Onderzoeken en observaties bij de moeder durante partu Leervragen



Dovnload 20.04 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte20.04 Kb.
Onderzoeken en observaties bij de moeder durante partu

Leervragen:

  • Welke onderzoeken doe je bij de moeder durante partu?

  • Wanneer/indicaties, contra-indicaties

  • Welke observaties doe je met betrekking tot het inschatten van de weeën en de progressie van de baring?

  • Bij welke observaties/uitkomsten verwijs je door naar de tweede lijn?

  • Op welke manier doe je verslaglegging van een partus?  (partogram)


Welke onderzoeken doe je bij de moeder durante partu?

Vaginaal toucher

Het doel van een vaginaal toucher is het objectiveren of een vrouw in partu is, het vaststellen van ontsluiting en dus de effectiviteit van de weeën en het bepalen van de aard en de stand van het voorliggende deel. 1 Als met een marge van 1 centimeter rekening wordt gehouden, is het vaginaal toucher een redelijk betrouwbare methode om de mate van ontsluiting te beoordelen. Omdat het door vrouwen als belastend kan worden ervaren en er altijd bacteriën uit de vulva en vagina naar de cervix worden overgebracht is het zaak om het aantal vaginaal touchers durante partu te beperken. Volgens de WHO en de KNOV is het voldoende om voor het beoordelen van een normale voortgang van de ontsluiting elke vier uur te toucheren. Uit onderzoek blijkt dat frequente touchers (bv. elke twee uur) geen meerwaarde hebben, de baringsuitkomsten zijn vergelijkbaar of er elke vier of twee uur wordt getoucheerd. Wanneer in de actieve fase na vier uur onvoldoende vooruitgang geconstateerd wordt (bv. als de actielijn overschreden dreigt te worden, zie partogram), kan dit een indicatie zijn om het volgende vaginaal toucher sneller te verrichten. 2 Wanneer de vliezen gebroken zijn, wordt het VT zo lang mogelijk uitgesteld.

Contra-indicaties voor het verrichten van het VT zijn gebroken vliezen zonder weeënactiviteit en ruim bloedverlies. 3

Voor de juiste uitvoering van het VT durante partu zie de VHO handleiding.

Aandachtspunten zijn (met als geheugensteun POVASI):

Portio: je let op de stand van de portio ten opzichte van de vaginale as. Deze kan sacraal, centraal en soms symfysair gericht zijn. Bij de portio voel je of hij staat, half of geheel verstreken is. De consistentie kan stug, week, maar ook oedemateus zijn. Verder bepaal je de dikte van de portio.

Ontsluiting: de ontsluiting wordt in centimeters geschat door de vingers in de opening op het voorliggend deel of de vliezen te plaatsen en ze tussen de randen van de ontsluiting te spreiden.

Vliezen: bij staande vliezen kan je voelen naar de hoeveelheid voorwater (vruchtwater tussen voorliggend deel en vliezen). De spanning van de vliezen geeft belangrijke informatie over de weeënkracht en de druk op de ontsluitingsrand. Bij gebroken vliezen ontstaat door omsnoering van het caput in het baringskanaal bij goede weeënactiviteit oedeem onder de huid. Het caput succedaneum dat zo na het breken van de vliezen genoemd wordt, geeft informatie over de weeënkracht.

Aard voorliggend deel: voel naar de aard van het voorliggende deel (caput/stuit): hard en rond, zacht, onregelmatig of geen voorliggend deel. Oriënteer je op de benige structuren zoals fontanellen, naden, oogkasranden, kin en sacrum. Je probeert te voelen hoe de oriënteringspunten ten opzichte van de bekkenas liggen.

Stand voorliggend deel: bepalen in welke richting het aanwijspunt (achterhoofd, kin, sacrum) ligt. Voelen rondom het voorliggende deel naar kleine delen of navelstreng (pulserend). Aan de stand kan de mate van flexie en deflexie worden beoordeeld. De moulage van het caput geeft een indruk van de mate van aanpassing aan het bekken.

Indaling voorliggend deel: breng het diepst ingedaalde benige deel in relatie met de indalingsvlakken van Hodge. Oriëntatiepunten hierbij zijn de boven- en onderrand van de symfyse en de spinae ischiadicae. 1,3
Uitwendig onderzoek

Doormiddel van palpatie worden de ligging van het kind, de aard en de indaling van het voorliggend deel bepaald. Als palpatie tussen het voorliggende deel en de symfyse niet mogelijk is, is het voorliggende deel goed ingedaald. Bij een hoofdligging kan de indaling durante partu worden geschat door te voelen naar de voorste schouder en te bepalen hoeveel vingers er tussen de symfyse en de schouders geplaatst kunnen worden (ruimte voor drie vingers: hoofd ongeveer 1/3 ingedaald, bij twee vingers: hoofd ongeveer ½ ingedaald).1


Beoordeling van de algemene toestand

door de bloeddruk, temperatuur en pols in ieder geval éénmaal te meten. Bij een diastolische tensie van 95 mmHg of meer dient de barende te worden verwezen naar de tweede lijn. Bij lang gebroken vliezen worden de temperatuur en pols frequenter gecontroleerd. 1



Welke observaties doe je met betrekking tot het inschatten van de weeën en de progressie van de baring?

Observatie van de uterusactiviteit geeft informatie over de kwaliteit van de weeën en over de voortgang tijdens het ontsluitingsproces. Frequentie, duur en regelmaat van een wee zijn eenvoudig te observeren of uit te vragen. De inschatting van de kracht van de weeën is minder eenvoudig en het beoordelen van de weeënactiviteit middels palpatie is matig betrouwbaar. Hierbij leg je de hand op het bovenste derde van de uterus. Ook kan het gedrag van de barende tijdens de weeën worden geobserveerd: kan de barende doorkletsen tijdens een wee, moet zij zich concentreren en de wee verademen, wordt zij volledig in beslag genomen en vertoont zij onrust, snel ademen en hardop kreunen? 4

Verloskundigen blijken goed aan te kunnen geven op basis van welke gedragsobservaties zij de voortgang van de baring inschatten. Er bestaan echter geen betrouwbare en valide meetinstrumenten voor gedragsobservaties, zodat voorzichtigheid geboden is bij het trekken van conclusies. 2

Mogelijke observaties:



  • veranderingen in het gedrag van de barende: meer in zich gekeerd en geconcentreerder bezig met opvangen van contracties, soms bevinden zich vrouwen in een tranceachtige toestand. De laatste paar centimeters van de ontsluiting worden ook wel de `periode du désespoire´ genoemd. De zwangere wordt onrustig, wanhopig en ziet het niet meer zitten en krijgt de neiging mee te gaan persen op het hoogtepunt van een wee. 5,6

  • verlies van de slijmprop

  • breken van de vliezen

  • braken

  • toename van drukgevoel tijdens de weeën

  • reflectoire persdrang

  • opbollen van het perineum 1


Bij welke observaties/uitkomsten verwijs je door naar de tweede lijn?

Voor de C-categorisering tijdens de baring geldt dat bij het optreden van een van de hieronder vermelde condities steeds moet worden gestreefd naar een optimale situatie voor de begeleiding van de verdere partus. In verband met benodigde spoed is verwijzing naar de tweede lijn hierbij aangewezen. Bij een verwijzing vanuit de thuissituatie moet daarbij steeds het risico worden meegewogen, dat transport van de barende met zich meebrengt. 7



  • Afwijkende ligging (stuitligging, dwarsligging, deflexieliggingen zoals voorhoofdsligging en aangezichtsligging)

  • Voorliggende en uitgezakte navelstreng

  • Koorts: hierbij is het van belang na te gaan wat de onderliggende oorzaak is. Er moet met name rekening gehouden worden met een intra-uteriene infectie. De toediening van antibiotica tijdens de baring moet worden overwogen.

  • Niet vorderende ontsluiting wordt gedefinieerd als het stagneren van de ontsluiting gedurende vier uur in de actieve fase. Men kan in die fase een vordering verwachten van 1 cm per 1-2 uur, maar er is grote individuele variatie. Van niet vorderen spreekt men wanneer de ontsluiting in vier uur minder dan 2 cm is toegenomen, dan is in het partogram de waarschuwingslijn overschreden.1 Volgens de VIL is dit een overleg-situatie (B). 7


Op welke manier doe je verslaglegging van een partus?  (partogram)

Een partogram is een geschikt hulpmiddel voor de monitoring van de voortgang in de ontsluiting, naast de mate van ontsluiting kunnen ook andere observaties worden weergegeven. De KNOV beveelt een partogram aan dat geënt is op het WHO-partogram. Dit partogram bevat ruimte voor een latente en actieve fase, een waarschuwingslijn en actielijn (voor een ingevuld voorbeeld zie de KNOV standaard Niet Vorderende Ontsluiting).2


Bronnen

  1. Prins M, van Roosmalen J, Scherjon S, Smit Y. Praktische Verloskunde. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2009

  2. KNOV standaard Niet Vorderende Ontsluiting; Bilthoven 2006

  3. Powerpoints werkcollege over start baring

  4. Geist C, Harder U, Stiefel A. Hebammenkunde. Stuttgart: Hippokrates; 2007

  5. Heineman MJ, Evers JLH, Massuger LFAG, Steegers EAP. Obstetrie en gynaecologie, de voortplanting van de mens. Maarsen:Elsevier gezondheidszorg; 2007

  6. Odent M, Biemans H, van Rees S. Lichaamstaal van de geboorte. Uitgeverij Bert Bakker; 1983

  7. KNOV Verloskundig Vademecum VIL; 2003





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina