Onderzoek opleidingen defensie



Dovnload 0.5 Mb.
Pagina1/9
Datum16.08.2016
Grootte0.5 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9



ONDERZOEK OPLEIDINGEN DEFENSIE

Rapport van de projectgroep Nulmeting opleidingen Defensie, ingesteld door de Secretaris-generaal van het ministerie van Defensie

Den Haag 11 juli 2008

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf 4

Samenvatting 5



  1. Inleiding 9

1.1 Aanleiding tot opdracht nulmeting opleidingen Defensie 9

1.2 Samenstelling projectgroep 9

1.3 Afbakening van het onderzoeksveld 9

1.4 Werkwijze projectgroep 9

1.5 Leeswijzer: de opbouw van het rapport 10




  1. Inventarisatie van het opleidingsveld van Defensie 12




    1. Inleiding 12

    1. 2.2 Het Commando Landstrijdkrachten 13

              1. 2.2.1 De organisatie en de resultaten 13

      1. Opleidingsuitgaven Commando Landstrijdkrachten 15

    1. Het Commando Zeestrijdkrachten 17

2.3.1 De organisatie en de resultaten 17

      1. Opleidingsuitgaven Commando Zeestrijdkrachten 20

2.4 Het Commando Luchtstrijdkrachten 21

2.4.1 De organisatie en de resultaten 21

2.4.2 Opleidingsuitgaven Commando Luchtstrijdkrachten 23

2.5 De Koninklijke marechaussee 24

2.5.1 De organisatie en de resultaten 24

2.5.2 Opleidingsuitgaven Koninklijke marechaussee 26

2.6 Het Commando DienstenCentra 27

2.6.1 Het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen 27

2.6.2 De Nederlandse Defensie Academie 28

2.6.3 Opleidingsuitgaven Commando DienstenCentra 29

2.7 Opleidingsuitgaven Bestuursstaf en Defensie Materieel Organisatie 30

2.8 Totaal opleidingsuitgaven Defensie 31

2.9 De inrichting van de opleidingen 32

2.9.1 Drie categorieën opleidingen 32

2.9.2 De grootte van de lichtingen 32

2.9.3 De bezettingsgraad van de opleidingen 33

2.10 De kwaliteit van de opleidingen 34 2.10.1 ‘Vorming’ in het militair onderwijs 34

2.10.2 Evaluaties 35

2.10.3 Certificering 36

2.11 Het project Loopbaanlint 37

2.12 Flexibel Personeelssysteem 39


3 Bevindingen 40


    1. Inleiding 40

    2. Verschillende defensieonderdelen, één krijgsmacht 40

    3. De aansturing van het opleidingsveld: partieel en weinig directief 42

    4. Informatievoorziening 44

    5. E-learning 45

    6. De grenzen van de doelmatigheid 47

3.6.1 Opleidingsduur in relatie tot totale arbeidsduur 49

    1. Opleidingen burgerpersoneel 50



  1. Conclusies en aanbevelingen 52




    1. Inleiding 52

    2. Geen generieke bezuinigingen 52

    3. Decentrale uitvoering vergt centrale aansturing en goede informatie 54

    4. Andere doelmatigheids- en verbetermaatregelen 56

    5. Samenwerking met civiel onderwijs 58

    6. Resumerend: de aanbevelingen puntsgewijs 59


Bijlage 1: Geraadpleegde personen 61

Bijlage 2: Bezoeken 63

WOORD VOORAF

De opleidingsorganisatie van Defensie verricht jaar in jaar uit een grote prestatie. Verspreid over het jaar komen enkele duizenden militairen de organisatie in, doorgaans betrekkelijk jong en zonder vakopleiding. Zij moeten vele uiteenlopende functies vervullen, die dan ook vele uiteenlopende opleidingen vergen. De uiteindelijke test of de opleiding geslaagd is, wordt afgenomen in een operatie waarin Nederlandse militairen onder zware en niet zelden risicovolle omstandigheden hun werk moeten doen. Dat onderstreept het belang van een goede opleiding en training en daarmee het belang van een organisatie die op haar taak berekend is. Tegelijkertijd moeten veel militairen zich via een vervolgopleiding voorbereiden op een volgende functie. Tenslotte moet een derde categorie militairen, soms ook door een opleiding, worden voorbereid op de overstap naar de arbeidsmarkt.


Defensie beschikt over goed opgeleid personeel. Dat blijkt uit de operaties waaraan Nederlandse militairen bijdragen en hebben bijgedragen. Nederlandse militairen kunnen goed functioneren in nieuwe, onverwachte en soms gevaarlijke situaties. In dat opzicht beantwoordt het militaire opleidingsbeleid van Defensie aan zijn doel. Een goede opleiding is een eerste voorwaarde voor een verantwoorde taakuitvoering. In die zin krijgt Nederland waar voor het aan Defensie bestede geld.
De opdracht van de Secretaris-generaal tot het uitvoeren van een nulmeting beoogde meer: behalve het in kaart brengen van de defensieopleidingen en van de organisatie die daarvoor verantwoordelijk is, was een achterliggende vraag: kan het doelmatiger, kan het voor minder geld? Het eerste doel – de inventarisatie – bleek al een bijna onmogelijke opgave. Het aantal defensiescholen laat zich weliswaar tellen en hetzelfde geldt voor de aantallen docenten, opgeleide militairen en gegeven lesuren. Die getallen zijn echter geen kengetallen. Daarvoor zijn het te vaak onvergelijkbare grootheden, die zich niet onder één noemer laten brengen. Bovendien is de financiële informatie niet compleet, omdat een belangrijk deel van de kosten niet als zodanig aan de opleidingen wordt toegerekend.
In deze omstandigheden was het mogelijk een beeld van het opleidingsveld te schetsen, in het bijzonder een beeld van de omvang, de diversiteit en de complexiteit van dat veld. Het was vanwege de ontbrekende gegevens echter niet mogelijk een complete weergave van het opleidingsveld te maken. Ook was het mogelijk een oordeel te vellen over de doelmatigheid van de opleidingsinspanningen van Defensie. Maar vanwege de onbekenden is het een genuanceerd oordeel: een absoluut oordeel is niet mogelijk.
In de loop van het onderzoek zijn voor de projectgroep vooral twee dingen duidelijk geworden: in de eerste plaats moet de decentrale uitvoering van de defensieopleidingen worden gehandhaafd: daar zijn tal van redenen voor. In de tweede plaats is dat slechts verantwoord als de aansturing vanuit de Bestuursstaf wordt verbeterd, beter ingebed in de organisatie en gestoeld op een betere informatievoorziening.

De projectgroep Nulmeting opleidingen Defensie


Den Haag, 11 juli 2008

SAMENVATTING

Opleidingen leggen een flink beslag op de personele en financiële middelen van Defensie: in 2007 verzorgden in totaal 5.559 medewerkers, inclusief staf en ondersteunend personeel, op 29 scholen en opleidingsinstituten in totaal 1.899 opleidingen1 voor een kleine 7.000 militairen2. Veel militairen komen de organisatie binnen met een diploma van de middelbare school maar zonder vakopleiding. Die krijgen ze van Defensie in een militaire basisopleiding en een eerste functieopleiding. Verdere opleidingen volgen in latere jaren, voorafgaande aan nieuwe stappen in de militaire loopbaan. Op die manier wordt voor de opleiding van militairen inhoud gegeven aan het beginsel ’just in time, just enough’. Voordat zij de dienst verlaten, helpt Defensie hen met een goede startkwalificatie voor de arbeidsmarkt: via een civiel gecertificeerde opleiding en/of door erkenning van verworven competenties.


Operationele commando’s voeren de opleidingen uit

De uitvoering van de opleidingen berust bij de operationele commando’s, die deze taak elk met hun eigen organisatie uitvoeren. Zij hebben hun specifieke operationele taken, ze opereren ieder op hun eigen wijze en in verschillende omstandigheden – die kennen zijzelf het beste en daarop sluiten zij in hun eigen opleidingen zo goed mogelijk aan. De operationele commando’s willen de uitvoering van de opleidingen ook aan zichzelf houden, om nieuw binnengekomen militairen in de eigen militaire omgeving zo goed en zo snel mogelijk aan zich te binden. Dat sluit ook aan bij de werving van militairen, bijvoorbeeld in reclamespots waarin de operationele commando’s duidelijk naar voren treden. Onderzoek heeft aangetoond dat sollicitanten niet zozeer op de krijgsmacht afkomen, maar worden aangetrokken door een defensieonderdeel – de landmacht, de marine, de luchtmacht, de marechaussee: dat zijn de ‘sterke merken’ van Defensie.


De keerzijde is dat militairen in operationele omstandigheden niet op zichzelf optreden, maar als onderdeel van een groter geheel. En dat grotere geheel beperkt zich niet tot het operationeel commando, militaire eenheden treden meer en meer op met eenheden van andere defensieonderdelen (‘joint’) en uit andere landen. ‘Joint’ optreden moet al in de opleiding worden geleerd en vervolgens in trainingen regelmatig beoefend.
Beperkingen van de decentrale aanpak

Voor ‘joint’ optreden is de organisatie van de opleidingen vanuit de operationele commando’s niet de ideale uitgangssituatie. De decentrale aanpak betekent dat militairen van verschillende krijgsmachtdelen elkaar doorgaans gedurende opleiding en training niet of nauwelijks tegenkomen. Hiermee komt de Commandant der Strijdkrachten in beeld: het is zíjn rol om een goede voorbereiding op ‘joint‘ optreden te bevorderen en daarvoor de goede voorwaarden te creëren.


Keerzijde van de decentrale aanpak is bovendien dat de mogelijkheden tot samenwerking en daarmee tot doelmatigheid niet ten volle worden benut. In de praktijk werken de operationele commando’s op een aantal manieren samen, onder andere door gebruik te maken van elkaars opleidingen. Een voorbeeld is het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden van het Commando Landstrijdkrachten, dat militairen van alle defensieonderdelen opleidt. Ook zijn gelijksoortige opleidingen samengevoegd, zoals onlangs in de Defensie Vaarschool en de Defensie Duikschool in Den Helder. Maar daarvoor moeten tal van problemen worden overwonnen, omdat de operationele commando’s in hun opleidingen uiteenlopen qua aansturing, aanpak en terminologie. Ook hier kan de Commandant der Strijdkrachten een stimulerende rol spelen: door initiatieven van onderop tot harmonisatie te ondersteunen, door zelf samenwerkingsmogelijkheden te signaleren of door de defensieonderdelen aan te zetten tot het opheffen van onnodige onderlinge verschillen, zoals het hanteren van uiteenlopende begrippen.
Decentrale uitvoering vergt goede centrale aansturing

De conclusie is dat de operationele commando’s in de uitvoering van de opleiding hun verantwoordelijkheden en taken moeten behouden. Dat kan alleen als tegelijkertijd sprake is van een goede beleidsmatige aansturing. En daaraan valt het nodige te verbeteren. Op papier zijn de Hoofddirecteur Personeel (HDP) en de Commandant der Strijdkrachten (CDS) binnen de Bestuursstaf de beleidsverantwoordelijken voor opleidingen. Maar hun verantwoordelijkheden zijn niet helder beschreven, zodat in de eerste plaats niet duidelijk is wat precies wordt gerekend tot ‘beleid’ en wat tot ‘uitvoering’ en in de tweede plaats niet hoe de HDP en de CDS het werk onderling verdelen. Daarover moet duidelijkheid worden geboden. Bovendien dient de CDS zijn rol als behoeftesteller ook op het gebied van opleidingen inhoud te geven. Bij materieelverwerving treedt de CDS op als de behoeftesteller die aangeeft aan wat voor materieel behoefte bestaat. Iets soortgelijks op personeelsgebied ontbreekt: de CDS moet de kaders aangeven en beschrijven welke competenties in de krijgsmacht nodig zijn. Vervolgens is het aan de operationele commando’s om, op basis van de aanwijzingen van de CDS, de opleidingen in te richten. Dit vereist dat de bij de Defensiestaf in oprichting zijnde afdeling voor opleiding en training wordt opgewaardeerd tot een eenheid die qua personele bezetting en taakomschrijving voldoende robuust is om inhoud en zichtbaarheid te geven aan deze rol van de CDS.


Verbeterde informatievoorziening noodzakelijk

De HDP en de CDS kunnen hun beleidsverantwoordelijkheid alleen werkelijk uitoefenen als ze over de noodzakelijke informatie beschikken. Die ontbreekt nu grotendeels. De Bestuursstaf beschikt niet over een databank met actuele informatie over de opleidingen die Defensie verzorgt, de duur van die opleidingen, de aantallen leerlingen, de bezettingsgraad van de opleidingen, opleidingsverloop en de uitgaven voor opleiding en training. Daarmee mist de Bestuursstaf essentiële sturingsinformatie. Peoplesoft was niet toegesneden op opleidingen. Daarom bleven de defensieonderdelen hun eigen bedrijfsvoeringssysteem gebruiken en bleef de informatie in Peoplesoft incompleet en niet actueel. In november 2008 wordt in het kader van het project STOP (‘Standaardisering OpleidingsProcessen’) nieuwe functionaliteiten in Peoplesoft toegevoegd, zodat nu ook opleidingen kunnen worden geregistreerd. Als dat gebeurt, dan moet Peoplesoft voor de defensieonderdelen wel te gebruiken zijn voor de bedrijfsvoering. Dat is belangrijk omdat op die manier de Bestuursstaf ten minste een deel van de broodnodige informatie krijgt om aan de beleidsverantwoordelijkheid inhoud te geven. De financiële informatie ontbreekt dan nog. De Defensiestaf zal de operationele commando’s moeten aangeven welke financiële informatie over de opleidingen zij in de bedrijfsplannen en in de managementrapportages moeten opnemen, om de Bestuursstaf ook op financieel gebied een actueel en compleet beeld van de opleidingen te geven.


Geen mogelijkheden voor nieuwe generieke bezuinigingen

De achtereenvolgende bezuinigingen die Defensie gedurende enkele decennia heeft moeten verwerken, hebben ook op het gebied van de opleidingen gevolgen gehad: defensiescholen zijn samengevoegd, opleidingen zijn bekort, er is bezuinigd op ondersteunend personeel. Er zijn de nodige signalen vanuit de defensieonderdelen zelf, maar ook van anderen onder wie de Inspecteur-generaal der Krijgsmacht, dat de tijd en de middelen voor de opleidingen op onderdelen (te) krap bemeten zijn. Tegelijkertijd worden nieuwe eisen aan de opleidingen gesteld: in de eerste plaats komt er steeds nieuw materieel in grotere variëteit en kleinere aantallen, waarvoor nieuw personeel zowel voor de bediening als voor het onderhoud moet worden opgeleid. In de tweede plaats zal in het kader van het actieplan voor werving en behoud eerder meer dan minder personeel voor de opleidingen nodig zijn, bijvoorbeeld meer begeleidend personeel om het aantal mensen dat voortijdig de opleiding verlaat te verminderen. In de derde plaats heeft Defensie met de invoering van het Flexibel Personeelssysteem nieuwe ambities met betrekking tot de opleiding van het personeel geformuleerd. Dat zijn stuk voor stuk ontwikkelingen die geld kosten.


Uitbesteding opleidingen aan civiel onderwijs

Met het oog op de werving werkt Defensie samen met een aantal Regionale Opleidingscentra (ROC’s), die de opleiding vrede en veiligheid aanbieden, die voor Defensie dient als voorschakeltraject. Na deze opleiding kunnen jongeren doorstromen naar Defensie. Ze krijgen dan voor de defensieopleiding vrijstellingen voor wat ze in de opleiding vrede en veiligheid hebben geleerd. Op deze manier kan Defensie al jongeren beneden de 18 jaar aan zich ‘binden’. Dat is belangrijk op een krapper wordende arbeidsmarkt. Inmiddels heeft Defensie met de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een convenant gesloten dat voorziet in een verregaande intensivering van de samenwerking met de ROC’s. Deze plannen worden nu verder uitgewerkt met als doel dat over enkele jaren het grootste deel van de instroomopleidingen door de ROC’s wordt verzorgd. Het is daarom in dit stadium niet zinvol om, in aanvulling op dit project Loopbaanlint, afzonderlijke opleidingen te identificeren die voor uitbesteding in aanmerking komen. Het ligt voor de hand om, als de uitwerking van het convenant een feit is, te kijken of vervolgstappen mogelijk zijn. Zo’n vervolgstap is om ook doorstroomopleidingen die in het teken staan van ‘employability’ en dus de overstap naar de civiele arbeidsmarkt, nog meer dan nu bij ROC’s onder te brengen.


Andere doelmatigheids- en verbetermaatregelen

De twee belangrijkste doelmatigheids- en verbetermaatregelen zijn al genoemd: verbetering van de aansturing met een versterkte rol voor de Commandant der Strijdkrachten en de verwezenlijking van een goed systeem voor het verzamelen en bijhouden van de juiste sturingsinformatie.


Andere maatregelen die de projectgroep aanbeveelt zijn:

• samenvoeging van de School voor Leidinggeven en Opleidingskunde (SLO), die deel uitmaakt van de Koninklijke Militaire School van het Commando Landstrijdkrachten, met de relevante opleidingen van de School voor Maritieme Vorming, Bedrijfsvoering en Onderwijskunde (SMVBO) en van het Didactiek, Militair Leiderschap en Opleidingen Squadron (DMLO) van de Koninklijke Militaire School Luchtmacht op een locatie centraal in het land. Bij de SLO is ook het Expertisecentrum Educatieve Multimedia en E-learning ondergebracht. De activiteiten van deze scholen – instructeursopleidingen, opleidingen in leiderschap en opleidingen voor onderwijsbegeleiders, teambuilding en de begeleiding van de ontwikkeling van e-learning – zijn in alle defensieonderdelen van belang. Hun samenvoeging kan bijdragen aan de samenhang in de krijgsmacht;

• de formulering van een opleidingsbeleid ook voor het burgerpersoneel, te beginnen met de opstelling van criteria voor het volgen van een opleiding met steun in tijd en geld van de werkgever;

• bij de vaststelling van de opleidingsbehoefte moet Defensie ook de kennis en ervaring van betrokkene vaststellen, zodat via maatwerk kan worden bepaald of de cursist de hele opleiding moet volgen of met een gedeelte kan volstaan;

• onderzocht moet worden of het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen alle verpleegkundigen tot uiteindelijk niveau 4 moet opleiden. Als differentiatie mogelijk is, dan komt dat de doelmatigheid ten goede;

• voor de Belgisch-Nederlandse Commissariaatschool (de ‘kokschool’) moet worden bekeken of schaalvoordelen te bereiken zijn door ook andere defensieonderdelen voor hun (veld)keukenopleidingen gebruik te laten maken van deze school;

• na de accreditatie van de Nederlandse Defensieacademie moet worden onderzocht of voor het wetenschappelijk onderwijs intensievere samenwerking met een of meer universiteiten mogelijk en doelmatig is.

HOOFDSTUK 1
INLEIDING



    1. Aanleiding tot opdracht nulmeting opleidingen Defensie

In het voorjaar van 2007 bespraken de bewindslieden van Defensie met de ambtelijke top in het zogenaamde ‘Rosep-overleg’ de financiële situatie en de mogelijkheden tot doelmatigheid. Met betrekking tot het opleiding- en trainingsveld is toen vastgesteld dat het inzicht ontbrak om daarover zinvolle uitspraken te doen. Als niet bekend is welke middelen Defensie besteedt aan opleidingen en wat het rendement daarvan is in termen van aantallen opgeleid personeel, is namelijk geen goed oordeel mogelijk over de doelmatigheid. Daarom heeft de Secretaris-generaal opdracht gegeven tot een zogenaamde nulmeting opleidingen, een inventarisatie, die een kwantitatief en kwalitatief beeld van het opleidingsveld bij Defensie moet opleveren.





    1. Samenstelling projectgroep

Voor de uitvoering van deze opdracht is een projectgroep opgericht, bestaande uit:

drs. E. Kwast, projectleider

mw. drs. M.K. Berkhout-van der Meulen, gedetacheerd bij de projectgroep vanuit HDFC

mw. drs. M. van der Zwaal, Defensietrainee

lkol b.d. A. Mantel





    1. Afbakening van het onderzoeksveld

De projectgroep heeft tot onderwerp van het onderzoek gerekend:



  • de defensiescholen en opleidingscentra (inclusief staf) van de operationele commando’s;

  • de opleidingen die de ROC’s voor Defensie verzorgen;

  • opleidingen voor burgerpersoneel;

  • het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen;

  • de Nederlandse Defensie Academie.3



    1. Werkwijze projectgroep

Met het oog op het gevraagde kwantitatieve inzicht in het opleidingsveld van Defensie heeft de projectgroep een uitvoerige vragenlijst opgesteld, ter beantwoording door de ‘scholen’, dat wil zeggen de opleidings- en trainingscentra (OTC-a) bij het Commando Landstrijdkrachten, de scholen van het Commando Zeestrijdkrachten en het Commando Luchtstrijdkrachten het Landelijk Opleidings- en Kenniscentrum Koninklijke Marechaussee en de districten van de Koninklijke marechaussee, het Instituut Defensie Geneeskundige Opleidingen en de Nederlandse Defensie Academie. De gewenste informatie bleek namelijk niet te verkrijgen via de geautomatiseerde personeelsbestanden van Defensie, in het bijzonder Peoplesoft: die konden geen actueel en compleet overzicht van de opleidingen verschaffen. Per school werd onder meer gevraagd naar aantallen direct onderwijsgevenden en aantallen ondersteunend personeel, en voor de door hen gegeven opleidingen onder meer naar aantallen leerlingen, de duur van de opleiding, de bezettingsgraad en de certificering.


Deze vragenlijst is voorafgaand aan de vaststelling enkele malen met vertegenwoordigers van de operationele commando’s besproken. De projectgroep moest er zeker van zijn dat de gevraagde informatie inderdaad beschikbaar zou zijn. Gegevens over opleidingsverloop worden bijvoorbeeld niet overal bijgehouden en – voor zover ze worden bijgehouden – slechts voor de initiële opleiding.4 De voorbereiding van de vragenlijst moest bovendien mogelijke begripsverwarring voorkomen, zodat de vraagstelling voor alle respondenten duidelijk zou zijn. Afgesproken is het jaar 2007 als meetmoment te nemen. Dat betekent dat ‘slapende’ opleidingen en opleidingen die niet ieder jaar maar slechts incidenteel worden gegeven, buiten beschouwing zijn gebleven. Omdat opleidingen die niet worden gegeven en slechts op papier bestaan, geen capaciteit kosten, heeft dit voor de nulmeting geen verdere betekenis.
Na ontvangst van de gegevens van de defensieonderdelen heeft de projectgroep deze gegevens met behulp van een aantal zogenaamde ‘queries’ geordend en geanalyseerd. De vragen zijn beantwoord in een excellbestand en vervolgens door de Defensie Telematica Organisatie overgezet in een database, met staafdiagrammen en dergelijke. Omdat het jaar 2007 als meetmoment was gekozen, konden de scholen en de operationele commando’s de beantwoording van de vragen pas na 1 januari 2008 opmaken. Het heeft tot eind maart geduurd voordat de projectgroep het gegevensbestand compleet had. Het resultaat van de inventarisatie is weergegeven in hoofdstuk 2.
Het overleg met de operationele commando’s over de vraagstelling voor de nulmeting was mede bedoeld om helderheid te krijgen over de wensen van de projectgroep en om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de gegevensbestanden die binnen Defensie voorhanden zijn. Zo zijn de vragen over de aantallen docenten en ander personeel van de scholen bewust op schoolniveau gesteld. Veel opleidingen duren slechts één of een aantal dagen, of enkele weken of maanden. Een vraag naar de ingezette personele capaciteit per opleiding zou veel omrekenwerk specifiek voor deze nulmeting vereisen. Dit zou onvermijdelijk schijnnauwkeurigheid opleveren. Toch waarschuwt de projectgroep ervoor dat aan de getallen in dit rapport niet zonder meer een absolute betekenis mag worden toegekend. De gegevens moesten worden geleverd door een groot aantal respondenten die - ondanks het vooroverleg over de vragenlijst en vervolgens de uitleg bij de vragenlijst – bij sommige vragen toch niet ontkomen aan een eigen interpretatie. Bovendien waren in een aantal gevallen de gevraagde gegevens niet geregistreerd.
Daarnaast heeft de projectgroep een groot aantal gesprekken gevoerd met personen in de defensieorganisatie, zowel met leidinggevenden als met mensen op de werkvloer. Voorts heeft de projectgroep een aantal bezoeken aan opleidingsinstanties gebracht. Bijlage 1 bij dit rapport bevat een overzicht van de personen met wie is gesproken en bijlage 2 van afgelegde werkbezoeken.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina