mevrouw mr. A. Hoogeboom, juridisch adviseur Bodem; de heer ing. M. van Houten, projectleider Bodemsanering en mevrouw J. Meekes, allen ambtenaar van de sector Ruimte, Milieu en Wonen, in deze zaak woordvoerders namens het verwerend bestuursorgaan; de heer mr. L.P.A. van Kats, voorzitter, alsmede de leden de heer L.W. van Voorst en de heer mr. C.L.J. Rijndorp en mevrouw mr. M. Ouwehand-den Hartog, secretaris.
Ter zitting van 25 februari 2004 waren aanwezig de voorzitter de heer mr. L.P.A. van Kats en de leden de heer L.W. van Voorst en de heer mr. C.L.J. Rijndorp.

Reclamanten noch verweerders zijn voor deze vergadering uitgenodigd.


Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de Kamer dat voldaan is aan het daaromtrent bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Ten aanzien van de zaak zelf wordt het volgende overwogen. In oktober 1998 stelden GS van Overijssel (destijds het ter zake bevoegd gezag) in een beschikking vast dat op de locatie Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert te Deventer sprake was van een ernstig en urgent geval van bodemverontreiniging en zij stemden tevens in met het toen opgestelde saneringsplan.

Tegen deze beschikking stelde de Werkgroep Behoud Natuur, Milieu en Woongenot (thans: de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate) bezwaar en beroep in. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er geen sprake was van één doch van drie gevallen van bodemverontreiniging en vernietigde het op het bezwaar genomen besluit.

In overleg met reclamanten werd de behandeling van het bezwaar aangehouden in verband met een nieuw binnengekomen melding van een voornemen tot bodemsanering. Het nieuwe besluit werd op 26 september 2002 genomen en dit maakt op grond van artikel 6:18 jo. 6:19 Awb deel uit van de bestuurlijke heroverweging.

In het kader van de heroverweging is op 20 januari 2003 een hoorzitting bij GS gehouden. Ter zitting gaf de Stichting aan, geen bezwaar te hebben tegen de sanering als zodanig maar tegen het feit dat geen aandacht is besteed aan de bescherming van de natuur ter plekke.

Op 30 januari 2003 is het bezwaarschrift met de onderliggende stukken doorgezonden aan uw college ter afhandeling.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de Kamer het hoofd van de Sector Ruimte, Milieu en Wonen om verweer verzocht. In diens verweerschrift d.d. 11 april 2003, dat voor uw college als bijlage bij dit advies is gevoegd, geeft het hoofd van de afdeling Milieu allereerst een korte beschrijving van de inhoud van het besluit en de voorgeschiedenis. Verder schetst hij het juridisch kader. Daarnaast wordt ten aanzien van het bezwaarschrift samengevat aangegeven dat het onderhavige geschil beperkt dient te worden tot de bezwaren die op de hoorzitting van 20 janauri 2003 zijn aangevoerd. Reclamanten hebben aangegeven dat naar hun mening de Wet bodembescherming ruim moet worden uitgelegd en wel in die zin dat de regelingen ter bescherming van flora en fauna daar ook onder vallen. Tevens hebben reclamanten aangevoerd dat de gemeente Deventer destijds ten onrechte geen ontheffing heeft aangevraagd in het kader van artikel 75 Flora- en Faunawet. Gebleken is echter dat een dergelijke ontheffing wel is aangevraagd en ook verkregen. Het betreft de ontheffing nummer FEF2704/99/0076 d.d. 25 augustus 1999, vastgesteld namens de Staatssecretaris van LNV. De Kamer stelt tevens vast dat namens genoemde Staatssecretaris eveneens een ontheffing van de Flora- en Faunawet is verleend aan de provincie Overijssel en wel bij beschikking FEF 27b/2002/108 d.d. 26 augustus 2002.

Ten aanzien van de reikwijdte van de Wet bodembescherming wordt opgemerkt dat bevoegd gezag ter zake van flora en fauna het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is. Regelingen ter bescherming van flora en fauna zijn geen onderdeel van de Wet bodembescherming en het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming is niet bevoegd over de flora en fauna te beslissen. Voorts is het gebied in kwestie niet aangewezen als beschermd gebied in het kader van de EU- Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn zodat geen aanvullende eisen gelden.


Van het verhandelde ter hoorzitting is een apart verslag gemaakt dat voor uw college bij de stukken is gevoegd en hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Tijdens de hoorzitting werd in overleg met reclamanten besloten de behandeling van het bezwaarschrift aan te houden in de hoop dat men er tijdens een al lopend mediationtraject in onderling overleg uit zou komen.

In afwachting daarvan verzocht de Kamer om het saneringsplan van juli 2002 en een uitleg over art. 14 Wet bodembescherming.

Eind december 2003 deelde de Provincie Overijssel mee dat het mediationtraject was beëindigd en verzocht de gemeente de behandeling van het bezwaarschrift voort te zetten.


Reclamanten werden nogmaals de stukken gestuurd; een verslag van de hoorzitting; het saneringsplan en de uitleg van art. 14 Wbb. Zij werden in de gelegenheid gesteld hierop te reageren doch hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De Kamer heeft vervolgens ter zitting van 25 februari 2004 op basis van de stukken haar advies uitgebracht.


Relevante regelgeving. De Kamer onderscheidt in deze zaak de navolgende, haars inziens relevante regelgeving: de Wet bodembescherming; Flora- en Faunawet, art. 75 lid 3; Provinciale Milieuverordening Overijssel 1998; art. 6:18 en 6:19 Algemene wet bestuursrecht
OVERGAANDE TOT HET UITBRENGEN VAN HAAR ADVIES constateert de Kamer dat het bezwaarschrift van reclamanten zich richt tegen het besluit van 26 september 2002 waarbij Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben vastgesteld, voorzover hier van belang, dat sprake is van drie gevallen van ernstige bodemverontreiniging aan de Kanaaldijk Oost/Vliegend Hert te Deventer; dat met de sanering moet worden aangevangen voor 1 augustus 2006 en waarbij is ingestemd met de aanpak van de sanering.

Reclamanten hebben tevens herhaaldelijk aangegeven, het niet oneens te zijn met de constatering dat sprake is van verontreiniging ter plekke en het feit dat deze gesaneerd dient te worden, Zij zijn echter van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezige flora en fauna en dat aan de sanering voorwaarden moeten worden verbonden die strekken ter bescherming van die flora en fauna.


De Kamer constateert dat aan haar nu dus slechts ter beoordeling de vraag voorligt of inderdaad voorwaarden ter bescherming van flora en fauna aan de sanering hadden moeten worden verbonden en beantwoordt deze vraag ontkennend.

Zij stelt vast dat het doel van de Wet bodembescherming is, het zodanig beschermen van de bodem dat deze zijn functies kan blijven vervullen “nu en in de toekomst””. De Wbb was voorheen vooral gericht op een directe bescherming van de kwaliteit van de bodem en het voorkomen van verontreiniging. Na de wijziging van de Wbb, in mei 1994, waarbij het saneringshoofdstuk in de wet is opgenomen, is de wet ook van toepassing op de sanering van de bodem. De saneringsregeling in de wet is bedoeld als een wettelijk kader voor saneringen door overheid en bedrijven/particulieren. De saneringsregeling is tevens afgestemd op andere wetten die van toepassing zijn op bodem en bodemverontreiniging zoals de Wet milieubeheer.


Er is geen directe of indirecte link tussen de Wbb en de Flora- en Faunawet behoudens dat op grond van artikel 75 van deze wet een ontheffing dient te worden gevraagd voor –onder andere- het verontrusten en verplaatsen van bepaalde diersoorten . In casu is een ontheffing gevraagd voor het verontrusten en verplaatsen van Groene kikker, Bruine kikker en Gewone pad die hun leefgebied hebben op het terrein waar de sanering plaatsvindt.

Op 25 augustus 1999 en 26 augustus 2002 zijn de gevraagde ontheffingen verleend. In de laatstgenoemde ontheffing is uitdrukkelijk aangegeven dat geen van de soorten waarvoor ontheffing is aangevraagd, behoren tot de beschermde soorten genoemd in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn. Tevens wordt opgemerkt dat te verwachten is dat de mogelijkheden om andere leefgebieden in de directe omgeving te zoeken, in voldoende mate aanwezig zijn.

De Kamer is van mening dat gelet hierop de gemeente niet verweten kan worden geen oog te hebben voor de flora en fauna in het betreffende gebied.

Voor het overige constateert de Kamer met verweerder dat er in de Wbb geen bepalingen zijn aan te wijzen die de gemeente verplichten voorschriften te verbinden aan de sanering ter bescherming van flora en fauna. Terecht is er door verweerder op gewezen dat het bevoegd gezag ter zake van flora en fauna niet de gemeente en/of de provincie zijn doch het Ministerie van LNV.


Door reclamanten is voorts aangegeven dat er ten onrechte geen opleveringsplan is opgesteld nu de toekomstige bestemming van het gebied niet de bouw van een stadion maar de aanleg van een weg is. Namens verweerder is ter hoorzitting hieromtrent opgemerkt dat het saneringsplan een doorkijk op de toekomstige situatie bevat die is opgenomen in een paragraaf bij dit plan. Overigens bevat de Wbb de eisen waaraan een saneringsplan moet voldoen en daaraan voldoet dit saneringsplan. De Kamer onderschrijft deze stelling en stelt vast dat het aan haar overgelegde geactualiseerde saneringsplan van Bureau Oranjewoud hieraan voldoet.
Tenslotte signaleert de Kamer dat door reclamanten is gewezen op art. 14 Wbb (oud; thans art. 13)). Uit dit artikel zou de verplichting voortvloeien om eisen aan het saneringsplan te verbinden die strekken tot bescherming van de omringende natuur. De Kamer heeft kennisgenomen van de toelichting op dit artikel en stelt vast dat bedoeld artikel is gekarakteriseerd als een “ algemene zorgplichtbepaling” waarin is bepaald dat “’ een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd,

teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantastingen de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.” De Kamer ziet in dit artikel niet een specifieke verplichting tot het verbinden van natuurbeschermende voorwaarden als door reclamanten betoogd.


Nu geconstateerd kan worden dat er een rechtsgeldige ontheffing is op grond van de Flora- en Faunawet en is voldaan aan de eisen voortvloeiend uit de Wet bodembescherming is de Kamer van mening dat er geen reden is het bestreden besluit aan te tasten.

Op grond van vorenstaande overwegingen adviseert de Kamer uw college het bezwaarschrift van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate ongegrond te verklaren en het bestreden besluit te handhaven.


Kamer 1 van de Algemene

Bezwarencommissie,

Mr. L.P.A. van Kats, voorzitter.


Mr. M. Ouwehand, secretaris.


Voor afschrift,

de secretaris van

de Kamer.

Verslag van de hoorzitting van Kemer 1 d.d. 11 juni 2003 inzake bodemsanering Vliegend Hert


Aanwezig: de heer A.H. Jeurnink en G.A. Caneel en de heer mr. F. Scheffer, reclamanten
De heer mr. L.P.A. van Kats, voorzitter van de Kamer en de leden de heer L.W. van Voorst en mr. C.L.J. Rijndorp en mevrouw mr. M. Ouwehand, secretaris;
Mevrouw mr. A. Hoogeboom en mevrouw J. Meekes en de heer ing. M. van Houten; medewerkers van Ruimte, Milieu en Wonen, namens verweerder

De voorzitter opent de vergadering en wijst erop dat de bestreden besluiten oorspronkelijk van Gedeputeerde Staten waren; nu is de gemeente het bevoegd gezag en moet op de bezwaren beslissen. Hij stelt vervolgens vast dat de sanering al voltooid is en vraagt zich af wat het belang van reclamanten nu nog is? Naar zijn mening is de vraag die thans ter beoordeling voorligt, is of aan een beschikking als in geding natuurbeschermende waarden moeten worden verbonden.


De heer Scheffer: in 1998 dienden wij bezwaar in tegen de sanering; wij vroegen ons af of rekening gehouden kon of moest worden met de ter plekke aanwezige fauna. GS waren van mening dat dit niet hoefde; in ieder geval wilden ze er geen rekening mee houden. De Raad van State heeft toen weliswaar het besluit vernietigd maar op een andere grond.

Destijds was hij van mening dat er geen ontheffing ex art. 75 Flora- en Faunawet was maar nu heeft hij deze toch bij de stukken aangetroffen zij het dat deze voor iets anders verleend is, nl. voor de aanleg van de N348. Hij wil nog steeds weten of een ontheffing is aangevraagd ten behoeve van de fauna ter plekke. Hij is van oordeel namelijk dat er compensatiepoelen hadden moeten worden gemaakt.

Ook wijst hij erop dat hij vindt dat een ontheffing is verleend aan iemand die geen partij meer is; namelijk de projectgroep die het stadion zou bouwen.
Voorzitter: dus u vindt dat er ten onrechte geen voorwaarden zijn verbonden aan het saneringsbesluit? En zo ja, wat is dan de juridische grondslag hiervoor?

De heer Scheffer: wijst op de brief van 14 december 2001 (bijlage A); dit is een circulaire waaruit blijkt dat bij planvorming vooraf onderzoek moet plaats vinden. Hier is een ingreep gepleegd; namelijk de sanering en er zijn geen compenserende maatregelen getroffen. Nu is er echter naar zijn mening dus eigenlijk geen vergunning verstrekt want de projectgroep waaraan deze verstrekt was, bestaat niet meer.


Mevrouw Hoogeboom vraagt zich af of kern van het geschil nu is dat het dus gaat om de ontheffing en de verruimende of beperkende werking van de Wbb?

Naar haar mening dient deze in het kader van de ontheffing ruim getrokken te worden; deze geldt voor het hele gebied en voor alle werkzaamheden; niet alleen voor werkzaamheden ten behoeve van een stadion.

Scheffer: naar mijn mening is sprake van verbodsbeperkingen; daarom wordt ook een ontheffing gegeven. Deze is gegeven tot en met 31 juli 2001 en is nu dus verlopen.

Hoogeboom: de bescherming van flora en fauna is een verantwoordelijkheid van de centrale overheid. De bescherming van diersoorten is niet geregeld in de Wbb. Je moet ervoor zorgen dat de nodige vergunningen er zijn en die zijn er.

Voorzitter: zijn de bepalingen in de Wbb dan coördinatiebepalingen?

Hoogeboom: nee, in de Wbb zitten geen schakelbepalingen naar de wetgeving die reclamanten bedoelen.

Voorzitter: er is gesaneerd; zijn er compenserende maatregelen getroffen of niet?

Hoogeboom: nee, niet

Voorzitter: is er al sprake van verdere activiteiten? Ligt er al een tracé ofzo?

Hoogeboom: inderdaad, tot 5 meter voor de kolk. Ook de provincie is van mening dat er iets moet gebeuren zo ondertussen

Voorzitter: wat zou dat dan moeten zijn, wat moet gebeuren?

Jeurnink: de weg gaat straks dwars over die kolk heen; maar daar zitten modderkruipers (wel acht beschermde soorten) daar wordt nog onderzoek naar verricht.

Er loopt een mediation bij de provincie en de hoop is dat daaruit komt dat compenserende maatregelen moeten worden getroffen. Wij vragen ons af of deze beslissing op bezwaar straks niet de mediation doorkruist.

Voorzitter: misschien moet u dan uw bezwaarschrift intrekken?

Jeurnink: nee, dat vraag ik u

Scheffer: er wordt een nieuw onderzoek ingesteld (in mediation besproken)

Voorzitter: lijkt me raar; wat vindt de gemeente hiervan?

Van Houten: weet ik niet;

Voorzitter: maar het saneringsplan is inmiddels gerealiseerd. Vecht u dat aan in het kader van mediation?

Reclamanten: nu er geen stadion komt moet er een (ander)opleveringsplan komen

Voorzitter: wat zegt de gemeente hierop? Wat is de reactie gelet op de gewijzigde situatie?

Van Houten: het saneringsplan geeft een doorkijk op de toekomstige situatie. Daar gaat het om in dit soort situaties; je kijkt ook naar wat de bedoeling is in de toekomst. Het maakt bijvoorbeeld nogal wat uit of je van plan bent ergens een moestuin aan te leggen of een bedrijf of snelweg.

Voorzitter: is er een opleveringsplan?

Van Houten: dat noemen we nu “ voor welk gebruik is de bodem na sanering”en dat is geen plan maar een paragraaf bij het saneringsplan. In de Wbb staat aan welke eisen een saneringsplan moet voldoen en daar moeten we toezicht op houden. De bescherming van flora en fauna staat er los van; die kan niet aan het saneringsplan gekoppeld worden.

Voorzitter: vraag blijft hangen; in AMvB staat blijkbaar hoe een saneringsplan eruit moet zien; moet het saneringsplan dan niet aangepast worden nu bljkt dat er geen stadion komt?

Van Houten: er is een nieuw, geactualiseerd saneringsplan; ik ken geen opleveringsplan. Je moet in een saneringsplan een visie geven op de toekomst en daarna vindt een evaluatie plaats (ten aanzien van bodem).

Scheffer: daar moet in staan wat de huidige functie is; de doelstelling; toekomstige inrichting; gebruik van het terrein, Vaak staat het in onderscheiden paragrafen. Als er bijvoorbeeld een weg komt, dan kun je de verontreiniging net zo goed laten zitten. Wij gaan er hier van uit dat het toekomstig gebruik “natuur”zal zijn. Dat moet er dan in staan.

Voorzitter: adstrueert u dat eens. Waar staat het in de wet dat dat moet?

Scheffer: is een AMvB op grond van art. 14 Wbb (oud)

Overigens ben ik van mening dat de gemeente selectief “shopt”. De ene keer wordt iets ruim geïnterpreteerd maar even later, als het zo uitkomt, wordt weer heel eng geïnterpreteerd.

Hoogeboom: daar gaat het niet om; wi zijn als gemeente geen bevoegd gezag waar het gaat om bescherming van flora en fauna

Scheffer: blijf toch betwijfelen….(of gemeente wel koosjer handelt)

Voorzitter: u gaat buiten de orde; daar gaat het nu niet om; dat is een bevoegdheid van LNV; als u vindt dat laakbaar wordt gehandeld moet dat via het OM gespeeld worden
Voorzitter: u wilt dus natuurgebied in standhouden?

Scheffer: inderdaad

Voorzitter: hoe zit het dan procedureel?

Scheffer: in de mediation overeenkomst staat dat alle lopende termijnen bevroren worden

Verweerder: wij zijn niet op de hoogte van de ins en outs van de mediation

Voorzitter (terugkomend op de ontheffing) er moet dus ontheffing verleend worden?

Scheffer: ja, maar die is aan de verkeerde verleend

Voorzitter: de vraag nu is dus of aan een bodemsaneringbeschikking natuurbeschermende waarden moeten worden verbonden. Daar is nog steeds geen antwoord op. Mijns inziens staat het ook niet in de wet

U bent toch van mening dat dat moet?

Scheffer: dat kan: in het saneringsplan van Oranjewoud

Voorzitter: jawel, maar je moet een ontheffing hebben van LNW; dat is de centrale overheid. Dus de vraag is dan niet wat kan, maar of de gemeente verplicht is om deze voorwaarden aan een urgente sanering te verbinden.

Scheffer: het saneringsplan moet ook een opleveringsplan bevatten; dat ontbreekt. Er is weliswaar geen koppeling Wbb met Flora en Faunawet maar dat staat dus wel in een AMvB.

Daarbij komt, het ging destijds om de aanleg van een stadion en nu niet meer.

Voorzitter: dan vraag ik me af wat er in art. 14 Wbb staat en over welk AMvB het gaat.


Na onderling beraad wordt besloten de zaak aan te houden in de hoop dat de mediation slaagt. De Kamer wil, in geval de mediation niet slaagt, het saneringsplan zien en meer weten over aangehaald art. 14 Wwb.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina