Onderwijs



Dovnload 68.53 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte68.53 Kb.
C/99/184
Luxemburg, 7 juni 1999
8875/99 (Presse 184)


2187e zitting van de Raad

- ONDERWIJS -

Luxemburg, 7 juni 1999

Voorzitter: mevrouw Edelgard BULMAHN


Minister van Onderwijs en Onderzoek van Duitsland

DEELNEMERS
De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:


België

de heer Wilfred SCHRÖDER

Minister van Onderwijs, Cultuur, Wetenschappelijk Onderzoek en Monumenten en Landschappen van de regering van de Duitstalige Gemeenschap

Denemarken:

de heer Niels PULTZ

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Duitsland:

mevrouw Edelgard BULMAHN

de heer Wolf-Michael CATENHUSEN

mevrouw Ute ERDSIEK-RAVE


Minister van Onderwijs en Onderzoek

Parlementair Staatssecretaris van Onderwijs en Onderzoek

Minister van Onderwijs, Wetenschap, Onderzoek en Kunst van Schleswig-Holstein


Griekenland:

de heer Dimitrios RALLIS

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Spanje:

de heer Jorge FERNANDEZ DIAZ

Staatssecretaris voor Onderwijs, Universiteiten, Wetenschappelijk Onderzoek en Ontwikkeling

Frankrijk:

de heer Philippe ETIENNE

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Ierland:

de heer James BRENNAN

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Italië:

de heer Luigi BERLINGUER

de heer Luciano GUERZONI



Minister van Onderwijs

Staatssecretaris van Universiteiten



Luxemburg:

mevrouw Erna HENNICOT-SCHOEPGES

Minister van Onderwijs en Beroepsopleiding

Nederland:

de heer Jan de JONG

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger

Oostenrijk:

mevrouw Elisabeth GEHRER

Minister van Onderwijs en Cultuur

Portugal:

de heer Eduardo MARÇAL GRILO

Minister van Onderwijs

Finland:

mevrouw Maija RASK

Minister van Onderwijs

Zweden:

de heer Thomas ÖSTROS

mevrouw Ingegard WÄRNERSSON



Minister van Onderwijs

Minister, bij het ministerie van Onderwijs, belast met Schoolzaken



Verenigd Koninkrijk:

de heer Bill STOW

Plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger




Commissie:

mevrouw Edith CRESSON

Lid


LEONARDO- EN SOCRATES-PROGRAMMA'S; UITVOERING VAN EUROPASS
De Raad nam nota van
- informatie van het voorzitterschap over de stand van zaken in de tweede fase van de programma's LEONARDO da VINCI (Communautair Actieprogramma inzake Beroepsopleiding) en SOCRATES (Communautair Actieprogramma op het gebied van Onderwijs),
- informatie van Commissielid CRESSON over het verslag van de Commissie over de eerste fase van het SOCRATES-programma (1995-1997), evenals over de voorbereidingen van de Commissie voor de toekomstige uitvoering van de tweede fase van LEONARDO en SOCRATES en
- van de informatie van de Commissie over de situatie inzake de toepassing van de beschikking inzake Europass.
In het daaropvolgende debat was men het er algemeen over eens dat deze programma's een belangrijke rol hebben te vervullen in het verhogen van het niveau van het onderwijs in de Europese Unie en in het bijdragen aan een Europese onderwijsdimensie. Alle delegaties benadrukten echter dat de uitvoering van de programma's wel moet worden verbeterd zodra de tweede fase van LEONARDO en SOCRATES operationeel is.
Ter afsluiting van het debat vatte de voorzitter een en ander samen waarbij hij erop wees dat
- het van vitaal belang is dat zowel het LEONARDO II- als het SOCRATES II-programma in januari 2000 van start gaan, zoals gepland, en dat er tussen de eerste en de tweede fase van deze programma's geen onderbreking mag zitten,
- de programma's doorzichtiger en gebruiksvriendelijker moeten worden,
- de programmaprocedures vereenvoudigd moeten worden teneinde het aantal deelnemers te verhogen,
- er doeltreffende procedures moeten komen waarmee de Commissiediensten, de externe structuren en de nationale agentschappen kunnen worden gecontroleerd en
- het evaluatieverslag over de uitvoering van de programma's op tijd beschikbaar moet zijn, bij voorkeur vóór de geplande datum in 2005.
Er zij aan herinnerd dat het besluit inzake LEONARDO II op 26 april 1999 is aangenomen maar dat het SOCRATES II-programma, waarover op 21 december jongstleden een gemeenschappelijk standpunt is aangenomen, eind september/oktober voor bemiddeling naar het Europees Parlement gaat.


BIJDRAGE VAN HET ONDERWIJS AAN HET EUROPEES WERKGELEGENHEIDS­PACT

De Raad hield een gedachtewisseling over de bijdrage van het onderwijs aan het Europees werkgelegenheidspact. Het was de bedoeling om met dit debat de onderwijsaspecten te belichten van het Europees werkgelegenheidspact, dat door de Europese Raad van Keulen van 3-4 juni is aangenomen.


De ministers bespraken onderstaande punten, waarbij zij uitgingen van door het voorzitterschap opgestelde vragen:
- de manieren waarop de ministers van Onderwijs op nationaal niveau en in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie een rechtstreekser bijdrage aan de bevordering van het werkgelegenheidsbeleid kunnen leveren,
- succesrijke onderwijsmaatregelen ter verlaging van de jeugdwerkloosheid in de lidstaten,
- de manieren waarop de Europese stimuleringsmaatregelen, met inbegrip van de structuurfondsen, beter kunnen worden ingezet voor de onderwijsmaatregelen die de lidstaten op onderwijsgebied nemen ter verbetering van de inzetbaarheid.
Het voorzitterschap sloot deze gedachtewisseling af door erop te wijzen
- dat de Raad vindt dat onderwijs een hoofdrol speelt in het werkgelegenheidsbeleid en in de ontwikkeling van ieder land en dat het in dit verband raadzaam is ervoor te zorgen dat in de onderwijsstelsels rekening wordt gehouden met nieuwe uitdagingen en in het bijzonder met de toegang van jonge mensen met leerproblemen tot een werkzaam leven;
- dat de Raad ingenomen is met de conclusies van de Europese Raad in Keulen over het werkgelegenheidspact, waaronder ook het belang van werkgelegenheid voor jongeren voorkomt.
Tevens werd de wens geuit dat vanaf 2000 op onderwijsgebied gebruik wordt gemaakt van de structuurfondsen.


PROGNOSES OP HET GEBIED VAN HET ONDERWIJS

De Raad debatteerde over het thema prognoses op het gebied van het onderwijs. Indachtig hieraan heeft het voorzitterschap een discussienota opgesteld die uitgaat van de behoefte aan informatie als basis voor de ondersteuning van strategische middellange- en langetermijnplanning op onderwijsgebied, die van essentieel belang is. De discussienota werd geschraagd door een meer technische nota over de toepassing van onderwijsprognoses in de lidstaten en door een studie die EURYDICE (het onderwijsinformatienetwerk van de EU) hierover heeft uitgevoerd.


Vooruitzien in de zin van het systematisch ontwikkelen van ver naar voren grijpende, zich dikwijls over 20 30 jaar uitstrekkende voorbeeldscenario's is een relatief jonge discipline. Vooruitzien biedt de mogelijkheid om eventuele toekomstscenario's te vergelijken. Vooruitzien maakt een politieke en publieke dialoog mogelijk die losstaat van de praktische en opportunistische overwegingen van alle dag. Voor het maken van prognoses moeten complexe situaties worden vereenvoudigd, en moet gezocht worden naar de grote tendensen en gemeenschappelijke taken waarmee wij in alle delen van de wereld, en vooral in de lidstaten van de Europese Unie, worden geconfronteerd.
De ministers bespraken een aantal sleutelelementen die in een discussienota van het voorzitterschap naar voren zijn gebracht:
- moeten prognoses op nationaal en Europees niveau - ook rekening houdend met de werkzaamheden van de OESO - worden uitgebreid?


  • welke hoofdthema's moeten met voorrang worden gevolgd en




  • welke rol kan de Europese samenwerking spelen bij de behandeling van deze vragen?

Aan het eind van het debat stelde het voorzitterschap vast dat prognoses in het onderwijs een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang vertegenwoordigen die door de Europese instellingen moet worden aangepakt teneinde nieuwe uitdagingen, zoals het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, aan te kunnen. Derhalve verzocht het voorzitterschap de Commissie zich hiermee te gaan bezighouden zodat de Raad dit punt verder kan bestuderen.



CONFERENTIE VAN DE EUROPESE MINISTERS VAN ONDERWIJS IN BOEDAPEST VAN 24 TOT EN MET 26 JUNI 1999
In samenhang met de voorbereiding van deze conferentie debatteerde de Raad over ontwerp-elementen voor een verklaring van de aan de conferentie in Boedapest deelnemende onderwijsministers en van de Europese Commissie over hoe de gevolgen van het Kosovo-conflict op onderwijsgebied kunnen worden verholpen in de context van het beoogde stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa.
De Raad verzocht het Onderwijscomité en het Comité van permanente vertegenwoordigers voort te gaan met de voorbereiding van de conferentie, zodat de onderwijsministers van de Europese Unie overeenstemming kunnen bereiken over een ontwerp-verklaring.

DIVERSEN
- CONFERENTIE VAN DE MINISTERS VAN HOGER ONDERWIJS (BOLOGNA, 18 19 JUNI 1999)
De Raad nam nota van de informatie van de Italiaanse delegatie over de conferentie van de ministers van hoger onderwijs in Bologna. Deze conferentie met als thema "de Europese ruimte voor hoger onderwijs" kan worden gezien als een vervolg op de conferentie aan de Sorbonne te Parijs van 25 mei 1998, die een "gezamenlijke verklaring over de harmonisatie van de architectuur van het Europese hogeronderwijsstelsel" van de verantwoordelijke ministers van Frankrijk, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk opleverde. In Bologna zullen alle lidstaten van de EU vertegenwoordigd zijn.

- STUDIES VAN EURYDICE

De Raad nam kennis van de informatie die Commissielid CRESSON verstrekte over twee door EURYDICE uitgevoerde studies:


- Kernvraagstukken van het onderwijs: financiële steunmaatregelen voor studenten hoger onderwijs in de EU en in de EVA/EER-staten
- Studie over de sociaal-economische situatie van ERASMUS-studenten.

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN
GEGEVENSBESCHERMING
Toetreding van de EG tot Verdrag 108 van de Raad van Europa
De Raad nam het besluit aan waarbij de lidstaten toestemming wordt verleend om namens de Europese Gemeenschappen unaniem in te stemmen met de wijzigingen die het mogelijk maken dat de EG toetreedt tot het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van gegevens (Verdrag 108 van de Raad van Europa). Naar verwachting neemt het Comité van Ministers van de Raad van Europa de wijzigingen op 15 juni 1999 aan.
Verdrag 108 is op 1 oktober 1985 in werking getreden. Tot nog toe mochten alleen staten partij worden bij het Verdrag. Derhalve was het noodzakelijk wijzigingen op te stellen die het de Europese Gemeenschappen mogelijk maken toe te treden. Deze toetreding wordt gezien als een logisch gevolg van de aanneming van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Op basis van de EG-Verdragen en deze richtlijn, die in ruime mate geïnspireerd is door het Verdrag van de Raad van Europa en tot doel heeft de beginselen van dit Verdrag nauwkeurig uit te leggen en verder uit te bouwen, zijn de Gemeenschappen gemachtigd toe te treden tot internationale overeenkomsten op de door het Verdrag bestreken gebieden.

VISSERIJ
Bescherming van dolfijnen
De Raad nam het besluit aan betreffende de voorlopige toepassing door de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst inzake het Internationale Programma voor het behoud van dolfijnen.
Er zij aan herinnerd dat de Raad op 26 april 1999 het besluit heeft genomen tot ondertekening van deze overeenkomst, die tot doel heeft:

- via vaststelling van jaarlijkse limieten, de incidentele dolfijnsterfte bij de tonijnvisserij met ringzegen in het overeenkomstgebied geleidelijk te verminderen en daaraan vrijwel een einde te maken;

- teneinde de dolfijnsterfte in deze visserijtak een halt toe te roepen, te zoeken naar ecologisch verantwoorde methoden om volgroeide geelvintonijn niet in combinatie met dolfijnen te vangen, en

- de instandhouding te waarborgen van de tonijnbestanden in het overeenkomstgebied, alsmede van de levende rijkdommen van de zee die ook gevolgen ondervinden van deze tak van visserij, daarbij rekening houdende met de interrelatie tussen soorten in het ecosysteem en met bijzondere aandacht voor, onder andere, het vermijden, de vermindering en de mini­malisering van de bijvangst en het overboord zetten van jonge tonijn en van niet-doelsoorten.



EXTERNE BETREKKINGEN
Betrekkingen met Tunesië
Namens de EU keurde de Raad een ontwerp-besluit goed van de Associatieraad EU/Tunesië inzake de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende landbouwproducten van de Europees-mediterrane associatieovereenkomst (artikel 10). Met dit besluit wordt beoogd een landbouwelement te onderscheiden in de rechten die van toepassing zijn bij invoer van landbouwproducten van oorsprong uit de EG en het niet-landbouwelement van de rechten overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de overeenkomst af te schaffen.
Europese Economische Ruimte
Namens de EU keurde de Raad een ontwerp-besluit goed van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van protocol 37 en bijlage XI bij de EER-Overeenkomst, met als doel de integratie van de communautaire wetgeving over de telecommunicatiediensten, en met name de wetgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in de EER.


AGENDA 2000

Trans-Europese netwerken


De Raad nam de verordening aan tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 over trans-Europese netwerken (TEN's), waarbij rekening werd gehouden met de door het Europees Parlement voor­gestelde amendementen (sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is op dit onderwerp de medebeslissingsprocedure van toepassing).
Bij deze verordening worden de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van TEN's aangepast. Voornaamste doelstellingen:

- voor de meeste projecten wordt de bestaande jaarlijkse procedure voor de toekenning van middelen voor TEN's vervangen door de invoering van financiering op basis van indicatieve meerjarenprogramma's;

- de invoering van risicokapitaal als een vorm van financiële bijstand van de Gemeenschap;

- het uitbreiden in specifieke gevallen van bepaalde limieten van de financiële bijstand van de Gemeenschap;

- het vaststellen van een kaderbedrag van 4,6 miljard euro voor de jaren 2000-2006.

BENOEMINGEN
Comité van de Regio's
De Raad nam een besluit aan tot benoeming van
- de heer Franz Josef JUNG, mevrouw Ulrike RODUST en de heer A.G.J.M. ROMBOUTS tot lid van het Comité van de Regio's
ter vervanging van respectievelijk de heer Ruppert von PLOTTNITZ, de heer Uwe DÖRING en de heer Philip HOUBEN;
- de heer Dirk BROUER, de heer Peter LEHNERT, de heer Klaus Peter MÖLLER en de heer Klaus WEDEMEIER tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's
ter vervanging van respectievelijk mevrouw Irmgard von ROTTENBURG, de heer Jost de JAGER, mevrouw Kristiane WEBER-HASSEMER en de heer Günter NIEDERBREMER
voor de verdere duur van hun ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2002.

SCHRIFTELIJKE PROCEDURE
FRJ - weigering van visa
Via de schriftelijke procedure nam de Raad op 1 juni 1999 een besluit aan tot wijziging van zijn besluit van 10 mei 1999 inzake het weigeren van visa aan onderdanen van de Federale Republiek Joegoslavië.
Met dit besluit wordt de lijst personen die niet mogen worden toegelaten in de lidstaten gewijzigd, meer bepaald worden de namen van onderstaande personen toegevoegd:
Radmila Visic, Plaatsvervangend minister van Informatie

Grujica Davidovic, Commandant van het legerkorps Vzice

Aleksandar Rakocevic, Hoofd Voorlichtingsdienst VJ

Milorad Savovic, President van het 2e Militair Hof

Radoman Bozovic, Directeur Genex

Zoran Cicak, Speciaal adviseur van de Gouverneur van de Beogradska Bank

Tomic Dragan, Directeur van Jugopetrol (voorzitter van het Servische Parlement)

Djordje Nicovic, Bankier, voorheen Plaatsvervangend Gouverneur van de Nationale Bank

Dusan Radovanovic, SPS, Regionaal Hoofd, NIS

Boza Vucurevic, Zakenman in Genève, mede-eigenaar van Nivada


en worden de namen van twee personen (Zoran Drakulic en Jovica Stanisic) geschrapt.


: rapid
rapid -> Tribunal de cuentas europeo
rapid -> IP/99/668 Brussel, 9 september 1999 Commissie sluit dossier over stelsel van vaste boekenprijzen in Nederland
rapid -> Perscommuniqué nr. 31/13
rapid -> Bestrijding seksueel geweld tegen minderjarigen tijdens wk voetbal: eu start campagne
rapid -> Europese Commissie Persbericht Brussel, 25 september 2014 Europese Dag van de talen: diversiteit zit in ons dna
rapid -> Ip/01/1393 Brussel, 10 oktober 2001 Commissie verbiedt Schneider Electric verwerving controle over Legrand
rapid -> Financiële diensten: de Commissie zet een buitengerechtelijk klachtennetwerk op om de consumenten meer vertrouwen te geven
rapid -> Staatssteun: Commissie geeft groen licht voor steun aan nieuwe multifunctionele kernreactor in Nederland
rapid -> Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
rapid -> De Europese economie heeft een stevige industriële basis nodig




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina